Import van kritieke materialen: nieuwste inzichten

Data en methoden

In dit onderdeel worden de belangrijkste databronnen, afbakeningen en methodologische keuzes achter de analyses in hoofdstukken 2 tot en met 4 toegelicht. De hoofdstukken zelf bevatten alleen de methodologische informatie die nodig is om de resultaten te kunnen interpreteren; meer technische details zijn hier samengebracht. Omdat de hoofdstukken verschillende perspectieven op de invoer en kritikaliteit gebruiken, verschilt ook de toegepaste methode per hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 t/m 4: afbakening van kritieke en gemonitorde materialen

Voor de afbakening van kritieke materialen is uitgegaan van de Europese lijst van kritieke en strategische grondstoffen (Europese Commissie, 2023). Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 worden de Europese grondstoffen in deze publicatie samengevoegd tot 32 analytische materiaalgroepen. Daarnaast nemen we in hoofdstuk 2 een grote groep niet-kritieke materialen mee die in deze publicatie gemonitorde materialen worden genoemd.

Om deze kritieke materialen te kunnen koppelen aan handelsdata en waardeketendata was het nodig om een koppeling te maken met de goederencodes (GN8) van de statistiek internationale handel in goederen. De GN is de goederenclassificatie die binnen de Europese Unie wordt gebruikt voor de statistiek Internationale Handel in Goederen en bestaat op het meest gedetailleerde niveau uit 8-cijferige goederencodes (GN8). De indeling wordt jaarlijks aangepast. Er is daarnaast gebruikgemaakt van een update van de TNO-grondstofscanner. Deze bevat per relevante goederencode (GN8) informatie over de geschatte samenstelling naar materialen in termen van gewicht. In de eerdere CBS-publicatie (Aerts et al., 2025) werd nog gebruikgemaakt van koppelgegevens van het Joint Research Centre (JRC).

De TNO-koppeling heeft voor dit onderzoek enkele voordelen. In de eerste plaats geeft de TNO-grondstofscanner een geschat gewichtsaandeel van een kritiek materiaal voor elke relevante goederencode, terwijl in de eerdere methode is uitgegaan van een evenredig (dus minder precies) aandeel op basis van het aantal materialen per code in de JRC-publicatie. In de tweede plaats geeft de TNO-grondstofscanner ook inzicht in de gemonitorde (niet-kritieke materialen) en kan deze informatie nu worden gebruikt voor onderzoek van deze groep van materialen. In de derde plaats is het nu mogelijk om materialen (grondstoffen, tussenproducten) op dezelfde manier te koppelen aan handelsdata als eindproducten, omdat beide worden weergegeven in dezelfde koppeltabel. In eerder werk werden materialen en producten nog apart gepresenteerd. Nu is het dus mogelijk om de import van vier groepen tegelijk te presenteren: van kritieke materialen, van gemonitorde materialen, van producten met kritieke materialen en producten met gemonitorde materialen.

Historische harmonisatie van goederencodes en toerekening van gewicht en waarde

Het uitgangspunt voor de toebedeling van importwaarde of importgewicht tot deze vier groepen betreft de goederensoorten (GN8) van de statistiek internationale handel in goederen. Het gebruik van verdeelsleutels is nodig omdat een goederensoort zowel kritieke/strategische materialen als gemonitorde materialen kan bevatten, en daarbinnen natuurlijk ook meerdere materialen van elke categorie. Er is daarbij gekozen voor een pragmatische aanpak die hierop aansluit en bovendien zoveel mogelijk aansluit op de aanpak in eerder werk. De volgende stappen zijn genomen om te komen tot cijfers over de Nederlandse import van kritieke en gemonitorde materialen, zowel grondstoffen als producten:

  1. Als basisbestand is gekozen voor een versie van de TNO-grondstoffenscanner (november 2025), met aandelen van de hierboven vermelde materialen als aandeel van het totaal per goederensoort, op basis van gewichten (kilogrammen).
  2. Het bruikbaar en volledig maken van het bestand voor alle jaren in de periode 1988-2025 door terug- en vooruitlegging van de informatie (rekening houden met wijzigingen in bepaalde goederensoortcodes elk jaar).
  3. Het alloceren van de goederensoorten naar grondstof/tussenproduct of eindproduct. Zie daarvoor de bijlage 2.
  4. Het bepalen van definitieve verdeelsleutels op basis van gewicht (kg) en, door toepassing van prijsinformatie, ook op basis van waarde (euro). Het betreft hier prijsinformatie van DERA (2025) en USGS (2025) aangevuld met unit-value-informatie van het CBS bij ontbrekende informatie. Aansluitend op eerder werk en vanuit het principe dat de beschikbaarheid van elk kritiek materiaal cruciaal kan zijn, geldt voor zowel gewicht als waarde dat alle relevante goederencodes 100 procent meetellen en daarbinnen een verdeling plaatsvindt naar de kritieke en gemonitorde materialen. Voor gewicht is daarbij de TNO-grondstofscanner het uitgangspunt en bij waarde is dat de verdeling na weging op basis van de kiloprijs per materiaal.
  5. Het confronteren van deze verdeelsleutels met actuele of historische handelsinformatie van Nederland of andere EU-landen.

Na toepassing van deze stappen kunnen vier groepen worden onderscheiden:

  1. De import van kritieke materialen in de vorm van grondstoffen en halffabricaten;
  2. De import van (eind)producten met kritieke materialen;
  3. De import van gemonitorde (niet-kritieke) materialen in de vorm van grondstoffen en halffabricaten;
  4. De import van (eind)producten met gemonitorde materialen.

Hoofdstuk 2: grensoverschrijdende goederenhandel

Voor de vergelijking tussen EU-landen is gebruikgemaakt van de Comext-database van Eurostat, geraadpleegd via Easy Comext (Eurostat, 2026). Comext is de referentiedatabase van Eurostat voor gedetailleerde statistieken over de internationale goederenhandel. De cijfers bevatten zowel intra-EU- als extra-EU-handel en kunnen onder meer worden uitgesplitst naar land, handelspartner en GN-code.

Om inzicht te geven in de ontwikkeling van de Nederlandse import (waarde, gewicht) van kritieke materialen maken we gebruik van de statistiek Internationale Handel in Goederen (IHG) van het CBS. Deze statistiek registreert grensoverschrijdende goederenstromen. De cijfers in hoofdstuk 2 bevatten daarom in beginsel ook goederen die Nederland binnenkomen zonder dat het economisch eigendom bij een Nederlandse ingezetene terechtkomt, waaronder quasi-doorvoer.

Om de invloed van deze goederenstromen zichtbaar te maken, worden in hoofdstuk 2 cijfers zowel inclusief als exclusief quasi-doorvoer gepresenteerd. Daarnaast wordt bij de Europese vergelijking afzonderlijk gekeken naar de invoer uit landen buiten de EU. Daarmee wordt zichtbaar welk deel van de import rechtstreeks uit niet-EU-landen afkomstig is.

Landenconcept

Bij de uitsplitsing van de Nederlandse import naar land wordt in hoofdstuk 2 uitgegaan van het land van herkomst zoals geregistreerd in de handelsstatistiek. Dit hoeft niet hetzelfde te zijn als het land waar een product oorspronkelijk is vervaardigd. Een product dat in China is geproduceerd maar vanuit Duitsland naar Nederland wordt verzonden, kan daardoor in de gebruikte cijfers aan Duitsland worden toegerekend. Dit is van belang bij de interpretatie van de resultaten naar leverancier.

Hoofdstuk 3: invoer volgens economisch eigendom en bestemming

De cijfers in hoofdstuk 3 zijn verkregen door gegevens van de nationale rekeningen te combineren met gegevens uit de statistiek Internationale Handel in Goederen. Daarbij zijn de cijfers en definities van de nationale rekeningen leidend (Walker et al., 2024).

In tegenstelling tot hoofdstuk 2 staat hier niet de fysieke grensoverschrijding centraal, maar de overdracht van economisch eigendom. Invoer wordt in deze analyse gedefinieerd als de overdracht van economisch eigendom van goederen van een niet-ingezetene aan een Nederlandse ingezetene. Quasi-doorvoer blijft daarom buiten beschouwing. Ook invoer door Nederlandse ondernemingen van goederen die volledig in het buitenland worden geproduceerd (production abroad) is voor deze analyse buiten beschouwing gelaten.

Door verschillen in definities en methoden wijken de cijfers in hoofdstuk 3 af van de grensoverschrijdende handelscijfers in hoofdstuk 2. Ook kunnen de cijfers voor 2023 licht afwijken van die in Aerts et al. (2025), door revisies van de onderliggende statistieken en aanpassingen in de gebruikte verdeelsleutels.

De invoer kan binnen deze benadering worden toegerekend aan drie bestemmingen:

  • invoer voor intermediair verbruik door bedrijven in Nederland, uitgesplitst naar invoer die wordt verwerkt voor binnenlandse bestedingen en invoer die wordt verwerkt voor de uitvoer;
  • invoer die rechtstreeks bestemd is voor binnenlandse bestedingen, waaronder investeringen en veranderingen in voorraden;
  • invoer voor wederuitvoer.

Wederuitvoer bestaat uit goederen die na invoer in vrijwel onbewerkte staat opnieuw worden uitgevoerd en gedurende die periode wel tijdelijk economisch eigendom zijn van een Nederlandse ingezetene. Daarmee verschilt wederuitvoer van quasi-doorvoer.

Bedrijven en concentratie van de invoer

Voor de analyse van het aantal importerende bedrijven zijn de handelsgegevens gekoppeld aan het Algemeen Bedrijvenregister (ABR) van het CBS. Een bedrijf kan meerdere kritieke materialen importeren en wordt dan bij ieder van deze materialen afzonderlijk meegeteld. De aantallen per materiaal kunnen daarom niet bij elkaar worden opgeteld om het totale aantal importerende bedrijven te verkrijgen.

Daarnaast kan één GN8-code aan meerdere materialen zijn gekoppeld. Een bedrijf kan daardoor op basis van één goederenzending bij meerdere materialen als importeur worden geregistreerd. Er is geen minimale toegerekende materiaalwaarde gehanteerd om een bedrijf als importeur van een materiaal mee te tellen.

Niet alle invoerwaarde kan aan een Nederlands bedrijf in het ABR worden gekoppeld. Dit betreft onder meer buitenlandse ondernemingen met een Nederlands btw-nummer waarvoor geen Nederlandse bedrijfseenheid kan worden vastgesteld. Bij sommige materialen vormt deze niet-gekoppelde invoerwaarde een aanzienlijk deel van het totaal.

De concentratie wordt gemeten als het aandeel van de vijf en tien grootste gekoppelde importeurs in de totale invoerwaarde van het betreffende materiaal. De noemer omvat daarbij ook invoerwaarde die niet aan een specifiek bedrijf kon worden gekoppeld. De concentratiepercentages kunnen daardoor lager uitvallen dan wanneer uitsluitend de aan bedrijven gekoppelde invoerwaarde als uitgangspunt zou worden genomen.

Vanwege statistische geheimhouding worden concentratiepercentages niet gepubliceerd wanneer het aantal bedrijven te klein is of wanneer één bedrijf een te groot aandeel in de invoerwaarde heeft.

Hoofdstuk 4: berekening van kritikaliteit

In hoofdstuk 4 wordt voor elk van de 32 onderzochte materiaalgroepen een kritikaliteitscore berekend. Deze score combineert drie dimensies:

  • het leveringsrisico;
  • de economische impact voor Nederland;
  • de verwachte groei van het gebruik.

De multidimensionale benadering en het gebruik van een meetkundig gemiddelde zijn geïnspireerd op Nassar en Fortier (2021). De invulling van de drie dimensies is aangepast aan de Nederlandse context.

Leveringsrisico

Het leveringsrisico is gebaseerd op de methodiek van Blengini et al. (2017). De indicator houdt rekening met de geografische concentratie van de mondiale productie, de concentratie van de Nederlandse invoer, de bestuurlijke kwaliteit van producerende en leverende landen, het onderscheid tussen EU- en niet-EU-handel, recycling en de mogelijkheden om materialen te vervangen.

De geografische concentratie van productie en invoer wordt gemeten met de Herfindahl-Hirschman-index (HHI). Voor de mondiale productie worden gegevens uit het Raw Materials Information System van het Joint Research Centre gebruikt (JRC, 2023). Voor de Nederlandse invoer worden CBS-microdata over de internationale goederenhandel gebruikt.

Voor de bestuurlijke kwaliteit wordt gebruikgemaakt van de Worldwide Governance Indicators van de Wereldbank (2025b). Een hogere uiteindelijke risicoscore staat voor een grotere kans op verstoringen die samenhangen met zwakkere bestuurlijke instituties. Daarnaast wordt rekening gehouden met het verschil tussen EU- en niet-EU-landen. In navolging van Carrara et al. (2023) wordt het leveringsrisico van invoer uit EU-landen vermenigvuldigd met 0,8, terwijl het leveringsrisico van invoer uit niet-EU-landen volledig meetelt met een factor van 1. Voor recycling en substitutie worden de indicatoren uit Blengini et al. (2017) gebruikt.

Economische impact

De economische impact geeft aan hoeveel economische activiteit in Nederland direct of indirect samenhangt met het gebruik van een materiaal.

Van directe afhankelijkheid is sprake wanneer een Nederlandse bedrijfstak een materiaal rechtstreeks importeert. Indirecte afhankelijkheid ontstaat wanneer een bedrijfstak goederen of diensten afneemt van andere Nederlandse bedrijfstakken die het materiaal rechtstreeks importeren. Met behulp van input-outputgegevens wordt deze afhankelijkheid door de Nederlandse productieketen gevolgd.

Vervolgens wordt de toegevoegde waarde van bedrijfstakken toegerekend aan de materialen waarvan zij direct of indirect afhankelijk zijn.

De economische impact wordt daarnaast gecorrigeerd voor substitutiemogelijkheden. Hiervoor wordt de substitutie-index van Blengini et al. (2017) gebruikt. Een materiaal waarvoor weinig technisch en economisch geschikte substituten beschikbaar zijn, krijgt daardoor bij een vergelijkbare economische blootstelling een hogere economische-impactscore.

Verwachte groei van het gebruik

De derde dimensie geeft de verwachte ontwikkeling van het materiaalgebruik weer. Hiervoor zijn prognoses en studies uit verschillende bronnen gecombineerd, waaronder Rietveld et al. (2019), Watari et al. (2020), Carrara et al. (2023), de USGS (2024, 2025, 2026), IRENA & NUPI (2024) en de IEA (2026a, 2026b).

Omdat niet voor alle materialen prognoses met dezelfde tijdshorizon, scenario's en eenheden beschikbaar zijn, wordt geen uniforme kwantitatieve groeivoet berekend. In plaats daarvan krijgt ieder materiaal een relatieve score van 1 tot en met 10 op basis van de beschikbare literatuur.

Normalisatie en totale kritikaliteit

Om de drie dimensies te kunnen combineren, worden de oorspronkelijke uitkomsten voor leveringsrisico, economische impact en verwachte groei omgezet naar een schaal van 1 tot en met 10.

Voor de economische impact wordt een logaritmische transformatie toegepast, zodat zeer grote verschillen in economische omvang de uiteindelijke score niet volledig bepalen. Het leveringsrisico wordt eveneens naar een schaal van 1 tot en met 10 gebracht. De kritikaliteit wordt vervolgens berekend als het meetkundig gemiddelde van de drie genormaliseerde dimensies:

$$Kritikaliteit= \sqrt[3]{leveringsrisico * economische\,impact * verwachte\,groei}$$

Door het meetkundig gemiddelde krijgt een materiaal vooral een hoge kritikaliteit wanneer het op meerdere dimensies hoog scoort. Een zeer hoge score op één dimensie kan een lage score op een andere dimensie daardoor niet volledig compenseren.

De scores zijn onderling vergelijkbaar binnen de onderzochte groep materialen. De normalisatie is gebaseerd op de minimum- en maximumwaarden binnen deze groep. De scores zijn bovendien relatief: toevoeging of verwijdering van materialen kan dan ook de scores van andere materialen beïnvloeden.

Materialen en producten

De kritikaliteit wordt eerst berekend voor materialen die als grondstof of halffabricaat worden ingevoerd en vervolgens voor producten waarin kritieke materialen zijn verwerkt.

Helium, fosfor en cokeskolen worden niet in de productanalyse opgenomen, omdat zij voornamelijk als proces- of hulpstof worden gebruikt en tijdens de productie worden verbruikt of chemisch worden omgezet. Voor arseen en bismut is onvoldoende productinformatie beschikbaar om deze materialen aan specifieke producten te koppelen.

Tot slot wordt voor figuur 4.4 en tabel 4.5 de analyse uitgevoerd voor het totaal van grondstoffen, halffabricaten en (eind)producten. Hierbij worden deze drie categorieën samengenomen in één dataset en wordt de kritikaliteit vervolgens op dezelfde wijze berekend als voor de afzonderlijke categorieën.