Auteur: Elianne Derksen, Luca Janssen, Maartje Tummers-van der Aa

COVID-19-vaccinatiegedrag

Over deze publicatie

In het voorjaar van 2020 leidde de snelle verspreiding van het coronavirus tot een wereldwijde pandemie. Lockdowns en andere maatregelen hadden tot doel de verspreiding van het coronavirus te beperken. Deze maatregelen hebben veel invloed gehad op de Nederlandse samenleving en zorgden voor politiek en maatschappelijk debat. Later in de pandemie kwamen vaccins beschikbaar. Deze vormden een belangrijk onderdeel van de Nederlandse aanpak tegen het coronavirus. In dit rapport wordt de vaccinatiegraad van verschillende groepen onderzocht naar ervaren gezondheid en kenmerken van sociale samenhang. Deze informatie kan van waarde zijn in het gesprek over vaccinatiestrategieën.

De COVID-19-vaccinatiegraad hangt het sterkst samen met leeftijd. Daarnaast spelen ook religie, vertrouwen, het huishoudensinkomen en opleidingsniveau een rol. Jongeren lieten zich relatief weinig vaccineren ten opzichte van ouderen. Naar religie was de vaccinatiegraad het laagst onder moslims. Weinig vertrouwen in instituties als de Tweede Kamer en de gezondheidszorg, hangt samen met een lagere vaccinatiegraad. Mensen uit een huishouden met een hoger inkomen en mensen met een hoger opleidingsniveau zijn relatief vaak gevaccineerd tegen het coronavirus.

1. Inleiding

In het voorjaar van 2020 leidde de snelle verspreiding van het coronavirus (dat resulteert in de ziekte COVID-19) tot een wereldwijde pandemie. De Nederlandse aanpak om het virus onder controle te krijgen werd aangeduid als een ‘intelligente lockdown’, die begon in maart 2020. Deze had tot doel om groepsvorming te voorkomen, maar contact in kleine groepen niet onmogelijk te maken en de samenleving op afstand draaiende te houden (1,5-metersamenleving). Het advies was om zoveel mogelijk thuis te blijven en thuis te werken. De lockdown kende perioden van versoepelingen en inperkingen, waarbij bijvoorbeeld de scholen de deuren moesten sluiten en verschillende beroepsgroepen zoals de horeca en kappers tijdelijk geen mensen mochten ontvangen of onder strikte voorwaarden. In juni 2020 was het voor iedereen mogelijk om zich te laten testen bij verschillende GGD-testlocaties door het hele land. Vanaf januari 2021 kwamen in Nederland vaccins beschikbaar tegen het coronavirus. De bevolking werd op volgorde uitgenodigd om een coronavaccinatie te halen. Het vaccinatieprogramma prioriteerde hierbij zorgpersoneel (werkzaam in verpleeghuizen, gehandicaptenzorg en thuiszorg), verpleeghuisbewoners en verstandelijk beperkten in instellingen. Vervolgens werden mensen met een medische indicatie en mensen van 60 jaar of ouder uitgenodigd om een coronavaccinatie te halen. Daarna werd overig zorgpersoneel uitgenodigd. Tot slot kregen ook alle andere mensen van 18 tot 60 jaar zonder medische indicatie een uitnodiging en konden kinderen van 6 maanden tot en met 17 jaar met een medisch verhoogd risico op een ernstig beloop van het coronavirus een vaccinatie krijgen. Iedereen die dat wilde kreeg de kans om zich te laten vaccineren. Mede als gevolg van de lockdowns, het test- en quarantainebeleid, vaccinaties en immuniteit door doorgemaakte besmettingen daalden uiteindelijk de besmettingsgraad en de ziekenhuisopnames, waarna op 10 mei 2022 de laatste coronamaatregelen in Nederland werden opgeheven (RIVM, 2023).

Voor beleid is het van belang om inzicht te krijgen in welke groepen in meer of mindere mate hebben gekozen om zich te laten vaccineren. In dit rapport wordt de vaccinatiegraad van verschillende groepen onderzocht in relatie tot ervaren gezondheid en kenmerken van sociale samenhang. Met vaccinatiegraad wordt hier bedoeld: mensen die minstens één vaccinatie tegen COVID-19 hebben gehad. Deze definitie wijkt af van de definitie die het RIVM gebruikt, waarin alleen mensen worden meegenomen die de volledige vaccinatiereeks hebben afgerond.

Bepaalde factoren of kenmerken kunnen bepalend zijn of iemand zich laat vaccineren of niet. Deze factoren worden ‘determinanten’ genoemd. Onderzoek naar de determinanten  van vaccinatie bij volwassenen in het algemeen, afgezien van COVID-19-vaccinatie, is in Nederland beperkt. Dit komt onder andere doordat vaccinaties van volwassenen niet centraal worden bijgehouden. Europees onderzoek laat zien dat sociaal-demografische kenmerken een rol spelen in de vaccinatie (Jain, Hoek, Boccia, & Thomas, 2017). Alleen wonen, wonen in een achterstandswijk, het hebben van een lager inkomen en/of een lagere opleiding en herkomst hangen samen met een lagere vaccinatiegraad. Uit steekproefonderzoek in Vlaanderen blijkt verder dat de vaccinatiegraad voor de griepprik hoger is onder ouderen, personen die met anderen samenwonen en onder personen met een medische aandoening (Maertens, et al., 2022). Hoewel gedateerd, toont onderzoek onder zorgmedewerkers aan dat vergelijkbare determinanten ook in Nederland van toepassing zijn (Hopman, et al., 2011).

Gegevens over COVID-19-vaccinaties worden in tegenstelling tot andere vaccinaties van volwassenen in Nederland wel landelijk geregistreerd. Dit biedt meer mogelijkheden voor onderzoek naar de COVID-19-vaccinatiegraad. Er zijn al verschillende onderzoeken gedaan naar determinanten van COVID-19-vaccinatie onder verschillende groepen (RIVM, 2021). Daaruit blijkt dat oudere mensen vaker gevaccineerd zijn dan jongere mensen. Verder zijn onder andere mensen met wantrouwen richting de overheid, zwangere vrouwen en gereformeerden minder vaak dan gemiddeld gevaccineerd. Deze onderzoeksresultaten zijn echter gebaseerd op gegevens uit cohortonderzoek of onderzochte determinanten op wijkniveau (RIVM, 2021; Labuschagne, et al., 2023), waarbij niet de gehele Nederlandse bevolking in het onderzoek is meegenomen. Recenter onderzoek onder de bevolking bevestigt de bevindingen over de relatie tussen sociaal-demografische kenmerken en de vaccinatiegraad (Pijpers, et al., 2023; Roekel, et al., 2023). Het in dit rapport gepresenteerde onderzoek maakt eveneens gebruik van het landelijke register van COVID-19-vaccinaties en vormt een aanvulling op eerdere studies naar de COVID-19-vaccinatiegraad door naast sociaal-demografische kenmerken ook kenmerken van gezondheid en sociale samenhang te onderzoeken. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De selectie van kenmerken is bepaald in overleg met VWS.

Dit rapport beschrijft de samenhang tussen de COVID-19-vaccinatiegraad en kenmerken met betrekking tot gezondheid, vertrouwen, participatie en religie, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in sociaal-demografische kenmerken. De uitkomsten zijn gebaseerd op analyse van databestanden waarin gegevens uit het COVID-vaccinatieregister gekoppeld zijn met gegevens uit CBS-enquêtes. Het rapport geeft antwoord op de volgende vragen:

  • Wat is de samenhang tussen de COVID-19-vaccinatiegraad en de ervaren, algemene staat van gezondheid?
  • Wat is de samenhang tussen de COVID-19-vaccinatiegraad en vertrouwen in de Tweede Kamer en de gezondheidszorg.
  • Wat is de samenhang tussen de COVID-19-vaccinatiegraad en participatie-indicatoren? Daarbij gaat het om sociale contacten, informele hulp en maatschappelijke participatie.
  • Wat is de samenhang tussen de COVID-19-vaccinatiegraad en religie?

Daarnaast is onderzocht welke van voorgenoemde kenmerken het sterkst samenhangen met de COVID-19-vaccinatiegraad. Bij alle analyses is rekening gehouden met de verschillen in vaccinatiegraad naar persoonskenmerken.

2. Methode

2.1 Bronnen

Voor dit onderzoek zijn data uit de Gezondheidsenquête en de enquête Sociale samenhang en welzijn van het CBS gekoppeld aan het COVID-vaccinatie Informatie- en Monitoringssysteem (CIMS) van het RIVM.

2.1.1 Gezondheidsenquête (GE)

De Gezondheidsenquête (GE) wordt jaarlijks door het CBS uitgevoerd. De doelpopulatie betreft personen van 0 jaar en ouder die in particuliere huishoudens in Nederland wonen. Het doel van de enquête is om een zo volledig mogelijk beeld te geven van (ontwikkelingen in) de gezondheid, medische contacten en leefstijl van de Nederlandse bevolking. Voor dit onderzoek zijn samengevoegde gegevens gebruikt uit de GE-edities 2019 tot en met 2022, waarbij de gegevens van mensen onder de 15 jaar niet zijn meegenomen. Zo is de populatie gelijk met de populatie uit de enquête Sociale samenhang en welzijn. In totaal komt dit neer op gegevens van 31.087 respondenten van 15 jaar en ouder. Voor meer informatie over de achtergrond van het onderzoek, de looptijd ervan en de waarneemmethodiek, kunt u de onderzoeksbeschrijving van de GE raadplegen.

Uit de GE-gegevens is de variabele ‘ervaren gezondheid’ gebruikt als maat voor de algemene staat van gezondheid. Respondenten kregen op de vraag “Hoe is in het algemeen uw gezondheid?” de antwoordopties: zeer goed, goed, gaat wel, slecht of zeer slecht. In dit rapport zijn deze resultaten teruggebracht tot de groepen (1) (zeer) goed, en (2) minder dan goed. Personen die geen antwoord hebben gegeven op deze vraag zijn niet meegenomen in de analyse.

2.1.2 Sociale samenhang en welzijnsenquête (SSW)

De enquête Sociale samenhang en welzijn (SSW) wordt jaarlijks door het CBS uitgevoerd. De doelpopulatie betreft personen van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens in Nederland. Het doel van de vragenlijst is om ontwikkelingen in sociale samenhang en welzijn vast te stellen. Bij sociale samenhang gaat het om de sociale, maatschappelijke en politieke participatie van de Nederlandse bevolking, evenals  het vertrouwen in anderen en in instellingen. Bij welzijn gaat het om de tevredenheid met verschillende aspecten van de leefsituatie. In dit onderzoek zijn samengevoegde gegevens uit de SSW-edities 2019 tot en met 2022 gebruikt. In totaal komt dit neer op een dataset met 30.119 respondenten van 15 jaar en ouder (voor meer informatie zie de onderzoeksbeschrijving van de SSW).

Uit de SSW-data zijn gegevens gebruikt van vertrouwen, maatschappelijke participatie, sociale contacten en religie.

Zoals gespecificeerd in de onderzoeksvragen zijn er twee maten van vertrouwen onderzocht: ‘vertrouwen in de Tweede Kamer’ en ‘vertrouwen in de gezondheidszorg’. In de enquête is mensen gevraagd of ze hier heel veel, tamelijk veel, niet zo veel of helemaal geen vertrouwen in hebben. In dit rapport zijn de resultaten samengevoegd tot de groepen met (1) heel veel of tamelijk veel vertrouwen en (2) niet zo veel of helemaal geen vertrouwen.

Om sociaal contact te onderzoeken werden de variabelen ‘contact met familie’, ‘contact met vrienden’ en ‘contact met buren’ gebruikt. Voor elk van deze potentiële contacten is aan personen gevraagd hoe vaak zij contact hadden. Het gaat hierbij om persoonlijke ontmoetingen, telefonische en schriftelijke contacten en om contact via bijvoorbeeld e-mail, sms, chat of door berichtjes te sturen. Mogelijke antwoordopties waren dagelijks, minstens 1x per week, minstens 1x per maand, minder dan 1x per maand of zelden tot nooit. In dit rapport zijn de resultaten samengevoegd tot de groepen die (1) tenminste wekelijks contact of (2) minder dan wekelijks contact hadden. Daarnaast is  de variabele ‘informele hulp’ gebruikt, waarbij personen werd gevraagd of zij de afgelopen vier weken in hun vrije tijd ook buiten organisaties om onbetaalde hulp gaven aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals zieken, buren, familie, vrienden en bekenden (ja/nee).

Maatschappelijke participatie is onderzocht met de variabelen ‘vrijwilligerswerk’, ‘deelname aan het verenigingsleven’ en het al dan niet hebben van ‘betaald werk’. De meting van vrijwilligerswerk is gebaseerd op de vraag of personen in het afgelopen jaar vrijwilligerswerk gedaan hebben (ja/nee). Voor deelname aan het verenigingsleven is gevraagd of en hoe vaak iemand actief is geweest bij een vereniging. De antwoordopties waren minstens 1x per week, minstens 1x per maand, minder dan 1x per maand of nooit. Tot slot is ook het hebben van betaald werk onderzocht als maat voor maatschappelijk participatie. Personen die aangaven voor minstens 1 uur per week betaald werk te hebben, werkzaam te zijn in een eigen bedrijf of praktijk, en/of werkzaam te zijn in een bedrijf of praktijk van de partner of een familielid, worden gezien als werkenden. De analyse bleef beperkt tot werkenden van 15 tot 65 jaar.

Religie is gemeten met de vraag “Tot welk geloof of religie rekent u zichzelf?”. Mogelijke antwoordopties waren: (1) Geen religie of levensbeschouwing, (2) de Rooms-Katholieke kerk, (3) een Protestantse of andere Christelijke kerk of groep, (4) de Islam, (5) het Jodendom, (6) het Hindoeïsme, (7) het Boeddhisme, (8) een andere religie of levensbeschouwing. Voor de analyse zijn diegenen die Jodendom, Hindoeïsme, Boeddhisme en een andere religie of levensbeschouwing aangaven, samengenomen tot de categorie ‘anders’.

Personen die geen antwoord gaven op een bepaalde SSW-vraag zijn niet meegenomen in de analyse.

2.1.3 COVID-vaccinatie Informatie- en Monitoringssysteem (CIMS)

Het RIVM registreert gegevens over COVID-19-vaccinaties in het landelijk “COVID-vaccinatie Informatie en Monitoringssysteem” (CIMS). Bij iedere COVID-19-vaccinatie werd aan personen gevraagd of zij toestemming geven om hun vaccinatiegegevens te delen met het CIMS. Het percentage mensen dat toestemming geeft neemt toe met opeenvolgende vaccinatierondes; voor prikken gezet via de GGD was dit bij de eerste vaccinatie (basisserie) ongeveer 93 procent, bij vervolgronde (booster) 95 procent en bij de daarop volgende ronde in het najaar meer dan 99 procent. Vaccinaties waarvoor geen toestemming is gegeven, zijn niet geregistreerd in het CIMS. Personen die gebruik hebben gemaakt van hun recht op vergetelheid, zijn uit het CIMS gehaald. Afgekeurde vaccinaties zijn ook niet meegenomen in de analyses. Het CIMS-bestand dat gebruikt wordt voor dit onderzoek, heeft als peildatum 1 augustus 2023. Alle vaccinaties die voor die datum gezet zijn, zijn in dit bestand opgenomen (mits toestemming). In het bestand zijn per persoon per vaccinatie onder andere de vaccinatiedatum en vaccinnaam opgenomen.

2.2 Koppelingen en terminologie

In de GE- en SSW-databestanden en in het CIMS-bestand kregen personen een betekenisloos nummer toegekend (gepseudonimiseerd). Van alle personen die deel hebben genomen aan deze CBS-enquêtes is op basis van dit nummer bepaald of zij voorkomen in het CIMS - met één of meerdere vaccinaties. Als dit het geval was, zijn deze personen aangemerkt als ‘gevaccineerd’, terwijl respondenten uit de CBS-enquêtes die niet in het CIMS voorkomen, zijn gelabeld als ‘niet gevaccineerd/vaccinatiestatus onbekend’. Omdat het overgrote deel van de gevaccineerden toestemming heeft gegeven om vaccinatiegegevens in het CIMS op te laten nemen, bestaat laatstgenoemde groep hoofdzakelijk uit personen die daadwerkelijk niet gevaccineerd zijn. Er zullen echter ook personen zijn die wel gevaccineerd zijn, maar geen toestemming hebben gegeven om de gegevens daarvan te delen in het CIMS. Hierdoor zijn de gepresenteerde cijfers voor de vaccinatiegraad mogelijk een onderschatting van de werkelijke vaccinatiegraad.

Het gaat in dit rapport om de vaccinatiegraad op basis van een (gewogen) representatieve steekproef onder de niet-institutionele bevolking. Personen in instellingen zoals verpleeghuizen en penitentiaire inrichtingen zijn niet meegenomen. Hiermee wijkt deze methode af van de berekeningen die het RIVM uitvoert (RIVM, 2022). Kleine verschillen in de resultaten in dit rapport en de berekeningen van het RIVM zijn dus onder andere terug te voeren op het feit dat de RIVM-cijfers ook bewoners van verpleeghuizen omvatten.

2.3 Weging

Voor zowel de GE- als de SSW-enquête zijn verschillen in de samenstelling van de respons en de totale Nederlandse bevolking, gecorrigeerd door middel van een weegfactor. Iedere respondent in de dataset krijgt een individueel gewicht toegekend waarin rekening is gehouden met bepaalde achtergrondkenmerken, onder andere geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, landsdeel en inkomen. Meer gedetailleerdere informatie over de weging van de GE is te vinden op Weging Gezondheidsenquête 2014. Voor SSW is deze informatie te vinden in de onderzoeksbeschrijving van de SSW.

In 2020 en 2021 werd de waarneming voor de onderzoeken GE en SSW gehinderd door de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen. In een deel van die jaren was het niet mogelijk om aan huis interviews af te nemen en kwam er dus alleen via internet (GE) / internet en telefoon (SSW) respons binnen. Om hiermee om te kunnen gaan is het weegmodel in die jaren aangepast. Daarbij is gebruik gemaakt van tijdreeksmodellen om te kunnen corrigeren voor het wegvallen van een deel van de waarneming. Hierdoor zijn de cijfers zo goed mogelijk vergelijkbaar gemaakt met die van eerdere jaren.

2.4 Analyses

Per kenmerk is onderzocht wat de COVID-19-vaccinatiegraad per subgroep is. Dit is gedaan voor elk van de kenmerken ervaren gezondheid, vertrouwen, participatie en religie. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt wat de samenhang is tussen de vaccinatiegraad en het onderzochte kenmerk (bijvoorbeeld mensen die wel of geen vrijwilligerswerk doen). Omdat ervaren gezondheid sterk correleert met leeftijd, wordt de vaccinatiegraad voor dit kenmerk ook per leeftijdsgroep beschreven.

Vervolgens is door middel van bivariate logistische regressie onderzocht of de geregistreerde COVID-19-vaccinatiegraad ook statistisch afwijkt van de andere subgroepen. Hierbij is gecorrigeerd voor verschillen tussen deze subgroepen in geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, inkomen en herkomst. Verschillen worden alleen als significant beschouwd als ze ook na deze correctie een p-waarde lager dan 0,05 hebben. Daarnaast is met multivariate logistische regressie onderzocht welke kenmerken het meest bepalend zijn in het wel of niet gevaccineerd zijn.

3. Resultaten

3.1 Vaccinatiegraad naar sociaal-demografische kenmerken

Bijna 86 procent van de algemene Nederlandse populatie vanaf 15 jaar is gevaccineerd (geregistreerd gevaccineerd: één of meerdere coronavaccinaties geregistreerd in CIMS; zie paragraaf 2.2 voor toelichting). Het vaccinatiepercentage is bij mannen en vrouwen nagenoeg gelijk. Het percentage gevaccineerden hangt wel samen met leeftijd, opleiding, inkomen en herkomst.

Jongere mensen zijn minder vaak gevaccineerd dan oudere mensen. Ongeveer driekwart van de mensen tussen de 15 en de 35 jaar is gevaccineerd, bij mensen van 55 jaar of ouder is dit meer dan 90 procent. Wat betreft opleidingsniveau is het percentage gevaccineerden het hoogst onder hbo- en wo-opgeleiden (respectievelijk 88 en 93 procent). Personen uit huishoudens met een hoog inkomen zijn vaker gevaccineerd dan personen uit huishoudens met een laag inkomen. In de laagste inkomenskwartielgroep is 77 procent gevaccineerd; in de hoogste 91 procent. Onder mensen die in Nederland zijn geboren en van wie de ouders ook in Nederland zijn geboren (Nederlandse herkomst) is de vaccinatiegraad relatief hoog, te weten 89 procent. Dit is hoger dan onder personen die niet in Nederland zijn geboren (77 procent) en personen die wel in Nederland zijn geboren, maar van wie een of meer ouders buiten Europa zijn geboren (tweede generatie; 68 procent).

 COVID-19 vaccinatiegraad ( % personen van 15 jaar en ouder dat gevaccineerd is)COVID-19 vaccinatiegraad (marge) ( % personen van 15 jaar en ouder dat gevaccineerd is)
Totaal85,885,3 - 85,3
Geslacht -
Man86,085,4 - 85,4
Vrouw85,584,9 - 84,9
Leeftijd -
15 tot 25 jaar77,776,2 - 76,2
25 tot 35 jaar76,975,4 - 75,4
35 tot 45 jaar82,381,0 - 81,0
45 tot 55 jaar87,386,3 - 86,3
55 tot 65 jaar92,191,3 - 91,3
65 tot 75 jaar93,893,0 - 93,0
75 jaar of ouder92,991,8 - 91,8
Opleidingsniveau2) -
Basisonderwijs82,680,7 - 80,7
Vmbo, mbo1, avo onderbouw83,982,8 - 82,8
Havo, vwo, mbo84,483,7 - 83,7
Hbo-, wo-bachelor88,187,2 - 87,2
Hbo-, wo-master, doctor93,492,4 - 92,4
Inkomen3) -
Eerste (laagste) kwartielgroep77,375,9 - 75,9
Tweede kwartielgroep83,682,6 - 82,6
Derde kwartielgroep88,087,3 - 87,3
Vierde (hoogste) kwartielgroep91,390,7 - 90,7
Herkomst -
Geboren in NL, ouders eveneens89,088,6 - 88,6
Geboren in NL, ouder(s) elders in Europa86,483,9 - 83,9
Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa68,165,6 - 65,6
Geboren in Europa (exclusief NL)77,174,2 - 74,2
Geboren buiten Europa77,675,6 - 75,6
Bron: SSW 2019-2022, CIMS peildatum 1-8-2023 (RIVM)
 

3.2 Samenhang tussen vaccinatiegraad en ervaren gezondheid

Uit de logistische regressieanalyse blijkt dat er geen significant verschil is tussen ervaren gezondheid en de COVID-19-vaccinatiegraad. Zowel onder Nederlanders die hun gezondheid als (zeer) goed ervaren als onder Nederlanders die hun gezondheid als minder goed ervaren, is 85 procent gevaccineerd.

Leeftijd speelt echter een rol in deze cijfers. Ervaren gezondheid hangt sterk samen met leeftijd: naarmate de leeftijd toeneemt, neemt de ervaren gezondheid af. Omdat leeftijd samenhangt met de vaccinatiegraad – ouderen zijn vaker gevaccineerd dan jongeren (zie ook 3.1) – is de analyse van de vaccinatiegraad naar ervaren gezondheid afzonderlijk lastig te interpreteren. Om de relatie tussen ervaren gezondheid en leeftijd beter te kunnen onderzoeken, zijn aanvullende analyses gedaan waarbij de ervaren gezondheid per leeftijdscategorie is vergeleken. Daaruit komt naar voren dat bij de groepen 15 tot 25 jaar en 75 jaar of ouder mensen met een (zeer) goed ervaren gezondheid vaker gevaccineerd zijn dan mensen die hun gezondheid als minder goed ervaren. Bij de andere leeftijdsgroepen zijn geen verschillen gevonden. Van de 15- tot 25-jarigen die hun gezondheid als zeer goed ervaren, geeft 77 procent aan gevaccineerd te zijn. Onder leeftijdsgenoten die hun gezond als minder dan goed ervaren, was dit 71 procent. Onder 75-plussers ligt dit aandeel respectievelijk op 95 en 91 procent.

3.2.1 COVID-19-vaccinatiegraad naar ervaren gezondheid
   COVID-19 vaccinatiegraad (% personen dat gevaccineerd is)
LeeftijdErvaren gezondheid
Totaal(Zeer) goed85,3
TotaalMinder dan goed85
15 tot 25 jaar(Zeer) goed77,2
15 tot 25 jaarMinder dan goed70,6
25 tot 35 jaar(Zeer) goed77
25 tot 35 jaarMinder dan goed73,5
35 tot 45 jaar(Zeer) goed80,8
35 tot 45 jaarMinder dan goed77,5
45 tot 55 jaar(Zeer) goed88,5
45 tot 55 jaarMinder dan goed84
55 tot 65 jaar(Zeer) goed92
55 tot 65 jaarMinder dan goed89,8
65 tot 75 jaar(Zeer) goed95,5
65 tot 75 jaarMinder dan goed93,4
75 jaar of ouder(Zeer) goed95,3
75 jaar of ouderMinder dan goed90,8
Bron: CBS, GE 2019-2022
 

3.3 Samenhang tussen vaccinatiegraad en vertrouwen

Mensen met heel veel of tamelijk veel vertrouwen in de Tweede Kamer zijn vaker gevaccineerd dan mensen met niet zo veel of helemaal geen vertrouwen in de Tweede Kamer (91 procent tegenover 83 procent). Dit geldt ook voor vertrouwen in de gezondheidszorg: waar 89 procent van de mensen met ten minste tamelijk veel vertrouwen gevaccineerd is, is dit onder mensen met minder vertrouwen in de gezondheidszorg 80 procent.

3.3.1 COVID-19-vaccinatiegraad naar vertrouwen
   COVID-19-vaccinatiegraad (% personen van 15 jaar of ouder dat gevaccineerd is)
Vertrouwen in
Tweede Kamer
Zeer veel of
tamelijk veel
90,6
Vertrouwen in
Tweede Kamer
Niet zo veel of
helemaal geen
83,3
Vetrouwen in
gezondheidszorg
Zeer veel of
tamelijk veel
89,3
Vetrouwen in
gezondheidszorg
Niet zo veel of
helemaal geen
80,1
Bron: CBS, SSW 2019-2022
 

3.4 Samenhang tussen vaccinatiegraad en participatie

3.4.1 Samenhang met sociaal contact en informele hulp

Er is nagenoeg geen verschil in vaccinatiegraad naar sociale contacten. Mensen die ten minste wekelijks contact hebben met familie, vrienden of buren zijn niet vaker of minder vaak gevaccineerd dan mensen die minder dan wekelijks contact hebben met hen. Het aandeel gevaccineerden verschilt ook niet naargelang mensen wel of niet informele hulp hebben gegeven aan anderen in de afgelopen vier weken: in beide groepen is 86 procent gevaccineerd.

3.4.1 COVID-19-vaccinatiegraad naar sociale contacten
   COVID-19 vaccinatiegraad (% personen van 15 jaar of ouder dat gevaccineerd is)
Contact met familieTen minste wekelijks86,0
Contact met familieMinder dan wekelijks85,5
Contact met vriendenTen minste wekelijks85,1
Contact met vriendenMinder dan wekelijks88,4
Contact met burenTen minste wekelijks86,8
Contact met burenMinder dan wekelijks85,0
Informele hulpJa86,0
Informele hulpNee85,6
Bron: CBS, SSW 2019-2022
 

3.4.2 Samenhang met maatschappelijke participatie

Mensen die het voorgaande jaar vrijwilligerswerk hebben gedaan, zijn vaker gevaccineerd dan zij die dat niet deden (88 procent tegenover 84 procent). Ditzelfde geldt voor mensen die actief lid zijn bij een vereniging: 90 procent van de mensen die minimaal 1 keer per week actief is bij een vereniging is gevaccineerd, bij mensen die nooit actief zijn bij een vereniging is dit 82 procent. Binnen de leeftijdsgroep 15- tot 65-jarigen verschilt de vaccinatiegraad tussen mensen met en zonder betaald werk: mensen met een betaalde baan zijn vaker gevaccineerd (85 procent) dan diegenen die geen betaald werk hebben (78 procent).

3.4.2 COVID-19-vaccinatiegraad naar maatschappelijke participatie
   COVID-19 vaccinatiegraad (% personen van 15 jaar of ouder dat gevaccineerd is)
VrijwilligerswerkJa88,1
VrijwilligerswerkNee84
Actief bij een verenigingMinimaal 1x per week90,2
Actief bij een verenigingMinimaal 1x per maand88,3
Actief bij een verenigingMinder dan 1x per maand88,4
Actief bij een verenigingNooit82,1
Betaald werk (15-65 jaar)Ja84,9
Betaald werk (15-65 jaar)Nee77,5
Bron: CBS, SSW 2019-2022
 

3.5 Samenhang tussen vaccinatiegraad en religie

De vaccinatiegraad van personen van 15 jaar en ouder hangt samen met religie. Van de mensen zonder geloofsovertuiging is 89 procent gevaccineerd. Hoewel dit niet significant verschilt van het percentage Rooms-Katholieken dat gevaccineerd is (91 procent), ligt de vaccinatiegraad in deze beide groepen wel significant hoger dan onder protestanten (84 procent), moslims (59 procent) en mensen die een andere religie aanhangen (78 procent).

3.5.1 COVID-19-vaccinatiegraad naar religie
 COVID-19 vaccinatiegraad (% personen van 15 jaar of ouder dat gevaccineerd is)
Geen geloofsovertuiging88,6
Rooms-Katholiek90,6
Protestant84,2
Islam58,8
Anders78,4
Bron: CBS, SSW 2019-2022
 

3.6 Totaalmodel onderzochte indicatoren

De in de voorgaande paragrafen beschreven uitkomsten laten zien dat ervaren gezondheid, vertrouwen in de Tweede Kamer, vertrouwen in de gezondheidszorg, vrijwilligerswerk, deelname aan het verenigingsleven, het hebben van betaald werk en religie samenhangen met de vaccinatiegraad. Deze indicatoren zijn, samen met de in paragraaf 3.1 onderzochte sociaal-demografische kenmerken, in een totaalmodel1) bekeken om na te gaan welke van de onderzochte kenmerken het sterkst samenhangt met het al dan niet gevaccineerd zijn. Het model corrigeert hierbij voor de samenhangen met andere indicatoren en achtergrondkenmerken. Dit betekent dat de gerapporteerde odds ratio (OR) de kans weergeeft dat iemand in de ene subgroep gevaccineerd is, gedeeld door de kans dat iemand gevaccineerd is in de referentiegroep, ongeacht mogelijke verschillen in achtergrondkenmerken en uitkomsten op andere indicatoren in de subgroepen.

Voor personen van 15 jaar en ouder hangt leeftijd van alle onderzochte kenmerken het sterkst samen met de vaccinatiegraad. De odds ratio geeft aan dat de odds dat een 75-plusser gevaccineerd is (ten opzichte van de kans dat deze niet gevaccineerd is) 5 keer zo groot is als bij een 15- tot 25-jarige. Daarnaast is ook de samenhang tussen de vaccinatiegraad en religie relatief sterk. Mensen zonder geloofsovertuiging hebben een 2,8 keer hogere odds om gevaccineerd te zijn dan moslims (OR = 0,362), gegeven dat alle andere factoren gelijk blijven. Door daar rekening mee te houden – bijvoorbeeld leeftijd en herkomst – is het verschil wel kleiner geworden en is de vaccinatiegraad deels opgeschoven richting het niveau van protestanten en andersgelovigen. Personen zonder geloofsovertuiging hebben respectievelijk 2,1 en 2,2 keer hogere odds om gevaccineerd te zijn dan protestanten en andersgelovigen. De vaccinatiegraad is lager wanneer het vertrouwen in de Tweede Kamer en de gezondheidszorg lager is. De odds dat iemand met vertrouwen gevaccineerd is, is ongeveer 2 keer zo groot in vergelijking met mensen die niet zo veel of helemaal geen vertrouwen hebben in deze instituties.

1) Dit betreft een multivariaat logistisch regressiemodel op basis van de data van SSW en de uit het CIMS gekoppelde vaccinatiestatus. De variabele ‘ervaren gezondheid’ (paragraaf 3.2) kan daarin niet meegenomen worden, omdat deze data uit de GE-enquête afkomstig is. In een afzonderlijke analyse (met alle achtergrondkenmerken) binnen de GE is ‘ervaren gezondheid’ niet significant met een Waldwaarde kleiner dan 1.

3.6.1 Uitkomsten multivariate logistische regressieanalyse COVID-19 gevaccineerd
Odds ratioWald
Geslacht (ref = Man)0,0
Vrouw0,993
Leeftijd (ref = 15 tot 25 jaar)575,0
25 tot 35 jaar0,819**
35 tot 45 jaar1,195*
45 tot 55 jaar1,702**
55 tot 65 jaar3,112**
65 tot 75 jaar4,863**
75 jaar of ouder5,057**
Opleidingsniveau (ref = Basisonderwijs)123,3
Vmbo, mbo1, avo onderbouw1,022
Havo, vwo, mbo1,172
Hbo, wo-bachelor1,545**
Wo-master, doctor2,822**
Gestandaardiseerd huishoudinkomen (ref = Eerste kwartielgroep)146,4
Tweede kwartielgroep1,345**
Derde kwartielgroep1,842**
Vierde kwartielgroep2,138**
Herkomst (ref = Geboren in NL, beide ouders geboren in NL)69,3
Geboren in NL, één of twee ouders geboren in ander Europees land0,808
Geboren in NL, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land0,539**
Geboren in buitenland, binnen Europa0,630**
Geboren in buitenland, buiten Europa0,927
Vertrouwen in de Tweede Kamer (ref = Niet zo veel of helemaal geen)216,5
Veel of tamelijk veel vertrouwen2,019**
Vertrouwen in de gezondheidszorg (ref = Niet zo veel of helemaal geen)1)
Veel of tamelijk veel vertrouwen1,821**
Vrijwilligerswerk (ref = Nee)3,5
Ja1,092
Deelname aan verenigingsleven (ref = Minimaal 1x per week)66,0
Minimaal 1x per maand1,549**
Minder dan 1x per maand1,215*
Nooit1,298**
Betaald werk2) (ref = Nee)0,0
Ja1,01
Religie (ref = Geen geloofsovertuiging)263,7
Rooms-Katholiek0,995
Protestants0,487**
Islam0,362**
Anders0,450**
Modeleigenschappen
Constante1,772**20,6
Aantal respondenten24.584
* p < 0,05; ** p < 0,01.
1) Omdat ‘vertrouwen in de gezondheidszorg’ pas vanaf 2021 wordt gemeten is de odds-ratio van deze variabele gebaseerd op een beperkt model dat enkel gebruik gemaakt van data uit 2021 en 2022 (n=11.634). In het beperkte model is de Waldwaarde voor ‘vertrouwen in de gezondheidszorg’ vergelijkbaar met de Waldwaarde van ‘inkomen’.
2) In dit model zijn alle personen uit de SSW-dataset (15 jaar en ouder) meegenomen, terwijl in de bivariate analyse van het kenmerk ‘betaald werk’ enkel werd gekeken naar de respondenten van 15 tot 65 jaar.

4. Conclusies

De COVID-19-vaccinatiegraad van Nederlanders van 15 jaar en ouder hangt het sterkst samen met leeftijd. Ouderen zijn aanzienlijk vaker gevaccineerd dan jongeren. Van de overige onderzochte sociaal-demografische kenmerken hangen daarnaast ook het huishoudensinkomen en opleidingsniveau samen met de mate waarin Nederlanders zijn gevaccineerd: hoe hoger het inkomen of opleidingsniveau, hoe hoger de vaccinatiegraad. Daarnaast speelt herkomst een rol. Personen die in Nederland zijn geboren zijn relatief vaak gevaccineerd, vooral als beide ouders ook in Nederland geboren zijn. Deze uitkomsten naar sociaal-demografische kenmerken zijn in lijn met wat bekend is over determinanten van vaccinatie in het algemeen en eerdere resultaten van het RIVM over de determinanten van COVID-19-vaccinaties (RIVM, 2021).

Naast deze sociaal-demografische kenmerken spelen ook kenmerken als ervaren gezondheid, vertrouwen in de Tweede kamer en gezondheidszorg, maatschappelijke participatie en religie een rol bij de COVID-19-vaccinatiegraad. Van deze vier thema’s hangt religie het sterkst samen, gevolgd door vertrouwen, maatschappelijke participatie en ervaren gezondheid.

Waar 89 procent van de Nederlanders zonder geloofsovertuiging is gevaccineerd, ligt dit aandeel onder protestanten en moslims aanzienlijk lager (respectievelijk 84 en 59 procent). Dat de vaccinatiegraad van protestanten relatief laag ligt, is in lijn met onderzoeksresultaten over vaccinatie-opvattingen onder met name gereformeerde christenen (Ruijs, et al., 2012). Ook de lage vaccinatiegraad onder moslims komt terug in de literatuur. Dit hangt mogelijk samen met geloofsgerelateerde opvattingen over het eigen lichaam (Schmeets & Peters, 2021). Achtergrondkenmerken spelen een rol in de relatief lage vaccinatiegraad onder moslims: het verschil wordt kleiner, maar blijft wel aanwezig.

Daarnaast hangt ook vertrouwen in de Tweede Kamer en de gezondheidszorg sterk samen met de COVID-19-vaccinatiegraad. Waar respectievelijk 91 en 90 procent van de mensen met (tamelijk) veel vertrouwen in deze instituties zijn gevaccineerd, ligt dit aandeel onder mensen met minder vertrouwen op 83 en 80 procent. Mogelijk is dit een overschatting omdat mensen die zich niet laten vaccineren/hun data niet willen delen wellicht minder geneigd zullen zijn deel te nemen aan een enquête. Hoewel beoogd wordt dergelijke selectiviteit te ondervangen door de waarnemingsstrategie en een geavanceerde weging naar een representatieve populatie inwoners van Nederland (zie paragraaf 2.3), kan dit een rol spelen in de uitkomsten.

Maatschappelijke participatie speelt ook een rol in de mate waarin Nederlanders zijn gevaccineerd tegen COVID-19. Het doen van vrijwilligerswerk en deelname aan het verenigingsleven hangen positief samen met de vaccinatiegraad. Dit hangt mogelijk samen met de motivatie van mensen om zichzelf te vaccinneren om andere (risico)groepen te beschermen (RIVM, 2021). Daarnaast zijn 15- tot 65-jarigen met betaald werk vaker gevaccineerd dan mensen zonder betaald werk. De onderzochte kenmerken sociale contacten en informele hulp hangen niet samen met de vaccinatiegraad.

Ervaren gezondheid hangt van de vier onderzochte thema’s het minst sterk samen met de vaccinatiegraad, hoewel wel enige samenhang is als dit voor leeftijdsgroepen afzonderlijk worden bekeken. In de jongste en oudste leeftijdsgroep zijn diegenen die hun gezondheid als (zeer) goed ervaren vaker gevaccineerd dan hun leeftijdsgenoten die hun gezondheid als minder goed ervaren.

Concluderend geeft dit rapport weer dat leeftijd en kenmerken van sociale samenhang een rol spelen in de determinanten van COVID-19-vaccinaties. Hoewel dit rapport inzicht geeft in de determinanten, is het wel van belang te vermelden dat personen die aangaven de informatie van al hun vaccinaties niet te willen laten registeren invloed kunnen hebben op de gerapporteerde cijfers. Daarnaast is in het onderzoek geen rekening gehouden met het gedrag van Nederlanders aan het begin en het eind van de coronapandemie. Het is namelijk mogelijk dat bepaalde groepen meer gehoor hebben gegeven aan de vaccinatieoproep in de basisserie of juist tijdens één van de boostercampagnes. Overigens beschrijft dit rapport de vaccinatiegraad naar specifieke kenmerken, terwijl ook andere kenmerken of mechanismen een rol kunnen spelen. Zo kan de samenhang tussen de vaccinatiegraad en religie te maken hebben met een geloofsinhoudelijk argument, maar zijn mogelijk ook de sociale en/of culturele normen van de groep van belang (RIVM Corona Gedragsunit, 2021).

Referenties

De Vries, M., Claasen, L., Lambooij, M., Leung, K., Boersma, K., & Timen, A. (2022). COVID-19 Vaccination Intent and Belief that Vaccination Will End the Pandemic. Emerging Infectious Diseases, 1642-1649.

Hopman, C., Riphagen-Dalhuisen, J., Looijmans, I., Frijstein, G., Geest, v. d., Danhof-Pont, M., & Hak, E. (2011). Determination of factors required to increase uptake of influenza vaccination among hospital-based healthcare workers. The Journal of hospital infection, 327-331.

Jain, A., Hoek, v. A., Boccia, D., & Thomas, S. (2017). Lower vaccine uptake amongst older individuals living alone: A systematic review and meta-analysis of social determinants of vaccine uptake. Vaccine, 2315-2328.

Labuschagne, L., Smorgenburg, N., van de Kassteele, J., Bom, B., Weerdt, d. A., Melker, d. H., & Hahné, S. (2023). Neighbourhood sociodemographic factors and COVID-19 vaccine uptake in the Netherlands: an ecological analysis. BMC Public health.

Maertens, K., Willen, L., Damme, v. P., Roelants, M., Guérin, C., Kroon, d. M., & Vandermeulen, C. (2022). Studie van de vaccinatiegraad in Vlaanderen 2020.

Pijpers, J., Roon, v. A., Roekle, v. C., Labuschagne, L., Smagge, B., Ferreira, J., . . . Hahné, S. (2023). Determinants of COVID-19 vaccine uptake in the Netherlands: A Nationwide Registry-Based Study. Vaccines.

Rijksoverheid. (2023). Toolkit coronacommunicatie.

RIVM. (2021). Vaccineren | Inzicht in gedrag.

RIVM. (2022). Vaccinatiegraad COVID-19 vaccinatie Nederland, 2021. Opgeroepen op 10 2023, van https://www.rivm.nl/publicaties/vaccinatiegraad-covid-19-vaccinatie-nederland-2021.

RIVM. (2023). Tijdlijn van coronamaatregelen. Opgeroepen op 10 2023, van Gedragswetenschappelijk onderzoek COVID-19: https://www.rivm.nl/gedragsonderzoek/tijdlijn-maatregelen-covid-2023.

RIVM Corona Gedragsunit. (2021). Verkenning factoren van invloed op deelname aan COVID-19 vaccinatie.

Roekel, v. C., Labuschagne, L., Pijpers, J., Roon, v. A., Smagge, B., Ferreira, J., . . . Melker, d. H. (2023). Determinants of COVID-19 booster uptake in the Netherlands, autumn 2022: how well were those at risk for severe disease reached?

Ruijs, W., Hautvast, J., Ansem, v. W., Akkermans, R., Van 't Spijker, K., Velden, v. d., & Hulscher, M. (2012). Measuring vaccination coverage in a hard to reach minority. European Journal of Public Health, 359-364.

Ruijs, W., Hautvast, J., Ijzendoorn, v. G., Ansem, v. W., Velden, v. d., & Hulscher, M. (2012). How orthodox protestant aprents decide on the vaccination of their children: a qualitative study. BMC Public Health, 408.

Schmeets, H., & Peters, F. (2021). The Impact of Social Capital on Organ Donation: Evidence from the Netherlands. Social Indicators Research, 863-897.

Bijlage

Tabellen

Deze bijlage bevat een vijftal tabellen met de cijfers uit deze publicatie. Tabellen 1 tot en met 4 zijn gebaseerd op de CBS enquête Sociale Samenhang en Welzijn 2019-2022 en het daaraan gekoppelde CIMS-bestand. Tabel 5 is gebaseerd op de Gezondheidsenquête van het CBS (2019-2022) en het daaraan gekoppelde CIMS-bestand.

B.1 COVID-19-vaccinatiegraad naar sociaal-demografische kenmerken, 15 jaar en ouder
Schatting (%)Ondergrens (%)Bovengrens (%)
Totaal85,885,386,2
GeslachtMannen86,085,486,7
GeslachtVrouwen85,584,986,1
Leeftijd15 tot 25 jaar77,776,279,1
Leeftijd25 tot 35 jaar76,975,478,2
Leeftijd35 tot 45 jaar82,381,083,6
Leeftijd45 tot 55 jaar87,386,388,3
Leeftijd55 tot 65 jaar92,191,392,8
Leeftijd65 tot 75 jaar93,893,094,5
Leeftijd75 jaar of ouder92,991,893,8
OpleidingsniveauBasisonderwijs82,680,784,3
OpleidingsniveauVmbo, mbo1, avo onderbouw83,982,884,9
OpleidingsniveauHavo, vwo, mbo84,483,785,2
OpleidingsniveauHbo, wo bachelor88,187,289,0
OpleidingsniveauWo master, doctor93,492,494,2
HuishoudensinkomenEerste 25 procent (laag inkomen)77,375,978,6
HuishoudensinkomenTweede 25 procent83,682,684,6
HuishoudensinkomenDerde 25 procent88,087,388,8
HuishoudensinkomenVierde 25 procent (hoog inkomen)91,390,791,9
HerkomstGeboren in NL, ouders in NL89,088,689,4
HerkomstGeboren in NL, ouder(s) elders in Europa86,483,988,6
HerkomstGeboren in NL, ouder(s) buiten Europa68,165,670,5
HerkomstGeboren elders in Europa77,174,279,7
HerkomstGeboren buiten Europa77,675,679,4
Bron: SSW en CIMS.

B.2 COVID-19-vaccinatiegraad naar vertrouwen, 15 jaar en ouder
Schatting (%)Ondergrens (%)Bovengrens (%)
Vertrouwen in de Tweede KamerHeel veel / tamelijk veel90,690,091,2
Vertrouwen in de Tweede KamerNiet zo veel / helemaal geen83,382,783,9
Vertrouwen in de gezondheidszorgHeel veel / tamelijk veel89,388,789,9
Vertrouwen in de gezondheidszorgNiet zo veel / helemaal geen80,178,481,7
Bron: SSW en CIMS.

B.3 COVID-19-vaccinatiegraad naar participatie, 15 jaar en ouder
Schatting (%)Ondergrens (%)Bovengrens (%)
Naar sociaal contact:
Contact met familieTenminste wekelijks86,085,586,5
Contact met familieMinder dan wekelijks85,584,486,5
Contact met vriendenTenminste wekelijks85,184,685,6
Contact met vriendenMinder dan wekelijks88,487,689,2
Contact met burenTenminste wekelijks86,886,287,3
Contact met burenMinder dan wekelijks85,084,385,7
Informele zorg (afgelopen 4 weken)Ja86,085,286,7
Informele zorg (afgelopen 4 weken)Nee85,685,186,2
Naar maatschappelijke participatie:
Vrijwilligerswerk (afgelopen jaar)Ja88,187,588,7
Vrijwilligerswerk (afgelopen jaar)Nee84,083,484,6
Deelname verenigingMinstens 1x per week90,289,590,8
Deelname verenigingMinstens 1x per maand88,387,089,6
Deelname verenigingMinder dan 1x per maand88,487,389,5
Deelname verenigingNooit82,181,382,8
Betaald werk (15 tot 65 jaar)Ja84,984,385,5
Betaald werk (15 tot 65 jaar)Nee77,576,078,9
Bron: SSW en CIMS.

B.4 COVID-19-vaccinatiegraad naar religie, 15 jaar en ouder
Schatting (%)Ondergrens (%)Bovengrens (%)
GeloofsovertuigingGeen88,688,089,1
GeloofsovertuigingRooms-Katholiek90,689,791,4
GeloofsovertuigingProtestant84,283,085,3
GeloofsovertuigingIslam58,855,562,0
GeloofsovertuigingAnders78,476,080,7
Bron: SSW en CIMS.

B.5 COVID-19-vaccinatiegraad naar ervaren gezondheid, 15 jaar en ouder
Schatting (%)Ondergrens (%)Bovengrens (%)
Ervaren gezondheid(Zeer) goed85,384,885,8
Ervaren gezondheidMinder dan goed85,084,185,9
Leeftijd x ervaren gezondheid15 tot 25 jaar - (zeer) goede gezondheid77,275,778,6
Leeftijd x ervaren gezondheid15 tot 25 jaar - minder dan goede gezondheid70,666,374,6
Leeftijd x ervaren gezondheid25 tot 35 jaar - (zeer) goede gezondheid77,075,478,4
Leeftijd x ervaren gezondheid25 tot 35 jaar - minder dan goede gezondheid73,569,577,1
Leeftijd x ervaren gezondheid35 tot 45 jaar - (zeer) goede gezondheid80,879,382,2
Leeftijd x ervaren gezondheid35 tot 45 jaar - minder dan goede gezondheid77,574,080,7
Leeftijd x ervaren gezondheid45 tot 55 jaar - (zeer) goede gezondheid88,587,389,5
Leeftijd x ervaren gezondheid45 tot 55 jaar - minder dan goede gezondheid84,081,486,2
Leeftijd x ervaren gezondheid55 tot 65 jaar - (zeer) goede gezondheid92,091,192,9
Leeftijd x ervaren gezondheid55 tot 65 jaar - minder dan goede gezondheid89,887,991,4
Leeftijd x ervaren gezondheid65 tot 75 jaar - (zeer) goede gezondheid95,594,796,2
Leeftijd x ervaren gezondheid65 tot 75 jaar - minder dan goede gezondheid93,491,994,7
Leeftijd x ervaren gezondheid75 jaar of ouder - (zeer) goede gezondheid95,394,296,3
Leeftijd x ervaren gezondheid75 jaar of ouder - minder dan goede gezondheid90,888,992,3
Bron: GE en CIMS.