AI in de samenleving: ervaringen en opinies
Over deze publicatie
In het CBS-opinieonderzoek Belevingen zijn volwassenen in 2025 geïnterviewd over hun ervaringen met en opvattingen over kunstmatige (artificiële) intelligentie (AI) in het dagelijks leven, op de arbeidsmarkt en in de gezondheidszorg. De uitkomsten van het onderzoek staan centraal in deze publicatie.
Samenvatting
Vrijwel iedereen heeft weleens van AI gehoord
Bijna alle 18-plussers in Nederland (94 procent in 2025) hebben weleens gehoord van kunstmatige intelligentie. Ruim de helft weet ook wat het is en een derde weet dat een beetje. Meer mannen dan vrouwen weten wat AI inhoudt. Ook zijn jongeren (18 tot 25 jaar) en hbo- of wo-geschoolden vaker op de hoogte van AI dan ouderen (65 jaar of ouder) en anders opgeleiden.
De bij volwassenen meest bekende AI-toepassingen zijn gezichtsherkenning (bijvoorbeeld op smartphones) en slimme huishoudelijke apparaten (zoals robotmaaiers en slimme thermostaten). Gezichtsherkenning wordt ook het meest gebruikt door volwassenen (64 procent). Zelfrijdende auto’s en rij- of parkeerassistentie zijn met 23 procent minder ingeburgerd.
Merendeel denkt dat invloed van AI zal toenemen
Ruim 7 op de 10 mensen geven aan dat AI invloed heeft op hun dagelijks leven. Vooral jongeren en mensen met een afgeronde hbo- of wo-opleiding geven dat relatief vaak aan. De meeste mensen denken dat de invloed van AI op hun dagelijks leven in de komende tien jaar zal toenemen. Nog geen 20 procent van hen vindt dat een goede ontwikkeling, bijna 30 procent vindt het slecht en ongeveer de helft staat er neutraal tegenover. Ruim 40 procent geeft aan dat AI het leven ingewikkelder maakt. Een even groot deel vindt dat AI het leven juist prettiger maakt. Vooral volgens jongeren maakt AI het leven prettiger, terwijl het volgens vooral ouderen ingewikkelder wordt.
Er zijn ook zorgen over de invloed van AI op de samenleving. De meeste volwassenen maken zich zorgen over de huidige en de toekomstige invloed van AI. Bijna twee derde zegt dat AI zorgt voor nieuwe problemen in de samenleving en een ongeveer even groot deel dat AI zorgt voor meer ongelijkheid, bijvoorbeeld omdat niet iedereen dezelfde digitale vaardigheden heeft. En eveneens bijna twee derde denkt dat de samenleving ook zonder AI kan functioneren. Vrijwel iedereen acht menselijke controle bij AI-gebruik wenselijk.
Meeste zorgen over verspreiding van nepnieuws
De meeste mensen maken zich ook veel zorgen over gevolgen van AI. Het vaakst is dat over de verspreiding van nepnieuws (69 procent) en over privacyrisico’s door het verzamelen van persoonlijke data (63 procent). Ook over de invloed van grote technologiebedrijven (60 procent) en de afhankelijkheid van technologie (54 procent) maken de meesten zich veel zorgen. Ouderen maken zich meer zorgen over de gevolgen van AI dan jongeren.
Drie kwart denkt dat door AI banen verdwijnen
AI zal volgens de meeste volwassenen een grote invloed hebben op de arbeidsmarkt en op de manier waarop mensen hun werk verrichten. Mensen denken vooral dat AI leidt tot het verdwijnen van bepaalde banen (75 procent) en tot het verlies van kennis en vaardigheden van personeel (65 procent). Anderzijds zal AI volgens de meesten de productiviteit verhogen, doordat werkzaamheden sneller kunnen worden uitgevoerd (57 procent). Iets minder dan de helft denkt dat AI het personeelstekort in bepaalde bedrijfstakken kan oplossen, doordat minder personeel nodig is (46 procent).
Inzet AI bij lerarentekort voor meesten slecht idee
Hoe mensen denken over het inzetten van AI om personeelstekorten op te lossen, hangt af van het type werk. Voor leerkrachten op een middelbare school vindt drie kwart van de volwassenen dit een (heel) slecht idee. Voor medewerkers in de horecabediening, buschauffeurs en klantenservicemedewerkers van een bank is dat bijna de helft. Alleen voor arbeiders in de landbouw staat een kleine meerderheid (56 procent) positief tegenover het idee om AI in te zetten om personeelstekorten te verkleinen.
Ruim 2 op de 5 gebruiken AI in hun werk
Van de mensen met betaald werk maakt 43 procent in hun werk gebruik van AI, vooral hbo- en universitair geschoolden (55 procent). De meeste werkenden (70 procent) verwachten de komende tien jaar vaker AI te gebruiken in hun werk dan zij nu doen. In de groep van hbo- en universitair geschoolden is dit aandeel 80 procent. Meer dan de helft van de werkenden ziet een toename van het gebruik van AI in hun werk als iets positiefs. Ongeveer 10 procent staat hier juist negatief tegenover.
Ruim twee vijfde denkt dat hun werk deels (41 procent) of geheel (4 procent) kan worden vervangen door AI. Dit baart ongeveer de helft van hen geen zorgen (52 procent), de andere helft maakt zich hier veel (8 procent) of een beetje (40 procent) zorgen over. De helft van de werkenden denkt niet dat AI hun werk kan vervangen en 5 procent zegt dit niet te weten.
Meesten vinden medische klachten bespreken met chatbot slecht idee
Sommige AI-toepassingen in de gezondheidszorg krijgen meer ondersteuning dan andere. Zo vindt 60 procent van de volwassenen klachten bespreken met een chatbot in plaats van met een huisarts een (heel) slecht idee. Bij jongeren is dat de helft, bij ouderen bijna drie kwart. Verder vindt ruim de helft van de volwassenen het stellen van een diagnose door AI in plaats van door een specialist een slecht idee. Evenveel mensen vinden dat ook voor het uitvoeren van complexe zorgtaken door een zorgrobot in plaats van door een verpleegkundige. Mensen staan minder afwijzend (ongeveer een derde) tegenover een operatie door een robot in plaats van door een chirurg en het uitvoeren van eenvoudige zorgtaken door een zorgrobot in plaats van door een verzorgende.
Ruim kwart denkt dat kwaliteit zorg verbetert met AI
Mensen denken wisselend over hoe AI in de gezondheidszorg zal uitpakken. Een minderheid denkt dat de kwaliteit van de zorg beter wordt (28 procent), wachtlijsten korter worden (34 procent) en zorgkosten afnemen (23 procent). Over het persoonlijk contact zijn de meesten (78 procent) het eens: dat zal met AI minder worden. Ook denkt een kleine meerderheid (56 procent) dat de privacyrisico’s in de zorg zullen toenemen. Meer zorgen zijn er over de kennis en vaardigheden van het zorgpersoneel. Bijna twee derde (65 procent) schat in dat deze zullen afnemen als AI wordt ingezet in de zorg.
1. Inleiding
Kunstmatige of artificiële intelligentie (AI) maakt steeds meer deel uit van het dagelijkse leven. Gezichtsherkenning op smartphones, film- en muziekaanbevelingen op basis van eerdere beoordelingen, filevoorspellingen en communiceren met chatbots is voor veel mensen tegenwoordig vanzelfsprekend. Ook op de arbeidsmarkt en in de gezondheidszorg raken AI-toepassingen steeds meer ingeburgerd. Denk aan administratief werk, selectie van sollicitanten, planningen van roosters en taken, (medische) afspraken maken en de analyse van röntgen- en MRI-scans die door AI gedaan worden. AI ontwikkelt zich snel en zal in de toekomst een steeds grotere rol gaan spelen in het dagelijks leven. Zelfrijdende auto’s, robots die het huishouden doen, AI als digitale collega die mails opstelt en vergaderverslagen maakt en robots die chirurgische ingrepen doen, kunnen de komende jaren net zo gewoon worden als gezichtsherkenning en chatbots.
Enerzijds kan AI het leven op veel manieren makkelijker maken en helpen bij het oplossen van tal van maatschappelijke problemen (zie bijvoorbeeld OECD, 2024). Anderzijds kan AI echter ook negatieve invloed hebben op de samenleving, zoals de verspreiding van desinformatie, privacy-overtredingen en discriminatie, en zelfs op de nationale veiligheid (AP, 2023; AIVD, MIVD & NCTV, 2024). Of nieuwe AI-toepassingen een plek krijgen in de samenleving, hangt voor een deel af van de opinie van burgers. Is er vertrouwen in AI of wijzen mensen het af? Inzicht in de opinies van mensen over AI is nodig om te voorkomen dat technologische ontwikkelingen losraken van maatschappelijke waarden. Ook biedt opinieonderzoek handvaten om beleid en regels over AI te maken die de zorgen van mensen in acht nemen, bijvoorbeeld bij het gebruik van algoritmen door de overheid. Tot slot kan het verschillen tussen bevolkingsgroepen identificeren, waarmee beleid en wetenschap kunnen inspelen op ongelijkheden. Uit eerdere studies naar de opinies over AI kwam vooral naar voren dat weinig mensen in Nederland vertrouwen hebben in AI en dat menselijke controle belangrijk blijft. Ook zijn er grote zorgen over privacy, misbruik en verspreiding van desinformatie (KPMG, 2025; Waag Futurelab & Nederlandse AI-coalitie, 2024).
Aanvullend op de eerdere studies vroeg het CBS in het opinieonderzoek Belevingen (zie kader) naar de mening van mensen over de rol die AI speelt in het dagelijks leven, op de arbeidsmarkt en in de gezondheidszorg. Staan mensen positief of negatief tegenover de rol die AI hier heeft? En hoe zien mensen de toekomst met AI? Meer gedetailleerd kwamen in het onderzoek de volgende vragen aan bod:
- Hoe bekend zijn mensen met AI? Maken ze er gebruik van? Welke invloed heeft AI op dit moment op het dagelijks leven? En hoe denken mensen dat dit in de toekomst zal zijn?
- Vinden mensen dat AI het leven prettiger maakt, of juist ingewikkelder? Denken ze dat AI helpt bij het oplossen van problemen, of dat het juist voor nieuwe problemen zorgt? En in welke mate maken ze zich zorgen over de huidige en toekomstige invloed van AI op de samenleving?
- Welke gevolgen denken mensen dat AI heeft op de arbeidsmarkt en op de manier waarop mensen hun werk doen? En vindt men dat AI bepaald werk of bepaalde banen zou kunnen overnemen? Hoeveel mensen gebruiken AI eigenlijk al voor hun werk? Maken ze zich zorgen dat hun werk overgenomen wordt door AI?
- Wat vinden mensen van AI-toepassingen in de gezondheidszorg, zoals chatbots om klachten mee te bespreken en diagnoses gesteld met AI? Denken zij dat de zorgverlening verbetert door het gebruik van AI of juist niet? Verwachten ze dat AI-gebruik tot lagere zorgkosten leidt?
De antwoorden op deze en andere vragen in het onderzoek Belevingen staan in de hoofdstukken 2 tot en met 5. Daarbij worden ook verschillen in AI-ervaringen en -opvattingen tussen bevolkingsgroepen in kaart gebracht.
2. Ervaring met AI
In dit hoofdstuk staan de ervaringen die mensen hebben met AI centraal. Hoe bekend zijn ze met AI? Maken ze er gebruik van? Welke invloed heeft AI op dit moment op het dagelijks leven? En hoe denken mensen dat het zit met die invloed in de toekomst? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord.
2.1 Bekendheid met AI
Vooral mannen, jongeren en mensen met hbo- of wo-diploma bekend met AI
Bijna alle 18-plussers hebben weleens van AI gehoord (94 procent in 2025). De mate waarin ze weten wat het precies inhoudt, is niet voor iedereen hetzelfde. Ruim de helft geeft aan te weten wat AI is, ongeveer een derde weet een beetje wat het is en een klein deel kent het alleen van naam.
Mannen hebben vaker van AI gehoord en weten ook vaker wat het is, vrouwen zijn hiermee minder bekend. Ze geven vaker dan mannen aan er wel van gehoord te hebben, maar niet of hooguit een beetje te weten wat het is. Van alle leeftijdsgroepen geven jongeren (18 tot 25 jaar) het vaakst aan van AI gehoord te hebben en ook te weten wat het is. Van hen geeft 74 procent dit aan. Bij 65-plussers ligt dit met 30 procent een stuk lager. Wel geeft een even groot deel van de mensen van 65 jaar of ouder aan van AI gehoord te hebben. Zij geven daarbij vaker aan niet of een beetje te weten wat het is.
Mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma hebben het minst vaak van AI gehoord. Van hen geeft 84 procent aan ervan gehoord te hebben, waarvan het grootste deel aangeeft er een beetje vanaf te weten. Mensen met een afgeronde hbo- of wo-opleiding hebben het vaakst van AI gehoord (99 procent). Zij zeggen ook het vaakst te weten wat het is.
| Van gehoord en weet wat het is (% van 18-plussers) | Van gehoord en weet beetje wat het is (% van 18-plussers) | Van gehoord, maar weet niet wat het is (% van 18-plussers) | Niet van gehoord (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 55,1 | 32,5 | 6,0 | 6,4 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 62,3 | 28,0 | 4,3 | 5,3 |
| Vrouwen | 48,1 | 36,8 | 7,6 | 7,4 |
| Leeftijd | ||||
| 18 tot 25 jaar | 74,4 | 14,7 | 3,4 | 7,4 |
| 25 tot 45 jaar | 67,7 | 23,8 | 3,5 | 5,0 |
| 45 tot 65 jaar | 55,9 | 34,0 | 4,0 | 6,0 |
| 65 jaar of ouder | 29,7 | 49,1 | 12,9 | 8,2 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 27,2 | 40,9 | 15,5 | 16,4 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 48,1 | 40,6 | 5,6 | 5,6 |
| Hbo, wo | 75,5 | 22,3 | 1,2 | 1,1 |
Gezichtsherkenning en slimme huishoudelijke apparaten bekendste toepassingen
De meeste 18-plussers hebben weleens gehoord van de vijf specifieke AI-toepassingen die in het Belevingenonderzoek zijn voorgelegd. Mensen zijn het vaakst bekend met gezichtsherkenning (zoals op de mobiele telefoon) en slimme huishoudelijke apparaten (zoals een schoonmaakrobot, robotmaaier, slimme deurbel of slimme thermostaat). Van beide toepassingen geeft 95 procent aan weleens gehoord te hebben. Van virtuele assistenten (zoals Alexa, Google Assistent en Siri) en van zelfrijdende auto’s of rij- en parkeerassistentie (zoals automatisch inparkeren) heeft ruim 90 procent gehoord. Chatbots zijn relatief gezien het minst bekend (86 procent).
65-plussers minst bekend met toepassingen AI
Hoewel de toepassingen van AI bij de meeste mensen bekend zijn, verschilt de mate van deze bekendheid naar leeftijd. Van elke genoemde toepassing hebben 18- tot 25-jarigen het vaakst gehoord en 65-plussers het minst vaak. Deze laatste groep geeft vooral minder vaak aan te hebben gehoord van virtuele assistenten (74 procent) en chatbots (66 procent).
| 18 tot 25 jaar (% van 18-plussers) | 25 tot 45 jaar (% van 18-plussers) | 45 tot 65 jaar (% van 18-plussers) | 65 jaar of ouder (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Gezichtsherkenning | 100,0 | 97,9 | 96,2 | 88,2 |
| Slimme huishoudelijke apparaten | 96,5 | 97,2 | 95,2 | 89,1 |
| Zelfrijdende auto's of rij-/parkeerassistentie | 94,7 | 94,9 | 92,2 | 85,7 |
| Virtuele assistenten | 99,2 | 97,9 | 94,2 | 73,7 |
| Chatbots | 98,3 | 95,6 | 88,1 | 65,8 |
Ook mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma zijn minder vaak bekend met de toepassingen van AI. Van hen geeft 78 procent aan van virtuele assistenten gehoord te hebben en 62 procent van chatbots. Dit is respectievelijk 97 en 96 procent bij mensen met een hbo- of wo-diploma (zie tabel 2.2 van de Tabellenset).
2.2 Gebruik van AI
Zelfrijdende auto’s of rij- en parkeerassistenten minst gebruikt
De door 18-plussers meest gebruikte toepassingen van AI zijn gezichtsherkenning en virtuele assistenten. Van beide toepassingen geeft 64 procent aan deze weleens gebruikt te hebben. Hoewel veel mensen van zelfrijdende auto’s of rij- en parkeerassistenten hebben gehoord, gebruiken ze deze het minst vaak. Van de 18-plussers geeft 23 procent aan dit weleens gedaan te hebben. Ruim de helft gebruikte weleens chatbots (57 procent) en slimme huishoudelijke apparaten (51 procent).
Vooral ouderen maken weinig gebruik van AI-toepassingen
Mensen van 65 jaar of ouder gebruiken de toepassingen van AI het minst vaak, 18- tot 25-jarigen het vaakst. Het verschil tussen deze leeftijdsgroepen is het grootst bij het gebruik van chatbots. Waar 21 procent van de 65-plussers aangeeft deze weleens gebruikt te hebben, is dit bij 18- tot 25-jarigen 90 procent.
Jongeren maken vooral vaak gebruik van chatbots, gezichtsherkenning en virtuele assistenten. Slimme huishoudelijke apparaten worden juist vaker door 25- tot 45-jarigen gebruikt. Van hen gaf 63 procent aan deze weleens te gebruiken, tegenover 48 procent van de jongeren tot 25 jaar.
| 18 tot 25 jaar (% van 18-plussers) | 25 tot 45 jaar (% van 18-plussers) | 45 tot 65 jaar (% van 18-plussers) | 65 jaar of ouder (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Gezichtsherkenning | 90,9 | 77,8 | 63,4 | 35,7 |
| Slimme huishoudelijke apparaten | 48,3 | 62,9 | 53,7 | 34,7 |
| Zelfrijdende auto's of rij-/parkeerassistentie | 24,3 | 28,5 | 26,3 | 12,4 |
| Virtuele assistenten | 83,3 | 74,1 | 69,0 | 37,4 |
| Chatbots | 90,4 | 74,6 | 57,4 | 20,6 |
Mannen gebruiken vaker dan vrouwen weleens chatbots, gezichtsherkenning en zelfrijdende auto’s of rij- en parkeerassistenten. Deze laatste toepassing wordt ook relatief vaak gebruikt door mensen uit een financieel welvarend huishouden (zie tabel 2.3 van de Tabellenset).
2.3 Invloed van AI op dagelijks leven
Merendeel denkt dat AI op dit moment invloed heeft
Van de mensen die weleens van AI hebben gehoord, zeggen ruim 7 op de 10 dat AI op dit moment invloed heeft op hun dagelijks leven. De meesten geven aan dat het een beetje invloed heeft (56 procent). Een relatief klein deel geeft aan dit niet te weten.
| 2025 | |
|---|---|
| Veel invloed | 16,2 |
| Beetje invloed | 56,4 |
| Geen invloed | 21,5 |
| Weet niet | 5,9 |
| 1) Het gaat om mensen van 18 jaar of ouder die van (de toepassingen van) AI hebben gehoord. | |
Met name jongeren (18 tot 25 jaar) en mensen met een afgeronde hbo- of wo-opleiding vinden vaak dat AI invloed heeft op hun dagelijks leven. Zo geeft van de jongeren 82 procent dit aan, tegenover 60 procent van de 65-plussers (zie tabel 2.4 van de Tabellenset).
Ruim 9 op de 10 denken dat invloed van AI zal toenemen
Van de mensen die zeggen dat AI op dit moment invloed heeft op hun dagelijks leven, denkt bijna iedereen dat AI meer invloed zal hebben in de komende tien jaar (92 procent). Verder denkt 3 procent dat de invloed gelijk blijft, en 1 procent denkt dat de invloed zal afnemen.
Van de mensen die zeggen dat AI op dit moment geen invloed heeft op het dagelijks leven, denkt meer dan de helft dat in de komende tien jaar wel het geval zal zijn (57 procent). Een groot deel (31 procent) weet het niet.
Bijna helft staat neutraal tegenover toenemende AI-invloed
Van de mensen die denken dat AI in de toekomst (meer) invloed zal hebben, vindt 19 procent dit een (heel) goede ontwikkeling. Met 29 procent vinden meer mensen dit een (heel) slechte ontwikkeling. Het grootste deel geeft aan het geen goede, maar ook geen slechte ontwikkeling te vinden.
| 2025 | |
|---|---|
| (Heel) goed | 18,8 |
| Niet goed, niet slecht | 45,8 |
| (Heel) slecht | 29,1 |
| Weet niet | 6,3 |
| 1) Het gaat om mensen van 18 jaar of ouder die van (de toepassingen van) AI hebben gehoord, en denken dat AI in de toekomst (meer) invloed zal hebben op het dagelijks leven. | |
3. Opvattingen over AI in de samenleving
In dit hoofdstuk staat centraal hoe mensen tegen het gebruik van AI in de samenleving aankijken. Vinden ze dat AI het leven prettiger maakt, of juist ingewikkelder? Denken ze dat AI helpt bij het oplossen van problemen, of dat het juist zorgt voor nieuwe problemen? En in welke mate maken ze zich zorgen over de invloed van AI op de samenleving, zowel nu als in de toekomst? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord.
3.1 Opvattingen over het gebruik van AI
Bijna de helft positief over het gebruik van AI in de samenleving
Bijna de helft (49 procent) van de volwassenen vindt het (heel) goed dat AI steeds meer wordt gebruikt in de samenleving. Iets meer dan een derde (36 procent) vindt dit niet goed, maar ook niet slecht. Een tiende (10 procent) vindt het juist (heel) slecht en de rest (5 procent) weet het niet.
Mannen (57 procent) vinden het toenemende gebruik van AI in de samenleving vaker (heel) goed dan vrouwen (41 procent) en jongeren van 18 tot 25 jaar (54 procent) vinden het vaker (heel) goed dan ouderen vanaf 65 jaar (44 procent). Ook bestaan er verschillen naar onderwijsniveau en welvaart. Zo vinden hbo’ers en universitair geschoolden het toenemende gebruik van AI vaker (heel) goed dan anders geschoolden. En vinden mensen in huishoudens met een hoge financiële welvaart (de vierde en vijfde 20-procentsgroep) dit vaker dan mensen in huishoudens met een lagere welvaart (zie tabel 3.1 in de Tabellenset).
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 48,7 | 36,3 | 10 | 5 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 56,7 | 30,6 | 9,3 | 3,4 |
| Vrouwen | 40,9 | 41,9 | 10,7 | 6,5 |
| Leeftijd | ||||
| 18 tot 25 jaar | 54,3 | 33,2 | 9,3 | 3,2 |
| 25 tot 45 jaar | 50,4 | 34,3 | 12 | 3,4 |
| 45 tot 65 jaar | 49,1 | 38 | 9 | 3,8 |
| 65 jaar of ouder | 43,6 | 38 | 9 | 9,4 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 36,4 | 41,9 | 11,8 | 9,8 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 43,3 | 40,7 | 12,8 | 3,2 |
| Hbo, wo | 59,3 | 30,3 | 6,9 | 3,5 |
| Financiële welvaart | ||||
| 1e 20%-groep (laagst) | 39,2 | 37,9 | 16,2 | 6,7 |
| 2e 20%-groep | 42,1 | 39,7 | 12,7 | 5,5 |
| 3e 20%-groep | 42,5 | 39 | 12,1 | 6,4 |
| 4e 20%-groep | 49,8 | 36,5 | 9,3 | 4,3 |
| 5e 20%-groep (hoogst) | 59 | 32,7 | 4,9 | 3,5 |
1 op 7 vindt dat AI het leven zowel prettiger als ingewikkelder maakt
Van de volwassenen vindt 43 procent dat AI het leven prettiger maakt. Een ongeveer even groot deel van de bevolking (42 procent) vindt dat AI het leven ingewikkelder maakt. Gedeeltelijk zijn dit dezelfde mensen: 15 procent vindt namelijk dat AI het leven prettiger én ingewikkelder maakt.
Jongeren (58 procent) vinden vaker dat AI het leven prettiger maakt dan ouderen (26 procent), terwijl ouderen (50 procent) juist vaker vinden dat AI het leven ingewikkelder maakt dan jongeren (28 procent).
| (Helemaal) eens (% van 18-plussers) | Niet eens, niet oneens (% van 18-plussers) | (Helemaal) oneens (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Prettiger | 42,5 | 36,1 | 15,7 | 5,6 |
| Ingewikkelder | 41,7 | 30,1 | 23,8 | 4,3 |
Meeste mensen vinden dat AI voor nieuwe problemen in de samenleving zorgt
Iets minder dan de helft van de bevolking, namelijk 45 procent, denkt dat AI helpt bij het oplossen van problemen in de samenleving. Mannen, jongeren, hbo’ers en universitair geschoolden en mensen in huishoudens met de hoogste welvaart denken dit met meer dan 50 procent vaker dan vrouwen, ouderen, anders geschoolden en mensen in huishoudens met een lage welvaart, waarvan minder dan 40 procent dit denkt.
Een groter deel van de bevolking, namelijk 64 procent, denkt dat AI voor nieuwe problemen in de samenleving zorgt. Hierbij vallen vooral de verschillen naar onderwijsniveau op: 53 procent van de mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma denkt dit, tegen 71 procent van de hbo’ers en universitair geschoolden. Mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma zeggen wel relatief vaak het niet te weten (zie tabel 3.5 in de Tabellenset).
Ten slotte denkt een ongeveer even groot deel van de bevolking, namelijk 62 procent, dat AI voor meer ongelijkheid in de samenleving zorgt, bijvoorbeeld omdat niet iedereen dezelfde digitale vaardigheden heeft. Ouderen denken dit met 75 procent vaker dan jongeren met 41 procent.
| (Helemaal) eens (% van 18-plussers) | Niet eens, niet oneens (% van 18-plussers) | (Helemaal) oneens (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Nieuwe problemen | 64,2 | 22,8 | 7,3 | 5,7 |
| Meer ongelijkheid | 61,9 | 19,0 | 14,2 | 4,9 |
| Hulp bij het oplossen van problemen | 44,7 | 30,1 | 18,4 | 6,9 |
Meerderheid denkt dat de samenleving ook zonder AI kan
Van de volwassenen denkt een meerderheid van 65 procent dat de samenleving ook zonder AI kan functioneren. Jongeren (76 procent) denken dit vaker dan ouderen (51 procent). Ook denken mensen in de laagste welvaartsgroep (75 procent) dit vaker dan mensen in de hoogste welvaartsgroep (61 procent). Verder vinden meer dan 9 op de 10 mensen (92 procent) dat bij het gebruik van AI menselijke controle nodig blijft (zie tabellen 3.7 en 3.8 van de Tabellenset).
3.2 Zorgen over AI in de samenleving
Meerderheid maakt zich zorgen over de invloed van AI
AI brengt niet alleen kansen met zich mee, mensen maken zich ook zorgen over de invloed die AI heeft op de samenleving. Meer dan driekwart van de volwassenen (76 procent) maakt zich zorgen over de invloed die AI op dit moment heeft op de samenleving: 60 procent maakt zich een beetje zorgen en 16 procent maakt zich veel zorgen. 45-plussers (18 procent) maken zich daarbij vaker veel zorgen dan jongeren (10 procent).
| Veel zorgen (% van 18-plussers) | Beetje zorgen (% van 18-plussers) | Geen zorgen (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 15,9 | 59,8 | 24,3 |
| 18 tot 25 jaar | 10,5 | 52,7 | 36,8 |
| 25 tot 45 jaar | 13,4 | 57,7 | 29 |
| 45 tot 65 jaar | 18,5 | 61,3 | 20,2 |
| 65 jaar of ouder | 18,3 | 63,9 | 17,8 |
Over de invloed die AI in de komende tien jaar zal hebben op de samenleving maken bijna 9 op de 10 mensen zich zorgen: 50 procent maakt zich hierover een beetje zorgen en 38 procent maakt zich veel zorgen.
Meeste zorgen over de verspreiding van nepnieuws
Vrijwel alle volwassenen maken zich zorgen over de in het onderzoek voorgelegde gevolgen die AI kan hebben. Dit zijn de verspreiding van nepnieuws, de invloed van grote technologiebedrijven, zoals Facebook en Google, privacyrisico’s door het verzamelen van persoonlijke data en afhankelijkheid van technologie, zoals bij storingen of stroomuitval. Mensen maken zich het vaakst veel zorgen over de verspreiding van nepnieuws (69 procent), gevolgd door privacyrisico’s door het verzamelen van persoonlijke data (63 procent). Over de invloed van grote technologiebedrijven (60 procent) en de afhankelijkheid van technologie (54 procent) maken zij zich in mindere mate zorgen.
Ook hier zijn er verschillen naar leeftijd, waarbij ouderen zich over alle voorgelegde gevolgen vaker veel zorgen maken dan jongeren. Zo kwamen veel zorgen over de invloed van grote technologiebedrijven bij ouderen bijna 2 keer zo vaak voor als bij jongeren (71 tegen 38 procent). Zie tabellen 3.11 tot en met 3.14 van de Tabellenset.
| Veel zorgen (% van 18-plussers) | Beetje zorgen (% van 18-plussers) | Geen zorgen (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Verspreiding van nepnieuws | 69,5 | 24,2 | 4,2 | 2,1 |
| Privacyrisico's | 62,5 | 30,1 | 5,7 | 1,7 |
| Invloed van technologiebedrijven | 59,6 | 30,8 | 6,5 | 3,1 |
| Afhankelijkheid van technologie | 54,3 | 35,0 | 7,4 | 3,2 |
4. Opvattingen over AI op de arbeidsmarkt
Dit hoofdstuk beschrijft hoe 18-plussers denken over het gebruik van AI op de arbeidsmarkt. Welke gevolgen denken zij dat AI heeft op de arbeidsmarkt en op de manier waarop mensen hun werk doen? En vindt men dat AI bepaalde werkzaamheden zou kunnen overnemen, bijvoorbeeld bij personeelstekort? Hoeveel mensen gebruiken AI eigenlijk al voor hun werk? Kunnen hun werkzaamheden helemaal door AI worden overgenomen? In welke mate maken zij zich zorgen hierover? In dit hoofdstuk zullen deze en andere vragen de revue passeren.
4.1 Gevolgen van AI voor de arbeidsmarkt
Drie kwart denkt dat door AI banen zullen verdwijnen
Volwassenen in Nederland verwachten dat AI een grote invloed zal hebben op de arbeidsmarkt en op de manier waarop mensen hun werkzaamheden verrichten. Zes mogelijke gevolgen voor de arbeidsmarkt zijn in het onderzoek voorgelegd, variërend van het verdwijnen van werk tot het oplossen van personeelstekort. Voor elk van de gevolgen denkt meer dan drie kwart dat AI hierop zeker of misschien van invloed zal zijn.
Mensen denken vooral dat AI zal leiden tot het verdwijnen van bepaalde banen (75 procent) en het verlies van kennis en vaardigheden van personeel (64 procent). Verder is bijna de helft van mening dat AI bepaalde werkzaamheden minder interessant zal maken (48 procent).
Daarentegen denkt 57 procent dat AI kan zorgen voor het verhogen van de productiviteit doordat werkzaamheden sneller kunnen worden uitgevoerd. Ruim 4 op de 10 denken daarnaast dat AI het personeelstekort in bepaalde bedrijfstakken kan oplossen, doordat minder personeel nodig is (46 procent) en het onveilige banen kan overnemen (41 procent).
| Ja (% van 18-plussers) | Misschien (% van 18-plussers) | Nee (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Verdwijnen bepaalde banen | 75,4 | 17,7 | 2,2 | 3,2 |
| Verlies kennis en vaardigheden van personeel | 64,0 | 23,0 | 7,6 | 4,0 |
| Productiviteit verhogen | 57,0 | 33,5 | 3,8 | 4,2 |
| Werkzaamheden minder interessant | 48,4 | 35,1 | 5,7 | 9,2 |
| Personeelstekort oplossen | 46,2 | 36,4 | 11,4 | 4,5 |
| Overnemen onveilige banen | 40,7 | 37,4 | 12,1 | 8,3 |
Mannen en jongeren denken vaker dan vrouwen en ouderen dat AI zal leiden tot hogere productiviteit en kan helpen om het personeelstekort in bepaalde bedrijfstakken op te lossen. Vrouwen en ouderen zijn juist vaker van mening dat AI zal leiden tot een verlies van belangrijke kennis en vaardigheden van personeel. In de tabellen 4.1 tot en met 4.6 van de Tabellenset staat een volledig overzicht van de verschillen tussen mensen naar achtergrondkenmerken.
9 op de 10 vinden inzet AI bij lerarentekort een slecht idee
Als AI wordt ingezet, zou dit kunnen betekenen dat er minder personeel nodig is om dezelfde werkzaamheden te verrichten. In bepaalde bedrijfstakken zou dit volgens 4 van de 5 mensen het personeelstekort kunnen verminderen of misschien zelfs kunnen oplossen (83 procent, zie figuur 4.1.1). Dit betekent echter niet dat men het voor alle bedrijfstakken een goed idee vindt om AI in te zetten om het personeelstekort te verminderen. Dat blijkt ook uit de antwoorden op de vraag in hoeverre mensen dit een goed idee vinden voor zes verschillende beroepen. Alleen voor arbeiders in de landbouw staat een kleine meerderheid (56 procent) positief tegenover het idee om AI in te zetten om personeelstekorten te verkleinen. Voor de medewerkers in de horecabediening, buschauffeurs, klantenservicemedewerkers van een bank en leerkrachten op een middelbare school vindt de helft tot drie kwart dit juist een (heel) slecht idee.
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Arbeider in de landbouw | 56,4 | 20,9 | 16,2 | 5,1 |
| Medewerker bediening in de horeca | 23,6 | 22,2 | 48,9 | 3,8 |
| Buschauffeur | 22,6 | 20,6 | 51,1 | 4,3 |
| Medewerker klantenservice van een bank | 21,4 | 18,3 | 55,2 | 3,6 |
| Leerkracht op een middelbare school | 9,8 | 9,4 | 76,0 | 3,3 |
Mannen, jongere leeftijdsgroepen en mensen met een universitaire of hbo-opleiding staan over het algemeen positiever tegenover het verminderen van personeelstekort door inzet van AI bij het uitvoeren van deze werkzaamheden (zie tabellen 4.7 tot en met 4.11 van de Tabellenset).
4.2 Gebruik van AI voor werk
Ruim helft van 25- tot 45-jarigen gebruikt AI voor werk
Van de mensen met betaald werk maken ruim 2 van de 5 (43 procent) in hun werk gebruik van AI. Vooral mensen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar en hbo- of universitair geschoolden gebruiken AI bij hun werk. In beide groepen is dat meer dan de helft van de mensen. Verder gebruiken mannen AI vaker voor hun werk dan vrouwen en wordt AI meer toegepast door mensen met een hogere welvaart (zie tabel 4.12 van de Tabellenset).
| 2025 (% van 18-plussers met betaald werk) | |
|---|---|
| Totaal | 42,9 |
| Geslacht | |
| Mannen | 45,9 |
| Vrouwen | 39,6 |
| Leeftijd | |
| 18 tot 25 jaar | 34,6 |
| 25 tot 45 jaar | 51,3 |
| 45 tot 65 jaar | 39,8 |
| 65 jaar of ouder | 24,4 |
| Onderwijsniveau | |
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 19,7 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 32,0 |
| Hbo, wo | 55,5 |
7 op de 10 verwachten een toename in AI-gebruik voor werk
De meerderheid van de volwassenen, namelijk 70 procent, verwacht de komende tien jaar vaker AI te gebruiken in hun werk dan dat zij nu doen. In de groep van hbo- en universitair geschoolden is dit aandeel meer dan 80 procent; onder 25- tot 45-jarigen ligt dit met ruim 75 procent iets lager, maar wel boven het gemiddelde.
Meer dan de helft van de werkenden ziet een toename van het gebruik van AI in hun werk als iets positiefs. Ongeveer 10 procent staat hier juist negatief tegenover. Mannen, hbo- of universitair opgeleiden en mensen in hogere welvaartsgroepen staan hier over het algemeen positiever tegenover. Mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma zijn juist veel vaker negatief. In deze groep vindt ruim 20 procent de toename van het gebruik van AI voor het werk geen goede zaak (zie tabellen 4.13 en 4.14 van de Tabellenset).
Helft jongeren denkt dat AI hun werk kan vervangen
Twee vijfde van de mensen met betaald werk denkt dat hun werk deels (41 procent) of geheel (4 procent) kan worden vervangen door AI. De helft van hen maakt zich hier geen zorgen over (52 procent), terwijl de andere helft zich hier juist veel (8 procent) of een beetje (40 procent) zorgen over maakt. De helft van de werkenden denkt niet dat AI hun werk kan vervangen en 5 procent zegt dit niet te weten.
Mannen en vrouwen denken ongeveer even vaak dat hun werk vervangen kan worden door AI. Wel maken vrouwen zich hier meer zorgen over dan mannen: ruim de helft van de vrouwen (54 procent) tegenover 43 procent van de mannen maakt zich zorgen dat hun werk door AI kan worden overgenomen (zie tabellen 4.15 en 4.16 van de Tabellenset).
De helft van de jongeren van 18 tot 25 jaar (51 procent) denkt dat hun werk vervangen kan worden door AI. Dit aandeel is groter dan in andere leeftijdsgroepen en is het laagst bij 65-plussers (30 procent). Dit sluit aan bij Groenwegen, Van Limbergen en Vrieselaar (2026), die in hun onderzoek concludeerden dat door AI vooral de werkgelegenheid onder jongeren zal teruglopen. Er is geen verschil tussen de leeftijdsgroepen in de mate waarin zij zich zorgen maken dat hun werk door AI vervangen kan worden. Mensen met een universitaire of hbo-opleiding denken eveneens vaker dan anders opgeleiden dat hun werk door AI zal kunnen worden uitgevoerd. Zij maken zich hierover echter niet meer zorgen.
| Ja, helemaal (% van 18-plussers met betaald werk) | Ja, deels (% van 18-plussers met betaald werk) | Nee (% van 18-plussers met betaald werk) | Weet niet (% van 18-plussers met betaald werk) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 4,2 | 41,1 | 49,9 | 4,8 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 4,5 | 43,0 | 48,0 | 4,5 |
| Vrouwen | 3,9 | 39,0 | 51,9 | 5,2 |
| Leeftijd | ||||
| 18 tot 25 jaar | 5,3 | 46,1 | 44,5 | 4,1 |
| 25 tot 45 jaar | 5,0 | 43,1 | 48,0 | 3,9 |
| 45 tot 65 jaar | 3,4 | 39,0 | 52,2 | 5,5 |
| 65 jaar of ouder | 1,6 | 28,9 | 60,5 | 9,1 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 7,3 | 29,0 | 50,1 | 13,6 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 3,4 | 38,9 | 53,4 | 4,3 |
| Hbo, wo | 4,1 | 45,2 | 48,0 | 2,7 |
5. Opvattingen over AI in de gezondheidszorg
In dit hoofdstuk komt aan bod hoe 18-plussers denken over het gebruik van AI in de gezondheidszorg. Wat vinden mensen van bijvoorbeeld chatbots en robots die medicatie toedienen of operaties uitvoeren? Denken zij dat de kwaliteit van de zorg verbetert door het gebruik van AI of juist niet? Verwachten ze dat AI tot lagere zorgkosten leidt? Deze paragraaf geeft inzicht in de opinies van burgers over AI in de zorg.
5.1 Toepassingen AI in de gezondheidszorg
Meesten vinden klachten bespreken met chatbot geen goed idee
Bijna twee derde (65 procent) van de volwassenen vindt het een (heel) slecht idee om klachten te bespreken met een chatbot in plaats van met de huisarts. Bijna 15 procent vindt het een (heel) goed idee en 18 procent vindt het geen goed en ook geen slecht idee. Iets meer vrouwen dan mannen vinden het een (heel) slecht idee om een medisch consult te houden met een chatbot.
Tussen de verschillende leeftijdsgroepen en onderwijsniveaus zijn de verschillen groter. Zo staat bijna drie kwart van de 65-plussers negatief tegenover het idee om klachten met een chatbot te bespreken. In de groep jongeren tot 25 jaar is dit ongeveer de helft. Hbo- en wo-geschoolden vinden het minder vaak een slecht idee dan anders opgeleiden dat een chatbot het gesprek van de huisarts overneemt. Zij zijn 2 keer zo vaak als mensen met een vmbo-, mbo- of daarmee vergelijkbaar diploma overtuigd van de inzet van chatbots om medische klachten te bespreken.
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 14,7 | 17,6 | 65,0 | 2,7 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 23,6 | 22,5 | 51,7 | 2,1 |
| Vrouwen | 19,3 | 17,5 | 60,6 | 2,5 |
| Leeftijd | ||||
| Tot 25 jaar | 23,6 | 22,5 | 51,7 | 2,1 |
| 25 tot 45 jaar | 19,3 | 17,5 | 60,6 | 2,5 |
| 45 tot 65 jaar | 13,9 | 16,9 | 67,2 | 1,9 |
| 65 jaar of ouder | 5,7 | 16,5 | 73,7 | 4,1 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 11,0 | 13,6 | 70,8 | 4,7 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 9,8 | 18,3 | 70,2 | 1,7 |
| Hbo, wo | 20,3 | 19,0 | 58,8 | 1,9 |
Meesten vinden diagnose door AI niet goed, verdeeldheid over operatierobot
Een diagnose laten stellen door AI in plaats van door een specialist, vindt de meerderheid van de bevolking (58 procent) een (heel) slecht idee. Over het laten uitvoeren van een operatie door een robot in plaats van door een specialist zijn de meningen verdeeld. Een even groot aandeel volwassenen staat hier positief tegenover, negatief tegenover, of is neutraal (steeds ongeveer 30 procent).
Vrouwen staan zowel tegenover het stellen van diagnoses als het uitvoeren van operaties met AI afwijzender dan mannen. Hbo- en wo-geschoolden vinden beide juist vaker een goed idee dan anders geschoolden. De leeftijdsgroepen verschillen niet van mening over beide AI-toepassingen. Zie de tabellen 5.2 en 5.3 van de Tabellenset.
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Diagnose stellen met AI i.p.v. door specialist | 17,7 | 21,2 | 57,6 | 3,6 |
| Uitvoeren operatie door robot i.p.v chirurg | 30,0 | 29,6 | 32,7 | 7,6 |
Liever eenvoudige dan complexe taken overlaten aan zorgrobots
Mensen vinden het eerder slecht dan goed als een zorgrobot zorgtaken zou uitvoeren. Bijna 40 procent van de 18-plussers acht het niet wenselijk dat eenvoudige zorgtaken, zoals hulp bij het aankleden, door een zorgrobot worden verricht in plaats van door een verzorgende. Voor 35 procent geldt dat zij dit juist een (heel) goed idee te vinden. Nog meer twijfels zijn er over het uitvoeren van complexe zorgtaken, zoals het toedienen van medicatie. Daarvan vindt 56 procent het een (heel) slecht idee als die taken door een zorgrobot overgenomen worden van een verpleegkundige.
Bij zowel eenvoudige als complexe zorgtaken zijn het vooral mannen en hbo- en wo-geschoolden die de inzet van een zorgrobot omarmen, zie tabellen 5.4 en 5.5 van de Tabellenset. Voor het uitvoeren van eenvoudige zorgtaken zien jongeren van 18 tot 25 jaar een zorgrobot vaker wel zitten dan mensen in andere leeftijdsgroepen. Over complexe zorgtaken door een zorgrobot verschillen de leeftijdsgroepen niet van mening.
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Eenvoudige zorgtaken door robot i.p.v. verzorgende | 34,8 | 22,2 | 38,9 | 4,1 |
| Complexe zorgtaken door robot i.p.v. verpleegkundige | 18,0 | 21,3 | 55,9 | 4,8 |
5.2 Gevolgen van AI in de gezondheidszorg
Ruim kwart denkt dat kwaliteit zorg verbetert met AI
Mensen denken wisselend over hoe het toepassen van AI in de gezondheidszorg uit zal pakken. Een minderheid denkt dat de kwaliteit van de zorg beter wordt (28 procent), dat de wachtlijsten korter worden (34 procent) en dat de zorgkosten lager worden (23 procent). Over het persoonlijk contact zijn de meesten (78 procent) het eens: dat zal door AI minder worden. Ook denkt een kleine meerderheid (56 procent) dat de privacyrisico’s in de zorg door AI zullen toenemen. Meer zorgen zijn er over de kennis en vaardigheden van het zorgpersoneel. Bijna twee derde (65 procent) schat in dat deze af zullen nemen als AI wordt ingezet in de zorg. Dat is evenveel als het aandeel dat in het algemeen denkt dat het kennisniveau van personeel afneemt bij de inzet van AI (zie hoofdstuk 3).
| Ja (% van 18-plussers) | Misschien (% van 18-plussers) | Nee (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Persoonlijk contact in de zorg wordt minder | 77,9 | 15,6 | 3,7 | 2,7 |
| Zorgpersoneel verliest belangrijke kennis en vaardigheden | 64,6 | 22,9 | 8,5 | 4,1 |
| Privacyrisico's in de zorg nemen toe | 55,6 | 30,7 | 7,0 | 6,6 |
| Wachtlijsten in de zorg worden korter | 33,7 | 45,5 | 13,8 | 7,0 |
| Kwaliteit van de zorg wordt beter | 27,9 | 45,2 | 20,7 | 6,3 |
| Kosten van de zorg worden lager | 23,2 | 36,5 | 31,4 | 8,8 |
Vooral mannen en hbo- en wo-geschoolden positief over AI in zorg
Meer mannen dan vrouwen verwachten door AI een betere kwaliteit van zorg, kortere wachtlijsten en lagere zorgkosten. Ook hbo- en wo-geschoolden denken dit vaker dan anders geschoolden (zie tabellen 5.6 tot en met 5.8 van de Tabellenset). Van de leeftijdsgroepen zijn 65-plussers het minst overtuigd dat AI tot kortere wachtlijsten en lagere zorgkosten leidt. Over een betere zorgkwaliteit verschillen de leeftijdsgroepen minder van mening. Mensen tot 45 jaar denken wat vaker dan oudere mensen dat de kwaliteit van de zorg met AI-toepassingen beter wordt. Dat hangt samen met het feit dat de meesten van hen een hbo- of wo-diploma hebben (zie StatLine).
| Tot 25 jaar (% van 18-plussers) | 25 tot 45 jaar (% van 18-plussers) | 45 tot 65 jaar (% van 18-plussers) | 65 jaar of ouder (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Kwaliteit van de zorg wordt beter | 32,9 | 30,2 | 26,5 | 24,4 |
| Wachtlijsten in de zorg worden korter | 50,0 | 39,4 | 31,7 | 21,6 |
| Kosten van de zorg worden lager | 28,6 | 28,2 | 23,1 | 14,5 |
Vooral vmbo-/mbo-geschoolden verwachten verlies competenties zorgpersoneel
Mensen met een vmbo-, mbo of daarmee vergelijkbaar diploma denken vaker dan hbo- of wo-geschoolden dat het zorgpersoneel belangrijke kennis en vaardigheden zal verliezen door AI. Bij de inzet van AI op de arbeidsmarkt verwachten mensen met een mbo- of daarmee vergelijkbaar diploma ook vaker een kennisverlies bij personeel dan mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma (zie hoofdstuk 3). Minder persoonlijk contact door AI in de zorg zien mensen met een mbo- of daarmee vergelijkbaar diploma eerder gebeuren dan anders opgeleiden. Over het toenemen van privacyrisico’s verschillen de drie onderwijsniveaus vrijwel niet van mening.
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (% van 18-plussers) | Havo, vwo, mbo2-4 (% van 18-plussers) | Hbo, wo (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|
| Persoonlijk contact in de zorg wordt minder | 74,4 | 85,2 | 74,4 |
| Privacyrisico's in de zorg nemen toe | 55,5 | 59,9 | 52,8 |
| Zorgpersoneel verliest belangrijke kennis en vaardigheden | 68,3 | 72,8 | 57,3 |
In elke leeftijdsgroep denken mensen even vaak dat door AI het persoonlijk contact met zorgverleners minder wordt, de privacyrisico’s in de zorg toenemen en het zorgpersoneel belangrijke kennis en vaardigheden kwijtraakt. Vrouwen verwachten deze gevolgen vaker dan mannen (zie tabellen 5.9 tot en met 5.11 van de Tabellenset).
Bijlage onderzoeksbeschrijving
In deze bijlage worden de opzet en uitvoering van het onderzoek Belevingen 2025 beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
- Dataverzameling
- Vragenlijst
- Analysemethoden
- Gebruikte achtergrondkenmerken
1. Dataverzameling
Doel en doelpopulatie
Het doel van het onderzoek Belevingen (CBS, 2026) is om aan de hand van opvattingen en percepties van inwoners van Nederland een beter beeld te krijgen van gevoelens en standpunten over onderwerpen die leven in de samenleving. In 2025 was het onderzoek gericht op kunstmatige intelligentie (AI) en arbeidsmigratie. De doelpopulatie bestaat uit alle in Nederland wonende personen van 18 jaar of ouder, die geregistreerd zijn in de Basisregistratie Personen (BRP) en die deel uitmaken van een particulier huishouden. De institutionele bevolking – dat zijn personen in inrichtingen, instellingen of tehuizen – behoort niet tot de doelpopulatie.
Enquêtering en onderzoeksdesign
Niet elke volwassene in de doelpopulatie is benaderd voor het onderzoek. Er is een steekproef getrokken van 9 549 mensen. De dataverzameling (ook wel veldwerk genoemd) vond plaats van 23 januari tot en met 30 juni 2025. Personen in de steekproef ontvingen bij aanvang van de veldwerkperiode een aanschrijfbrief (met inloggegevens) met daarin het verzoek om via internet deel te nemen aan het onderzoek. Deelname aan het onderzoek bestond uit het invullen van een vragenlijst en nam ongeveer 25 minuten in beslag.
Twee weken na de aanschrijfbrief verstuurde het CBS een eerste rappelbrief met daarin opnieuw het verzoek om via internet deel te nemen aan het onderzoek. Deze brief is alleen verstuurd aan steekproefpersonen van wie geen respons is ontvangen. Twee weken daarna is een tweede rappelbrief verstuurd aan de steekproefpersonen die op dat moment de internetvragenlijst nog niet hebben ingevuld. Een deel van de mensen die uiteindelijk niet via internet hebben gerespondeerd, is door interviewers aan huis benaderd met het verzoek alsnog deel te nemen. Dit waren vooral mensen uit groepen met een relatief lage internetdeelname, om een betere weerspiegeling van de doelpopulatie in de totale respons te krijgen.
Om de respons te verhogen is er in overeenstemming met CBS-beleid gebruikgemaakt van een incentive. Dat wil zeggen dat respondenten kans hadden om een Apple Watch of een VVV-cadeaubon te winnen.
Respons
In totaal namen 3 834 personen van 18 jaar of ouder deel aan Belevingen 2025. De respons bedroeg daarmee 40,2 procent. Uit de responsanalyse is gebleken dat er sprake is van selectiviteit. Zo nemen vrouwen iets minder vaak deel dan mannen, jongeren minder dan ouderen, mensen in minder welvarende huishoudens minder dan mensen in welvarende huishoudens, en paren zonder kinderen vaker dan mensen in een ander huishoudtype. In andere CBS-onderzoeken en ook in eerdere edities van Belevingen is sprake van een vergelijkbare selectiviteit.
De selectiviteit in de respons is door weging gecorrigeerd, zodat de deelnemers aan het onderzoek een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging vormen van de doelpopulatie. Respondenten in minder goed vertegenwoordigde groepen in de steekproef tellen in de analyse zwaarder mee. Er is gewogen naar geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, herkomst, huishoudenstype, inkomen, sociaaleconomische positie en (vooral voor het thema arbeidsmigratie) regionale indelingen.
2. Vragenlijst
Inhoud
De vragenlijst van Belevingen 2025 peilt opvattingen over kunstmatige intelligentie (AI) en arbeidsmigratie. De helft van de respondenten kreeg eerst de vragen over AI en daarna de vragen over arbeidsmigratie. Voor de andere helft is deze volgorde omgedraaid. Er is voor deze tweedeling gekozen om eventuele contexteffecten tussen beide onderwerpen te voorkomen. Het deel van de vragenlijst over AI bevat de volgende blokken:
- Ervaring met AI
- AI in het dagelijks leven
- AI op de arbeidsmarkt
- AI in de gezondheidszorg.
Aan het einde van de vragenlijst – na de vragen over AI en arbeidsmigratie – volgt een blok waarin de twee onderwerpen zijn geïntegreerd. Hier wordt respondenten voor verschillende bedrijfstakken gevraagd of zij het personeelstekort in een bedrijfstak liever zouden oplossen met AI of door inzet van arbeidsmigranten.
Kwaliteit
Bij het ontwikkelen van de vragenlijst is veel aandacht besteed aan de kwaliteit, betrouwbaarheid en validiteit van de vraagstellingen. Zo is er gestreefd naar een neutrale, niet-sturende formulering van vragen en gebalanceerde antwoordschalen. Ook zijn stellingen afwisselend positief en negatief geformuleerd om respondenten te stimuleren stil te staan bij elk afzonderlijk item. Daarnaast is zoveel mogelijk het B1‑taalniveau gehanteerd; dit is in alle vragenlijsten van het CBS het geval.
De vragenlijst voor Belevingen 2025 is door het CBS in een kwalitatief onderzoek getest in een face-to-face setting, met proefrespondenten die behoren tot de doelgroep. Op deze manier is onderzocht hoe de vraagstellingen overkomen op verschillende typen respondenten. Indien een vraagstelling te ingewikkeld bleek, is deze aangepast.
3. Analysemethoden
De analysemethoden waarvan in deze publicatie gebruik is gemaakt, worden hieronder kort toegelicht.
Bivariate analyses
In bivariate analyses is de relatie tussen twee variabelen bekeken, in dit geval de relatie tussen enerzijds de ervaringen met en opvattingen over AI en anderzijds de achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. Met behulp van significantietoetsing is bepaald of het verband in de populatie statistisch significant is op basis van het steekproefresultaat.
Betrouwbaarheidsmarges
Belevingen 2025 is een steekproefonderzoek. Dit betekent dat de gepresenteerde cijfers schattingen zijn en betrouwbaarheidsmarges (aangegeven met een boven- en ondergrens) hebben. In dit onderzoek is een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent gekozen. Dit betekent dat de werkelijke waarde bij herhaald onderzoek in minstens 95 van de 100 steekproeven zal liggen tussen de boven- en ondergrens die hoort bij de schatting uit de steekproef. De betrouwbaarheidsmarges behorende bij de in deze publicatie gepresenteerde cijfers zijn opgenomen in de Tabellenset die bij de publicatie hoort. Bij kleine groepen zijn de marges groter. In deze publicatie zijn alleen cijfers weergegeven voor groepen met minimaal 100 waarnemingen.
4. Gebruikte achtergrondkenmerken
Om na te gaan of opvattingen over kunstmatige intelligentie verschillen tussen bevolkingsgroepen, zijn uitsplitsingen gemaakt naar een aantal achtergrondkenmerken. Deze achtergrondkenmerken worden hieronder kort omschreven.
Geslacht
Het gaat hier om mannen en vrouwen.
Leeftijd
Leeftijdsgroepen zijn ingedeeld op basis van de leeftijd van de respondent op het moment van enquêteren.
Onderwijsniveau
Het onderwijsniveau is in de meeste gevallen het hoogst behaalde (zelf gerapporteerde) onderwijsniveau. Bij mensen die een opleiding volgen, is het niveau van die opleiding als hoogst behaalde onderwijsniveau genomen. Het onderwijsniveau bestaat uit drie categorieën: (1) basisonderwijs, vmbo of mbo1, (2) havo, vwo of mbo2-4 en (3) hbo of wo.
Herkomst
Herkomst wordt vastgesteld op basis van registerinformatie over of iemand en diens ouders wel of niet in Nederland zijn geboren. In deze publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen mensen met een Nederlandse herkomst (zelf en beide ouders in Nederland geboren), mensen die zelf in Nederland geboren zijn maar hun ouder(s) niet (tweede generatie) en mensen die in het buitenland geboren zijn (migranten).
Financiële welvaart
De financiële welvaart van een huishouden (en de huishoudensleden) is gebaseerd op een combinatie van het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen en het vermogen. Op grond daarvan zijn huishoudens geordend van laag naar hoog en in vijf gelijke groepen (20-procentsgroepen) ingedeeld. Huishoudens in de laagste welvaartsgroep hebben een laag inkomen én een laag vermogen. Naarmate het inkomen of het vermogen hoger is, wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Alle mensen in een huishouden behoren tot dezelfde 20-procentsgroep als dat van hun huishouden.
Literatuur
AP (2023). Rapportage AI- & algoritmerisico’s Nederland. Autoriteit Persoonsgegevens.
AIVD, MIVD & NCTV (2024). Versterkte dreigingen in een wereld vol kunstmatige intelligentie. Een analyse van het effect van AI op de nationale veiligheid. Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.
CBS (2026). Belevingen | CBS. Korte onderzoeksomschrijving.
Groenewegen, J., N. van Limbergen en N. Vrieselaar (2026). Dalende werkgelegenheid onder Nederlandse jongeren die concurreren met GenAI. ESB, 22 januari.
KPMG (2025). Nationale onderzoek AI vertrouwensmonitor 2025. Rapportage van het jaarlijkse onderzoek naar hoe Nederlanders AI vertrouwen en gebruiken.
OECD (2024). Assessing potential future artificial intelligence risks, benefits and policy imperatives. OECD Artificial Intelligence Papers. November 2024, nr. 27.
RDI (2025). Wat is kunstmatige intelligentie? Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.
Waag Futurelab & Nederlandse AI-coalitie (2024). Een maatschappelijke onderzoeksagenda voor AI. Wat moet volgens de Nederlandse bevolking de focus zijn in toekomstig onderzoek naar AI?