Technische toelichting
Data
Voor dit rapport is gebruikgemaakt van gegevens uit het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) 2012-2025. In dit onderzoek is onder meer gevraagd naar de sociale en maatschappelijke participatie van mensen van 15 jaar of ouder, waaronder het verrichten van vrijwilligerswerk. In totaal zijn in 2012-2025 gegevens beschikbaar van 99 219 personen (2012: 7 949, 2013: 7 384, 2014: 7 627, 2015: 7 614, 2016: 7 467, 2017: 7 654, 2018: 7 853, 2019: 7 652, 2020: 7 836, 2021: 6 690, 2022: 7 941, 2023: 7 671, 2024: 7 557, en 7 881 in 2025).
Vrijwilligerswerk
Er is aan respondenten gevraagd of zij in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête vrijwilligerswerk hebben gedaan voor bepaalde organisaties of verenigingen. Daarbij werden 13 typen organisaties of verenigingen onderscheiden. De vraag luidde als volgt: “De volgende vragen gaan over vrijwilligerswerk doen voor organisaties of verenigingen. Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk, collecteren of andere activiteiten. Heeft u in de afgelopen twaalf maanden, dus sinds <huidige datum - twaalf maanden>, weleens vrijwilligerswerk gedaan voor:
- (1) jeugd- of buurthuiswerk, zoals scouting, jongerencentrum, buurt- of dorpshuis,
- (2) school, zoals oudercommissie, bestuur, leesouder of hulp op school,
- (3) verzorging of gezondheidszorg, zoals ouderen- of gehandicaptenzorg, kinderopvang of hulp in ziekenhuis of hospice,
- (4) een sportvereniging, zoals trainer, kantinedienst, zaalbeheer of bestuur,
- (5) kunst of cultuur, zoals een muziek- of toneelvereniging, bibliotheek of museum,
- (6) een hobby- of gezelligheidsvereniging,
- (7) een religieuze of levensbeschouwelijke groepering, zoals een kerk of moskee,
- (8) een politieke partij of actiegroep of voor een vakbond of bedrijfsorganisatie
- (9) sociale hulpverlening, voedselbank, rechtshulp of slachtofferhulp,
- (10) de wijk of de buurt,
- (11) milieu, natuurbehoud of dierenbescherming,
- (12) vluchtelingenwerk, mensenrechten of ontwikkelingssamenwerking,
- (13) een andere vereniging of organisatie?”
Daarnaast is voor elke organisatie waarvoor vrijwilligerswerk werd gedaan een aantal vervolgvragen gesteld over de frequentie (“Hoe vaak heeft u dit vrijwilligerswerk gedaan in de afgelopen twaalf maanden?”) en over de hoeveelheid tijd die aan vrijwilligerswerk besteed wordt (“Om hoeveel uur vrijwilligerswerk ging het dan?”). Ook is gevraagd of mensen in de afgelopen vier weken vrijwilligerswerk hebben gedaan voor een organisatie (“Heeft u dit vrijwilligerswerk gedaan in de afgelopen vier weken?”), hoe lang mensen dit vrijwilligerswerk doen (“Hoe lang doet of deed u dit vrijwilligerswerk?”) en over de toekomst (“Bent u van plan dit vrijwilligerswerk over een jaar nog te doen?”).
Sociaal en institutioneel vertrouwen
Ten behoeve van de analyse van de samenhang tussen het doen van vrijwilligerswerk en het hebben van vertrouwen in de samenleving, is gekeken naar zowel het sociaal als het institutioneel vertrouwen. Het sociaal vertrouwen wordt gemeten met de vraag: ‘Vindt u over het algemeen dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen?’. Hierop zijn twee antwoorden mogelijk: 1) Meeste mensen zijn wel te vertrouwen en 2) Men kan niet voorzichtig genoeg zijn. Het vertrouwen in verschillende instituties is gemeten aan de hand van een vragenblok, geïntroduceerd met de tekst: ‘Dan nu enkele vragen over uw vertrouwen in diverse organisaties en hun functioneren. Hoeveel vertrouwen heeft u in: …?’. Dan volgt een lijst met instituties, namelijk: kerken, het leger, rechters, de pers, de politie, de Tweede Kamer, ambtenaren, politici, banken, grote bedrijven en de Europese Unie. De antwoordopties zijn 1) Heel veel vertrouwen, 2) Tamelijk veel vertrouwen, 3) Niet zo veel vertrouwen en 4) Helemaal geen vertrouwen. De categorieën ‘heel veel vertrouwen’ en ‘tamelijk veel vertrouwen’ worden samengevoegd en geven aan dat iemand vertrouwen heeft. De categorieën ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ geven gezamenlijk aan dat iemand geen vertrouwen heeft. Een factoranalyse (Schmeets, 2026) toont dat het vertrouwen in rechters, politie en leger kan worden samengevoegd, dit wordt het publieke domein genoemd. Het vertrouwen in banken en grote bedrijven vormt gezamenlijk het private domein. Vertrouwen in ambtenaren, de Tweede Kamer, politici en in de Europese Unie vormt het politieke domein. Kerken, de pers en de gemeenteraad worden hier, net als de publicaties waarop de indeling is gebaseerd, buiten beschouwing gelaten (Schmeets, 2026, Janssen & van Montfort, 2026). Voor het publieke, private, en politieke domein worden somscores berekend en op basis van het gemiddelde van de percentages mensen met 'heel veel' of 'tamelijk veel' vertrouwen in de afzonderlijke indicatoren is een afkappunt bepaald zodat voor iedere dimensie een tweedeling ontstaat: 'wel vertrouwen' en 'geen vertrouwen' (zie voor een uitgebreide beschrijving van de methode Janssen & van Montfort, 2026).
Aanvullende vragen over vrijwilligerswerk
Tevredenheid
Aan respondenten die in 2025 hebben aangegeven in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk te hebben gedaan, is de vraag gesteld: “Hoe tevreden bent u op een schaal van 1 tot en met 10 met het vrijwilligerswerk dat u in de afgelopen 12 maanden heeft gedaan? Een 1 staat hierbij voor ‘zeer ontevreden’ en een 10 voor ‘zeer tevreden’”. Vervolgens is aan de respondenten die een rapportcijfer van 6 of lager gaven gevraagd over welke aspecten zij niet zo tevreden zijn. Hierbij zijn 9 antwoorden voorgelegd: 1) Het aantal uren vrijwilligerswerk, 2) Dat ik de werktijden niet zelf kan inplannen, 3) De mensen van de organisatie, 4) De taken die ik moet doen, 5) De financiële vergoeding, 6) De sfeer, 7) Ik word niet geaccepteerd zoals ik ben, 8) Iets anders, 9) Geen van deze. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met 'Geen van deze'). In 2021 en 2020 is het rapportcijfer ook uitgevraagd. Echter toen is dit, anders dan in 2025, voor iedere organisatie of vereniging apart uitgevraagd. Er is in 2021 geen uitvraag gedaan naar de redenen waarom vrijwilligers minder tevreden waren (Arends, 2021, Arends & Tummers, 2022).
Online activiteiten
Aan alle vrijwilligers is gevraagd: “Doet u de volgende activiteiten weleens online voor uw vrijwilligerswerk?”. Hierbij zijn acht antwoorden voorgelegd: 1) Online vergaderen, 2) Hulp geven op afstand (bijv. via mail, videobellen of appgroep), 3) Een online workshop of training geven of volgen 4) Een online evenement organiseren of bijwonen, 5) Andere online activiteiten, 6) Ik heb geen online activiteiten bij mijn vrijwilligerswerk. Ook was het mogelijk om ‘geen antwoord’ te geven. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met het antwoord ‘ik heb geen online activiteiten gedaan’ en ‘geen antwoord’). Wanneer als antwoord ‘Andere online activiteiten’ werd gegeven, volgde een open antwoordveld om toe te lichten om wat voor soort activiteit het dan ging. In het aanvullende blok van 2022 is ook een vraag opgenomen naar online activiteiten van vrijwilligers. Toen waren de antwoordopties: 1) Vergaderen, 2) Hulp op afstand, 3) Contacten onderhouden (bijv. via een appgroep), 4) Workshops, 5) Trainingen, 6) Evenementen, 7) Nieuwsbrieven maken of sturen, 8) Anders, 9) Geen online activiteiten (Arends, 2023).
Bestuur
De volgende vraag is gesteld aan mensen die vrijwilligerswerk hebben gedaan in de afgelopen 12 maanden: “Zit of zat u in de afgelopen 12 maanden in een bestuur van een vrijwilligersorganisatie?”. Respondenten konden hierop ‘Ja’ of ‘Nee’ antwoorden. Wanneer het antwoord ‘Ja’ werd gegeven, volgde een vraag over de tevredenheid met het bestuurswerk: “Hoe tevreden bent u op een schaal van 1 tot en met 10 met het bestuurswerk dat u in de afgelopen 12 maanden heeft gedaan?”. Wanneer het antwoord ‘Nee’ werd gegeven, volgde de vraag: “Zou u weleens in het bestuur van een vrijwilligersorganisatie willen zitten?”. Hierbij zijn 6 antwoorden voorgelegd: 1) Ja, 2) Nee, ik heb er geen tijd voor, 3) Nee, ik denk dat ik hiervoor te weinig ervaring of kennis heb, 4) Nee, ik wil niet zo veel verantwoordelijkheid, 5) Nee, vanwege de wettelijke aansprakelijkheid, 6) Nee, geen interesse. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met het antwoord ‘Ja’). Ook was het mogelijk om ‘geen antwoord’ te kiezen. In het aanvullende blok van 2022 is ook gevraagd naar plannen om in het bestuur van een vrijwilligerswerkorganisatie te gaan. Dit is gedaan met de volgende vraag “Als u wordt gevraagd om in het bestuur van een vrijwilligersorganisatie te gaan, zou u dat dan doen?”. Hierbij zijn de volgende antwoord mogelijkheden voorgelegd: 1) Ja, 2) Nee, ik heb al een bestuursfunctie, 3) Nee, ik heb er geen tijd voor, 4) Nee, ik denk dat ik hiervoor te weinig ervaring of kennis heb, 5) Nee, ik wil niet zo veel verantwoordelijkheid, 6) Nee, vanwege wettelijke aansprakelijkheid, 7) Nee, geen interesse. Ook was het mogelijk ‘geen antwoord’ te kiezen.
Invloed op inkomen
Aan alle respondenten, ook degenen die geen vrijwilligerswerk doen, werd de volgende stelling voorgelegd: “Soms kan het doen van vrijwilligerswerk gevolgen hebben voor de hoogte van een (bijstands)uitkering. En soms moet er belasting worden betaald over een vrijwilligersvergoeding.”. Aan de respondenten die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk deden, is vervolgens de vraag gesteld: “Doet u hierdoor minder of ander vrijwilligerswerk dan u zou willen?”. Aan de respondenten die de afgelopen twaalf maanden geen vrijwilligerswerk deden, is de vraag gesteld: ‘Is dit één van de redenen waarom u geen vrijwilligerswerk doet?’. Bij beide vragen waren de antwoordopties: 1) Ja, 2) Nee, 3) Nog nooit over nagedacht.
Achtergrondkenmerken
De volgende achtergrondkenmerken zijn gebruikt:
- Geslacht (‘mannen’, ‘vrouwen’),
- Leeftijd (’15 tot 25 jaar’, ’25 tot 35 jaar’, ’35 tot 45 jaar’, ’45 tot 55 jaar’, ’55 tot 65 jaar’, ’65 tot 75 jaar’, ’75 jaar of ouder’),
- Herkomst (‘geboren in Nederland en beide ouders ook’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens één ouder geboren in een land buiten Nederland’, ‘geboren in een land buiten Nederland)’
- Onderwijsniveau (‘basisonderwijs, vmbo, mbo1’, ‘havo, vwo, mbo2-4’ en ‘hbo, wo’),
- Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen (in 25%-groepen),
- Sociaaleconomische categorie (‘zelfstandigen, waaronder directeuren-grootaandeelhouders, zzp’ers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf’, ‘werknemers’, ‘studenten’, ‘mensen met een sociale uitkering, waaronder uitkeringen voor werkloosheid, bijstand, ziekte en arbeidsongeschiktheid’, ‘mensen met een pensioenuitkering’, ‘restgroep zonder inkomen’),
- Religie; Gevraagd is of men zich rekent tot 1) geen religie of levensbeschouwing, 2) de Rooms-katholieke kerk 3) een Protestantse of andere christelijke kerk of groep 4) de Islam 5) het Jodendom 6) het Hindoeïsme 7) het Boeddhisme 8) Een andere religie of levensbeschouwing. Als gelovigen worden geteld degenen die zich rekenen tot categorie 2 t/m 8.
- Stedelijkheid van de woongemeente (‘zeer sterk stedelijk’, ‘sterk stedelijk’, ‘matig stedelijk’, ‘weinig stedelijk’, ‘niet stedelijk’).
Geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, en religie zijn uitgevraagd in de enquête. Informatie over herkomst, het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen, de sociaaleconomische categorie en de (stedelijkheid van de) woongemeente was afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) en is aan de enquêtegegevens toegevoegd.
Analyse
Met behulp van zowel beschrijvende als multivariate analyse is het vrijwilligerswerk onderzocht. Bivariate analyses zijn uitgevoerd om eventuele verschillen tussen bevolkingsgroepen te onderzoeken. Indien dergelijke verschillen zijn aangetroffen, zijn logistische multivariate regressieanalyses toegepast om na te gaan of andere achtergrondkenmerken een verklaring vormen voor deze verschillen. Een gevonden verschil wordt beschouwd als statistisch significant wanneer het onwaarschijnlijk is dat het verschil op toeval berust. In dit onderzoek wordt een verschil bij een betrouwbaarheid van 95% als statistisch significant beschouwd.