4. Samenvatting en conclusie
4.1 Vrijwilligerswerk: het reguliere onderzoeksdeel
Het vrijwilligerswerk vormt een belangrijk onderdeel van het sociaal kapitaal (Van Beuningen & Schmeets, 2013), dat zorgt voor een goed functionerende samenleving. In 2025 gaf 47 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder aan zich minstens één keer per jaar als vrijwilliger ingezet te hebben voor een organisatie of vereniging. Hiermee is het aandeel vrijwilligers terug op het niveau van 2019, vóór de coronapandemie, maar wel 3 procentpunt lager dan in 2024 en 2023, toen dit nog gemiddeld 50 procent was (Groffen & Schmeets, 2025). Net als in voorgaande jaren zetten de meeste vrijwilligers zich in bij sportverenigingen. Dit wordt gevolgd door vrijwilligerswerk voor hobbyverenigingen, buurt- of wijk verenigingen en scholen.
Mensen kunnen voor één of meer verenigingen of organisaties actief zijn. Het aandeel mensen dat actief is voor één tot vier organisaties is niet gedaald in vergelijking met 2024. Wel is het aandeel mensen dat voor vier of meer organisaties actief is afgenomen.
In 2025 deed 40 procent van de vrijwilligers dit incidenteel (af en toe of éénmalig) en 60 procent regelmatig (wekelijks of maandelijks). Dit is vergelijkbaar met 2024 en 2023. Alleen voor scholen zijn mensen minder vaak regelmatig actief, zij doen dit nu vaker ‘af en toe’. Gemiddeld besteden vrijwilligers 3,9 uur per week aan vrijwilligerswerk, waarvan de meeste uren aan (gezondheids-)zorg. Ook dit is vergelijkbaar met 2023 en 2024. Wel is er een afname zichtbaar in het regelmatig doen van vrijwilligerswerk en het aantal uren als vergeleken wordt met 2022. Deze verschuiving naar meer sporadische werkzaamheden is al langer zichtbaar (Groffen & Schmeets, 2025).
Net als vorige jaren, zijn er verschillen tussen bevolkingsgroepen. In 2025 doen mensen tussen 65 en 75 jaar en tussen 35 en 45 jaar het vaakst vrijwilligerswerk. Jongvolwassenen tussen 25 en 35 jaar en personen van 75 jaar of ouder doen het minst vaak vrijwilligerswerk. Ten opzichte van 2024 zijn vooral jongeren en jongvolwassenen tussen 15 en 35 minder vaak vrijwilliger. Vrouwen en mannen doen even vaak vrijwilligerswerk. Wel verschillen mannen en vrouwen in het soort organisatie waarvoor ze het vrijwilligerswerk doen: vrouwen zijn bijvoorbeeld bijna twee keer zo vaak als mannen actief in de verzorging of gezondheidszorg, terwijl mannen actiever zijn op het gebied van sport. Ook doet de sociaaleconomisch categorie ertoe. Zo zijn vooral vrijwilligers te vinden onder de zelfstandigen, gevolgd door gepensioneerden, studenten en werknemers. Mensen met een sociale uitkering doen het minst vaak vrijwilligerswerk. Ook neemt de vrijwillige inzet toe met het onderwijsniveau en de hoogte van het besteedbaar inkomen. Hierin zijn geen verschillen ten opzichte van 2024.
Zowel de religieuze betrokkenheid als het herkomstland zijn gerelateerd aan het vrijwilligerswerk. Ook als rekening wordt gehouden met een andere samenstelling qua leeftijd, inkomen en onderwijsniveau, zijn vooral mensen met een Nederlandse herkomst vaker vrijwilliger dan migranten. Wel zijn mensen met een Nederlandse herkomst dit, ten opzichte van 2024, minder vaak gaan doen. Ook komt duidelijk de rol van religie naar voren: mensen die zeggen bij een religie te behoren, doen vaker vrijwilligerswerk dan de groep die niet religieus is. Dit hangt slechts deels samen met een andere leeftijdssamenstelling in de groepen. Er zijn ook regionale verschillen. Zo zijn de inwoners van niet of weinig stedelijke woongemeenten vaker vrijwilliger dan degenen in (zeer) sterk stedelijke woongemeenten
Het meedoen in de samenleving hangt samen met het vertrouwen dat mensen hierin hebben. Vrijwilligers hebben vooral meer vertrouwen in andere mensen dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen. Ook hebben zij meer vertrouwen in publieke instituties en in de politiek. Dat betekent echter niet dat het doen van vrijwilligerswerk ervoor zorgt dat het vertrouwen toeneemt. Het kan ook dat een persoon die meer vertrouwen in de samenleving heeft, eerder geneigd is om zich als vrijwilliger in te zetten. Er is niet onderzocht of de recente daling in het politiek vertrouwen (Janssen & van Montfort, 2026) bij vrijwilligers minder sterk is dan bij mensen die geen vrijwilligerswerk doen (de Rond, 2026). Hiervoor is vervolgonderzoek nodig.
Een andere richting voor vervolgonderzoek is de samenhang tussen het doen van vrijwilligerswerk en het lidmaatschap van verenigingen. Het aandeel mensen dat lid is van een of meer verenigingen is de afgelopen tien jaar geleidelijk gedaald (Groffen & Coumans, 2025). De daling in het lidmaatschap van verenigingen is het sterkst bij 25- tot 35-jarigen, mensen die zijn geboren in het buitenland, mensen die zijn geboren in Nederland maar met één of twee ouders geboren in het buitenland, en bij mensen met een lager besteedbaar inkomen. Aan de andere kant is de deelname aan activiteiten van verenigingen (ook bij niet-leden) niet afgenomen.
4.2 Vrijwilligerswerk: het aanvullende onderzoeksdeel
Met een rapportcijfer is vastgesteld hoe tevreden vrijwilligers zijn met het vrijwilligerswerk dat ze het afgelopen jaar hebben gedaan. Gemiddeld gaf men een 7,7. Dit is vergelijkbaar met 2020 en 2021, toen dit ook werd uitgevraagd. Mensen van 65 jaar of ouder zijn het meest tevreden met hun vrijwilligerswerk, net als mensen die gelovig zijn. Studenten zijn minder tevreden. Mensen die een 6 of lager gaven (13 procent van de vrijwilligers) geven hiervoor het vaakst (49 procent) een reden die niet specifiek te maken heeft met de in de vragenlijst voorgelegde categorieën. Daarna volgen redenen als ‘de mensen van de organisatie’ (18 procent) en ‘de taken die ik moet doen’ (17 procent).
Ook is in het aanvullende deel gevraagd naar de online activiteiten die mensen doen voor hun vrijwilligerswerk. De meest genoemde online activiteit is het geven van hulp op afstand, gevolgd door online vergaderen. 65 procent geeft aan dat zij geen online activiteiten doen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 35 procent was. In dat jaar was de vraagstelling echter uitgebreider. Ook kunnen de resultaten uit dat jaar deels verband houden met de coronapandemie.
In het aanvullende deel is ook gevraagd naar het doen van bestuurswerk of een eventuele intentie om dit te gaan doen. In 2025 zei 17 procent een bestuursfunctie te vervullen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 12 procent was. Voor dit bestuurswerk wordt een gemiddeld rapportcijfer van 7,7 gegeven. Van de vrijwilligers die niet in het bestuur zitten, zegt 14 procent dit in de toekomst wel te willen doen. Geen interesse en geen tijd zijn de meest genoemde redenen om dit niet te willen.
Tot slot is aan alle respondenten, ook degenen die geen vrijwilligerswerk doen, gevraagd of zij minder of ander vrijwilligerswerk doen vanwege een mogelijke invloed op inkomen of uitkering. Dit is voor vrijwilligers bij 2 procent het geval en bij mensen die geen vrijwilligerswerk hebben gedaan 3 procent. Met 6 procent zeggen vooral mensen met een sociale uitkering het vaakst dat de mogelijke invloed op hun inkomen de reden is dat zij geen, minder of ander vrijwilligerswerk doen.