2. Vrijwilligerswerk het reguliere deel
2.1 Ontwikkelingen in vrijwilligerswerk
In 2025 namen 7 881 personen van 15 jaar of ouder deel aan het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW). Van deze deelnemers gaf 47 procent aan in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk te hebben verricht voor één of meerdere organisaties of verenigingen. Hiermee is het percentage vrijwilligers terug op het niveau van 2019, vóór de coronapandemie, maar wel 3 procentpunt lager dan in de periode 2023 - 2024, toen dit nog gemiddeld 50 procent was (Groffen & Schmeets, 2025). Tijdens de coronajaren 2020, 2021 en 2022 was het gemiddelde percentage vrijwilligerswerk 41 procent. Tussen 2012 en 2016 deed gemiddeld 49 procent vrijwilligerswerk. Vanaf 2017 daalde het percentage licht tot 47 procent in 2019.
In 2025 gaf 29 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder aan zich in de vier weken voorafgaand aan het interview ingezet te hebben als vrijwilliger voor een organisatie of vereniging. Dit aandeel bleef vrij stabiel in de periode 2012-2019 (30 procent), maar daalde wel fors in 2020 en 2021 (naar respectievelijk 21 en 22 procent). Vanaf 2022 steeg dit aandeel weer naar 31 procent in 2024.
| Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder) | Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| 2012 | 50,5 | 30,7 |
| 2013 | 49,1 | 30,0 |
| 2014 | 48,0 | 29,5 |
| 2015 | 48,7 | 31,1 |
| 2016 | 49,7 | 30,3 |
| 2017 | 48,5 | 29,8 |
| 2018 | 47,6 | 29,9 |
| 2019 | 46,7 | 30,5 |
| 2020 | 43,8 | 20,9 |
| 2021 | 38,9 | 22,3 |
| 2022 | 41,2 | 26,7 |
| 2023 | 48,7 | 29,9 |
| 2024 | 49,5 | 31,2 |
| 2025 | 47,0 | 29,4 |
In 2025 hebben zich, net als in voorgaande jaren, relatief veel mensen ingezet als vrijwilliger bij sportverenigingen (15 procent). Iets minder groot is de vrijwillige inzet voor hobby- en gezelligheidsverenigingen, scholen, buurten (10 procent), en voor organisaties die zich richten op verzorging of gezondheidszorg en voor levensbeschouwelijke organisaties (7 à 8 procent). Vrijwilligerswerk voor culturele verenigingen en voor jeugd- of buurthuiswerk doet 6 procent. Voor milieu-, natuur of dierenbescherming was in 2025 5 procent actief. Voor arbeids- en politieke organisaties, sociale hulpverlening en voor vluchtelingenwerk is 2 à 3 procent actief. Vrijwilligerswerk voor een ‘andere organisatie’, zoals de vrijwillige brandweer, collecteren, of vrijwillig werken in een winkel, de horeca of toerisme, doet 9 procent.
| 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | |
|---|---|---|---|---|
| Sportvereniging | 13,4 | 15,7 | 16,2 | 15,1 |
| School | 7,4 | 10,5 | 9,8 | 9,7 |
| Buurt | 7,1 | 10,5 | 10,0 | 9,8 |
| Verzorging of gezondheidszorg | 6,8 | 8,7 | 9,0 | 8,2 |
| Levensbeschouwelijke organisatie | 6,4 | 7,5 | 8,3 | 7,4 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 6,4 | 10,5 | 10,9 | 10,1 |
| Culturele vereniging | 5,2 | 6,1 | 6,5 | 5,8 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 4,4 | 4,4 | 7,0 | 5,6 |
| Sociale hulpverlening | 3,4 | 4,2 | 3,7 | 3,4 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 3,5 | 4,7 | 5,1 | 4,6 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 2,7 | 2,9 | 2,4 | 2,1 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 1,8 | 2,3 | 2,2 | 2,2 |
| Andere organisatie | 8,9 | 11,1 | 10,3 | 9,4 |
| 1) Percentages voor de jaren 2012-2021 zijn terug te vinden in de vorige jaargangen van dit rapport (Groffen & Schmeets, 2025) | ||||
Mensen kunnen voor één of meer organisaties of verenigingen vrijwilligerswerk doen. In 2025 deed 23 procent van alle 15-plussers vrijwilligerswerk voor één organisatie of vereniging, 13 procent voor twee, en 6 procent voor drie organisaties of verenigingen. Dit verschilt niet met vorig jaar. Voor vier of meer organisaties of verenigingen is 5 procent actief. Dit is lager dan in 2024, toen dit nog 7 procent was.
Er is ook variatie in de mate waarin mensen vrijwilligerswerk doen voor specifieke organisaties of verenigingen in de vier weken voorafgaand aan het interview. In 2025 heeft 8 procent van de bevolking zich in de vier weken voorafgaand aan het interview ingezet als vrijwilliger voor sportverenigingen. Minder vaak, met zo’n 4 tot 5 procent, is men als vrijwilliger actief voor hobbyverenigingen, verzorging en gezondheidszorg, levensbeschouwelijke organisaties, buurt- of wijkverenigingen, jeugd- of buurthuiswerk, en scholen. Voor culturele verenigingen is 3 procent in de afgelopen vier weken actief geweest, en voor milieu-, natuur en dierenbescherming, sociale hulpverlening en arbeids- en politieke organisaties is dat 1 à 2 procent. Daarnaast is nog in totaal 6 procent actief voor ‘andere organisaties’. Hierin zijn geen statistisch significante verschillen gevonden ten opzichte van vorig jaar.
| Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder) | Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Sportvereniging | 15,1 | 7,7 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 10,1 | 5,0 |
| Buurt | 9,8 | 4,4 |
| School | 9,7 | 3,5 |
| Verzorging of gezondheidszorg | 8,2 | 4,9 |
| Levensbeschouwelijke organisatie | 7,4 | 4,7 |
| Culturele vereniging | 5,8 | 3,1 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 5,6 | 4,4 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 4,6 | 1,9 |
| Sociale hulpverlening | 3,4 | 1,7 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 2,2 | 1,1 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 2,1 | 0,9 |
| Andere organisatie | 9,4 | 6,0 |
2.2 Frequentie van en tijd besteed aan het vrijwilligerswerk
Vrijwilligers onderscheiden zich in de mate waarin ze actief zijn voor organisaties. Aangezien gevraagd is naar de frequentie per soort organisatie zijn veel combinaties mogelijk. Zo kan een vrijwilliger zich wekelijks inzetten voor de sportclub, maandelijks iets doen voor de fanfare, soms meedoen met een werkzaamheid voor het buurthuis en een keer per jaar helpen bij de organisatie van een schoolfeest.
In 2025 deed 39 procent van alle vrijwilligers wekelijks vrijwilligerswerk voor minstens één organisatie. Daarnaast was 30 procent maandelijks actief voor één of meer organisaties. Verder deed 49 procent soms een activiteit voor een organisatie en 22 procent gaf aan dat dit beperkt is gebleven tot een éénmalige activiteit binnen een jaar.
Er zijn weinig verschuivingen in de frequentie zichtbaar ten opzichte van 2024 en 2023, maar wel in vergelijking met 2022. In 2022 waren de vrijwilligers nog iets actiever: 44 procent deed een wekelijkse en 30 procent een maandelijkse activiteit. Daar staat tegenover dat de groep met een lagere frequentie kleiner was: 45 procent deed soms vrijwilligerswerk en 17 procent éénmalig.
Dat valt ook af te lezen in onderstaande grafiek, waarbij de mensen zijn samengevoegd die voor ten minste één organisatie of vereniging wekelijks of maandelijks een activiteit doen (dit wordt aangeduid als ‘regelmatig’), tegenover de mensen die zich in alle gevallen soms of éénmalig hebben ingezet (aangeduid als ‘incidenteel’). Daaruit komt naar voren dat in 2025, net als in 2024 en 2023, 60 procent wekelijks of maandelijks voor minstens één organisatie vrijwilligerswerk deed. In 2022 was nog 65 procent regelmatig actief.
| Regelmatig (% van vrijwilligers) | Incidenteel (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|
| 2025 | 60,3 | 39,7 |
| 2024 | 60,3 | 39,7 |
| 2023 | 59,5 | 40,5 |
| 2022 | 65,4 | 34,6 |
Bij 6 van de 13 soorten vrijwilligerswerk geeft ruim de helft van de vrijwilligers aan het vrijwilligerswerk regelmatig (wekelijks of maandelijks) te doen. Dit geldt vooral voor vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg, waarbij 43 procent het vrijwilligerswerk wekelijks en 18 procent maandelijks doet, en voor levensbeschouwelijke organisaties (28 procent wekelijks en 33 procent maandelijks). Ook voor jeugd- en buurthuiswerk, sportverenigingen, culturele verenigingen en voor andere organisaties doen mensen vaker regelmatig dan incidenteel vrijwilligerswerk. Voor sociale hulpverlening, hobbyverenigingen, arbeids- of politieke organisaties, vluchtelingenwerk, milieu-, natuur- of dierenbescherming, school en buurt- en wijkorganisaties is de inzet vaker incidenteel (af en toe of eenmalig) dan regelmatig.
In vergelijking met 2024 zijn vrijwilligers voor levensbeschouwelijke organisaties, jeugd- en buurthuiswerk en voor de sociale hulpverlening vaker regelmatig actief. Voor school zetten mensen zich juist minder vaak regelmatig in dan in 2024. Zij doen dit nu vaker af en toe.
| Wekelijks (% van vrijwilligers) | Maandelijks (% van vrijwilligers) | Af en toe (% van vrijwilligers) | Eenmalig (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|---|---|
| Verzorging of gezondheidszorg | 42,9 | 18,0 | 26,9 | 12,1 |
| Sportvereniging | 33,1 | 18,0 | 38,1 | 10,8 |
| Culturele vereniging | 33,0 | 19,7 | 34,0 | 13,3 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 31,9 | 24,0 | 33,4 | 10,7 |
| Levensbeschouwelijke organisatie | 28,3 | 32,9 | 29,0 | 9,8 |
| Sociale hulpverlening | 27,8 | 20,0 | 34,4 | 17,8 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 27,7 | 19,3 | 37,6 | 15,4 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 26,8 | 13,8 | 37,1 | 22,3 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 20,4 | 25,5 | 39,5 | 14,5 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 19,1 | 16,6 | 42,9 | 21,5 |
| School | 15,2 | 18,3 | 49,3 | 17,2 |
| Buurt | 14,9 | 16,0 | 49,7 | 19,4 |
| Andere organisatie | 35,6 | 22,8 | 27,2 | 14,3 |
In 2025 besteedden vrijwilligers gemiddeld 3,9 uur per week aan vrijwilligerswerk. Dit is niet statistisch significant lager dan in 2024 en 2023, maar wel lager dan in 2022, toen vrijwilligers gemiddeld 4,8 uur per week actief waren. De grootste groep vrijwilligers, 42 procent, gaf in 2025 aan minder dan één uur per week vrijwilligerswerk te doen. Dit zijn vooral mensen die een paar uur per jaar actief zijn als vrijwilliger. Verder is 21 procent van de vrijwilligers ëén tot drie uur per week actief, 22 procent drie tot acht uur, 11 procent acht tot twintig uur en 3 procent twintig uur of meer. Ook hier zijn geen verschuivingen ten opzichte van 2024 en 2023. In 2022 deed nog 39 procent minder dan een uur vrijwilligerswerk en 61 procent minimaal een uur. De verschuiving naar meer sporadische werkzaamheden is overigens al langer zichtbaar: in de periode 2017 tot en met 2021 was 32 tot 37 procent minder dan een uur actief.
De meeste uren per week worden besteed aan vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg en aan de restgroep van ‘andere organisaties’ (beide gemiddeld drie uur per week). De minste uren worden verricht voor buurt- of wijkverenigingen en voor scholen. Voor milieu-, natuur- of dierenbescherming wordt relatief vaak 20 uur of meer per week besteed. Ten opzichte van 2024 zijn er geen grote verschuivingen in het aantal uren die vrijwilligers besteden per organisatie. Alleen voor jeugd- en buurthuiswerk zijn vrijwilligers vaker een uur of meer per week gaan besteden.
| Minder dan 1 uur (% van vrijwilligers) | 1 tot 3 uur (% van vrijwilligers) | 3 tot 8 uur (% van vrijwilligers) | 8 tot 20 uur (% van vrijwilligers) | 20 uur of meer (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Verzorging of gezondheidszorg | 40,9 | 23,2 | 24,1 | 10,2 | 1,5 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 43,6 | 28,1 | 20,1 | 7,1 | 1,1 |
| Culturele vereniging | 52,9 | 20,7 | 20,7 | 5,0 | 0,7 |
| Sportvereniging | 53,1 | 23,3 | 18,2 | 4,4 | 1,0 |
| Levensbeschouwelijke organisatie | 53,7 | 24,8 | 15,4 | 4,9 | 1,2 |
| Sociale hulpverlening | 55,7 | 20,5 | 15,8 | 7,3 | 0,7 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 58,8 | 20,8 | 15,5 | 3,8 | 1,2 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 61,0 | 22,0 | 11,7 | 4,8 | 0,5 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 63,9 | 14,4 | 13,5 | 7,0 | 1,1 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 69,4 | 12,2 | 9,5 | 5,2 | 3,8 |
| Buurt | 74,2 | 16,1 | 7,3 | 2,2 | 0,2 |
| School | 74,6 | 17,2 | 5,8 | 1,9 | 0,4 |
| Andere organisatie | 45,4 | 23,5 | 19,5 | 9,1 | 2,5 |
2.3 Duur vrijwilligerswerk en toekomstplannen
Er is ook gevraagd hoelang vrijwilligers al actief zijn voor een organisatie. De duur van het vrijwilligerswerk verschilt naar het soort organisatie waarvoor activiteiten worden gedaan. Het kortst durend zijn de activiteiten voor school en voor arbeids- en politieke organisaties, hiervoor zijn respectievelijk 56 procent en 57 procent van de vrijwilligers meer dan een jaar actief. Dat loopt op naar 77 procent bij de levensbeschouwelijke organisaties en 76 procent bij ‘andere organisaties’. Ten opzichte van 2024 gaven vooral vrijwilligers voor arbeids- en politieke organisaties vaker aan dat zij minder dan een maand actief zijn. Vrijwilligers voor culturele verenigingen gaven in 2025 juist minder vaak aan minder dan een maand actief te zijn.
| Meer dan een jaar (% van vrijwilligers) | Minder dan een jaar (% van vrijwilligers) | Minder dan een half jaar (% van vrijwilligers) | Minder dan een maand (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|---|---|
| Levensbeschouwelijke organisatie | 77,4 | 7,2 | 6,4 | 9,0 |
| Sportvereniging | 69,3 | 11,7 | 7,0 | 12,0 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 68,7 | 9,8 | 6,6 | 14,9 |
| Culturele vereniging | 68,3 | 11,4 | 10,0 | 10,3 |
| Verzorging of gezondheidszorg | 65,2 | 11,0 | 7,6 | 16,3 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 60,4 | 13,1 | 8,2 | 18,2 |
| Buurt | 60,1 | 14,0 | 7,7 | 18,2 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 60,1 | 13,2 | 11,1 | 15,6 |
| Sociale hulpverlening | 58,8 | 13,8 | 8,9 | 18,6 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 58,0 | 12,9 | 9,2 | 19,9 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 57,4 | 13,7 | 9,7 | 19,2 |
| School | 55,5 | 12,4 | 10,8 | 21,4 |
| Andere organisatie | 76,3 | 10,1 | 5,8 | 7,8 |
Er is ook gevraagd of men van plan is om het vrijwilligerswerk voor de organisatie over een jaar nog steeds te doen. In 2025 gaf 71 procent aan dat van plan te zijn. Dit is vergelijkbaar met 2024.
De belangstelling om als vrijwilliger ook op langere termijn actief te zijn, varieert per soort organisatie. Is dat een levensbeschouwelijke organisatie of een ‘andere organisatie’, dan zegt respectievelijk 71 procent en 72 procent zich ook het volgend jaar hiervoor te willen inzetten. Dat neemt af naar 53 procent bij arbeids- en politieke organisaties. Bij hobby- of gezelligheidsverenigingen (13 procent) en bij school (12 procent) wordt het vaakst gezegd dat men dit niet van plan is. Bij arbeids- en politieke organisaties (27 procent) en buurt- en wijkverenigingen (25 procent) wordt het vaakst aangegeven al gestopt te zijn. Vrijwilligers bij vluchtelingenwerk (13 procent) en school (12 procent) geven het vaakst aan dat zij niet weten of ze dit vrijwilligerswerk volgend jaar nog doen. Ten opzichte van het voorafgaande jaar wisten alleen vrijwilligers bij arbeids- en politieke organisaties vaker niet of ze dit volgend jaar nog doen.
| Ja (% van vrijwilligers) | Nee (% van vrijwilligers) | Al gestopt (% van vrijwilligers) | Weet niet (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|---|---|
| Levensbeschouwelijke organisatie | 70,5 | 4,2 | 17,2 | 8,1 |
| Culturele vereniging | 67,2 | 7,8 | 15,5 | 9,5 |
| Sportvereniging | 67,0 | 8,3 | 15,5 | 9,3 |
| Jeugd- of buurthuiswerk | 64,6 | 8,0 | 20,1 | 7,3 |
| Milieu, natuur of dierenbescherming | 60,3 | 8,2 | 23,3 | 8,2 |
| Verzorging of gezondheidszorg | 57,6 | 9,9 | 22,5 | 9,9 |
| Sociale hulpverlening | 57,3 | 9,9 | 23,6 | 9,2 |
| Hobby- of gezelligheidsvereniging | 57,2 | 12,6 | 18,5 | 11,7 |
| Buurt | 56,9 | 8,8 | 24,9 | 9,3 |
| School | 55,2 | 12,4 | 20,3 | 12,1 |
| Vluchtelingenwerk, mensenrechten | 54,2 | 9,6 | 23,1 | 13,1 |
| Arbeids- of politieke organisatie | 53,3 | 11,1 | 26,8 | 8,8 |
| Andere organisatie | 72,0 | 6,8 | 13,6 | 7,6 |
2.4 Verschillen in vrijwilligerswerk tussen bevolkingsgroepen
Leeftijd en geslacht
Het doen van vrijwilligerswerk varieert tussen de leeftijdsgroepen. In 2025 deden 65- tot 75-jarigen (55 procent) en 35- tot 45-jarigen (53 procent) het vaakst vrijwilligerswerk, gevolgd door jongeren tussen 15 en 25 jaar (47 procent). Mensen tussen 25 en 35 jaar (39 procent) en van 75 jaar of ouder (43 procent) zetten zich het minst vaak in als vrijwilliger. Ten opzichte van 2024 deden vooral mensen tussen 15 en 35 jaar minder vaak vrijwilligerswerk.
| 2025 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden) | 2024 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden) | 2023 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden) | 2022 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden) | |
|---|---|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 46,9 | 51,1 | 46,4 | 41,0 |
| 25 tot 35 jaar | 38,7 | 43,2 | 41,0 | 34,2 |
| 35 tot 45 jaar | 52,5 | 52,1 | 56,1 | 44,6 |
| 45 tot 55 jaar | 48,8 | 51,6 | 53,1 | 44,6 |
| 55 tot 65 jaar | 45,3 | 49,2 | 46,3 | 40,1 |
| 65 tot 75 jaar | 54,7 | 52,9 | 54,6 | 48,4 |
| 75 jaar of ouder | 43,2 | 46,4 | 43,0 | 34,5 |
Ook het soort vrijwilligerswerk waarvoor mensen actief zijn, verschilt per leeftijdsgroep. Zo zijn 15- tot 35-jarigen (gemiddeld 17 procent), en 45- tot 55-jarigen (21 procent) vooral actief bij een sportvereniging. Ook 55- tot 65- jarigen zijn vaak actief op de sportvereniging (12 procent), maar dit wordt bij hen meteen gevolgd door vrijwilligerswerk voor andere organisaties (12 procent), voor de buurt- of wijkvereniging (11 procent) en in de verzorging of gezondheidszorg (10 procent). De 35- tot 45-jarigen, met vaak schoolgaande kinderen, zijn vooral actief voor een school (28 procent). De 65- tot 75-jarigen zetten zich relatief vaak in voor de restgroep van ‘andere organisaties’ (17 procent), hobby- en gezelligheidsverenigingen en voor vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg (beiden 15 procent) (tabellenbijlage B.1).
Gemiddeld besteden 65-plussers die vrijwilligerswerk doen daar meer uren per week aan dan mensen jonger dan 65 jaar. De 15- tot 65-jarigen besteden gemiddeld 3,4 uur aan vrijwilligerswerk, terwijl dat bij 65-plussers gemiddeld 5,7 uur is. Ook zijn 65-plussers vaker regelmatig (wekelijks of maandelijks) actief dan 15- tot 65-jarigen. De 35- tot 45-jarigen zijn het minst vaak regelmatig actief (zie tabellenbijlage B.2 en figuur 2.4.2).
| Regelmatig (% van vrijwilligers) | Incidenteel (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 51,0 | 49,0 |
| 25 tot 35 jaar | 50,4 | 49,6 |
| 35 tot 45 jaar | 47,0 | 53,0 |
| 45 tot 55 jaar | 61,8 | 38,2 |
| 55 tot 65 jaar | 65,7 | 34,3 |
| 65 tot 75 jaar | 77,8 | 22,2 |
| 75 jaar of ouder | 71,0 | 29,0 |
Mannen en vrouwen hebben zich in 2025 even vaak ingezet als vrijwilliger. Wel zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen naar het soort vrijwilligerswerk. Zo zijn vrouwen vaker dan mannen actief op school of in de zorg. Mannelijke vrijwilligers zijn daarentegen actiever op het gebied van sport. Mannen en vrouwen verschillen niet in de frequentie van hun vrijwilligerswerk, wel doen mannen, vaker dan vrouwen, een uur of meer vrijwilligerswerk per week (zie tabellenbijlage B.1 en B.2).
Jongeren van 15 tot 25 jaar zijn minder vaak van plan om met het vrijwilligerswerk door te gaan dan de andere leeftijdsgroepen: 53 procent is daartoe bereid. Ten opzichte van 2023 en 2024 betekent dit wel een stijging. De 45- tot 55-jarigen en 65- tot 75-jarigen zijn het vaakst van plan om het vrijwilligerswerk volgend jaar nog te doen. Mannen en vrouwen verschillen niet in hun toekomstplannen (zie tabellenbijlage B.2).
| 2025 (% van vrijwilligers) | 2024 (% van vrijwilligers) | 2023 (% van vrijwilligers) | 2022 (% van vrijwilligers) | |
|---|---|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 52,6 | 50,4 | 46,5 | 51,7 |
| 25 tot 35 jaar | 72,1 | 68,9 | 65,3 | 65,5 |
| 35 tot 45 jaar | 71,9 | 73,1 | 71,0 | 73,8 |
| 45 tot 55 jaar | 78,0 | 73,6 | 73,3 | 75,7 |
| 55 tot 65 jaar | 74,7 | 72,4 | 73,2 | 77,1 |
| 65 tot 75 jaar | 78,4 | 79,9 | 73,3 | 81,7 |
| 75 jaar of ouder | 65,4 | 66,0 | 70,1 | 68,4 |
Onderwijsniveau en inkomen
Onderwijsniveau en inkomen zijn onderscheidend voor het doen van vrijwilligerswerk. Hbo’ers en universitair geschoolden zijn vaker vrijwilliger dan mensen met een (v)mbo-niveau of daarmee vergelijkbaar. Waar van de hbo’ers of universitair geschoolden 55 procent actief is als vrijwilliger, is dat bij mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar 39 procent. Hoewel in 2024 deze laatste groep nog meer uren vrijwilligerswerk deed dan hbo’ers of universitair geschoolden, was dit verschil in 2025 niet meer statistisch significant (zie tabellenbijlage B.2).
Mensen met een hbo- of wo-diploma zetten zich vooral vaker in voor een school, een sportvereniging, culturele vereniging, arbeids- of politieke organisaties, sociale hulpverlening, natuurbehoud, vluchtelingenwerk en voor de buurt (zie tabellenbijlage B.1).
| 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 39,0 | 41,8 | 39,8 | 31,2 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 46,7 | 49,2 | 49,1 | 40,1 |
| Hbo, wo | 55,3 | 56,4 | 56,8 | 51,9 |
Van de vrijwilligers met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar zegt 57 procent dit regelmatig te doen, terwijl dit bij hbo’ers en universitair geschoolde vrijwilligers 63 procent is. Hbo’ers en universitair geschoolden zijn daarnaast ook vaker van plan om door te gaan met het vrijwilligerswerk dan mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar (77 procent versus 60 procent) (zie tabellenbijlage B.2).
De inzet als vrijwilliger is groter naarmate het besteedbaar huishoudensinkomen hoger is. Van de groep die het minst te besteden heeft (de laagste inkomenskwartielgroep), doet 39 procent vrijwilligerswerk. Dat loopt op naar 53 procent bij de hoogste inkomenskwartielgroep. Het verschil ligt voornamelijk op het gebied van sport, oplopend van 9 procent bij laagste inkomensgroep naar 21 procent bij de hoogste inkomensgroep. Tegenover de grotere deelname onder de groepen die meer te besteden hebben, staat echter een lager aantal uren dat ze als vrijwilliger actief zijn. Van de groep die het minst te besteden heeft, is gemiddeld 5,0 uur actief, en dat loopt af naar 3,4 uur bij de groep met het hoogste inkomen (zie tabellenbijlage B.1 en B.2).
Voor inkomensgroepen zijn de verschillen in het aandeel dat regelmatig vrijwilligerswerk doet minder groot. Wel zijn de hogere inkomensgroepen vaker van plan om het vrijwilligerswerk over een jaar nog steeds te doen (76 procent versus 62 procent) (zie tabellenbijlage B.2).
| 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| Eerste (laagste) kwartiel | 38,8 | 40,5 | 41,4 | 34,3 |
| Tweede kwartiel | 44,5 | 45,7 | 45,2 | 37,8 |
| Derde kwartiel | 48,6 | 52,6 | 51,6 | 43,2 |
| Vierde (hoogste) kwartiel | 52,6 | 55,0 | 54,0 | 46,7 |
Sociaaleconomische categorie
Of mensen betaald werk hebben, studeren, gepensioneerd zijn, afhankelijk zijn van een uitkering, of geen inkomen hebben, is ook gerelateerd aan de vrijwillige inzet. Zelfstandigen (met en zonder personeel, waaronder ook directeuren-grootaandeelhouders, freelancers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf) hebben met 53 procent het vaakst in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk gedaan, gevolgd door gepensioneerden en studenten (allebei 50 procent). Gepensioneerden en zelfstandigen doen met respectievelijk 37 en 35 procent het vaakst vrijwilligerswerk in een periode van vier weken. De laagste deelname over een periode van 4 weken is te zien bij de studenten. Dit heeft met name te maken met hun (lagere) leeftijd en hun (op dat moment) hoogst behaalde onderwijsniveau. Als daarmee in de analyse rekening wordt gehouden, dan vervalt het verschil tussen studenten en andere groepen.
Ook het aantal uren dat men als vrijwilliger actief is, varieert naar sociaaleconomische categorie. Mensen met een sociale uitkering en gepensioneerden besteden aanzienlijk meer tijd aan vrijwilligerswerk (respectievelijk 6,5 en 5,8 uur per week) dan werknemers en zelfstandigen (allebei 3,0 uur) (zie tabellenbijlage B.2).
| Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder) | Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Zelfstandig | 53,2 | 35,1 |
| Gepensioneerd | 49,9 | 37,1 |
| Student | 49,9 | 22,3 |
| Zonder inkomen | 47,7 | 31,4 |
| Werknemer | 46,0 | 27,8 |
| Sociale uitkering | 36,5 | 24,6 |
Vooral studenten, zelfstandigen en werknemers zijn actief voor een sportvereniging, terwijl mensen zonder inkomen zich vaker inzetten voor de buurt- of wijkvereniging of een levensbeschouwelijke organisatie. Gepensioneerden zijn het meest actief bij een hobby- of gezelligheidsvereniging, in de zorg en in de buurt. Ook geven ze vaak aan zich in te zetten voor ‘andere organisaties’ (zie tabellenbijlage B.1).
Gepensioneerde vrijwilligers doen het vaakst regelmatig (wekelijks of maandelijks) vrijwilligerswerk (76 procent), gevolgd door vrijwilligers met een sociale uitkering (72 procent). Er is ook een sterke variatie in de toekomstplannen van de vrijwilligers (tabellenbijlage B.2). Gepensioneerden denken het vaakst het vrijwilligerswerk over een jaar nog te doen (73 procent). Minder vaak denken studenten dit het volgende jaar nog te continueren (55 procent) (zie tabellenbijlage B.2).
Herkomst en kerkelijke gezindte
Van de 15-plussers die zelf geboren zijn in Nederland en beide ouders ook is 51 procent vrijwilliger. Bij degenen die geboren zijn in het buitenland (migranten) is dat 34 procent en bij mensen geboren in Nederland met minimaal één ouder geboren in het buitenland (tweede generatie) is dat 43 procent. Deze verschillen houden deels verband – maar niet volledig - met een andere samenstelling qua leeftijd, onderwijs en inkomen van deze bevolkingsgroepen. Migranten zijn vooral minder vaak vrijwilliger voor een sportvereniging dan personen met een Nederlandse herkomst en de tweede generatie. Ten opzichte van 2024 doen mensen met een Nederlandse herkomst en mensen die in een land buiten Nederland zijn geboren minder vaak vrijwilligerswerk. Als rekening wordt gehouden met veranderingen in verschillen in leeftijd, inkomen en onderwijsniveau binnen deze groepen over tijd, blijkt dat de daling bij migrantengroepen volledig samenhangt met deze factoren. Het vrijwilligerswerk binnen deze groep is daarmee stabiel gebleven ten opzichte van 2024. Bij mensen met een Nederlandse herkomst hangt de daling in het doen van vrijwilligerswerk niet volledig samen met leeftijd, inkomen en onderwijsniveau.
| 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | 2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nedelrand | 50,9 | 53,2 | 51,9 | 44,7 |
| Geboren in Nederland, minimaal 1 ouder geboren in buitenland | 43,1 | 40,1 | 42,8 | 32,5 |
| Geboren in buitenland | 33,9 | 38,7 | 37,8 | 29,6 |
Vrijwilligers met een Nederlandse herkomst doen het vrijwilligerswerk het vaakst regelmatig (63 procent), tegenover 53 procent van de vrijwilligers die in Nederland zijn geboren maar met minstens één ouder geboren in het buitenland en 51 procent van de vrijwilligers geboren in het buitenland. Ook met betrekking tot toekomstplannen zijn er verschillen zichtbaar. Zo geeft 74 procent van de vrijwilligers met een Nederlandse herkomst te kennen dit over een jaar nog steeds te willen doen, tegenover 63 procent van de vrijwilligers geboren in Nederland met minstens één ouder geboren in het buitenland, en 61 procent van de vrijwilligers die zijn geboren in het buitenland. (zie tabellenbijlage B.2).
Personen die zichzelf rekenen tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering zijn met 51 procent vaker actief als vrijwilliger dan mensen die niet behoren tot een religieuze groep (45 procent). Mensen die wel behoren tot een religie doen vaker vrijwilligerswerk voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie (18 procent) maar ook zetten zij zich vaker in voor andere organisaties, zoals verzorging of gezondheidszorg dan mensen zonder religie. Andersom zetten mensen zonder religie zich vaker in als vrijwilliger voor een sportvereniging (zie tabellenbijlage B.1). Dit hangt slechts deels samen met een andere leeftijdssamenstelling bij deze groepen. Vrijwilligers die behoren bij een religieuze groep besteden gemiddeld bijna een uur meer aan hun vrijwilligerswerk dan mensen die zich niet rekenen tot een religie of een levensbeschouwelijke groep. Mensen die behoren bij een religie doen het vrijwilligerswerk ook vaker regelmatig dan mensen zonder religie (66 procent versus 55 procent). In toekomstplannen verschillen zij niet van elkaar (zie tabellenbijlage B.2).
Stedelijkheid
In zeer sterk stedelijke gebieden geeft 42 procent van de mensen aan vrijwilliger te zijn in 2025, tegen 54 procent in niet-stedelijke gebieden. Deze verbanden hangen voor een deel samen met de bevolkingssamenstelling in deze gebieden (in sterker verstedelijkte gebieden wonen over het algemeen meer jongeren en mensen met een niet-Nederlandse herkomst). Bij vrijwilligerswerk voor de buurt is het verschil het grootst: in zeer sterk stedelijke gebieden zegt 8 procent van de mensen iets voor de buurt te doen, in niet-stedelijke gebieden is dit 15 procent. Ook het verschil bij sportverenigingen is relatief groot: dit varieert van 12 procent vrijwilligers in zeer sterk stedelijke gebieden tot 17 procent vrijwilligers in de niet-stedelijke gebieden (zie tabellenbijlage B.1).
Hoewel mensen in niet-stedelijke gebieden meer uur besteden dan mensen in zeer sterk stedelijke gebieden, zijn hier de verschillen minder groot. Ook zijn er geen verschillen gevonden in de mate waarin regelmatig of incidenteel vrijwilligerswerk wordt gedaan. Wel geldt dat hoe minder stedelijk iemand woont, hoe vaker iemand van plan is om over een jaar het vrijwilligerswerk nog te doen (zie tabellenbijlage B.2).
| Stedelijkheid van de woonomgeving | Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|
| Zeer sterk stedelijk | 42,1 |
| Sterk stedelijk | 45,2 |
| Matig stedelijk | 49,7 |
| Weinig stedelijk | 52,1 |
| Niet stedelijk | 54,1 |
2.5 Sociaal en institutioneel vertrouwen en vrijwilligerswerk
Het meedoen in de samenleving hangt samen met zowel het sociaal als het institutioneel vertrouwen. Vrijwilligers vinden, met 71 procent, vaker dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn dan mensen die de afgelopen twaalf maanden geen vrijwilligerswerk hebben gedaan (57 procent). Dit hangt slechts deels samen met andere kenmerken waarop vrijwilligers en niet-vrijwilligers van elkaar verschillen, bijvoorbeeld met leeftijd, inkomen en onderwijsniveau (zie hoofdstuk 2.4). Er is geen verschil in het vertrouwen in private instituties (banken en grote bedrijven) tussen mensen die vrijwilligerswerk doen en zij die dat niet doen. Van alle 15-plussers heeft 60 procent vertrouwen in private instituties. Vrijwilligers hebben met 82 procent wel meer vertrouwen in publieke instituties (rechters, politie en het leger) dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen (75 procent). Dit hangt ook slechts deels samen met de andere kenmerken van vrijwilligers. Ten slotte hebben vrijwilligers ook meer vertrouwen in de politiek (42 procent) dan mensen die geen vrijwilligerswerk hebben gedaan (37 procent). Dit verschil is minder groot dan bij het vertrouwen in andere mensen en in publieke instituties, maar blijft bestaan als rekening wordt gehouden met leeftijd, inkomen en onderwijs.
| Vrijwilligerswerk gedaan (% van mensen van 15 jaar of ouder) | Geen vrijwilligerswerk gedaan (% van mensen van 15 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Vertrouwen in andere mensen | 70,7 | 56,7 |
| Vertrouwen in private instituties | 60,6 | 59,6 |
| Vertrouwen in publieke instituties | 82,2 | 75,2 |
| Vertrouwen in de politiek | 41,8 | 37,3 |