3. Aanvullend deel van het onderzoek in 2025
3.1 Tevredenheid
Met een rapportcijfer is vastgesteld hoe tevreden vrijwilligers zijn met het vrijwilligerswerk dat ze het afgelopen jaar hebben gedaan. Gemiddeld geven vrijwilligers een 7,7. Dit is vergelijkbaar met 2020 en 2021 (Arends, 2021, Arends & Tummers, 2022).
Er zijn kleine verschillen tussen groepen vrijwilligers in de mate van tevredenheid. In vergelijking met 15- tot 65-jarige vrijwilligers, die een gemiddeld rapportcijfer van een 7,6 geven, zijn 65-plussers het meest tevreden met hun vrijwilligerswerk (rapportcijfer 7,9). Het minst tevreden zijn studenten (rapportcijfer 7,5). Vrijwilligers die zichzelf rekenen tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering, geven met een 7,8 een hoger rapportcijfer dan mensen die niet gelovig zijn (rapportcijfer 7,7). Er zijn geen verschillen in het rapportcijfer tussen mannen en vrouwen, inkomens-, onderwijs- en herkomstgroepen, en naar mate van stedelijkheid.
Aan respondenten die een rapportcijfer van 6 of lager geven (13 procent van de vrijwilligers), is gevraagd waarover zij niet zo tevreden zijn. Bijna de helft van de minder tevreden vrijwilligers geeft als reden dat hun ontevredenheid niet specifiek te maken heeft met de aan hen voorgelegde antwoordcategorieën, en noemt daarom 'iets anders' of 'geen van deze' als reden. Daarna volgen redenen als ‘de mensen van de organisatie’ (18 procent van de minder tevreden vrijwilligers) en ‘de taken die ik moet doen’ (17 procent). Het minst vaak wordt als reden gemeld het gevoel te hebben niet geaccepteerd te worden (3 procent) en de financiële vergoeding (7 procent).
| Reden | (% van vrijwilligers met een rapportcijfer van 6 of lager ) |
|---|---|
| De mensen van de organisatie | 17,5 |
| De taken die ik moet doen | 17,0 |
| Het aantal uren vrijwilligerswerk | 15,4 |
| Dat ik de werktijden niet zelf kan inplannen | 11,8 |
| De sfeer | 11,0 |
| De financiële vergoeding | 6,6 |
| Ik word niet geaccepteerd | 3,4 |
| Iets anders | 26,4 |
| Geen van deze | 22,7 |
| 1)meerdere antwoorden mogelijk | |
3.2 Online activiteiten
Respondenten die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, is gevraagd welke online activiteiten ze hiervoor doen, zoals online vergaderen, het geven van hulp op afstand of het organiseren of bijwonen van een workshop of evenement. Hierbij waren meerdere antwoorden mogelijk. Van hen gaf in 2025 30 procent aan online activiteiten te doen. Dat is minder dan in 2022, het laatste jaar van de coronapandemie, toen dit nog 64 procent was. In 2022 werden wel meer online activiteiten uitgevraagd (zie de technische toelichting). Er bestaan geen verschillen naar leeftijd, geslacht, herkomst en inkomen in online activiteiten voor het vrijwilligerswerk. Wel doen vrijwilligers met vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar minder vaak online activiteiten (15 procent) dan vrijwilligers met een mbo-diploma of daarmee vergelijkbaar (28 procent) en vrijwilligers met een hbo- of wo-diploma (41 procent).
Het geven van hulp op afstand wordt door 19 procent van de vrijwilligers genoemd en online vergaderen door 15 procent. Het geven of volgen van een online workshop en het organiseren of bijwonen van een online activiteit wordt door respectievelijk 6 procent en 5 procent van de vrijwilligers genoemd. Ook noemt 5 procent ‘andere online activiteiten’. Na dit antwoord was ruimte voor een omschrijving van deze activiteit (zie kader).
| 2025 (% van vrijwilligers) | |
|---|---|
| Doet online activiteiten (totaal) | 30,3 |
| Hulp geven op afstand | 18,7 |
| Online vergaderen | 15,0 |
| Een online workshop of training organiseren of bijwonen | 5,5 |
| Een online evenement organiseren of bijwonen | 5,3 |
| Andere online activiteiten | 5,1 |
| 1)meerdere antwoorden mogelijk | |
Er zijn tussen groepen vrijwilligers verschillen in het soort online activiteiten. Mannelijke vrijwilligers vergaderen met 17 procent vaker online dan vrouwelijke vrijwilligers (13 procent). Voor de andere online activiteiten zijn er geen verschillen tussen mannen en vrouwen. Verder vergaderen vrijwilligers van 65 jaar of ouder (12 procent) minder vaak dan vooral de 35- tot 65-jarigen online (17 procent). Als hierbij rekening wordt gehouden met andere kenmerken, zoals een lager onderwijsniveau en inkomen, dan vergaderen 65-plussers juist vaker online dan vooral de jongeren tot 35 jaar. Bij de andere online activiteiten zijn geen leeftijdsverschillen gevonden. Mensen met een mbo-, hbo- of wo- diploma noemen met 17 procent vaker dan mensen met een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar (6 procent) dat zij online vergaderen. Ook geven mbo-, hbo- of wo- geschoolden vaker aan dat zij hulp op afstand geven (22 procent versus 8 procent bij de vmbo-geschoolde vrijwilligers) of een online workshop of training geven of volgen (6 procent versus 3 procent bij de vmbo-geschoolde vrijwilligers). 8 procent van de vrijwilligers met een hbo- of wo-diploma organiseert of neemt wel eens deel aan een online evenement. Bij vrijwilligers met een vmbo- of mbo-diploma is dat 4 procent.
3.3. Bestuursfunctie vervullen
In 2025 is ook gevraagd of vrijwilligers een bestuursfunctie hebben bij de organisatie of vereniging waarvoor ze vrijwilligerswerk doen of dit zouden willen doen in de toekomst. Van de mensen die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, zegt 17 procent een bestuursfunctie te vervullen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 12 procent was (Arends, 2023). Van de vrijwilligers die niet in het bestuur zitten, zegt 14 procent dit wel te willen doen in de toekomst. Dit is hetzelfde percentage als in 2022. Geen interesse en geen tijd zijn met respectievelijk 38 procent en 23 procent de meest gegeven redenen om niet in het bestuur te willen zitten. Dit wordt op afstand gevolgd door redenen als het niet zoveel verantwoordelijkheid willen hebben (10 procent), denken dat men hiervoor te weinig ervaring of kennis heeft (7 procent) en de wettelijke aansprakelijkheid (2 procent). Hoewel de percentages niet volledig vergelijkbaar zijn door een andere vraagstelling (zie de technische toelichting), laten de resultaten van 2025 wel dezelfde volgorde zien van redenen om niet in het bestuur te willen als die van 2022 (Arends, 2023).
Mannen die vrijwilligerswerk doen, geven met 20 procent vaker dan vrouwen (14 procent) aan al een bestuursfunctie te vervullen. Wanneer zij dat nog niet doen, dan hebben mannen (17 procent) ook vaker de intentie om in de toekomst een bestuursfunctie te gaan vervullen dan vrouwen (11 procent). Mensen van 65 tot 75 jaar oud vervullen het vaakst een bestuursfunctie (23 procent), vooral in vergelijking met 15- tot 45-jarigen (12 procent). Met 18 procent hebben mensen tussen 15 en 55 jaar oud juist vaker de intentie om in het bestuur te gaan. Bij 65-plussers is dat 5 procent.
Zelfstandigen en gepensioneerden zitten relatief vaak in het bestuur. Dit hangt echter volledig samen met respectievelijk hun behaalde onderwijsniveau en hun hogere leeftijd. Studenten willen dit het vaakst doen in de toekomst. Mensen met een hbo- of wo-diploma zitten vaker in het bestuur en hebben hiertoe vaker de intentie dan mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar. Er zijn ook verschillen naar inkomensgroepen, maar die hangen volledig samen met het hogere aandeel met hbo- of wo-diploma en een hogere leeftijd. Vrijwilligers die in Nederland zijn geboren en beide ouders ook zitten, ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillen qua leeftijd, onderwijsniveau en inkomen vaker dan mensen die in het buitenland zijn geboren in het bestuur (respectievelijk 18 procent en 10 procent), maar er zijn geen verschillen in de intentie om dit te gaan doen in de toekomst. Ten slotte zijn er verschillen naar stedelijkheid, waarbij vrijwilligers in niet-stedelijke gebieden vaker een bestuursfunctie vervullen. Aan de andere kant zouden vrijwilligers in (zeer) sterk stedelijke gebieden dit juist vaker willen doen in de toekomst. Dit hangt niet volledig samen met de andere bevolkingssamenstelling in deze gebieden (zie tabel 3.3.1).
| Vervult een bestuursfunctie (% van vrijwilligers) | Zou weleens in het bestuur willen zitten (% van vrijwilligers die nog geen bestuursfunctie vervullen) | ||
|---|---|---|---|
| Totaal | 15 jaar en ouder | 16,7 | 13,9 |
| Leeftijd | 15 tot 25 jaar | 9,0 | 18,7 |
| Leeftijd | 25 tot 35 jaar | 14,9 | 18,6 |
| Leeftijd | 35 tot 45 jaar | 13,0 | 17,2 |
| Leeftijd | 45 tot 55 jaar | 20,0 | 17,4 |
| Leeftijd | 55 tot 65 jaar | 18,6 | 11,5 |
| Leeftijd | 65 tot 75 jaar | 23,2 | 7,1 |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 18,2 | 3,3 |
| Geslacht | Mannen | 19,5 | 17,0 |
| Geslacht | Vrouwen | 13,9 | 11,1 |
| Onderwijsniveau | Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 9,3 | 7,1 |
| Onderwijsniveau | Havo, vwo, mbo2-4 | 17,3 | 10,2 |
| Onderwijsniveau | Hbo, wo | 20,4 | 21,3 |
| Huishoudensinkomen | Eerste (laagste) kwartiel | 12,0 | 12,6 |
| Huishoudensinkomen | Tweede kwartiel | 15,2 | 8,1 |
| Huishoudensinkomen | Derde kwartiel | 17,3 | 13,8 |
| Huishoudensinkomen | Vierde (hoogste) kwartiel | 19,2 | 18,0 |
| Sociaaleconomische categorie | Werknemer | 16,7 | 16,0 |
| Sociaaleconomische categorie | Zelfstandige | 22,7 | 16,9 |
| Sociaaleconomische categorie | Sociale uitkering | 9,8 | 9,4 |
| Sociaaleconomische categorie | Gepensioneerd | 21,0 | 5,3 |
| Sociaaleconomische categorie | Student | 8,8 | 20,0 |
| Herkomst | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nedelrand | 18,3 | 13,9 |
| Herkomst | Geboren in Nederland, minimaal 1 ouder geboren in buitenland | 12,9 | 12,7 |
| Herkomst | Geboren in buitenland | 10,0 | 14,9 |
| Religie | Gelovig | 17,3 | 12,4 |
| Religie | Niet gelovig | 16,4 | 15,6 |
| Stedelijkheid | Zeer sterk stedelijk | 13,9 | 19,7 |
| Stedelijkheid | Sterk stedelijk | 16,8 | 12,8 |
| Stedelijkheid | Matig stedelijk | 16,3 | 13,8 |
| Stedelijkheid | Weinig stedelijk | 18,9 | 11,5 |
| Stedelijkheid | Niet stedelijk | 19,6 | 6,8 |
Vrijwilligers die een bestuursfunctie vervullen bij hun organisatie of vereniging, geven hiervoor gemiddeld een 7,7 voor de tevredenheid over het bestuurswerk. De 65-plussers zijn het meest tevreden, zij geven een 7,9, vooral in vergelijking met de 35- tot 65-jarigen. Zij geven een 7,5 voor hun bestuurswerk. Naar andere kenmerken zijn er geen verschillen in het rapportcijfer.
3.4 Invloed op het inkomen
Aan alle respondenten is gevraagd of zij minder of ander vrijwilligerswerk doen dan zij zouden willen vanwege mogelijk gevolgen voor de hoogte van een (bijstands)uitkering of hun belastingaanslag. Van de mensen die in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, zegt 3 procent dat zij om die reden minder of ander vrijwilligerswerk doen dan zij zouden willen. Een meerderheid van 55 procent zegt dat dit niet het geval is. 43 procent van de vrijwilligers zegt hier nog nooit over te hebben nagedacht. Bij mensen die geen vrijwilligerswerk doen, zegt 2 procent dat de mogelijke invloed op hun inkomen inderdaad de reden is dat zij geen vrijwilligerswerk doen. Een meerderheid van 71 procent zegt dat dit niet het geval is, en 27 procent zegt hier nog nooit over te hebben nagedacht. Mensen met een sociale uitkering zeggen vaker dan vooral werknemers dat zij minder, ander of juist geen vrijwilligerswerk doen vanwege de mogelijke effecten op hun inkomen (respectievelijk 6 procent en 2 procent). Dit hangt niet volledig samen met de hoogte van hun inkomen, onderwijsniveau of leeftijd.