Promotieonderzoek verrijkt nationale rekeningen

Arjan Bruil, onderzoeker bij Nationale rekeningen is op woensdag 29 oktober 2025 gepromoveerd aan de Tilburg University.
© Sjoerd van der Hucht
De inkomensongelijkheid tussen huishoudens in ons land was in de periode 2015-2021 groter dan gedacht en de vermogensongelijkheid was kleiner. Dat blijkt uit het onderzoek waarop Arjan Bruil is gepromoveerd aan de Tilburg University. Dit onderzoek heeft geleid tot een verrijking van de nationale rekeningen die het CBS publiceert. Europa is bezig om dit wettelijk verplicht te stellen.

Verschillen in verdeling

Arjan Bruil is wetenschappelijk medewerker van het CBS en werkzaam bij de sector Nationale rekeningen van het CBS. Voor zijn proefschrift onderzocht hij hoe het beeld van ongelijkheid verandert wanneer je het meet met andere definities van inkomen en vermogen van huishoudens, namelijk die uit de nationale rekeningen. Bruil: ‘Ik heb de bestaande macrocijfers uit de nationale rekeningen over inkomen en vermogen gecombineerd met microdata over de verdeling daarvan.’
‘De meerwaarde van dit onderzoek is dat het de nationale rekeningen, die de gehele economie beschrijft, combineert met microdata over verdelingen. De nationale rekeningen hebben als tekortkoming dat het de sector huishoudens alleen als geheel beschrijft. De microdata heeft als nadeel dat het belangrijke, moeilijker meetbare, delen van de economie niet meeneemt. Door de combinatie heb je het beste van twee werelden.’

Extra perspectief creëren

Bruil legt uit: ‘Het CBS maakt nationale rekeningen. Dat zijn kwantitatieve beschrijvingen van het economische proces in Nederland en de economische relaties met het buitenland. Een groot voordeel van de nationale rekeningen is dat ze volledig zijn: ze brengen álle economische transacties in kaart. Alleen het gaat hierbij om macrocijfers: één cijfer voor het totaal. Bijvoorbeeld één cijfer voor het beschikbaar inkomen van huishoudens. Maar dit cijfer zegt niets over de verdelingen tussen huishoudens en geeft dus een beperkt beeld van welvaart. Mijn proefschrift komt voort uit de noodzaak om die verdelingsinformatie te integreren in de nationale rekeningen. Wat zijn bijvoorbeeld de verschillen in inkomens tussen huishoudens? De economen Stiglitz en Sen (Nobelprijswinnaars) en Fitoussi hebben een aantal jaren geleden gesteld dat macrocijfers niet altijd toereikend zijn om welvaart in kaart te brengen.
Bruil is de eerste die voor ons land een weg is ingeslagen waar ook in andere landen al mee wordt geëxperimenteerd. Het wordt internationaal opgepakt onder leiding van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en Eurostat, het Europese statistiekbureau.

Ander begrip van ongelijkheid

Bruil onderzocht de jaren 2015 tot en met 2021. Hij benadrukt dat bestaande ongelijkheidsstatistieken gebruikmaken van andere definities van inkomen en vermogen. Daardoor blijven belangrijke onderdelen van de middelen van huishoudens buiten beeld, zoals bijvoorbeeld pensioenvermogen, inkomens in natura en ingehouden winsten. Dit kan het inzicht in ongelijkheid vertekenen. Zijn centrale vraag luidde daarom hoe de mate van ongelijkheid verandert wanneer deze wordt gemeten aan de hand van de inkomens- en vermogensbegrippen die binnen het stelsel van de nationale rekeningen worden gebruikt. Krijgen we een ander niveau van ongelijkheid te zien en waarom?
Dat bleek het geval te zijn. Bruil: ‘Het bestaande beeld van Nederland is dat de inkomensongelijkheid klein is en de vermogensongelijkheid groot. Maar uit mijn onderzoek komt naar voren dat de inkomensongelijkheid groter is dan gedacht en de vermogensongelijkheid kleiner. Daarnaast heb ik een nuance aangebracht in het klassieke idee dat de Nederlandse bevolking spaarzaam is. Jazeker, voor een deel van de huishoudens klopt het, maar de helft van de huishoudens heeft onvoldoende inkomsten om de uitgaven te financieren en is niet in staat om te sparen.’

Zo volledig mogelijk

Ongelijkheid kan maatschappelijke impact hebben. Het leidt bijvoorbeeld tot onvrede. Dat Bruil een ander licht heeft geworpen op ongelijkheid, kan dan ook nuttig zijn voor politici en beleidsmakers. Hij zegt: ‘Als je beleid maakt voor kwetsbare groepen en bestrijding van ongelijkheid, is het belangrijk dat je een zo volledig mogelijk beeld hebt van ongelijkheid. De nieuwe statistiek is een extra gebruiksmogelijkheid.’
Het CBS publiceert dit nu jaarlijks. In Europa wordt gewerkt aan wetgeving om dit verplicht te maken. Dankzij de voortrekkersrol heeft het CBS een groot aandeel gehad in het opstellen van de richtlijnen hoe dit moet worden gedaan. Heel Europa volgt straks methoden die deels op de promotie van Arjan Bruil zijn gebaseerd.