Het profiel van het electoraat in 2012

23-2-2017 02:00
Bord met verwijzing naar de ingang van een stemlokaal
De Tweede Kamerverkiezingen in 2010 en 2012 zorgden voor grote verschuivingen in het politieke landschap in Nederland. Het CDA verloor in beide jaren een groot deel van haar aanhang. De PVV nam vooral in 2010 toe, terwijl het in 2012 enkele zetels inleverde. De VVD won in beide jaren en bleef de PvdA net voor. De achterbannen van de partijen zijn dus sterk in beweging. Dit maakt het lastig om het profiel van de stemmers op de partijen te schetsen. Met een nieuwe analyse met unieke gegevens, verzameld in de onderzoeken Sociale samenhang en Welzijn in de periode 2012–2015 (n=30 574), wordt gedetailleerd weergegeven wie deze stemmers zijn.

1. Inleiding

Sinds 2002 is de kiezer vijf keer naar het stemlokaal gegaan voor de verkiezingen van de Tweede Kamer. Die verkiezingen brachten sterke politieke verschuivingen, zoals de opkomst en neergang van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) en Trots op Nederland (TON), de groei van de SP en de opkomst van de PVV. Het CDA verloor in zowel 2010 als in 2012 aanzienlijk ten opzichte van de verkiezingen van 2006. De VVD won in 2012, en kreeg, net als in 2010, iets meer stemmen dan de PvdA. D66 boekte winst in 2012, terwijl GroenLinks gehalveerd werd. Gelet op de opiniepeilingen is het niet ondenkbaar dat ook bij de volgende verkiezingen, op 15 maart 2017, electorale verschuivingen optreden. Er lijkt ook steeds meer ruimte te komen voor nieuwe partijen die zich richten op specifieke doelgroepen. Na de oprichting van de Partij voor de Dieren in 2001, volgde in 2011 met 50Plus een partij die zich richtte op de belangen van ouderen, en met DENK is in 2016 een partij opgericht die zich richt op migranten.

In de verzuilde periode, tot begin jaren zeventig, was het voor veel kiezers duidelijk aan wie ze hun stem gaven. Dat is echter niet meer het geval en een grote groep weet tot vlak voor de verkiezingen niet op welke partij ze gaan stemmen. Minder dan een kwart van het electoraat geeft aan dat ze een aanhanger is van een politieke partij, zo blijkt uit het Nationaal Kiezersonderzoek dat vlak na de verkiezingen van 2012 is uitgevoerd (Schmeets, 2015a, p. 156). En er is bij geen enkele groep stemmers op een partij een meerderheid te vinden die ook een aanhanger is van deze partij. Een andere ontwikkeling is de toenemende polarisatie van het Nederlandse electoraat, die zich sinds het einde van de jaren negentig heeft voltrokken (Aarts, Van der Kolk en Rosema, 2007; Tillie e.a., 2016). Politieke partijen in het midden, zoals het CDA, krijgen minder steun van het electoraat, en partijen aan de zijkanten lijken op een groter deel van de kiezers te kunnen rekenen.

Met gegevens van het onderzoek Sociale samenhang en Welzijn geven we een gedetailleerd profiel van de stemmer. Wie zijn deze stemmers, en hoe groot zijn de verschillen tussen de stemmers? En hoe verschillen de kiezers op de partijen in het vertrouwen en de deelname aan politieke acties? Deze bevindingen zijn aanvullend op de resultaten die gebaseerd zijn op het in 2012 gehouden Nationaal Kiezersonderzoek waar zo’n 1 677 kiesgerechtigden aan hebben deelgenomen (Schmeets, 2015a).

Zetelverdeling Tweede Kamerverkiezingen

Sociale samenhang en Welzijn

De bevindingen zijn gebaseerd op het grootschalige onderzoek Sociale Samenhang en Welzijn (S&W) dat in de periode 2012–2015 onder 30 574 personen van 15 jaar of ouder is uitgevoerd. Naast vragen over participatie en vertrouwen is in S&W ook de vraag gesteld naar het stemgedrag in 2012. Deze informatie is beschikbaar van 20 170 personen, mede omdat in 2012 deze vraag na de verkiezingen van 12 september is voorgelegd. Door deze massa kunnen de stemmers op alle partijen die in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn, in kaart worden gebracht.

Vlak na de verkiezingen van 12 september 2012 is het Nationaal Kiezersonderzoek 2012 (NKO 2012) uitgevoerd. Daarin is ingegaan op de opvattingen van de stemmers op de politieke partijen en de niet-stemmers. Het NKO 2012 is echter gebaseerd op een kleine steekproef van 1 677 kiesgerechtigden. Een uitsplitsing naar de partijkeuze leerde dat het aantal stemmers op GroenLinks, de ChristenUnie, de SGP, de Partij voor de Dieren en 50Plus te beperkt was om daar op basis van het NKO 2012 betrouwbare uitspraken te kunnen doen.

2 Verschillen in beeld

Iets meer vrouwen dan mannen maken deel uit van het electoraat. Dit blijft ook zo indien de niet-stemmers en stemmers met elkaar worden vergeleken. De partijkeuze van mannen en vrouwen verschilt echter sterk. Van de stemmers op zowel GroenLinks als de Partij voor de Dieren was 63 procent vrouw. Ook de ChristenUnie en 50Plus waren populair onder vrouwen, terwijl de PVV en de VVD meer stemmen van mannen kregen.

Stemgedrag naar geslacht, 2012

Leeftijd speelt een belangrijke rol bij opkomst en stemkeuze. Van de jongeren ging een kleiner deel naar de stembus dan van de oudere leeftijdsgroepen. De stemmers op het CDA waren vooral te vinden onder de 65-plussers en veel minder onder de jongeren. De PvdA-stemmers vormden een goede afspiegeling van de verdeling van de stemmers over de leeftijdsgroepen. De VVD en GroenLinks wisten iets meer kiezers onder de middelbare leeftijden (35 tot 55 jaar) aan zich te binden, terwijl D66 populair was onder de kiezers tot 35 jaar. In tegenstelling tot het CDA waren de stemmers op de twee andere christelijke partijen, de ChristenUnie en de SGP, niet vergrijsd. De PVV kreeg een iets groter aandeel van de stemmers tot 35 jaar en iets minder van de 65-plussers. Bij de Partij voor de Dieren was de aanhang onder de jongste kiezers en de 45- tot 55-jarigen, iets groter. De sterkste relatie met leeftijd heeft 50Plus: 90 procent van deze partij was 55-plusser.

Stemgedrag naar leeftijd, 2012

Er is een sterk verband tussen opleidingsniveau en stemgedrag. Van vooral de lager opgeleiden, maar ook van de middelbaar opgeleiden, ging een relatief gering deel naar de stembus, terwijl van de kiesgerechtigden met een hbo- of universitaire studie een groter deel heeft gestemd. De laagst opgeleiden stemden tweemaal zo vaak als gemiddeld op de PVV (14 procent), en ook onder de middelbaaropgeleiden waren de PVV-stemmers oververtegenwoordigd. Dit ging ten koste van de hoogst opgeleiden, waarvan slechts een beperkt deel op de PVV heeft gestemd. Nog sterker is de relatie met 50Plus: 20 procent van hun kiezers is laagopgeleid, 35 procent heeft een vmbo-opleiding afgerond. Ook het CDA en de SGP kregen relatief veel stemmen van deze opleidingsgroepen, maar dat gold niet voor de ChristenUnie. GroenLinks en D66 zijn vooral populair onder de hbo’ers en universitair geschoolden. Dat gold in minder sterke mate ook voor de VVD. De PvdA en de Partij voor de Dieren kregen evenredige porties van de opleidingsgroepen.

Stemgedrag naar opleidingsniveau, 2012

Van de stemmers maakte 16 procent deel uit van de laagste inkomensgroep. Dit loopt op naar 23 procent, 28 procent en 34 procent voor de opeenvolgende inkomensgroepen. Vooral van de laagste inkomens had een relatief klein deel gestemd. Dit werd vooral gecompenseerd door de hoogste inkomens. Van de lage inkomens kregen de Partij voor de Dieren, de SP, GroenLinks, de PVV en de PvdA iets meer stemmen dan gemiddeld (18 tot 21 procent), terwijl vooral 50Plus en de VDD met 11 procent, het CDA (13 procent) en D66 (14 procent) minder van de lage inkomens wisten te profiteren. De VVD, D66 en GroenLinks hebben een bovengemiddeld deel van de stemmen van de hoogste inkomens ontvangen, ten koste van vooral de partijen 50Plus, SP en PVV. Deze partijen kregen, samen met de christelijke partijen, relatief veel stemmen van de middeninkomens.

Stemgedrag naar besteedbaar inkomen huishouden, 2012

De stemmers waren als volgt verdeeld naar burgerlijke staat: 55 procent was gehuwd of woonde (geregistreerd) samen, 30 procent was ongehuwd, 9 procent was gescheiden en 6 procent was verweduwd. Daarmee waren de gehuwden oververtegenwoordigd en de ongehuwden ondervertegenwoordigd. Er is ook een relatie met de stemkeuze. Drie op de vier stemmers op de SGP en de ChristenUnie, en twee op de drie stemmers op het CDA en 50Plus waren gehuwd. Bij GroenLinks, de SP, D66 en de Partij voor de Dieren was minder dan de helft gehuwd. Dit ging dan telkens ten koste of ten gunste van de stemmen die de ongehuwden aan deze partijen gaven. De SP, PVV, Partij voor de Dieren en de PvdA wisten iets meer stemmen van gescheiden mensen aan zich te binden (11 tot 15 procent), terwijl minder dan 5 procent van de stemmers op de christelijke partijen gescheiden was. Het CDA en 50Plus ontvingen een relatief groot deel van de verweduwde stemmers.

Stemgedrag naar burgerlijke staat, 2012

Onder de stemgerechtigden met een migratieachtergrond is vooral de opkomst van de niet-westerse migranten lager dan gemiddeld. Van de stemmers heeft 8 procent een westerse en 7 procent een niet-westerse migratieachtergrond. Dit wordt gecompenseerd door kiesgerechtigden met een Nederlandse achtergrond, van wie 85 procent zegt te hebben gestemd. De volgende partijen krijgen een iets groter deel dan gemiddeld deel van de stemmen van de mensen met een westerse migratieachtergrond: 50Plus (13 procent), GroenLinks en de Partij voor de Dieren (10 procent). Bij de stemmers met een niet-westerse achtergrond zijn de contrasten scherper. Een op de zes stemmers op de PvdA behoorde tot deze groep. De SP, GroenLinks, en D66 kregen met zo’n 7 procent een evenredige portie stemmers met een niet-westerse achtergrond. De andere partijen krijgen maximaal 3 procent van deze niet-westerse stemmen.

Stemgedrag naar migratieachtergrond, 2012

Verschillen verklaard: modelanalyse

De bivariate tabellen leren dat van zowel mannen als vrouwen 79 procent zegt te hebben gestemd bij de verkiezingen van 12 september 2012. Ook blijkt dat de opkomst opliep van 71 procent bij de jongste kiezers tot zo’n 85 procent onder de 55-plussers. Opleiding zorgde voor een nog sterkere discrepantie: 65 procent van de laagst opgeleiden heeft gestemd, oplopend tot 89 procent van de hoogst opgeleiden. Een groter deel van de gehuwden (83 procent) heeft gestemd dan de verweduwden (79 procent), ongehuwden en gescheiden personen (74 procent). Ook inkomen zorgde voor verschillen in opkomst: van de laagste inkomens heeft 68 gestemd en dat percentage liep op tot 87 van de hoogste inkomens. Tevens is herkomst relevant: van de mensen met een westerse- en niet-westerse migratieachtergrond heeft een kleiner deel gestemd (66 procent en 57 procent), van de mensen met een Nederlandse achtergrond stemde 84 procent. Door deze zes kenmerken – geslacht, leeftijd, opleiding, inkomen, herkomst en burgerlijke staat – in een analyse op te nemen, komen de unieke bijdragen van elk kenmerk op de opkomst naar voren.

De tabel (Bijlage, Tabel 1) leert dat de bivariate bevindingen in grote lijnen bevestigd worden als rekening gehouden wordt met de samenhangen tussen deze kenmerken. Ook dan blijkt dat er geen verschil in opkomst was tussen mannen en vrouwen en dat vooral opleiding zorgde voor grote verschillen. Daarbij onderscheidden zich vooral de personen met een hbo- en universitaire studie ten opzichte van de personen met alleen basisonderwijs. Ook tonen de analyses aan dat bevolkingsgroepen bepaalde stemvoorkeuren hebben (Bijlage, Tabel 2). Indien mannen en vrouwen niet zouden verschillen in de overige vijf bevolkingskenmerken, dan zien we dat vrouwen vaker stemmen op GroenLinks, de Partij voor de Dieren, de PvdA, de ChristenUnie en D66, terwijl mannen de stem dan vaker geven aan de VVD en de PVV. Vooral, gelet op de Wald-waarden, zijn de verschillen groot bij de stemmers op GroenLinks en de Partij voor de Dieren, waar bijna twee keer zoveel vrouwen als mannen op hebben gestemd (Odds ratio’s van 2,0 en 1,7) en de VVD en PVV, waar minder vrouwen hun stem aan hebben gegeven (Odds ratio = 0,7).

Leeftijd is relevant voor alle partijen, met uitzondering van de ‘andere partijen’. Vooral veel ouderen stemmen op het CDA, terwijl de SP en de PVV niet populair zijn onder de oudere kiezers. Opleiding is een splijtzwam voor alle partijen, met uitzondering van de ChristenUnie en de Partij voor de Dieren, die stemmen van alle opleidingslagen weten te behalen. Vooral D66 en GroenLinks krijgen stemmen van hoger opgeleiden, terwijl de lager opgeleiden op de PVV stemmen. Inkomen telt vooral voor de VVD, die dubbel zoveel stemmen krijgt van de hoogste inkomens als van de laagste inkomens (Odds ratio = 2,0). Ook is inkomen van belang voor de SP, die relatief weinig stemmen krijgt van de hoge inkomens. Inkomen speelt geen rol voor een stem op het CDA, de SGP en ‘andere partijen’.

Met uitzondering van 50Plus is burgerlijke staat relevant voor de partijkeuze. Dat geldt vooral voor de SGP, de ChristenUnie en het CDA. Deze krijgen vooral de stem van de gehuwde of samenwonende kiezer. GroenLinks en de Partij voor de Dieren trekken veel ongehuwde kiezers, de SP krijgt relatief veel stemmen van gescheiden kiezers. Het land van herkomst was vooral relevant voor het stemmen op de PvdA, waar relatief veel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond op stemden. De VVD en de PVV kregen juist weinig stemmen van deze groep.

3 Politieke acties

Of mensen in de afgelopen vijf jaar deelgenomen hebben aan acties om de politiek te beïnvloeden is in het onderzoek S&W vastgesteld met negen vragen. Zo heeft 17 procent de radio, tv of krant ingeschakeld, 4 procent heeft een politieke partij of organisatie ingeschakeld, 7 procent heeft een inspraakbijeenkomst of hoorzitting bijgewoond, 9 procent heeft contact opgenomen met een politicus of ambtenaar, 3 procent heeft meegedaan aan een actiegroep, 5 procent aan een protestactie, 26 procent aan een handtekeningenactie, 11 procent heeft via internet of e-mail meegedaan aan een politieke actie en 6 procent heeft iets anders gedaan om iets politiek aan de orde te stellen.

In de periode 2012–2015 gaf 44 procent te kennen aan minstens een actie te hebben meegedaan. Vooral veel stemmers op GroenLinks (69 procent) hadden deelgenomen aan een actie om de politiek te beïnvloeden. Ze worden gevolgd door de stemmers op de Partij voor de Dieren (61 procent), D66 (57 procent), de SP (54 procent), de ChristenUnie (52 procent), en de PvdA (49 procent). De andere partijen hebben een aanhang die minder politiek actief is, waaronder vooral die van 50Plus met 36 procent. Tevens komt naar voren dat mannen iets meer politiek actief zijn dan vrouwen, de jongste kiezers meer meedoen dan vooral de 65-plussers en dat de politieke acties vooral toenemen naarmate het opleidingsniveau stijgt (Bijlage, Tabel 3). Het inkomen doet er niet toe. Burgerlijke staat en herkomst zijn wel onderscheidend, maar de verschillen tussen de groepen zijn beperkt.

4 Vertrouwen in medemens, in organisaties en in politiek

Vertrouwen in de medemens is vastgesteld met de vraag: ‘Vindt u dat over het algemeen de meeste mensen wel te vertrouwen zijn of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met anderen?’ Dit sociale vertrouwen is sinds 2012 vrijwel niet veranderd: in 2012, 2013 en 2014 gaf een meerderheid (58 procent) aan anderen te vertrouwen. In 2015 was dit 60 procent. Van de stemmers heeft 64 procent vertrouwen in andere mensen, en de overige 36 procent gaf aan in de omgang met anderen behoedzaam te zijn. Vooral GroenLinks en D66 hebben, met 84 procent en 80 procent, een achterban met veel sociaal vertrouwen. Op afstand, met 71 procent, volgt de ChristenUnie. Aan het andere uiterste staan de stemmers op de PVV, waarvan een op de drie vertrouwen in de medeburger heeft. Daarnaast heeft alleen 50Plus een achterban waarvan een meerderheid andere personen wantrouwt.

Stemgedrag naar vertrouwen in medemens, 2012

De mate waarin de bevolking vertrouwen heeft in maatschappelijke instituties loopt per institutie sterk uiteen. Vooral gezaghebbende instituties genieten een groot vertrouwen. Zo is met bijna 70 procent in 2012, 2013, 2014 en 2015 vooral het vertrouwen in rechters en de politie groot. Eveneens geniet het leger veel vertrouwen (62 procent). Minder vertrouwen is er in ambtenaren (42 procent), grote bedrijven (41 procent), banken (36 procent), en vooral de kerken (29 procent ) en de pers (31 procent).

De stemmers op D66en GroenLinks etaleerden het grootste vertrouwen in rechters en politie. Ook de stemmers op de PvdA, de VVD en de ChristenUnie hadden daarin een bovengemiddeld vertrouwen. De CDA-stemmers hadden meer dan gemiddeld fiducie in politie, maar niet in rechters. Vooral de PVV-stemmers, gevolgd door de 50Plus-stemmers, wantrouwden zowel rechters als politie. Het leger genoot weinig vertrouwen van de stemmers op GroenLinks, de SP, de Partij voor de Dieren, en 50Plus. Daar stonden de stemmers op het CDA, D66, ChristenUnie met een bovengemiddeld vertrouwen tegenover.

Vooral de GroenLinks-stemmers hebben weinig vertrouwen in zowel banken als grote bedrijven: bijna vier op de vijf stemmers gaven aan deze te wantrouwen. Ook de stemmers op de SP, 50Plus, en de Partij voor de Dieren stonden sceptisch tegenover banken en bedrijven. Stemmers op het CDA, de VVD en SGP hadden een meer dan gemiddeld vertrouwen in banken. Alleen van de VVD-stemmers had een meerderheid vertrouwen in grote bedrijven.

Dat ambtenaren te vertrouwen zijn, gaf een krappe meerderheid van de stemmers op de volgende partijen aan: GroenLinks, PvdA, en D66. Vooral weinig fiducie in ambtenaren hadden stemmers op de PVV (23 procent) en 50Plus (27 procent). Ook was de mening over de media sterk verdeeld. Weinig vertrouwen in de pers rapporteerden vooral de stemmers op de SGP en de ChristenUnie, gevolgd door de stemmers op 50Plus en de PVV. Vooral stemmers op GroenLinks en D66 gaven aan de media te vertrouwen, maar ook bij deze partijen was dat met zo’n 40 procent een minderheid. Van alle vertrouwensindicatoren zorgden kerken voor de meeste verdeeldheid. Zo’n negen op de tien stemmers op de SGP en de ChristenUnie gaven aan kerken te vertrouwen, en onder de CDA-stemmers was dat met zo’n zes op de tien weliswaar aanzienlijk minder, maar nog steeds een meerderheid. Van de stemmers op de PvdA, de VVD en GroenLinks vond een kwart dat de kerken te vertrouwen waren, en bij de overige partijen varieerde dit van 18 tot 21 procent.

Het vertrouwen in de Tweede Kamer en de Europese Unie is in de afgelopen jaren nauwelijks in een duidelijke richting veranderd. We zien dat dit politieke vertrouwen tussen 2012 en 2013 met 5 procentpunten is gedaald, waarna er gedeeltelijk herstel is te zien in 2014 en 2015. Voor zowel het vertrouwen in de Tweede Kamer als in de EU is de vertrouwensbasis met 33 en 35 procent niet groot. Van de stemmers had ruim 35 procent vertrouwen in zowel de EU als de Tweede Kamer. Onder de niet-stemmers is het vertrouwen in de EU met 31 en vooral in de Tweede Kamer met 24 procent lager.

Bij de stemmers op de PVV en 50Plus was de vertrouwensbasis met iets meer dan 10 procent het smalst. Bij de SP en de Partij voor de Dieren lag dit vertrouwen iets boven 20 procent. Een daarmee vergelijkbaar deel zien we voor het EU-vertrouwen bij de SGP-stemmers, terwijl ze een bijna gemiddeld vertrouwen in de Tweede Kamer etaleerden. Ook hadden de stemmers op de ChristenUnie relatief weinig vertrouwen in de EU. De stemmers op D66 en GroenLinks hadden daarentegen relatief veel vertrouwen in de Europese Unie (Tabel 1).

Stemgedrag naar vertrouwen in Tweede Kamer en EU, 2012

5 Conclusie en discussie

In dit artikel is gekeken naar het profiel van het electoraat dat kiesgerechtigd was op 12 september 2012. De gegevens zijn in de periode 2012–2015 in het onderzoek Sociale samenhang en Welzijn verzameld. Dit is aanvullend op de bevindingen uit het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) dat vlak na de verkiezingen is uitgevoerd. Het NKO kent als nadeel dat het relatief klein is, waardoor slechts een beperkt aantal politieke partijen onderscheiden kon worden. Uit het NKO bleek dat er vooral scheidslijnen waren tussen de stemmers op D66 en de PVV (Gielen en Schmeets, 2015). De stemmers op D66 vonden bijvoorbeeld dat Nederland meer geld moest geven aan ontwikkelingshulp, dat de belastingen niet verlaagd moesten worden ten koste van de bestaande voorzieningen, dat illegalen die al geruime tijd in Nederland leven zouden moeten kunnen blijven, dat de hypotheekrenteaftrek moest worden afgeschaft, de pensioenleeftijd verhoogd en banken bij een dreigend faillissement ondersteund zouden moeten worden. De stemmers op de PVV hadden op al deze kwesties vooral een tegenovergestelde mening. De achterbannen van de VVD, PvdA en CDA waren bij een aantal politieke kwesties lastiger te profileren. Alleen op asielbeleid, criminaliteit en inkomen bleken de onderlinge verschillen bij de kiezers van deze partijen wat groter. Op een links-rechts-zelfindeling positioneerden de SP-stemmers zich het meest links (3,6), en de PVV-stemmers het meest rechts (6,8). Dergelijke kwesties zijn in S&W niet opgenomen. Daarin ligt de focus op het meedoen aan politieke acties en het vertrouwen in de medemens, in organisaties en in de politiek.

Door de grote groep die aan S&W heeft meegedaan, kan een profiel van alle politieke partijen worden geschetst. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat het beantwoorden van de vraag naar het stemgedrag op 12 september 2012 voor sommige respondenten lastig kan zijn, vooral naarmate de verkiezingsdatum verder terug ligt. Dit kan de resultaten vertekenen, bijvoorbeeld door het geven van een antwoord dat niet overeenstemt met het stemgedrag in 2012, maar met de voorkeur ten tijde van het beantwoorden van de vragenlijst. Ook zal meespelen dat in het onderzoek bepaalde groepen meer participeren, en andere minder. Een vergelijking van de zetelverdeling gebaseerd op de uitslag van de verkiezingen en die op basis van de S&W-gegevens leert dat D66, CDA en GroenLinks met respectievelijk 5, 3 en 2 zetels zijn oververtegenwoordigd. De SGP en ChristenUnie zijn met 1 zetel oververtegenwoordigd. Daar tegenover staat dat de PvdA, PVV en de VVD met achtereenvolgens 5, 5, en 2 zetels zijn ondervertegenwoordigd. Ook is het aantal stemmers in S&W met 79,1 procent hoger dan de officiële opkomst van 75,6 procent. Ook in het NKO werden, met het S&W vergelijkbare, discrepanties met de officiële uitslag aangetroffen (Schmeets en Van den Brakel, 2015).

Er zijn duidelijke scheidslijnen tussen de stemmers en de niet-stemmers, en tussen de stemmers op de elf onderscheiden politieke partijen. Stemmers hadden meer vertrouwen in de medemens en in (politieke) organisaties dan niet-stemmers. Maar ook onderscheiden de bevolkingsgroepen zich sterk in de gang naar het stemlokaal. Oudere en gehuwde kiezers, met meer inkomen, zonder migratieachtergrond, en vooral hoger opgeleiden, zochten vooral in 2012 het stemlokaal op. Er is een uitzondering: mannen en vrouwen gingen in gelijke mate naar de stembus.

Enkele opvallende bevindingen zijn dat GroenLinks en de Partij voor de Dieren sterker de voorkeur kregen van vrouwen, en dat de PVV, samen met de VVD, meer stemmen van de mannen hebben ontvangen. Naast 50Plus was vooral de achterban van het CDA vergrijsd. Opleiding zorgde voor de scherpste contrasten. GroenLinks en D66 werden gesteund door de hbo’ers en universitair geschoolden, terwijl de PVV en 50Plus daar nauwelijks stemmen van kregen. De PvdA heeft in 2012 veel stemmen van kiezers met een migratieachtergrond gekregen, terwijl de SGP en de ChristenUnie daar weinig van profiteerden.

Ook verschilden de stemmers in de deelname aan acties om de politiek te beïnvloeden sterk. De stemmers op GroenLinks voerden tweemaal zo vaak actie als de stemmers op 50Plus. Het beeld van het vertrouwen in de samenleving is sterk verdeeld, met stemmers op GroenLinks en D66, van wie een overgrote meerderheid vertrouwen had in andere mensen, en met stemmers op de PVV en 50Plus die in meerderheid anderen wantrouwden. In grote lijnen bestaat deze tegenstelling ook bij het vertrouwen in bepaalde instituties, zoals de politie en rechters, en het vertrouwen in de EU en de Tweede Kamer. Maar er zijn ook andere discrepanties te zien. zoals bij het vertrouwen in het leger en vooral in kerken. Blijkbaar is het electoraat niet in te delen volgens strikte scheidslijnen.

Het hier gepresenteerde overzicht is geenszins uitputtend. Zo is niet ingegaan op bepaalde (ideologische) grondhoudingen zoals de binding met religie, en het belang dat de kiezer hecht aan bijvoorbeeld (post)materialistische, economische, familiale en hedonistische waarden. Uiteraard spelen, naast de kenmerken van de kiezers die meestal niet snel veranderen, ook de meningen over (actuele) politieke kwesties, en politici een rol bij de stemkeuze. Dergelijke korte-termijn-factoren lijken aan belang te winnen. Deze veelheid van, vaak in elkaar verweven, factoren, maakt het lastig om de motivering van de stemkeuze van de kiezer te doorgronden. En dit alles maakt het ook lastig om de uitslag van verkiezingen te voorspellen.

Literatuur

Aarts, K., H. van der Kolk en M. Rosema (2007). Een verdeeld electoraat. De Tweede Kamerverkiezingen van 2006. Utrecht: Spectrum.

Delhey, J., K. Newton en C. Welzel (2011). How general is trust in ‘most people’? Solving the radius of trust problem. American Sociological Review, 76 (5), 786–807.

Gielen, W. en H. Schmeets (2015). De scheidslijnen tussen de achterbannen van de politieke partijen. In: Schmeets, H. (red.) Het Nationaal Kiezersonderzoek 2006–2012. Den Haag/Heerlen: CBS, 124–139.

Reeskens, T. en M. Hooghe (2007). The cross-cultural measurement equivalence of generalized trust in the ESS. Social Indicators Research, 85, 515–532.

Schmeets, H. (2015a). (red.) Het Nationaal Kiezersonderzoek 2006–2012. Den Haag/Heerlen: CBS.

Schmeets, H. (2015b). Ontwikkelingen in sociaal en institutioneel vertrouwen. In: Schmeets, H. (red.) Sociale samenhang: wat ons bindt en verdeelt. Den Haag/Heerlen/Bonaire: CBS, 87–100.

Schmeets, H. en M. van den Brakel (2015). Selectiviteit van de respons in het Nationaal Kiezersonderzoek 2006-2012. In: Schmeets, H. (red.) Het Nationaal Kiezersonderzoek 2006–2012. Den Haag/Heerlen: CBS, 40–50.

Tillie, J, J. van Holsteyn,, H. van der Kolk, en K. Aarts (2016). Rumoer. Amsterdam: AUP.

Zmerli, S. en K. Newton (2008). Social trust and attitudes toward democracy. Public Opinion Quarterly, 72 (4), 706–724.

Bronnen