Op 1 juli 1863 47 duizend slaven vrijgemaakt in Suriname en op de Antillen

Op 1 juli 1863 kregen 34,8 duizend slaven in Suriname en 11,8 duizend slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid. Zij werkten vooral op plantages waar suiker, koffie, cacao en katoen werden geproduceerd voor de wereldmarkt.

Slaven worden contractarbeiders

De voormalige slaven in Suriname tussen 15 en 60 jaar oud moesten van de Nederlandse regering nog tien jaar onder staatstoezicht als contractarbeider op de plantages werken. Toen deze verplichting in 1873 verviel verlieten veel van hen de plantages. De plantagehouders vervingen hen door contractarbeiders uit India, Indonesië en China. Op Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint Eustatius, Saba en Sint Maarten werd geen grote afname van het aanbod van arbeidskrachten verwacht en daarom werden de slaven daar na hun vrijmaking niet onder staatstoezicht geplaatst.

Slaven waarvoor de eigenaren een tegemoetkoming kregen, 1863

slavernij-g1

Twaalf miljoen gulden compensatie voor de eigenaren

De Nederlandse regering betaalde bij de afschaffing een tegemoetkoming aan de eigenaren voor alle slaven die konden werken. De Tweede Kamer stelde daarvoor een bedrag vast van 300 gulden per slaaf in Suriname en 200 gulden op de eilanden. In totaal bedroeg de tegemoetkoming bijna 12 miljoen gulden, ongeveer 10 procent van de rijksuitgaven in 1863.

Plantage-economie

Op de Surinaamse plantages werd suiker, koffie, cacao en katoen verbouwd. Rond 1860 was ruim de helft van de slaven betrokken bij de productie van suiker. Daarnaast werkte 14 procent op katoenplantages en 7 procent in de houtvesterij. De overige slaven werden ingezet bij de verbouw  van koffie, cacao en voedsel.

Slaven naar soort plantage in Suriname, 1857

slavernij-g2

Vooral veldwerk

Niet alle slaven werkten op het veld. Ruim een kwart van de slaven op de plantages in Suriname was te jong, te oud of te ziek om te werken, volgde een opleiding. Zes procent diende in de huishouding van hun meesters of paste op hun kinderen. Meer dan 60 procent van de slaven werd ingezet in de verbouw van gewassen en het beheer over vee, of was betrokken bij de verwerking van producten in ambachten of fabrieken. Boven hen stond een kleine laag van opzichters, ingenieurs en hospitaalbedienden.

Slaven naar soort arbeid in Suriname, 1857

slavernij-g3

Zelfvoorziening op de Caribische eilanden

Voor de eilanden waren de gevolgen van de afschaffing van de slavernij anders dan voor Suriname. De economie op de eilanden stond in het teken van de handel. Een deel van de slaven was dan ook werkzaam in de nijverheid en diensten, zoals de zoutwinning. De landbouw was meer gericht op voedselproductie voor eigen gebruik dan op export.
In vergelijking met Suriname maakten slaven ook een kleiner deel uit van de bevolking. In de loop van de negentiende eeuw wisten zij meer vrijheden te verwerven, waardoor een deel feitelijk al in loondienst werkte vóór de officiële vrijmaking.

Vrije en onvrije bevolking in Suriname en op de Nederlandse eilanden in de Caraïben, 1857

slavernij-g4

Buiten het Caribisch gebied

Suriname en de eilanden in de Caraïben waren niet de enige gebieden onder Nederlands bestuur waar slavernij voorkwam. In verschillende delen van het toenmalige Nederlands-Indië vond de afschaffing plaats tussen 1860 en 1910. Aan de Goudkust, het huidige Ghana, gebeurde dat in 1872, toen de kolonie werd verkocht aan Groot-Brittannië. Daar was de slavernij al in 1834 afgeschaft.

Jurriën de Jong