Sterke regionale verschillen in vruchtbaarheid naar herkomstgroepering

11-7-2012 15:00

In de PBL/CBS regionale bevolkings- en huishoudensprognose wordt op gemeentelijk niveau de geboorte naar herkomstgroepering voorspeld. Voor het opstellen van veronderstellingen is een analyse uitgevoerd naar de vruchtbaarheid naar herkomstgroepering. In Nederland zijn er duidelijke verschillen tussen regio’s en tussen herkomstgroepen in vruchtbaarheid. Ook regionaal verschilt de vruchtbaarheid en deze regionale verschillen zijn niet voor alle herkomstgroepen hetzelfde.

1. Inleiding

De regionale bevolkings- en huishoudensprognose van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voorspelt op gemeentelijk niveau de geboorte naar herkomstgroepering. Voor het opstellen van veronderstellingen is een analyse uitgevoerd naar de vruchtbaarheid naar herkomstgroepering. In Nederland zijn er duidelijke verschillen tussen regio’s en tussen herkomstgroepen in vruchtbaarheid. Marokkaanse vrouwen van de eerste generatie krijgen meer kinderen dan autochtone vrouwen, terwijl westers allochtone vrouwen minder kinderen krijgen. Daarnaast zijn er tussen herkomstgroepen grote verschillen in de leeftijd van de moeder bij de geboorte van de kinderen.
Ook regionaal verschilt de vruchtbaarheid en deze regionale verschillen zijn niet voor alle herkomstgroepen hetzelfde. In Flevoland, Drenthe, Friesland, Overijssel en Zeeland is de vruchtbaarheid hoog, terwijl de Randstedelijke provincies en de provincie Groningen juist een lage vruchtbaarheid kennen. De aanwezigheid van streng gereformeerden die traditionele familienormen aanhangen, zorgt voor een hoge vruchtbaarheid onder autochtonen in de Biblebelt-provincies Gelderland, Overijssel en Zeeland. In provincies met veel asielzoekers uit landen met een traditioneel hoge vruchtbaarheid is de vruchtbaarheid onder overig niet-westerse allochtonen hoger dan in provincies met veel (tijdelijke) arbeidsmigranten.
Voor autochtone vrouwen is de relatie tussen vruchtbaarheid en stedelijkheid lineair: hoe stedelijker de woongemeente, hoe lager de vruchtbaarheid. In de zeer sterk verstedelijkte gemeenten ligt hun vruchtbaarheid veruit het laagst. Dit ligt echter anders voor Surinaamse, Antilliaanse, Turkse en Marokkaanse vrouwen van de eerste generatie. In de zeer sterk stedelijke gemeenten ligt hun vruchtbaarheid zelfs hoger dan in de sterk stedelijke gemeenten.

Het PBL en het CBS brengen om de twee jaar de regionaal demografische prognose uit. Deze prognose, met behulp van het model Projecting population Events At Regional Level (PEARL), geeft een beeld van regionale ontwikkelingen in de bevolking, allochtonen en huishoudens voor de jaren 2010 tot en met 2040. In deze prognose vormen veronderstellingen over de vruchtbaarheid een belangrijk onderdeel. Voor deze prognose is een analyse verricht van vruchtbaarheidsverschillen tussen herkomstgroeperingen en tussen regio's. In dit artikel worden deze verschillen beschreven en wordt geprobeerd hiervoor een verklaring te vinden.

2. Methode

Voor het vaststellen van vruchtbaarheidsverschillen tussen herkomstgroeperingen en tussen regio's, wordt vooral een samenvattende indicator van leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers gebruikt, de Total Fertility Rate (TFR). De TFR wordt bepaald door de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers over de totale reproductieve periode van een vrouw bij elkaar op te tellen. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers worden bepaald door het aantal kinderen geboren uit vrouwen van een bepaalde leeftijd te delen door het totaal aantal vrouwen van die leeftijd. Voor Nederlandse vrouwen van 30 jaar is in 2009 het leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer 0,15. Dit wil zeggen dat vrouwen die in dat jaar dertig worden, gemiddeld 0,15 kind krijgen. De TFR wordt berekend door de leeftijdspecifieke vruchtbaarheidscijfers over de leeftijden 15 jaar tot en met 50 jaar bij elkaar op te tellen. De TFR kan op deze manier worden geïnterpreteerd als het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen krijgen, als gedurende de reproductieve periode de leeftijdspecifieke vruchtbaarheidscijfers van een bepaald kalenderjaar op hen van toepassing zijn.

3. Resultaten

3.1 Verschillen in vruchtbaarheid tussen herkomstgroepen

Verschillen in TFR
Er bestaan duidelijke verschillen in vruchtbaarheid tussen herkomstgroeperingen. Grafiek 1 beschrijft voor de jaren 1996 tot en met 2010 de ontwikkeling van de TFR voor autochtonen en diverse groepen eerste generatie allochtone vrouwen. De tweede generatie allochtone vrouwen vormen een nog relatief kleine en jonge groep. Hierdoor is het lastig om de TFR voor deze groep betrouwbaar vast te stellen (De Valk et al, 2001b; Garssen en Nicolaas, 2008). Uit verschillende onderzoeken blijkt echter dat deze laatste groep een tussenpositie inneemt tussen de autochtone Nederlandse vrouwen en de eerste generatie allochtone vrouwen (Garssen en Nicolaas, 2008; Garssen et al, 2005). In het vervolg van dit artikel heeft de TFR steeds betrekking op eerste generatie vrouwen van een bepaalde herkomstgroep. De doelgroep autochtone vrouwen is inclusief tweede generatie vrouwen van alle herkomstgroepen.

1. TFR van autochtone en eerste generatie allochtone vrouwen, Nederland 1996-2010

TFR van autochtone en eerste generatie allochtone vrouwen, Nederland 1996-2010

In Nederland is het gemiddeld kindertal van vrouwen, gemeten aan de TFR, de afgelopen jaren gestaag toegenomen, van 1,5 in 1996 naar 1,8 in 2010. De TFR van autochtone vrouwen vertoonde in dat tijdvak vrijwel hetzelfde verloop. De TFR van Antilliaanse vrouwen en Surinaamse vrouwen lag in de afgelopen jaren meestal iets boven die van autochtone Nederlandse vrouwen, maar dit verschil is in 2010 vrijwel verdwenen. De TFR van Turkse vrouwen is de afgelopen jaren sterk gedaald. In 1996 lag deze met 2,5 kind nog 1 kind hoger dan die van autochtone vrouwen en in 2010 is deze TFR met 2,0 kind net iets hoger dan die van autochtone vrouwen. Ook de TFR van Marokkaanse vrouwen is de afgelopen jaren sterk gedaald, van 3,4 kind in 1997 naar 2,8 kind in 2010. Dit betekent dat voor deze groep vrouwen de TFR in 2010 één kind hoger ligt dan die voor autochtone vrouwen. De TFR van de overige niet-westerse vrouwen vertoont vrijwel hetzelfde verloop als die van Turkse vrouwen.
Voor de meeste groepen allochtone vrouwen geldt dus dat het verschil in vruchtbaarheid met autochtone vrouwen beduidend is teruggelopen. Voor de westerse allochtone vrouwen geldt juist een omgekeerd beeld. Voor deze groep loopt het verschil met autochtone vrouwen op. In 1996 lag de vruchtbaarheid van westerste allochtone vrouwen iets boven die van autochtone vrouwen. Terwijl de vruchtbaarheid van autochtone vrouwen toenam, daalde die van westers allochtone vrouwen juist tot een minimum van 1,4 in 2006. In 2010 lag de vruchtbaarheid van westerse allochtone vrouwen met 1,5 ook lager dan die van autochtone vrouwen.

Als reden voor de dalende vruchtbaarheid onder niet-westerse allochtone vrouwen wordt vaak hun integratie in de Nederlandse maatschappij genoemd (Coleman, 1994). In Turkije en Marokko is de TFR in dezelfde periode echter ook gedaald (Garssen en Nicolaas, 2008; Van Praag, 2006). Deze daling was zelfs zo sterk, dat de vruchtbaarheid in Marokko nu zelfs lager ligt dan die van Marokkaanse vrouwen in Nederland. Het merendeel van de eerste generatie Marokkaanse vrouwen die nu nog naar Nederland komen, komt in het kader van gezinshereniging en vooral gezinsvorming (De Jong et al, 2005; Van Praag, 2006). Mogelijk halen vooral meer traditioneel ingestelde tweede generatie Marokkaanse mannen een vrouw uit Marokko. Een andere factor die de hoge vruchtbaarheid van Marokkaanse vrouwen in Nederland verklaart, is dat de Marokkaanse gastarbeiders uit de jaren zestig, en hiermee samenhangend ook de latere volgmigranten, vooral uit de rurale gebieden in Marokko afkomstig zijn. (Barendse et al, 2006). In rurale gebieden zijn de patronen van gezinsvorming vaak traditioneler (De Valk et al, 2001a).
 
Terwijl Marokkanen vooral als gezinsmigrant naar Nederland komen, komen Turken relatief vaak als arbeidsmigrant (De Jong et al, 2005). In tegenstelling tot Marokkaanse vrouwen, ligt de vruchtbaarheid van Turkse vrouwen in Nederland lager dan die van vrouwen in het vaderland. Mogelijk hebben Turkse vrouwen hier in vrij sterke mate de Nederlandse normen over gezinsvorming overgenomen, terwijl dit veel minder geldt voor Marokkaanse vrouwen.

De TFR van overige niet-westerse vrouwen is tegenwoordig met 2,0 net iets hoger dan die van autochtone vrouwen, terwijl die 15 jaar geleden nog veel hoger lag. Deze groep allochtone vrouwen is zeer gemengd en bestaat uit asielzoekers, arbeidsmigranten, huwelijksmigranten en buitenlandse studenten uit veel verschillende landen (De Jong et al, 2005). De groepssamenstelling wisselt over de jaren en dit is van invloed op het verloop van de TFR van de totale groep. De niet-westerse asielzoekers en daaropvolgende gezinsmigranten komen vooral uit Irak, Afghanistan en Somalië. De vruchtbaarheid in deze landen is zeer hoog, terwijl de vruchtbaarheid van vrouwen van deze afkomst in Nederland een stuk lager ligt. Mogelijk komen asielzoekers hier eerst alleen naar toe, voordat hun partner hier naar toe komt (Nicolaas et al, 2010). In de periode zonder partner kunnen vrouwen de vruchtbaarheid uitstellen en kan dit ook leiden tot afstel. Ook is het mogelijk dat zij zich al gedeeltelijk aan de Nederlandse cultuur hebben aangepast. Daarnaast kan een rol spelen dat vooral de hoogopgeleide elite uit Irak en Afghanistan in Nederland asiel heeft aangevraagd (Vogels, 2011). De vruchtbaarheid onder hoger opgeleiden ligt over het algemeen lager. Studenten en arbeidsmigranten die hier voor korte tijd zijn, zullen het krijgen van kinderen vaak uitstellen tot ze weer terug zijn in hun eigen land. Hierdoor heeft deze groep niet-westerse allochtonen juist een lage vruchtbaarheid. Chinese vrouwen in Nederland zijn, met een TFR van 1,4 een goed voorbeeld van deze groep (Gijsberts en Dagevos, 2010). Een laatste grote groep overig niet-westers allochtonen zijn de Iraniërs. Er zijn in Nederland zowel arbeidsmigranten als asielzoekers uit Iran (Nicolaas et al., 2010). De TFR van Iraniërs is met 1,2 zeer laag. Dit wordt verklaard vanuit het zeer hoge opleidingsniveau van Iraniërs in Nederland (Gijsberts en Dagevos, 2010, Nicolaas et al., 2010).

De vruchtbaarheid van westerse allochtone vrouwen is tegenwoordig lager dan die van autochtone vrouwen. Dit kan deels worden verklaard door uitstelgedrag onder tijdelijke migranten in Nederland (Alders, 2005). Studenten en arbeidsmigranten die hier voor korte tijd zijn vormen een belangrijk deel van de groep westerse allochtonen (De Jong et al, 2005). Een relatief nieuwe groep westerse allochtonen zijn migranten uit Midden- en Oost-Europa die hier komen werken. Zij vormen nu nog slechts 9 procent van de westerse allochtonen, maar dit is wel de snelst groeiende groep (Gijsberts en Dagevos, 2010). De vruchtbaarheid van deze groep in Nederland ligt laag. Enerzijds komt dit doordat  de TFR in Midden- en Oost-Europa zeer laag ligt (Sobotka, 2004), anderzijds omdat deze groep hier vaak slechts tijdelijk is.

Verschillen in de leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar kinderen
Niet alleen de vruchtbaarheid verschilt tussen herkomstgroepen, maar ook in de leeftijd waarop vrouwen moeder worden bestaan er grote verschillen tussen herkomstgroepen. Voor het maken van een bevolkingsprognose is het belangrijk om aandacht te hebben voor verschillen in de ‘timing’ van het kinderen krijgen. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde bevolkingsgroep op gemiddeld twintigjarige leeftijd kinderen krijgt, is de kans groot dat zij al op veertigjarige leeftijd kleinkinderen krijgen. Hierdoor zal die bevolkingsgroep sneller groeien dan een andere groep die net zo veel kinderen krijgt, maar pas op gemiddeld dertigjarige leeftijd.

Grafiek 2 laat de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers per herkomstgroep zien. Hoewel de vruchtbaarheid van eerste generatie Turkse, Surinaamse, Antilliaanse en autochtone vrouwen nauwelijks meer verschilt, zijn er wel grote verschillen in de leeftijd waarop ze kinderen krijgen. Autochtone vrouwen krijgen driekwart van hun kinderen tussen hun 27e en 37e jaar, met een piek op 31 jaar. Turkse vrouwen krijgen driekwart van hun kinderen tussen hun 21e en 32e, met een piek op 26 jaar. Surinaamse en vooral Antilliaanse vrouwen hebben niet zo'n duidelijke piek in hun vruchtbaarheid. Zij krijgen hun kinderen meer gelijkmatig verspreid over bijna de hele reproductieve periode.

De hoge vruchtbaarheid onder Marokkaanse vrouwen komt terug in de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers. Van alle herkomstgroepen zijn deze voor Marokkaanse vrouwen op vrijwel alle leeftijden het hoogst. Alleen onder tieners is bij de andere allochtone herkomstgroepen de kans groter om een kind te krijgen. Vooral Antilliaanse en Surinaamse tieners (de zogenaamde Caribische groepen) krijgen al zeer jong kinderen. Ook Turkse vrouwen beginnen vaak al op hun 18e of 19e aan een eerste kind, mogelijk doordat ze vaak op jonge leeftijd trouwen (Garssen et al, 2005).

Bij westers allochtone vrouwen liggen de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers tot ongeveer 25 jaar boven die van autochtone vrouwen, en daarboven er (ver) onder. De hoge vruchtbaarheid op jonge leeftijden komt doordat er in deze leeftijdsgroep relatief veel immigranten uit het voormalige Joegoslavië en Oost-Europa zitten en vrouwen in deze landen over het algemeen jong kinderen krijgen (Garssen et al, 2005). De wat oudere westerse allochtone vrouwen verblijven vaak tijdelijk in ons land vanwege studie of werk. Vaak stellen ze het krijgen van kinderen uit tot ze weer terug zijn in hun eigen land. Hierdoor ligt vruchtbaarheid in de leeftijdsgroep van 25 tot 35 jaar ver beneden die van autochtone vrouwen. Voor de nog oudere westerse allochtone vrouwen zou verder uitstel tot afstel kunnen leiden. Bovendien wonen deze vrouwen vaker met een partner in Nederland. Hun vruchtbaarheid ligt ongeveer op hetzelfde niveau als die van autochtone vrouwen.

2. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers per herkomstgroep, Nederland 2009 (gemiddeld over 3 leeftijdsjaren)

Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers per herkomstgroep, Nederland 2009 (gemiddeld over 3 leeftijdsjaren)

Provinciale verschillen in vruchtbaarheid
Uit grafiek 3 blijkt duidelijk dat er tussen de provincies verschillen in de vruchtbaarheid bestaan. In Flevoland is de TFR in 2009 het hoogst, met een klein verschil gevolgd door Drenthe, Friesland en Overijssel. Ook in Zeeland ligt de vruchtbaarheid vrij hoog. De hoge vruchtbaarheid kan samenhangen met dat er in deze provincies veel betaalbare eengezinswoningen zijn. Een ruime beschikbaarheid van eengezinswoningen kan er namelijk voor zorgen dat vrouwen eerder en meer kinderen krijgen (Rindfuss en Brauner-Otto, 2008; Boyle et al, 2007).
De situatie op de regionale woningmarkt zal de vruchtbaarheid echter vooral beïnvloeden in geval er selectieve verhuisstromen ontstaan. Zo zullen jonge alleenstaanden zich vooral in regio’s vestigen waar banen of opleidingsmogelijkheden zijn. Dit heeft een negatief effect op de vruchtbaarheid in deze regio’s. Op hogere leeftijden zullen ze vaak gaan samenwonen met een partner en een gezin willen stichten. Ze gaan vaak op zoek naar een betaalbare eengezinswoning en krijgen dan pas een kind. Een vrouw die bijvoorbeeld tot haar 30e kinderloos in Amsterdam woont en vervolgens naar Almere verhuist en daar haar eerste kind krijgt, verlaagt de vruchtbaarheid in Noord-Holland en verhoogt die van Flevoland.
In Drenthe, Friesland, Overijssel en Zeeland trekken veel jongeren weg, vaak naar de Randstad, en zitten in een levensfase waarin ze (voorlopig) nog geen kinderen willen. Door dit selectieve verhuisgedrag blijven juist gezinnen achter die wel kinderen krijgen, zodat de vruchtbaarheid in deze provincies hoog uitkomt. Provincies met veel banen dan wel veel opleidingsmogelijkheden, zoals Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht, trekken juist weer deze jongeren aan en, omdat ze voorlopig nog geen kinderen willen, heeft dit een drukkend effect op de TFR in deze provincies. Vooral in Groningen ligt met een TFR van 1,65 de vruchtbaarheid laag. Ook in Limburg is er sprake van een lage vruchtbaarheid. Uit deze provincie trekken ook veel jongeren weg; terwijl het ruime aanbod van eengezinswoningen niet tot de vestiging van veel gezinnen leidt. Deze provincie stond een halve eeuw geleden nog bekend om het hoge percentage katholieken en de aanwezigheid van veel grote gezinnen. Tegenwoordig is het omgekeerde het geval en krijgen vrouwen hier juist weinig kinderen. Op Europees niveau blijkt overigens ook dat in overwegend katholieke landen als Polen, Spanje en Italië de TFR zeer laag ligt. Mogelijk dat de katholieke normen en instituties die de vruchtbaarheid jarenlang hoog hielden nu juist een verklaring vormen voor de lage vruchtbaarheid.

3. TFR per provincie, 1997-2009

TFR per provincie, 1997-2009

3.2 Regionale verschillen in vruchtbaarheid naar herkomstgroepen

Verschillen tussen provincies en grote gemeenten
De verschillen in vruchtbaarheid tussen de provincies zijn niet voor alle herkomstgroepen hetzelfde (zie grafiek 4. In grafiek 4 en 6 zijn de cijfers die op minder dan 50 geboorten zijn gebaseerd, weggelaten). De TFR van autochtonen is in Gelderland relatief hoog, terwijl die voor de verschillende allochtone groepen juist laag is. In Overijssel en Zeeland ligt de TFR van autochtone vrouwen hoger dan het gemiddelde voor alle Nederlandse vrouwen. Dit kan te maken hebben met de zogenaamde Bible Belt. In deze gordel, die van Zeeland tot Overijssel loopt, wonen veel streng gereformeerde autochtonen met traditionele familienormen die daardoor veel kinderen krijgen. Allochtonen in deze regio worden mogelijk minder beïnvloed door deze normen, waardoor hun vruchtbaarheid lager ligt.

Vooral bij overig niet-westerse allochtonen en westerse allochtonen bestaan er tussen de provincies grote verschillen in de vruchtbaarheid. Dit kan worden verklaard door compositie-effecten. Veel van de allochtonen in 'plattelandsprovincies' zijn asielzoekers en afkomstig uit niet-westerse landen met een hoge vruchtbaarheid. Hierdoor kan de hoge TFR onder overig niet-westerse allochtonen in provincies als Friesland, Drenthe, Overijssel, Zeeland en Noord-Brabant mogelijk worden verklaard. Hier staat tegenover dat overig niet-westerse allochtonen en westerse allochtonen in de grote steden en studentensteden vaak tijdelijke buitenlandse werknemers of internationale studenten zijn; groepen waaronder de vruchtbaarheid juist zeer laag is. Dit kan mogelijk bijdragen aan de zeer lage vruchtbaarheid onder deze groepen in Groningen en de Randstedelijke provincies. Ook veel tijdelijke westerse arbeidsmigranten vestigen zich in de Randstedelijke provincies. Dat deze groepen het krijgen van kinderen vaak uitstellen tot na het verblijf in Nederland, kan een extra verklaring vormen voor de lage vruchtbaarheid onder westerse allochtonen in deze provincies.

De TFR onder Antilliaanse vrouwen is opvallend hoog in Zuid-Holland. In Rotterdam is een sterke concentratie van Antilianen aanwezig en er vestigen zich hier nog veel nieuwe immigranten uit de Antillen. Mogelijk zijn deze migranten (nog) minder beïnvloed door Nederlandse vruchtbaarheidsgewoonten en krijgen ze daardoor meer kinderen.

4. TFR naar herkomstgroep en provincie, 2009

TFR naar herkomstgroep en provincie, 2009

Het grote aanbod van kindvriendelijke eengezinswoningen in Flevoland zorgt in deze provincie voor een hoge vruchtbaarheid onder alle herkomstgroepen. Dit effect is echter nog sterker onder de klassieke groepen allochtonen (zie grafiek 4). Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen wonen geconcentreerd in de vier grote steden en in Almere. Binnen deze vijf steden zullen jonge stellen met een kinderwens zich vooral in Almere vestigen, vanwege het grote aanbod aan eengezinswoningen. Grafiek 5 laat zien dat voor alle herkomstgroepen de vruchtbaarheid in Almere hoger is dan in de vier grote steden. Voor Antillianen in Utrecht en Turken in Almere waren er minder dan 50 geboorten, daarom zijn de cijfers in grafiek 5 voor deze groepen mede gebaseerd op de omliggende COROP-regio rond deze steden. Allochtonen zullen doorgaans minder snel dan autochtonen vanuit de grote steden binnen de provincie naar een dorp met een groter aanbod aan eengezinswoningen verhuizen. Dit komt mogelijk doordat hier nog weinig andere allochtonen wonen. Dit maakt het voor deze groepen minder aantrekkelijk hier te gaan wonen, omdat hulp en steun van andere herkomstgenoten wegvalt. Bovendien zullen ze waarschijnlijk ook minder snel op het idee komen hier naar toe te verhuizen omdat ze bang zijn gediscrimineerd te worden als enige buitenlander in een volledig wit dorp of wijk (Kullberg, Vervoort & Dagevos, 2009). Autochtonen wonen meer verspreid over Nederland en zullen, naast Almere, vaker naar de buitenwijk van hun eigen stad of een nabijgelegen dorp of stad verhuizen als ze naar een kindvriendelijke woning zoeken. Autochtone stellen uit Amsterdam vestigen zich bijvoorbeeld vaker in Haarlemmermeer of Amstelveen, terwijl allochtonen vaker naar Almere verhuizen (De Jong et al, 2005). Een kindvriendelijke woning is doorgaans voor autochtonen, vanwege hun gemiddeld hogere sociaaleconomische status, op meer plekken te verkrijgen. Hierdoor is de kans groter dat ze in de eigen provincie blijven wonen, waardoor het verschil in vruchtbaarheid tussen Flevoland en de andere provincies voor autochtonen kleiner is dan voor de klassieke groepen allochtonen.

5. TFR naar herkomstgroep in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere

TFR naar herkomstgroep in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere

Verschillen naar stedelijkheid
In diverse onderzoeken is naar verschillen in vruchtbaarheid tussen gemeenten gekeken. (De Jong et al, 2005; Van Middelkoop en De Jong, 2009; Van Huis en Visser, 2005). Voor allochtone vrouwen is het echter moeilijk een analyse van gemeentelijke vruchtbaarheidsverschillen uit te voeren, aangezien in veel gemeenten onvoldoende allochtonen wonen om een betrouwbare TFR te berekenen. In dit artikel zijn daarom alle gemeenten in Nederland ingedeeld naar stedelijkheid volgens de CBS stedelijkheid indeling. Grafiek 6 laat per herkomstgroep het verband tussen stedelijkheid en vruchtbaarheid zien.

6.TFR naar herkomstgroep en stedelijkheid

TFR naar herkomstgroep en stedelijkheid

Voor autochtone vrouwen is er sprake van een sterk lineair verband tussen vruchtbaarheid en de stedelijkheid. Hoe meer de woongemeente is verstedelijkt, hoe lager de TFR. Dit verband kan samenhangen met naarmate de stedelijkheid toeneemt, ook de banen en opleidingsmogelijkheden toenemen, terwijl de toegankelijkheid van de woningmarkt afneemt. De aanwezigheid van opleidingsinstituten in de meest verstedelijkte gemeenten leidt tot de komst van veel jongeren die, zolang ze studeren, meestal geen kinderen krijgen. De minder toegankelijke woningmarkt in de verstedelijkte gemeenten leidt ertoe dat veel stellen met een kinderwens bij de zoektocht naar een betaalbare eengezinswoning wegtrekken uit deze gemeenten. Deze factoren leiden tot een lagere TFR in de meer verstedelijkte gemeenten en een hogere TFR in minder verstedelijkte gemeenten. Hierbij kan mogelijk ook nog een rol spelen dat mensen in weinig of niet stedelijke gemeenten meer traditionele familienormen aanhangen, en zij vaker op het idee komen of zelfs daartoe worden aangezet om kinderen te krijgen doordat veel vrouwen in hun omgeving ook kinderen krijgen (Boyle et al, 2007).

De relatie tussen vruchtbaarheid en stedelijkheid is voor de verschillende allochtone groepen minder lineair dan voor autochtone Nederlanders. Voor hen geldt niet automatisch dat, naarmate de stedelijkheid lager wordt, de TFR hoger ligt. Onder allochtonen ligt de vruchtbaarheid in zeer sterk stedelijke gemeenten relatief hoog, voor de klassieke groepen allochtonen zelfs hoger dan in sterk stedelijke gemeenten. Dit komt waarschijnlijk doordat allochtonen minder vaak dan autochtonen de grote stad verlaten als zij kinderen (willen) krijgen. Dat hun familie en vrienden ook in de grote stad wonen, vormt, vooral voor Turken en Marokkanen, een belemmering om de stad te verlaten (Zorlu, 2009). Bovendien kunnen ze gehecht zijn aan de internationale voorzieningen in de grote stad. Voorzieningen zoals internationale scholen, kerken, winkels zullen (juist) allochtone gezinnen met kinderen of een kinderwens aan de grote steden binden. Hierdoor is TFR van allochtonen in de zeer sterk stedelijke gemeenten mogelijk hoger.
In de zeer sterk verstedelijkte gemeenten ligt de TFR van Surinaamse en Antilliaanse vrouwen van de eerste generatie aanzienlijk hoger dan die van autochtone vrouwen. In de Caribische cultuur komt het vrij vaak voor dat meisjes al op zeer jonge leeftijd zwanger worden en vaak niet met een partner samenwonen. Dit cultuurpatroon is waarschijnlijk ook herkenbaar in de grote steden, ook doordat de etnische concentratie van deze groepen daar groot is. Als deze vrouwen daarna naar een eengezinswoning op zoek gaan, hebben ze al een kind. Ze verhuizen dan vaak naar minder stedelijke gemeenten om hun kind in een kindvriendelijke omgeving te laten opgroeien. Dit kind telt dan niet meer mee voor de vruchtbaarheid in deze minder stedelijke gemeenten.

Ook bij Turkse en Marokkaanse vrouwen ligt de TFR in de zeer sterk stedelijke gemeenten veel hoger dan bij autochtone vrouwen. Nieuwe immigranten komen vaak in eerste instantie in de grote steden terecht en migranten uit Marokko en Turkije krijgen vaak veel kinderen in de eerste jaren na hun migratie naar Nederland (Alders, 2000). In sterk en matig stedelijke gemeenten ligt de TFR van beide herkomstgroeperingen wat lager en hierdoor dichter bij die van autochtone vrouwen. Mogelijk wonen deze vrouwen al langer in Nederland en hebben ze hun vruchtbaarheid aangepast in de richting van het Nederlandse niveau. In de zeer sterk stedelijke gemeenten wonen Turken en Marokkanen sterker geconcentreerd, waardoor ze meer contacten binnen de eigen groep hebben en hierdoor het oorspronkelijk vruchtbaarheidsniveau van hun herkomstlanden blijven vasthouden (zie ook Gijsberts en Dagevos, 2005 en Boschman, 2012).

Bij overig niet-westerse allochtonen ligt de TFR in de zeer sterk en sterk stedelijke gemeenten aanzienlijk lager dan in de minder verstedelijkte gemeenten. Onder de zeer sterk en sterk stedelijke gemeenten vallen naast de vier grote steden, ook veel steden die veel internationale studenten of bedrijven aantrekken zoals Eindhoven, Wageningen, Enschede en Maastricht. In deze steden zullen overig niet-westerse allochtone vrouwen slechts tijdelijk wonen voor studie en werk, waardoor de vruchtbaarheid laag ligt. In de minder verstedelijkte gemeenten wonen relatief veel asielzoekers die vaak uit landen met een hoge vruchtbaarheid komen.

Ook voor westerse allochtonen geldt dat in de zeer sterk en sterk verstedelijkte gemeenten veel studenten en arbeidsmigranten wonen, die tijdens het verblijf in Nederland meestal geen kinderen krijgen. Westerse allochtonen in de minder verstedelijkte gemeenten zijn vaker gezinsmigranten, waardoor hun vruchtbaarheidsverloop meer op dat van autochtonen lijkt.

4 Conclusies en uitleiding

Er zijn zowel grote verschillen in vruchtbaarheid tussen herkomstgroepen als tussen regio’s. Bovendien verschilt de relatie tussen regio’s en vruchtbaarheid per herkomstgroepering. Voor alle herkomstgroepen geldt dat de vruchtbaarheid wat hoger ligt in regio’s met een groot aanbod aan eengezinswoningen en wat lager in regio’s met veel banen en opleidingsmogelijkheden. Dit heeft te maken met de demografische compositie van deze regio's. Regio’s met banen en opleidingsmogelijkheden trekken veel jonge alleenstaanden aan, terwijl regio’s met een groot aanbod van eengezinswoningen veel jonge paren met een kinderwens aantrekken.

Voor diverse herkomstgroepen zijn er ook andere factoren van invloed op regionale vruchtbaarheidsverschillen. De vruchtbaarheid onder overig niet-westerse allochtonen zal hoog zijn in een regio met veel asielzoekers uit landen met een hoge vruchtbaarheid. De vruchtbaarheid van overig niet-westerse allochtonen zal echter laag zijn in een regio waar deze groep voornamelijk bestaat uit buitenlandse studenten of tijdelijke arbeidskrachten.
Naarmate niet-westerse allochtonen langer in Nederland verblijven, gaat hun vruchtbaarheid vaak meer op die van autochtonen lijken. Mogelijk komt dit door een betere integratie in de Nederlandse samenleving. Regionale verschillen in verblijfsduur kunnen dan ook verschillen in vruchtbaarheid verklaren. Zo zullen er in de grote steden enclaves zijn waar concentraties van allochtonen wonen en veel nieuwe niet-westerse migranten binnenkomen. Dit zal over het algemeen samen gaan met een hogere vruchtbaarheid doordat ze vaak de (hoge) vruchtbaarheidspatronen van hun herkomstland vertonen. Wanneer ze bovendien door gezinsvorming naar Nederland zijn gekomen, is het begrijpelijk dat ze vooral in de eerste jaren na aankomst (veel) kinderen krijgen. Allochtonen die uit deze concentratiegebieden wegtrekken, hebben zich mogelijk meer aan het vruchtbaarheidsniveau van autochtone vrouwen aangepast en gaan in regio's met minder allochtonen wonen. Hierdoor gaan ze in hun vruchtbaarheidsgedrag meer op autochtone vrouwen lijken, wat in het algemeen tot een daling van de vruchtbaarheid leidt.

In de regionale prognose van het PBL en het CBS zijn de in dit artikel beschreven verschillen tussen herkomstgroeperingen en regio’s gebruikt. De veronderstellingen over de vruchtbaarheid worden eerst op nationaal niveau aan de Bevolkingsprognose van het CBS ontleend. In de regionale prognose worden deze vruchtbaarheidscijfers nader onderscheiden naar gemeente, waarbij een verklarend (regressie)model wordt gebruikt. (Van Middelkoop en De Jong, 2009). Vervolgens worden deze gemeentelijke vruchtbaarheidscijfers nader onderscheiden naar herkomstgroepering, waarbij de waargenomen regionale verschillen in de prognose periode worden gehandhaafd, onder voorwaarde van consistentie met nationale vruchtbaarheidscijfers naar herkomstgroepering van de eerste generatie volgens de nationale Allochtonenprognose van het CBS.

Sanne Boschman, Onderzoeker demografie, Planbureau voor de Leefomgeving & Promovendus OTB onderzoeksinstituut, TU Delft

Literatuur

  • Alders, M. (2000) Kinderen krijgen over de landgrenzen heen. Maandstatistiek van de bevolking, 48(11), p22-28.
  • Alders, M. (2005) Allochtonenprognose 2004-2050; belangrijkste uitkomsten. Bevolkingstrends, 53, p32-41.
  • Barendse, J. Hiddink, C. Janszen, A. en Stavast, A. (2006) The remittance corridor The Netherlands-Morocco. Rotterdam: Ecorys.
  • Boschman, S. (2012) Residential segregation and interethnic contact in The Netherlands. Urban Studies, 49(2) p353-367.
  • Boyle, P., Graham, E. en Feng, Z. (2007) Contextualising demography; the significance of local clusters of fertility in Scotland. Rostock: Max Planck Institute of Demographic Research Working Paper.
  • CIA (2011) CIA World Fact Book. Washington: CIA. Via: https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook. Bekeken 11-8-2011.
  • Coleman, D. (1994) Trends in fertility and intermarriage among immigrant population in western Europe as measures of integration. Journal of Biosocial Science, 26, p107-121.
  • Garssen, J., Nicolaas, H. en Sprangers, A. (2005) Demografie van allochtonen in Nederland. Bevolkingstrends, 54(1), p15-31.
  • Garssen, J. en Nicolaas, H. (2008) Fertility of Turkish and Moroccan women in the Netherlands; adjustment to native level within one generation. Demographic Research, 19, 33, p1249-1280.
  • Gijsberts, M en Dagevos, J. (2005) Uit elkaars buurt; de invloed van etnische concentratie op integratie en beeldvorming. Den Haag: SCP.
  • Gijsberts, M. en Dagevos, J. (2010) Jaarrapport integratie. Den Haag: SCP
  • Van Huis, M. en Visser, P. (2005) Regionale verschillen in de vruchtbaarheid van autochtonen en allochtonen. Bevolkingstrends 53(4), blz. 25–29.
  • Jong, A., Alders, M., Feijten, P., Visser, P., Deerenberg, I., Huis, M. en Leering, D. (2005) Achtergronden en veronderstellingen bij het model PEARL. Rotterdam/ Den Haag: NAi/ RPB.
  • Kullberg, J. Vervoort, M. & Dagevos, J. (2009) Goede buren kun je niet kopen. Den Haag: SCP.
  • Nicolaas, H., Wobma, E. en Ooijevaar J. (2010) Demografie van (niet-westerse) allochtonen in Nederland. Bevolkingstrends, 58, p22-34.
  • Middelkoop, M. van en Jong, A. de (2009) Regionale verschillen in vruchtbaarheid verklaard. Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009, p. 63-70.
  • Praag, C. van (2006) Marokkanen in Nederland; een profiel. Den Haag: NIDI.
  • Rindfuss, R. en Brauner-Otto, S. (2008) Institutions and the transition to adulthood; implications for fertility tempo in low-fertility settings. In: Vienna Yearbook of Population Research, p57-87. Wenen: Vienna Institute of Demography.
  • Sobotka, T. (2004) Postponement of childbearing and low fertility in Europe. Proefschrift Population Research Centre, Rijksuniversiteit Groningen.
  • Valk, H. de, Liefbroer, A., Esveldt, I. en Henkens, K. (2001a) De een is de ander niet; patronen van gezinsvorming onder allochtonen in Nederland. Bevolking en gezin 30(3), p67-96.
  • Valk, H. de, Esveldt, I., Henkens, K. en Liefbroer, A. (2001b) Oude en nieuwe allochtonen in Nederland; een demografisch profiel. Werkdocument 123, Den Haag, WRR.
  • Vogels, R. (2011) Onderwijspositie. In: E. Dourleijn en J. Dagevos (red.) Vluchtelingengroepen in Nederland. Den Haag: SCP.
  • Zorlu, A. (2009) Ethnic differences in spatial mobility, the impact of family ties. Population, Place and Space, 15, p323-342.