Gezinssituatie, ouderlijke inkomsten en schoolniveau van 15-jarigen in Nederland (1999-2008)

5-6-2012 15:00

Op basis van het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) is de gezinssituatie beschreven van alle 15-jarigen die tussen 1999 en 2008 in Nederland woonden. Nagegaan wordt of deze kinderen bij beide ouders, bij de vader of de moeder, bij de vader of de moeder en een stiefouder of zonder beide ouders woonden. Daarnaast wordt de samenhang onderzocht tussen de gezinsstructuur en hulpbronnen enerzijds en het schoolniveau van het kind anderzijds. Hebben kinderen van ouders uit de hogere sociale klassen gemiddeld meer of juist minder hinder van een scheiding? Scheiding betekent een verlies van ouderlijke hulpbronnen voor kinderen. Ouderlijke hulpbronnen kunnen ook een buffer vormen tegen negatieve gevolgen van scheiding voor kinderen. De gevolgen voor de verschillende typen gezinnen waarin kinderen wonen, worden apart onderzocht, eveneens wordt onderscheid gemaakt naar de inkomsten van vaders en moeders. Resultaten: (1) Het percentage intacte gezinnen is verder gedaald. (2) Een intact gezin is het beste vehikel voor schoolsucces, het ontbreken van beide ouders is de smalste basis voor de ontwikkeling van kinderen op school.

1. Inleiding

Sinds de jaren vijftig van de afgelopen eeuw zijn gezinnen in toenemende mate instabiel. Gezin en familie zijn minder belangrijk geworden (Popenoe, 1993; Bengtson, 2001). Modernisering, individualisering en andere factoren vormen de oorzaak voor het dalende kindertal, het uitstellen van het ouderschap, de toename van kinderloosheid, maar zeker ook voor echtscheiding en stiefrelaties (Lesthaeghe, 2002; Liefbroer & Dykstra, 2000). Vergelijkingen met het standaardgezin van de jaren vijftig gaan echter voorbij aan de langetermijnveranderingen in de samenstelling en structuur van het gezin. Eind negentiende eeuw was ongehuwd samenwonen niet ongewoon en hadden veel kinderen ongehuwde ouders. Echtscheiding was dan niet gebruikelijk. Ontbinding van het huwelijk door het overlijden van de vader of de moeder gebeurde wel. Hertrouw, vooral bij mannen, en de vorming van stiefgezinnen kwam relatief vaak voor (Van Poppel, 1997, 1998). Vooral de verbeterde gezondheidszorg en de daaraan gerelateerde stijgende levensverwachting hebben stabiliteit gebracht binnen gezin en familie (Hareven, 1991, Kooy, 1985).
Wat dit betekende voor de leefsituatie van kinderen is geschetst in een recente studie, waarin gebruik werd gemaakt van de Historische Steekproef Nederlandse bevolking (HSN; Mandemakers, 2001) en de Netherlands Kinship Panel Study (NKPS; Dykstra et al., 2005) (zie kader). Er is een tijdreeks geconstrueerd over de eerste vijftien levensjaren van in Nederland wonende kinderen die zijn geboren tussen 1850 en 1985 (Van Gaalen & Van Poppel, 2009). Figuur 1 schetst het verloop van het aandeel 15-jarigen uit deze geboortecohorten dat met de eigen ouders in een gezin leefde. Het aandeel was het laagst in de vroegste periode, piekte in de jaren vijftig, om sindsdien weer te dalen. Opgroeien in een niet-standaard gezin is dus geen nieuw verschijnsel, al ligt de bron van instabiliteit binnen gezinnen vandaag de dag niet bij sterfte maar bij (echt)scheiding.

Grafiek 1. Aandeel 15-jarigen dat met beide eigen ouders woont (geboren 1850-1985)
Aandeel 15-jarigen dat met beide eigen ouders woont (geboren 1850-1985)

Historische Steekproef Nederlandse bevolking (HSN; Mandemakers, 2001) is een nationaal databestand met informatie afkomstig uit bevolkingsregisters over de levensloop van ruim 76 duizend personen geboren tussen 1812 en 1922. De Netherlands Kinship Panel Study (NKPS; Dykstra et al., 2005) is een onderzoek op basis van een willekeurig getrokken steekproef onder 8 duizend individuen (geboren tussen 1923 en 1986) in Nederlandse huishoudens. De interviews leverden onder andere retrospectieve informatie op over de gezinssituatie gedurende de eerste vijftien levensjaren.

Het aantal minderjarige kinderen dat een formele echtscheiding meemaakt is de laatste jaren min of meer stabiel (33 duizend; De Graaf, 2011). Minder is bekend over het aantal minderjarige kinderen dat is betrokken bij een informele scheiding, van ouders die niet gehuwd waren. Naar schatting hebben 50 duizend tot 60 duizend minderjarige kinderen een formele of informele scheiding meegemaakt (De Graaf, 2005).
Vergeleken met vroegere perioden van instabiliteit is de leefsituatie van kinderen in een niet-standaard gezin vandaag de dag completer, maar ook problematischer. De leefsituatie is completer omdat de vertrekkende ouder meestal nog wel beschikbaar (in leven) is en een rol blijft spelen in het leven van kinderen. Zij hebben er baat bij als ze omgaan met beide ouders. Dat kan echter ook tot extra problemen leiden. Ex-partners zijn niet voor niets uit elkaar gegaan – vaak botsen hun karakters en liggen er conflicten aan de relatieverbreking ten grondslag (De Graaf, 2011) – en ze blijven via het gezamenlijke ouderschap gebonden aan elkaar (zie ook Clement, van Egten & de Hoog, 2008). Het kan zijn dat ex-partners verschillende opvoedstijlen hanteren of het niet eens kunnen worden wanneer het kind bij de ene of de andere ouder verblijft. Verder is in 30 tot 40 procent van alle echtscheidingen een derde in het spel (De Graaf, 2011). Als één of beide ouders een nieuwe partner heeft zijn er bovendien kansen op conflicten door onduidelijkheden in de rolverdeling tussen de biologische ouders en de stiefouders (Ahrons, 1998; Bucx & de Roos, 2011). Dit verklaart deels waarom samengestelde gezinnen vaker uiteenvallen dan andere gezinnen (Coleman, Ganong & Fine, 2000).
In deze studie wordt de ontwikkeling beschreven van de gezinsstructuur van recente cohorten 15-jarigen in Nederland, geboren tussen 1984 en 1993. Onderzocht wordt of de geschetste trend zich voortzet en of de leefsituatie van 15-jarige kinderen met de jaren instabieler is geworden. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de gezinssituatie samenhangt met de mate waarin kansen en beperkingen worden overgedragen van ouder op kind. Bekend is dat het opgroeien in een intact gezin kinderen betere scholingsmogelijkheden biedt. Ook zijn er sterke aanwijzingen dat de negatieve gevolgen van echtscheiding voor kinderen sterker zijn als de vader meer hulpbronnen (bijv. inkomsten) bezit, terwijl hulpbronnen van de moeder compenserend kunnen werken (Fischer, 2004). Minder bekend is of het uitmaakt in welk type gezin kinderen wonen: bij beide ouders, bij alleen de vader of de moeder, bij de vader of de moeder en een stiefouder, of in afwezigheid van beide ouders. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar de hulpbronnen van zowel vader als moeder.

Intergenerationele overdracht en gezinssituatie

Kinderen van ouders uit de hogere sociale klassen hebben later meer maatschappelijk succes qua opleiding en beroepsprestige dan kinderen uit de lagere sociale lagen (Ganzeboom, Treiman, & Ultee, 1991; Dronkers 1993; Bakker en Creemers 1994). Dit wordt deels verklaard door het feit dat normen, waarden, gevoelens en gedragingen van ouder op kind worden overgedragen. Intergenerationele overdracht omvat drie mechanismen: (1) genetische overdracht, (2) socialisatie en (3) sociale overerving (Liefbroer en Dykstra, 2007).
Genetische overdracht wijst op de mogelijkheid dat bepaalde talenten (bijvoorbeeld intelligentie; Davies et al., 2011) van ouders op kinderen worden overgedragen. Socialisatie wijst op het feit dat kinderen hun ouders nadoen omdat die als rolmodel dienen (Bandura, 1977). Ouders kunnen hun kinderen ook actief beïnvloeden, doordat ze hen monitoren, belonen en corrigeren. Kinderen groeien zo op met de waarden en normen van hun ouders, die zij zich toeëigenen. Onderzoek toont aan dat ouders en kinderen vaak dezelfde studierichting en hetzelfde beroep kiezen (Van de Werfhorst, De Graaf, en Kraaykamp 2001). Sociale overerving is te begrijpen als de transmissie van sociale, culturele en financiële hulpbronnen die kinderen in staat stellen zich te ontwikkelen. Kinderen hebben voordeel van het leesgedrag van hun ouders, van museumbezoek en discussies over politiek en filosofie aan tafel. Met voldoende financiële en culturele hulpbronnen, in het geval een kind geen studiebol is, kunnen zij hem of haar praktisch bijstaan of bijles betalen (Brinkgreve & Van Stolk, 1997).
Maatschappelijke kansen en beperkingen worden van generatie op generatie overgedragen, maar de ouderlijke context waarbinnen deze overdracht plaatsvindt is van belang (Sun & Li, 2011). Algemeen geldt dat kinderen van gescheiden ouders eerder relatieproblemen krijgen (Amato & Keith, 1991) en een grotere kans hebben later zelf te scheiden (Dykstra, 2000; Steenhof & Prins, 2005). Criminaliteit komt vaker voor onder kinderen uit gebroken gezinnen (Besjes & Van Gaalen, 2008). Jongeren die in een eenoudergezin opgroeiden en daardoor minder ouderlijke hulpbronnen tot hun beschikking hadden, stapten vaker over naar een lagere schoolsoort dan andere jongeren (Bosman, 1993).

Verlies- en bufferhypothese

Overdracht van ouderlijke hulpbronnen kan op verschillende wijze interfereren met (echt)scheiding. Allereerst betekent een echtscheiding meestal verlies van financiële hulpbronnen, alleen al omdat de ex-partners in de nieuwe situatie twee huishoudens moeten voeren (Fischer, 2004; Gesthuizen, De Graaf & Kraaykamp, 2005). Door de onrust, eventuele conflicten, instabiliteit en de afwezigheid van (één van de) ouders verlopen overdrachtprocessen minder efficiënt. Daarnaast wordt vermoed dat de voorhanden hoeveelheid ouderlijke hulpbronnen een belangrijke rol speelt. Kinderen verliezen gemiddeld meer hulpbronnen naarmate de afwezige ouder meer hulpbronnen heeft. Hieruit volgt de verlieshypothese: hoe meer hulpbronnen afwezige ouders hebben, des te groter zijn de negatieve gevolgen van (echt)scheiding voor de betrokken kinderen.
Daarnaast kunnen ouderlijke hulpbronnen juist ook een buffer vormen tegen mogelijke negatieve gevolgen van instabiliteit op de ontwikkelkansen van de kinderen. Hier spelen naast financiële ook culturele hulpbronnen een rol, zoals het opleidingsniveau van de ouders. Hoger opgeleide ouders zijn gemiddeld ouder, ervarener en daardoor beter in staat de negatieve implicaties van een scheiding voor de kinderen te beperken (Amato & Keith, 1991; Ahrons, 1998). Hieruit volgt de bufferhypothese: hoe meer hulpbronnen aanwezige ouders hebben, des te geringer zijn de negatieve gevolgen van (echt)scheiding voor de kinderen.
In intacte gezinnen werken moeders gemiddeld minder (uren) dan in iedere andere gezinssituatie, terwijl het arbeidsmarktgedrag van vaders minder afhangt van de gezinssituatie. Scheiding heeft meestal tot gevolg dat kinderen minder contact hebben met hun vader dan voorheen. Daarom worden de ontwikkelkansen van kinderen van gescheiden ouders meer beperkt als de vader veel verdient (meer verlies), terwijl deze juist relatief sterk worden gestimuleerd door een veelverdienende moeder (veel buffer). Vermoed wordt dat de verlieshypothese in het bijzonder geldt voor de hulpbronnen van de vader, terwijl de bufferhypothese opgaat voor de hulpbronnen van de moeder.

2. Gegevens

Alle gegevens voor dit onderzoek zijn ontleend aan het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) van het CBS. Het SSB is een stelsel van koppelbare registers die onderling zijn afgestemd en consistent gemaakt (Bakker, 2008, 2009). Het SSB bevat gegevens over demografie, arbeidsmarkt, criminaliteit en onderwijs. Op dit moment zijn de sociaaleconomische gegevens van 1999 tot en met 2008 integraal beschikbaar voor de gehele Nederlandse bevolking. Gezien het tijdvenster is de analyse uitgevoerd op tien peilmomenten tussen september 1999 en september 2008 waarop de ouderlijke hulpbronnen en de gezinssituatie van de geboortecohorten 1984–1993 worden waargenomen. De analyse naar de samenhang met de ontwikkelkansen van het kind wordt beperkt tot de geboortecohorten 1984–1993, omdat het schoolniveau pas vanaf 2003 integraal bekend is. In alle analyses is verder voor een zuivere analyse per ouderpaar slechts één random geselecteerd kind in de analyse meegenomen.
Er zijn grote voordelen om de leefsituatie van kinderen te bestuderen aan de hand van administratieve gegevens. De gegevens uit deze registers maken het (uiteindelijk) mogelijk individuen van de wieg tot het graf te volgen. De integrale waarneming van volledige cohorten kinderen maakt het mogelijk in te zoomen op relatief zeldzame gebeurtenissen en op diverse groepen (hertrouw van gescheiden ouders, allochtonen). De ouderlijke hulpbronnen zijn de inkomsten uit werk en een uitkering, rekening houdend met de leeftijd van de ouders bij de geboorte van het kind. Beide zijn positief gecorreleerd met het opleidingsniveau. Het SSB bevat incomplete informatie over het opleidingsniveau van de ouders, een belangrijke determinant voor het schoolniveau van kinderen, maar er is nog geen methode ontwikkeld om de opleidingsniveaus van ouders en kinderen te combineren.
Anders dan in de studie van Fischer (2004), die gebaseerd is op gegevens uit de enquête Scheiding in Nederland (SIN), geeft deze studie geen informatie over ouderlijke conflicten of subjectieve gegevens over normen en gevoelens. En waar Fischer beschikte over data van een range geboortecohorten (1946–1988), richt onze analyse zich juist op jongere geboortecohorten (1984–1993). Andere bronnen, zoals de Enquête Beroepsbevolking (EBB) en de Voortgezet Onderwijs Cohort Leerlingen (VOCL onderwijscohorten), bevatten wel opleidingsgegevens van de ouders (Jol, Mars en Van der Mooren, 2012). Deze bronnen maken het in principe mogelijk de verschillende gezinstypen, ouderlijke hulpbronnen en het schoolniveau van opeenvolgende geboortecohorten systematisch aan elkaar te relateren. De steekproefgrootten zijn echter niet toereikend voor het gewenste detailniveau.
De studie beperkt zich tot de geregistreerde werkelijkheid in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Bij een echtscheiding is niet bekend of en hoeveel tijd een kind daadwerkelijk doorbrengt met vader en moeder. Ongeveer 20 procent van de gescheiden ouders opteert voor co-ouderschap (De Graaf, 2011). Er wordt van uitgegaan dat het zwaartepunt van de ouderlijke verantwoordelijkheid bij die ouder rust bij wie het kind staat ingeschreven (de vader of de moeder).
Grafiek 2 bevat informatie over de ouders van de 15-jarigen uit de onderzoekspopulatie. De informatie over de ouders en hun sociaaleconomische positie is voor 97 procent van de autochtonen bekend. Met behulp van informatie uit de GBA kunnen vader en moeder aan kinderen worden gelinkt. Het zijn altijd vaders en moeders die het kind hebben erkend. Over de ouders van voornamelijk Surinamers en Antillianen is veel vaker geen informatie. Het betreft meestal een onbekende of niet tot de Nederlandse bevolking behorende vader. Hierbij moet worden opgemerkt dat een ‘onbekende’ ouder betekent dat er geen koppeling kon worden gemaakt tussen ouder en kind in de GBA. Dit hoeft niet te betekenen dat kind en ouder elkaar niet kennen. Wel betekent dit dat in die gevallen het kind niet door de vader is erkend.

Grafiek 2. Informatie over de ouders in de onderzoekspopulatie naar herkomstgroepering

Grafiek 2. Informatie over de ouders in de onderzoekspopulatie naar herkomstgroepering

3. Methode

Deze studie beschrijft de ontwikkeling van gezinsstructuren naar economische hulpbronnen van de ouders en herkomstgroepering van de kinderen in september van het jaar dat zij 15 jaar zijn geworden. Om de samenhang tussen de gezinssituatie en het gevolgde schoolniveau van recente geboortecohorten 15-jarigen te analyseren, wordt gebruik gemaakt van een multivariaat regressiemodel. In dit model wordt gekeken of de woonsituatie van het kind en de hulpbronnen van de ouders (de belangrijkste onafhankelijke variabelen) samenhangen met het schoolniveau van het kind (de afhankelijke variabele). In studies naar intergenerationele overdracht worden vaak de ouderlijke hulpbronnen toen het kind 15 jaar oud was in de analyse meegenomen (Van Putten, Schippers & Dykstra, 2008). Omdat dit onderzoek de samenhang tussen de leefsituatie en ontwikkelkansen van kinderen in die belangrijke levensfase wil onderzoeken, worden de gezinssituatie en de ouderlijke hulpbronnen aan het schoolniveau van het kind op één en hetzelfde moment gerelateerd.

Multivariaat regressiemodel
Om de invloed van een of meerdere onafhankelijke variabelen op een afhankelijke variabele te onderzoeken wordt lineaire regressie-analyse gebruikt. In lineaire regressie wordt de regressielijn bepaald, die het beste de lineaire relatie tussen de onafhankelijke en de afhankelijke variabelen beschrijft. De term multivariaat wordt hierbij gebruikt om aan te duiden dat er meerdere onafhankelijke variabelen in de regressievergelijking zijn opgenomen.
De techniek om de onbekende parameters te schatten wordt de methode van de kleinste kwadraten genoemd, of ordinary least squares (OLS). Hierbij wordt de som van de gekwadrateerde residuen geminimaliseerd.

Variabelen

Nagegaan wordt of kinderen met twee eigen ouders (1), met alleen de moeder (2) of de vader (3), met de moeder en een nieuwe partner (4), de vader en een nieuwe partner (5), of zonder beide ouders (6) leefden.
De hulpbronnen van de ouders worden afgeleid uit inkomstenpercentielen en hun leeftijd bij de geboorte van het kind. De inkomstenpercentielen representeren de relatieve verdeling in 1-procentgroepen op basis van fiscaal bruto inkomen uit werk en uitkering van de gehele Nederlandse bevolking. Deze verdeling is onafhankelijk van de inflatie. De studie beperkt zich tot de persoonlijk toerekenbare hulpbronnen van de vader en de moeder. Bij het berekenen van de inkomsten wordt geen rekening gehouden met eventuele alimentatiebetalingen, inkomsten uit vermogen of toeslagen.
De analyse gebeurt op het niveau van inkomenskwintielgroepen (inclusief de groep zonder inkomsten), en vijf leeftijdsgroepen, naar de leeftijd van de ouders bij de geboorte van het kind: 15 tot 23 jaar (1), 23 tot 28 jaar (2), 28 tot 33 jaar (3), 33 tot 38 jaar (4) en 38 jaar en ouder (5).
De volgende schoolniveaus van de kinderen worden gehanteerd: basisonderwijs, secundair onderwijs 1e fase laagst (1), secundair onderwijs 1e fase laag (2), vmbo praktisch (3), mavo, havo/vwo onderbouw, vmbo TL (4), mbo-2, mbo-3, deelcertificaat havo/vwo, havo bovenbouw, vhbo (5), en mbo, vwo bovenbouw, propedeuse hbo/wo of hoger (6). Het schoolniveau wordt gemeten in september van het jaar dat het kind vijftien jaar wordt. In analyses moet rekening worden gehouden met de geboortemaand van de kinderen, omdat dit van invloed is op het waargenomen schoolniveau. Of een kind een keer is blijven zitten, wordt niet expliciet in de analyse meegenomen, maar doublures verlagen wel het schoolniveau van kinderen.
Controlevariabelen zijn verder: het jaar van meting (1999/2003–2008), herkomstgroepering, geslacht en de woonregio van het kind.

4. Resultaten

Gezinssituatie (1999–2008)
De gezinssituatie van 15-jarigen is in de periode 1999–2008 licht veranderd (grafiek 3). Het aandeel 15-jarigen dat met de eigen ouders in een gezin leeft, daalt al sinds 1950 en deze daling houdt aan in de meest recente periode. In 1999 woonde nog 78 procent van de 15-jarigen bij beide ouders, in 2008 74 procent. Vaker woont het kind tegenwoordig bij de moeder met een partner, maar ook éénoudergezinnen komen steeds vaker voor. Dit zijn vaak éénmoedergezinnen. Het aandeel alleenstaande vaders stijgt ook maar is relatief klein (2,5 procent in 2008). Kinderen die bij hun vader en een partner wonen blijven schaars (1 procent). Het aandeel 15-jarigen dat zonder eigen ouders leeft is stabiel (2 procent). Deze kinderen wonen bijvoorbeeld bij een pleeggezin, zij wonen ‘zelfstandig’ in een ‘begeleid-wonengroep’ voor jongeren, of in een institutioneel huishouden (bijv. psychiatrische instelling).

Grafiek 3. Gezinssituatie 15-jarigen in 1999–2008

Grafiek 3. Gezinssituatie 15-jarigen in 1999–2008

Gezinssituatie en ouderlijke hulpbronnen
Vaders van intacte gezinnen hebben vaak de hoogste inkomens. Zij zitten vaker in de hoogste
kwintielen van de inkomstenverdeling.

Grafiek 4. Inkomstenkwintiel vader naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

Grafiek 4. Inkomstenkwintiel vader naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

In deze gezinnen is de kans groot dat de moeder geen inkomsten heeft of in het laagste kwintiel valt.

Grafiek 5. Inkomstenkwintiel moeder naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

Grafiek 5. Inkomstenkwintiel moeder naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

Ook kinderen van relatief oude ouders leven vaker in intacte gezinnen (zie grafiek 6 voor de moeders).

Grafiek 6. Leeftijd moeder bij geboorte kind naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

Grafiek 6. Leeftijd moeder bij geboorte kind naar gezinssituatie kind (gem. waarden 1999–2008)

Schoolniveau (2003–2008)
Een 15-jarige die bij beide eigen ouders woont, volgt over het algemeen een hoger schoolniveau (grafiek 7). Het schoolniveau van kinderen met een alleenstaande ouder of een ouder met een partner, is vergelijkbaar. Een verdeling van het schoolniveau van een 15-jarige naar de gezinssituatie laat zien dat vooral kinderen die bij een ouder en een partner leven gemiddeld een lager schoolniveau hebben. Het verschil tussen kinderen uit intacte gezinnen en kinderen die bij één van de ouders wonen is kleiner.

Grafiek 7. Opleidingsniveau naar gezinssituatie kind (gem. waarden 2003–2008)

Grafiek 7. Opleidingsniveau naar gezinssituatie kind (gem. waarden 2003–2008)

De schoolniveaus kunnen worden omgezet in een lineaire maat van 1 tot 6. Tabel 1 in de bijlage toont het gemiddelde schoolniveau van het kind, uitgesplitst naar de categorie hulpbronnen. Het blijkt dat er een positieve samenhang is tussen ouderlijke hulpbronnen en de ontwikkelingskansen van kinderen. Opvallend zijn ten eerste de lagere scores van kinderen van jonge ouders. Verder blijkt dat ook kinderen die een moeder hebben met hoge inkomsten en/of ouder is bij de geboorte van het kind het relatief goed doen.

Multivariaat model: gezinssituatie, ouderlijke inkomsten en schoolniveau
Hoge inkomsten en een intacte gezinssituatie vergroten de kans dat kinderen een hoog schoolniveau bereiken. Het is de vraag of processen van socialisatie en sociale overerving van hulpbronnen samenhangen met een eventuele instabiliteit in het gezin deze situatie begunstigen. Tabel 2 en 3 in de bijlage geven de uitkomsten weer van vier lineaire regressiemodellen met als afhankelijke variabele ‘schoolniveau’. Het eerste model geeft de schattingsresultaten weer van de lineaire regressie waarin naast de variabelen voor de gezinssituatie ook het jaar, de herkomstgroep, het geslacht en de woonregio worden meegenomen. Er wordt gecorrigeerd voor de geboortemaand, omdat dit van invloed is op het moment van instromen en dus van de voortgang op school. Eveneens is de leeftijd van de vader en de moeder bij geboorte van het kind, als proxy voor het culturele kapitaal van de ouders, in het model opgenomen. Ook worden twee dummies toegevoegd, die aangeven of de vader of moeder van het kind onbekend is, dat wil zeggen, dat de ouder-kind-link via de GBA niet te leggen is. In model 2 worden de inkomstenniveaus van vaders en moeders aan de analyse toegevoegd. In de modellen 3 en 4 (tabel 3) worden de interactievariabelen gezinssituatie en ouderlijke inkomsten toegevoegd om de verlies- en bufferhypothesen te toetsen.

Gezinssituatie
Ten opzichte van de intacte gezinssituatie hebben kinderen in alle andere leefsituaties een lager schoolniveau. Niet verwonderlijk is dat vooral kinderen die zonder eigen ouders wonen in de meest ongunstige positie verkeren. Overigens moet worden vermeld dat de situatie waarin het kind alleen bij de moeder of vader woont significant beter is dan de situatie met een stiefouder, al zijn de verschillen gering (niet in tabel). Deze situatie komt niet vaak voor, maar vooral als de moeder onbekend is, hangt dit negatief samen met het gevolgde schoolniveau van het kind.

Ouderlijke hulpbronnen
Model 2 laat zien dat vooral het hebben van een veelverdienende vader bijdraagt tot verschillen in schoolniveau tussen kinderen. Opvallend is dat ook het hebben van een weinig verdienende vader licht positief samenhangt met het schoolniveau. Overigens is dit een marginale groep (grafiek 6). Het gaat om mannen met bijzondere inkomstenbronnen, zoals inkomsten uit vermogen, die bij het samenstellen van de kwintielgroepen buiten beschouwing gelaten zijn. Als niet-werken de reden is van de geringe verdiensten, dan is dat vaak een tijdelijke situatie, waarin de moeder meer verdient. De samenhang van de inkomsten van moeders is min of meer lineair. Ten opzichte van een moeder in het middelste kwintiel is het hebben van een veel verdienende moeder positief voor het gevolgde schoolniveau, terwijl niet of minder verdienen negatief samenhangt met het gevolgde schoolniveau.
Verder is te zien dat het vooral van belang is of de ouders relatief jong waren toen het kind werd geboren. Het hebben van een tienervader of –moeder is negatief voor de opleidingskansen van kinderen. Ook in het multivariaat model blijft overeind dat vooral een relatief oude moeder positief samenhangt met de schoolontwikkeling van kinderen.
Opvallend is dat de verschillen tussen kinderen door het opgroeien in de diverse niet-intacte gezinnen duidelijk kleiner worden na controle voor de ouderlijke hulpbronnen (vergelijk model 1 en 2). Een deel van de negatieve samenhang van (echt)scheiding met het schoolniveau hangt samen met het feit dat in lagere sociale klassen vaker gezinnen uit elkaar vallen. Ook speelt een rol dat de hulpbronnen juist afnemen door de scheiding. Dit is ook te zien als de verschillen tussen de herkomstgroepen met elkaar worden vergeleken: lagere schoolniveaus onder allochtone kinderen worden grotendeels veroorzaakt door sociaaleconomische factoren.

Verlies of buffer?
In de modellen 3 en 4 worden de interactie-effecten van inkomsten en leeftijd van vader of moeder met een wel of niet intacte gezinssituatie opgenomen. Model 3 laat zien dat  de ontwikkelkansen van kinderen van gescheiden ouders meer worden beperkt als de vader veel verdient (verlies), terwijl deze juist relatief sterk worden gestimuleerd door een veelverdienende moeder (buffer). Vooral de positieve samenhang van een veelverdiende moeder met het schoolniveau in vrijwel iedere niet-intacte gezinssituatie is het vermelden waard. Als het kind zonder beide ouders woont, is het verlies extra groot als de vader in de hoogste inkomstencategorie zit, terwijl een veelverdiende moeder juist compenserend werkt. Overigens gaat het in het laatste geval (zonder ouders en moeder in het vijfde kwintiel) slechts om enkele honderden kinderen.
Model 4 bevestigt dat het verlies alleen optreedt als het kind niet met de veelverdienende vader op één adres woont, terwijl hoge inkomsten van de moeder in gelijke mate bufferen, afgezien van de situatie dat het kind bij de vader en een nieuwe partner staat ingeschreven. Natuurlijk staat hier steeds het negatieve directe effect van de (echt)scheiding tegenover.

5. Conclusie

Het aandeel 15-jarigen dat met de eigen ouders in een gezin leeft is significant afgenomen van ruim 78 naar 74 procent. In 1999 woonde ruim 14 procent van de kinderen in een éénoudergezin, in 2008 is dit 17,2 procent. Dit zijn vooral éénoudergezinnen met moeders. Het percentage kinderen dat op 15-jarige leeftijd met één van beide ouders en een nieuwe partner leeft steeg van ruim 5 procent in 1999 tot ruim 7 procent in 2008. Het aandeel kinderen dat zonder de eigen ouders leeft is vrij constant (ongeveer 2 procent).
De analyse naar de samenhang tussen de gezinssituatie en het gevolgde schoolniveau bevestigt de bevindingen uit andere studies (vgl Fischer, 2004, Sun & Li, 2011): een intact gezin is het beste vehikel voor schoolsucces, het ontbreken van beide ouders is de smalste basis voor de ontwikkeling van kinderen op school.
Verder werd inzichtelijk dat het belang van inkomsten van de moeder groeit als kinderen in een niet-intact gezin leven (buffer), terwijl het verlies van vaderlijke economische hulpbronnen iets groter is, als hij veel verdient (verlies).

6. Discussie

De gezinsstructuur waarin kinderen opgroeien is cruciaal voor de ontwikkeling van hun opleiding, voor familievorming, beroepskeuze, en gezondheid. Kinderen krijgen van huis uit sociale, economische en culturele hulpbronnen mee (Liefbroer, 2005; Liefbroer & Dykstra, 2007; Brinkgreve & Stolk, 1997). Kinderen die thuis over goede hulpbronnen beschikken, hebben meer mogelijkheden en kansen op succes in de latere levensloop. Zo kunnen kinderen bijvoorbeeld worden geholpen bij het huiswerk of financieel worden bijgestaan. Afhankelijk van deze hulpbronnen hebben kinderen diverse mogelijkheden om zich te ontwikkelen.
Ouders met meer kapitaal en meer soorten kapitaal kunnen een tekort of een verlies van de ene hulpbron compenseren met een andere. Vaak wordt een onderscheid gemaakt tussen cultureel kapitaal (het opleidingsniveau) en financieel kapitaal (Fischer, 2004). In deze studie is het opleidingsniveau benaderd met financiën en leeftijd bij de geboorte van het kind. Bij (echt)scheiding valt bijvoorbeeld één hulpbron (geld) weg, terwijl het andere (opleidingsniveau) juist kan bufferen. Het zou daarom goed zijn als in de toekomst de analyse kan worden verbeterd zodra er gebruik gemaakt kan worden van informatie over het opleidingsniveau van de ouders.
Natuurlijk is de meest positieve situatie de aanwezigheid van zowel de vader als de moeder in het gezin. Er zijn echter aanwijzingen dat het minder uitmaakt of een kind in een intact gezin opgroeit, maar dat het belangrijker is dat de leefsituatie tijdens de jeugdfase stabiel is, ongeacht de ouderlijke structuur (Sun & Li, 2011). Doordat de hulpbronnen centraal staan in deze studie, is van belang te realiseren dat deze hulpbronnen bij een scheiding afnemen. Hier wordt nog onvoldoende rekening mee gehouden. Toekomstig onderzoek moet niet alleen in kaart brengen of kinderen in een intact gezin leven, maar ook op welke leeftijd en hoelang kinderen opgroeien in een bepaalde gezinsstructuur.
Interessant is dat kinderen die bij een ouder en een nieuwe partner leven op 15-jarige leeftijd gemiddeld een vergelijkbaar schoolniveau hebben als hun leeftijdsgenoten die alleen bij hun moeder wonen. Dit is opvallend, omdat kinderen die met twee volwassenen leven eigenlijk beter af zijn dan met alleen hun moeder. Dit resultaat is in lijn met de uitkomsten uit eerdere studies, waarin werd aangetoond dat stiefkinderen minder profiteren van (stief)ouderlijke hulpbronnen dan biologische kinderen (Downey, 1995; Zvoch, 1999). In toekomstig onderzoek waarin onderscheid wordt gemaakt tussen stief- en biologische relaties, moet dit nader worden onderzocht.
De studie beperkt zich hier tot persoonlijke ouderlijke hulpbronnen uit werk en uitkering. Zoals aangegeven, kunnen partner- en kinderalimentatie een belangrijke inkomstenbron zijn na scheiding (vooral voor vrouwen) en gunstig zijn voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of en hoe dit de resultaten beïnvloedt.
Dit onderzoek is beperkt tot de geregistreerde werkelijkheid en in het geval van echtscheiding is niet bekend of en hoeveel tijd een kind daadwerkelijk doorbrengt met vader en moeder. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen in hoeverre kinderen van gescheiden ouders baat hebben bij scheidingsarrangementen zoals co-ouderschap en of deze de negatieve gevolgen voor kinderen verkleinen. Afgezien van juridische arrangementen gaat het simpelweg om de fysieke nabijheid van een ‘afwezige’ ouder: welke ouders blijven dichtbij elkaar wonen na de scheiding en is dit van voordeel voor de betrokken kinderen?

Ruben van Gaalen en Lenny Stoeldraijer

Bronnen:

Literatuur:

  • Ahrons, C.R., 1998, The Good Divorce: Keeping Your Family Together When Your Marriage Comes Apart (rev. edition). New York: HarperCollins.
  • Amato, P.R., en B. Keith, 1991, Parental divorce and the well-being of children: A meta-analysis. Psychological Bulletin, 110, blz. 26-46.
  • Bakker, B.F.M., 2008, De stand van het sociaal statistisch bestand. Bevolkingstrends, 56 (2), blz. 14-18.
  • Bakker, B.F.M., 2009, Trek alle registers open! Rede uitgesproken van het ambt van bijzonder hoogleraar Methodologie van registerdata voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Vrije Universiteit Amsterdam.
  • Bakker, B.F.M., en P.G.J. Creemers, 1994, Gelijke kansen in het onderwijs? Een vergelijking van vier cohorten leerlingen in hun overgang naar het voortgezet onderwijs. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, vol. 19, blz. 191-203.
  • Bandura, A., 1977, Social learning theory. Englewood Cliffs: Prentice-Hall.
  • Bengtson, V.L., 2001, Beyond the nuclear family: the increasing importance of multigenerational bonds. Journal of Marriage and Family, 63(1), blz. 1-16.
  • Besjes, G., en R.I. Van Gaalen, 2008, Jong geleerd, fout gedaan? Bevolkingstrends, 56(2), blz. 23-31.
  • Bosman, R., 1993, Opvoeden in je eentje; een onderzoek naar de betekenis van het moedergezin voor de onderwijskansen van kinderen. Lisse: Swets en Zeitlinger.
  • Brinkgreve, C. en B. van Stolk, 1997, Van huis uit, wat ouders aan hun kinderen willen meegeven. Amsterdam: Meulenhof bv, 2e druk.
  • Bucx, F., 2011, Gezinnen in Nederland: Slotbeschouwing. In SCP (Ed.), Gezinsrapport 2011, blz. 223-238, Den Haag: SCP.
  • Bucx, F., en S. De Roos, 2011, Opvoeden in Nederland. In SCP (Ed.), Gezinsrapport 2011, blz. 152-179, Den Haag: SCP.
  • Coleman, M., L. Ganong, en M. Fine, 2000, Reinvestigating Remarriage: Another Decade of Progress. Journal of Marriage and Family, 62(4), blz. 1288-1307.
  • Davies, G., A, Tenesa, A. Payton, J. Yang, et.al, 2011, Genome-wide association studies establish that human intelligence is highly heritable and polygenic. Molecular Psychiatry, Aug, blz. 1-10.
  • Downey, D.B., 1995, Understanding Academic Achievement among Children in Stephouseholds: The Role of Parental Resources, Sex of Stepparent, and Sex of Child. Social forces, 73(3), blz. 875-894.
  • Dronkers, J., 1993, Educational reform in the Netherlands: did it change the impact of parental occupation and education?, In: Sociology of Education, vol. 66, blz. 262-277
  • Dykstra, P.A., 2000, Diversiteit in gezinsvormen en levenskansen van kinderen op langere termijn. Bevolking en Gezin, 29(2), blz. 109-140.
  • Dykstra, P.A., M. Kalmijn, T.C.M. Knijn, A.E. Komter, A.C. Liefbroer, en C.H. Mulder, 2005, Codebook of the Netherlands Kinship Panel Study, A multi-actor, multi-method panel study on solidarity in family relationships. Wave 1 (No. NKPS Working Paper No. 4). The Hague: Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute.
  • Clement, C., C. van Egten, en S. de Hoog, 2008 (red.), Nieuwe gezinnen. Scheidingen en de vorming van stiefgezinnen, E-Quality: Den Haag.
  • Fischer, T.F.C., 2004, Parental Divorce, Conflict, and Resources. The Effects on Children's Behavior Problems, Socioeconomic Attainment, and Transitions in the Demographic Career. Nijmegen University (ICS-Dissertation), Nijmegen.
  • Van Gaalen, R.I., en F. Van Poppel, 2009, Long-Term Changes in the Living Arrangements of Children in the Netherlands. Journal of Family Issues, 30 (5), blz. 653-669.
  • Ganzeboom, H.B.G., D.J. Treiman, en W. Ultee, 1991, Comparative intergenerational stratification research: Three generations and beyond. Annual Review of Sociology, 17, blz. 277-302.
  • Gesthuizen, M., P. De Graaf, en G. Kraaykamp, 2005, The changing background of the lower educated in the Netherlands: socio-economic, cultural, and socio-demographic resources. European Sociological Review, 21 (5): blz. 441-452.
  • Hareven, T., 1991, The home and the family in historical perspective. Social research, 58(1), blz. 253-285.
  • De Graaf, A., 2005, Scheiden: motieven, verhuisgedrag en aard van de contacten. Bevolkingstrends, 53(4), blz. 39-46.
  • De Graaf, A., 2011, Gezinnen in cijfers. In SCP (Ed.), Gezinsrapport 2011 (blz. 35-61). Den Haag: SCP.
  • Jol, C., G. Mars en F. van der Mooren, 2012, Niet behalen startkwalificatie hangt samen met gezinssituatie, Sociaaleconomische trends, 1e kwartaal 2012, 47-54
  • Kooy, G. A., 1985 (Ed.), Gezinsgeschiedenis: Vier eeuwen gezin in Nederland. Assen: Van Gorcum.
  • Lesthaeghe, R., 2002 (Ed.), Meaning and choice: Value orientations and life course decisions. Den Haag - Brussel: NIDI.
  • Liefbroer, A. C., en  P.A. Dykstra, 2000. Levenslopen in verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970 (Vol. V 107; WRR Voorstudies en achtergronden). Den Haag: Sdu Uitgevers.
  • Liefbroer, A.C., 2005, Valt de appel nog steeds niet ver van de boom? Over intergenerationele overdracht van demografisch gedrag. Inaugurele rede, Amsterdam: Vrije Universiteit, 29p.
  • Liefbroer, A.C. en P.A. Dykstra, 2007, Gelijkenis binnen families en intergenerationele overdracht. In: A.C. Liefbroer en P.A. Dykstra (red.), Van generatie op generatie: gelijkenis tussen ouders en kinderen. Amsterdam University Press, blz.7-14.
  • Mandemakers, K., 2001, The historical sample of the Netherlands (HSN). Historical Social Research, 26(4), blz. 179-190.
  • Popenoe, D., 1993, American family decline, 1960-1990: A review and appraisal. Journal of Marriage and the Family, 55(3), blz. 527-555.
  • Van Poppel, F., 1997, Family breakdown in nineteenth-century Netherlands: Divorcing couples in The Hague. The History of the Family. An International Quarterly, 2(1), blz. 49-72.
  • Van Poppel, F., 1998, Nineteenth-century remarriage patterns in the Netherlands. Journal of Interdisciplinary History, 28(3), blz. 343-383.
  • Van Poppel, F., en R.I. Van Gaalen, 2007, Kinderen, gezinnen en familie. In W. W. Koops, B. Levering & M. De Winter (Eds.), Het kind als spiegel van de beschaving; een moderne antropologie van het kind (blz. 97-114). Amsterdam: Uitgeverij SWP.
  • Van Putten, A.E., P.A. Dykstra, en J.J. Schippers, 2008. Just Like Mom? The Intergenerational Reproduction of Women's Paid Work. European Sociological Review, 24(4), blz. 435-449.
  • Steenhof, L., en K. Prins, 2005, Echtscheiding van ouders en kinderen. Bevolkingstrends, 54(4), blz. 47-52.
  • Sun, Y., en Y. Li, 2011, Effects of family structure type and stability on children academic performance trajectories. Journal of Marriage and Family, 73(June), blz. 541-556.
  • De Valk, H.A.G., 2010, Children of immigrants in the Netherlands: Growing up in diversity. Child Indicators Research, 3(4), blz. 503-524.
  • Van de Werfhorst, H.G., N.D. De Graaf, en G. Kraaykamp, 2001, Intergenerational resemblance in field of study in the Netherlands. European Sociological Review, 17(3), blz. 275-293.
  • Zvoch, K., 1999, Family Type and Investment in Education: A Comparison of Genetic and Stepparent Families. Evolution and Human Behavior, 20(6), blz. 453-464.