Verdeling: Wonen
Wonen gaat over de woonsituatie van mensen. Een woning biedt onderdak, veiligheid, privacy en persoonlijke ruimte. Een goed en betaalbaar huis in een prettige buurt met toegang tot verschillende diensten draagt bij aan de kwaliteit van leven. Daarbij gaat het om sociale cohesie in de buurt, buurtvoorzieningen, maar ook om kenmerken van de woning zelf en de betaalbaarheid van wonen. De verschillen tussen bevolkingsgroepen worden gemeten met de mediane woonquote. Deze beschrijft het percentage van het inkomen dat besteed wordt aan wonen; de helft van de huishoudens geeft maximaal dit percentage van hun inkomen uit aan woonlasten. De woonlasten omvatten het totale bedrag aan woonkosten, zoals huur- of hypotheeklasten, maar ook alle bijkomende woonuitgaven zoals onroerendezaakbelasting, premies voor woonverzekeringen, rioolrechten, gas, water en elektra. Hoe lager het aandeel van het inkomen dat men aan wonen besteedt, hoe gunstiger voor de (brede) welvaart.
- Het deel van het inkomen van het huishouden dat besteed wordt aan wonen, de woonquote, is het hoogst voor de leeftijdsgroep van 15 tot 25 jaar.
- Voor leeftijdsgroepen tussen de 45 en 65 jaar of met een hbo- of universitair diploma ligt de woonquote van het huishouden relatief laag.
- De woonquote was in 2024 lager dan in 2019. Deze afname is met name te zien bij de leeftijdsgroep tussen 35 en 45 jaar en bij migrantenhuishoudens.
Woonquote
In januari 2024 gaf de helft van de huishoudens niet meer dan 20,1 procent van hun inkomen uit aan wonen en de andere helft gaf daar meer dan 20,1 procent van hun inkomen aan uit. De mediane woonquote was in 2024 lager dan in 2019 (22,9 procent).
De hoogte van de woonquote hangt samen met de leeftijd van de referentiepersoon. Als deze jonger is dan 35 jaar, dan is de woonquote relatief hoog. Ook is bij deze jongere huishoudens het inkomensaandeel dat aan wonen wordt besteed ten opzichte van 2019 minder sterk gedaald dan bij huishoudens in het algemeen. Bij de leeftijdsgroep tussen 35 en 45 jaar ligt is de woonquote vrijwel gelijk aan de mediaan van alle huishoudens, maar deze heeft zich wel relatief gunstig ontwikkeld ten opzichte van 2019. Voor de leeftijdsgroepen tussen 45 en 65 jaar ligt de woonquote relatief laag, terwijl 75-plussers een relatief hoge woonquote hebben.
Ook het onderwijsniveau hangt samen met de hoogte van de woonquote. Huishoudens met een referentiepersoon die basisonderwijs of een vmbo-diploma heeft, hebben een relatief hoge woonquote. Hbo- of universitair geschoolden besteden een relatief laag aandeel van het inkomen aan wonen.
De mediane woonquote is relatief hoog voor huishoudens met mensen van wie de ouders in een land buiten Nederland zijn geboren en ook voor huishoudens van migranten van buiten Europa. Ten opzichte van 2019 is de mediane woonquote van huishoudens van migranten (van binnen en buiten Europa) sterker gedaald dan die van huishoudens in het algemeen.