Verdeling: Stapeling

De verschillen tussen bevolkingsgroepen die bij individuele indicatoren te zien zijn, gaan niet per se over dezelfde mensen. Op individueel niveau kunnen uitkomsten op verschillende thema’s stapelen. Veel mensen hebben een hogere brede welvaart op een paar thema’s en lagere brede welvaart op andere. Bij een deel van de mensen is een stapeling van uitkomsten te zien: zij hebben op veel thema’s een hoge brede welvaart of juist een lage brede welvaart.

  • De stapeling van gunstige uitkomsten concentreert zich vooral bij hbo’ers en universitair geschoolden, maar ook bij mensen met een Nederlandse herkomst en mensen van 45 tot 65 jaar. Mannen zitten iets vaker bovenin de verdeling dan vrouwen.
  • De stapeling van ongunstige uitkomsten komt vooral voor bij mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma, migranten van buiten Europa en 65- tot 75-jarigen. Onderin komt bij vrouwen de stapeling van ongunstige uitkomsten iets vaker voor dan bij mannen.
  • Als we rekening houden met de onderlinge samenhang tussen indicatoren blijkt dat gezondheid het meest samenhangt met het aantal gunstige uitkomsten. Vervolgens hangt het hebben van betaald werk sterk samen met de stapeling van gunstige uitkomsten. Gezondheid en het hebben van werk zijn eveneens het sterkst gerelateerd aan het aantal ongunstige uitkomsten. Daarnaast hangt ook vertrouwen in anderen sterk samen met de stapeling van ongunstige uitkomsten.

Verdeling: Stapeling

Stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten

Bij de Indicatoren is gekeken naar de mate waarin de brede welvaart ‘hier en nu’ van verschillende bevolkingsgroepen op afzonderlijke indicatoren afwijkt van die voor de totale bevolking. Als een bevolkingsgroep op een indicator gemiddeld lager dan de totale bevolking scoort, betekent dat echter niet dat alle mensen in deze groep laag scoren op deze indicator. Gemiddeld is bijvoorbeeld 84,9 procent van de mensen tevreden met het leven, terwijl dit onder 18- tot 25-jarigen 79,5 procent is. Hoewel dit lager is dan gemiddeld, zijn ook de meeste jongeren tevreden.

Daarnaast is het zo dat niet alle mensen die onder het gemiddelde scoren op één van die indicatoren, dat ook doen op andere indicatoren waarop de desbetreffende groep relatief laag scoort. Het is wel mogelijk dat gunstige of ongunstige uitkomsten op afzonderlijke indicatoren vaker voorkomen bij dezelfde mensen.

Dit roept de vraag op of gunstige en ongunstige uitkomsten evenwichtig verdeeld zijn over alle personen in een bevolkingsgroep, of dat telkens dezelfde mensen boven- en ondergemiddeld scoren. In dat laatste geval is sprake van een stapeling – of cumulatie – van gunstige of ongunstige uitkomsten. Die stapeling van (on)gunstige uitkomsten is in beeld gebracht door een selectie van indicatoren voor de brede welvaart ‘hier en nu’ tezamen te bekijken per individu. Als (on)gunstige uitkomsten zich opstapelen bij personen, wordt bekeken in welke mate deze stapeling voorkomt en wat de achtergrondkenmerken zijn van de personen bij wie dit voorkomt.

De gegevens over hoeveel gunstige en ongunstige uitkomsten zich stapelen op individueel niveau zijn gebaseerd op het CBS-onderzoek Sociale samenhang en welzijn 2025, met hieraan gekoppeld gegevens uit de Integrale inkomens- en vermogensstatistiek van het voorafgaande jaar. Per persoon is bepaald wat de ‘score’ is op diverse indicatoren van brede welvaart. De indicatoren die daarbij geselecteerd zijn, vallen onder de acht thema’s van de brede welvaart ‘hier en nu’.

Het uitgangspunt is om voor elk van de acht thema’s ten minste één indicator mee te nemen. In de praktijk is dat gelukt voor zes van de acht thema’s, waarbij voor de thema’s Materiële welvaart en Samenleving twee indicatoren zijn meegenomen. Het thema Arbeid en vrije tijd betreft twee onderwerpen en wordt ook met twee indicatoren beschreven. In totaal zijn er dus 9 indicatoren, die staan weergegeven in de tabel hieronder. Daarin staat ook aangegeven wanneer een uitkomst als gunstig of als ongunstig wordt gezien. Hoewel de indicatorenset onveranderd is ten opzichte van de editie van 2025, dient opgemerkt te worden dat er wel wijzigingen zijn in vergelijking met het referentiejaar 2019. Daarom zijn, voor vergelijkingsdoeleinden, enkele analyses herhaald voor dit referentiejaar. Uitgebreidere informatie is te vinden in de Technische toelichting.

Indicatoren voor stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten
Monitor-themaIndicatorOngunstigMiddenGunstig
Subjectief welzijnTevredenheid met het levenScore 1-4Score 5-6Score 7-10
Materiële welvaart Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomenLaagste 20%-groepMiddelste 3 20%-groepenHoogste 20%-groep
Vermogen van huishoudenLaagste 20%-groepMiddelste 3 20%-groepenHoogste 20%-groep
GezondheidErvaren gezondheidMinder dan goed-(Zeer) goed
Arbeid en vrije tijdArbeidsparticipatieHeeft geen betaald werk, jonger dan 75 jaar Heeft geen betaald werk, 75 jaar en ouderHeeft betaald werk
Tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijdScore 1-4Score 5-6Score 7-10
WonenTevredenheid met de woningScore 1-4Score 5-6Score 7-10
SamenlevingVertrouwen in mensenHeeft geen vertrouwen-Heeft wel vertrouwen
Vertrouwen in instituties (politie, rechters, Tweede Kamer)Vertrouwen in geen van de drie institutiesVertrouwen in een of twee institutiesVertrouwen in alle drie instituties

Totaalbeeld

Gemiddeld hadden mensen in 2025 op 5,1 van de 9 indicatoren een gunstige, op 2,3 indicatoren een neutrale en op 1,4 indicatoren een ongunstige uitkomst. De groep mensen die bij 7 of meer indicatoren een gunstige brede welvaartsuitkomst heeft, wordt hier de bovenkant van de verdeling genoemd. Deze groep beslaat 21,9 procent van de bevolking. De groep mensen met minimaal 3 ongunstige uitkomsten wordt hier de onderkant van de verdeling genoemd; 18,8 procent van de bevolking behoort tot deze groep. De rest van de mensen (59,3 procent) vormt het midden van de verdeling.

Door aanpassingen in de indicatorenset en de afbakening van de boven- en onderkant van de verdeling zijn cumulatiecijfers uit edities van deze monitor van vóór 2022 niet één op één vergelijkbaar met de cijfers uit deze editie. Als de nieuwe selectie en afbakening toegepast worden op de data sinds 2019, blijkt dat de groep mensen voor wie gunstige uitkomsten samenkomen iets kleiner is geworden (in 2025 21,9 procent tegen 24,7 procent in 2019). Ook in de andere, tussenliggende jaren, is dit aandeel niet zo laag geweest als in 2025. De groep mensen bij wie de ongunstige uitkomsten zich opstapelen, is nagenoeg gelijk gebleven (in 2025 18,8 procent tegen 20,1 procent in 2019). De middengroep – bij wie noch gunstige noch ongunstige uitkomsten stapelen – is daardoor gegroeid (van 55,2 procent in 2019 naar 59,3 procent in 2025).

Ontwikkeling in stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten
 Onderkant (%)Midden (%)Bovenkant (%)
201920,155,224,7
202018,853,727,5
202118,256,125,7
202218,658,722,7
202318,75823,3
202418,157,624,3
202518,859,321,9

Stapeling naar bevolkingsgroepen

Uit de gegevens over de verschillen tussen bevolkingsgroepen voor de afzonderlijke indicatoren bleek dat zowel het onderwijsniveau als de herkomst van mensen sterk samenhangen met het hebben van een boven- of ondergemiddelde brede welvaart. Ook tussen leeftijdsgroepen zijn er behoorlijke verschillen. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn relatief klein, maar ook hier is te zien dat mannen iets vaker gunstige uitkomsten hebben. Hieronder wordt voor dezelfde bevolkingsgroepen beschreven in hoeverre er sprake is van cumulatie van (on)gunstige uitkomsten bij individuele personen binnen die groepen.

Stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten bij individuen binnen groepen
Percentage van iedere bevolkingsgroep dat aan de bovenkant, in het midden of aan de onderkant van de verdeling van de brede welvaart zit

Geslacht

Mannen
ongunstige resultaten Geslacht Mannen: 17,8%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geslacht Mannen: 58,5%gunstige resultaten Geslacht Mannen: 23,7%
Vrouwen
ongunstige resultaten Geslacht Vrouwen: 19,9%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geslacht Vrouwen: 60%gunstige resultaten Geslacht Vrouwen: 20,1%

Leeftijd

18-24
ongunstige resultaten Leeftijd 18-24: 22,8%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 18-24: 53,7%gunstige resultaten Leeftijd 18-24: 23,5%
25-34
ongunstige resultaten Leeftijd 25-34: 17,1%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 25-34: 63,6%gunstige resultaten Leeftijd 25-34: 19,2%
35-44
ongunstige resultaten Leeftijd 35-44: 18%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 35-44: 60,9%gunstige resultaten Leeftijd 35-44: 21,2%
45-54
ongunstige resultaten Leeftijd 45-54: 18%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 45-54: 54,1%gunstige resultaten Leeftijd 45-54: 27,9%
55-64
ongunstige resultaten Leeftijd 55-64: 18,7%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 55-64: 48,7%gunstige resultaten Leeftijd 55-64: 32,5%
65-74
ongunstige resultaten Leeftijd 65-74: 24,9%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 65-74: 58%gunstige resultaten Leeftijd 65-74: 17,1%
75+
ongunstige resultaten Leeftijd 75+: 12,7%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Leeftijd 75+: 80,5%gunstige resultaten Leeftijd 75+: 6,8%

Behaald onderwijsniveau

Basisonderwijs, vmbo, mbo1
ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Basisonderwijs, vmbo, mbo1: 33,3%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Basisonderwijs, vmbo, mbo1: 59,7%gunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Basisonderwijs, vmbo, mbo1: 7%
Havo, vwo, mbo2-4
ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Havo, vwo, mbo2-4: 18%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Havo, vwo, mbo2-4: 62,7%gunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Havo, vwo, mbo2-4: 19,3%
Hbo, wo
ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Hbo, wo: 8,6%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Hbo, wo: 56,4%gunstige resultaten Behaald onderwijsniveau Hbo, wo: 35%

Geboorteland en herkomst

Geboren in NL, ouders in NL
ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouders in NL: 14,1%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouders in NL: 61%gunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouders in NL: 24,9%
Geboren in NL, ouder(s) in Europa
ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) in Europa: 18,4%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) in Europa: 60,8%gunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) in Europa: 20,8%
Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa
ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa: 25,9%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa: 58,8%gunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa: 15,4%
Geboren in Europa (excl. NL)
ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in Europa (excl. NL): 24,7%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in Europa (excl. NL): 60%gunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren in Europa (excl. NL): 15,3%
Geboren buiten Europa
ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren buiten Europa: 42,2%niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren buiten Europa: 47,3%gunstige resultaten Geboorteland en herkomst Geboren buiten Europa: 10,5%
Stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten bij individuen binnen groepen
Categorie Groep ongunstige resultaten (%) niet-gunstige en niet-ongunstige resultaten (%) gunstige resultaten (%)
GeslachtMannen17,858,523,7
GeslachtVrouwen19,96020,1
Leeftijd18-2422,853,723,5
Leeftijd25-3417,163,619,2
Leeftijd35-441860,921,2
Leeftijd45-541854,127,9
Leeftijd55-6418,748,732,5
Leeftijd65-7424,95817,1
Leeftijd75+12,780,56,8
Behaald onderwijsniveauBasisonderwijs, vmbo, mbo133,359,77
Behaald onderwijsniveauHavo, vwo, mbo2-41862,719,3
Behaald onderwijsniveauHbo, wo8,656,435
Geboorteland en herkomstGeboren in NL, ouders in NL14,16124,9
Geboorteland en herkomstGeboren in NL, ouder(s) in Europa18,460,820,8
Geboorteland en herkomstGeboren in NL, ouder(s) buiten Europa25,958,815,4
Geboorteland en herkomstGeboren in Europa (excl. NL)24,76015,3
Geboorteland en herkomstGeboren buiten Europa42,247,310,5

Ontwikkeling stapeling (on)gunstige uitkomsten tussen 2019 en 2025 (%)
CategorieBovenkantMiddenOnderkant
TotaalTotaal-2,84-1,2
GeslachtMannen-3,74,3-0,5
GeslachtVrouwen-1,93,8-1,9
OnderwijsniveauBasisonderwijs, vmbo, mbo1-5,12,92,3
OnderwijsniveauHavo, vwo, mbo2-4-5,78,2-2,5
OnderwijsniveauHbo, wo-7,14,13
Leeftijd18-24-1,82,6-0,8
Leeftijd25-341,51,6-3,1
Leeftijd35-442,72,6-5,3
Leeftijd45-54-1,91,90,1
Leeftijd55-64-1,91,90,1
Leeftijd65-74-3,14,4-1,3
Leeftijd75+-5,46,6-1,2
Herkomst/geboortelandGeboren in NL, ouders in NL-1,54,2-2,7
Herkomst/geboortelandGeboren in NL, ouder(s) in Europa1,60-1,6
Herkomst/geboortelandGeboren in NL, ouder(s) buiten Europa-9,410,9-1,6
Herkomst/geboortelandGeboren in Europa (excl. NL)-1,80,90,8
Herkomst/geboortelandGeboren buiten Europa-5,33,32

Geslacht

Mannen zitten iets vaker bovenin de verdeling (24 procent) dan vrouwen (20 procent). Onderin komt bij vrouwen iets vaker een stapeling van ongunstige uitkomsten voor (20 procent) dan bij mannen (18 procent). Vrouwen scoren met name minder vaak dan mannen gunstig op gezondheid, het hebben van betaald werk, en vertrouwen in anderen. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn kleiner dan de verschillen naar andere kenmerken. Vergeleken met 2019 is het verschil in stapeling van uitkomsten tussen mannen en vrouwen wat kleiner geworden. Het aandeel mannen dat een stapeling van gunstige uitkomsten heeft, is met 3,7 procentpunt gedaald, terwijl de daling bij vrouwen 1,9 procentpunt was. Aan de andere kant is het aandeel mannen met een stapeling van ongunstige uitkomsten iets minder sterk gedaald (met 0,5 procentpunt) dan bij vrouwen (afname van 1,9 procentpunt). Zowel onder mannen als vrouwen is de middengroep groter geworden ten opzichte van 2019.

Leeftijd

Mensen van 18 tot 25 jaar (23 procent) en mensen van 45 tot 65 jaar (28 tot 33 procent) zitten relatief vaak aan de bovenkant van de verdeling. Tegelijkertijd heeft 23 procent van de jongvolwassen een stapeling van ongunstige uitkomsten. Ook dat is relatief hoog. Bij 65‑plussers is het beeld anders; voor 17 procent van de 65- tot 75‑jarigen en 7 procent van de 75‑plussers stapelen gunstige uitkomsten zich. In laatstgenoemde groep stapelen ongunstige uitkomsten zich echter ook minder vaak dan gemiddeld: 13 procent tegenover gemiddeld 19 procent. Dit betekent dat relatief veel 75-plussers in de middengroep zitten (80 procent). Een stapeling van ongunstige uitkomsten komt met 25 procent wel relatief vaak voor onder 65- tot 75-jarigen (tegen 19 procent gemiddeld). Voor mensen van 65 jaar of ouder geldt dat gezondheid en het vertrouwen in anderen bepalend zijn voor de stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten. Het stapelingsbeeld voor mensen in deze leeftijdsgroep wijkt wat af van het beeld dat voor de 65- tot 75-jarigen wordt geschetst op basis van de 13 afzonderlijke indicatoren over brede welvaart: daar heeft deze groep iets meer gunstige dan ongunstige uitkomsten.

Ten opzichte van 2019 valt op dat in elke leeftijdsgroep de middengroep groter is geworden. Bij 18- tot 25-jarigen en 35- tot 45-jarigen komt dit vooral doordat de groep aan de bovenkant kleiner is geworden, terwijl onder 25- tot 35-jarigen ook de groep aan de onderkant van de verdeling minder groot is dan in 2019. Met name 65- tot 75-jarigen zitten vaker in de bovenkant van de verdeling dan in 2019.

Onderwijsniveau

De verschillen tussen de onderwijsniveaus zijn relatief groot op gebied van de stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten. Van de mensen met een hbo- of universitair niveau behoort 35 procent tot de bovenkant van de verdeling met een hoge brede welvaart, tegenover 19 procent van de mensen met een
havo-, vwo- of mbo-diploma en 7 procent van de mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma. Deze laatste groep zit vaker aan de onderkant van de verdeling; dat geldt voor 33 procent. Onder de andere twee groepen liggen die aandelen met respectievelijk 9 en 18 procent beduidend lager. De groep met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar scoort met name relatief vaak ongunstig op gezondheid, het hebben van betaald werk en vertrouwen in de medemens. Al met al concentreert de stapeling van gunstige uitkomsten zich dus sterk bij de hbo’ers en universitair geschoolden, terwijl de stapeling van ongunstige uitkomsten juist vooral voorkomt bij de groep met basisonderwijs of een vmbo-diploma.

Dit beeld komt overeen met eerdere jaren. Wel is ten opzichte van 2019 te zien dat de ontwikkeling op alle onderwijsniveaus naar het midden trekt. De groepen aan de bovenkant en aan de onderkant van de verdeling zijn kleiner geworden of vrijwel gelijk gebleven. De groep in het midden van de verdeling is daardoor groter geworden. Bij mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma is deze middengroep met 4,4 procentpunt gegroeid, en bij de hbo’ers en universitair geschoolden is dit 6,6 procentpunt.

Herkomst

Mensen met een Nederlandse herkomst zitten relatief vaak aan de bovenkant van de verdeling en juist niet vaak aan de onderkant. Mensen van de tweede generatie van buiten Europa, of migranten, bevinden zich relatief vaak onderin en minder vaak bovenin de verdeling. Met name migranten die buiten Europa zijn geboren, zitten met 42 procent vaker onderin de verdeling dan de totale bevolking (19 procent). Voor deze groep zijn met name betaald werk en gezondheid bepalende factoren voor de stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten. Ten opzichte van 2019 valt op dat mensen van de tweede generatie van buiten Europa, in 2025 beduidend vaker in het midden van de verdeling vallen (10,9 procentpunt) dan in 2019. Dit komt met name doordat bij hen het aandeel mensen aan de bovenkant met 9,4 procentpunt gedaald is. Voor migranten van buiten Europa, is een vergelijkbare verschuiving richting de middengroep te zien. Deze is gegroeid met ruim 3,3 procentpunt, ten koste van de groep aan de bovenkant, die met 5,3 procentpunt is afgenomen.


 Totaal (%)Mannen (%)Vrouwen (%)Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%)Havo, vwo, mbo2-4 (%)Hbo, wo (%)18-24 (%)25-34 (%)35-44 (%)45-54 (%)55-64 (%)65-74 (%)75+ (%)Geboren in NL, ouders in NL (%)Geboren in NL, ouder(s) in Europa (%)Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa (%)Geboren in Europa (excl. NL) (%)Geboren buiten Europa (%)
00,50,20,70,40,20,70,40,80,30,30,90,50,20,31,710,31
12,72,431,82,82,83,43,21,92,64,82,60,922,42,73,47,3
24,74,455,53,34,155,83,95,68,94,323,62,468,89,5
310,49,910,911,410,59,98,56,711,517,31710,35,6911,412,71515,7
417,116,118,113,716,316,715,5122225,92517,211,515,618,419,721,123
521,822,321,421,223,820,718,617,924,528,223,423,12022,717,622,619,218,3
620,92120,722,523,82420,721,118,713,212,822,724,722,125,219,81714,7
714,114,613,615,61514,217,716,711,85,55,513,42115,714,69,610,78,3
86,47,45,473,76,38,112,24,31,11,35,111,27,54,54,83,61,8
91,41,71,10,90,50,62,23,710,20,30,82,81,61,8110,4


 Totaal (%)Mannen (%)Vrouwen (%)Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%)Havo, vwo, mbo2-4 (%)Hbo, wo (%)18-24 (%)25-34 (%)35-44 (%)45-54 (%)55-64 (%)65-74 (%)75+ (%)Geboren in NL, ouders in NL (%)Geboren in NL, ouder(s) in Europa (%)Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa (%)Geboren in Europa (excl. NL) (%)Geboren buiten Europa (%)
030,131,628,627,531,538,538,435,39,724,5132943,134,125,824,421,712,8
130,229,630,726,430,926,72628,734,939,726,531,232,531,732,226,828,922,6
220,92120,823,320,416,817,617,230,523,127,221,715,72023,62324,622,5
310,910,711,113,19,19,49,19,616,610,617,8115,69,37,913,51418,8
44,64,155,84,54,55,34,35,61,88,54,31,93,14,87,26,511,4
52,31,92,82,32,22,52,43,91,90,34,91,80,81,24,63,52,18,2
60,70,80,71,111,30,80,60,501,50,50,30,31,11,22,12,3
70,20,30,20,30,10,20,20,40,300,50,300,200,300,7
80,100,10,20,20,10,100000,10,1000,300,5
900000,1000000,10000000,2

Samenhang tussen kenmerken en indicatoren

De kenmerken van de bevolking (geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en herkomst) hangen deels met elkaar samen. Zo zijn bijvoorbeeld mensen die in Nederland geboren zijn maar waarvan tenminste één ouder in het buitenland geboren is gemiddeld relatief jong en hebben ouderen minder vaak dan gemiddeld een hbo- of universitair diploma of daarmee vergelijkbaar. Als er rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang van kenmerken blijkt onderwijsniveau nog steeds het meest verband te houden met het aantal indicatoren waarop mensen een gunstige of ongunstige uitkomst hebben. Daarna volgen herkomst en leeftijd. Een geboorteland buiten Europa gaat gepaard met iets meer ongunstige indicatoren en een hogere leeftijd met iets meer gunstige indicatoren. De samenhang met geslacht is het minst sterk.

Niet alleen de bovengenoemde kenmerken van de bevolking hangen met elkaar samen, maar dat geldt ook voor de indicatoren voor brede welvaart. Inkomen en vermogen correleren bijvoorbeeld, maar ook de ervaren gezondheid en het al dan niet hebben van betaald werk hangen samen. Als we rekening houden met de onderlinge samenhang tussen indicatoren blijkt gezondheid het meest verband te houden met het aantal gunstige uitkomsten, gevolgd door het hebben van betaald werk en het vertrouwen in anderen. Deze drie indicatoren houden ook het meest verband met het aantal ongunstige uitkomsten.

Voor verschillende bevolkingsgroepen zijn specifieke indicatoren relatief meer of minder gerelateerd aan het aantal (on)gunstige uitkomsten dan gemiddeld. Voor 45- tot 55-jarigen hangt het hebben van betaald werk sterker samen met het aantal gunstige uitkomsten dan voor anderen. Voor 65-plussers is het verband met het vermogen relatief bepalender. Voor 18- tot 55-jarigen is dat meer dan bij hogere leeftijdsgroepen ook de tevredenheid met de vrije tijd.

Waar het hebben van werk, gezondheid en vertrouwen in anderen gemiddeld het meest gerelateerd zijn aan het aantal ongunstige uitkomsten, is voor 75-plussers het hebben van werk minder gerelateerd en is inkomen juist relatief sterk gerelateerd aan het aantal ongunstige uitkomsten. Voor mensen die buiten Europa geboren zijn, is het vertrouwen in anderen ook sterker gerelateerd aan het aantal ongunstige uitkomsten dan voor mensen met een andere herkomst.