Verdeling: Materiële welvaart

Materiële welvaart gaat over de mate waarin mensen in staat zijn om te voorzien in hun eerste levensbehoeften en invulling te geven aan hun leven. De materiële situatie is van belang voor meerdere aspecten van iemands leven. Een hoger welvaartsniveau biedt meer kansen en keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld op het terrein van wonen, sociale activiteiten en gezondheid. Daarnaast zorgt een goede financiële positie voor meer zekerheid.

De verschillen tussen bevolkingsgroepen worden gemeten met het mediane gestandaardiseerd besteedbaar inkomen en het mediane vermogen. De materiële welvaartspositie wordt uiteindelijk bepaald door het samenspel tussen inkomen, bestedingen en vermogen van een huishouden. Met het besteedbaar inkomen betalen huishoudens hun uitgaven. Wordt het inkomen niet helemaal uitgegeven, dan kunnen huishoudens sparen en hun vermogen vergroten. Kunnen ze niet alles bekostigen uit hun inkomen, dan moeten ze ontsparen of schulden maken en wordt hun vermogen kleiner. Omdat de indicatoren voor materiële welvaart worden gemeten op het niveau van huishoudens, wordt hier gekeken naar de kenmerken van de hoofdkostwinner van het huishouden. Daarom worden er geen cijfers voor mannen en vrouwen apart weergegeven.

  • Huishoudens met een hoofdkostwinner tot 25 jaar, met basisonderwijs of een vmbo-diploma of met een hoofdkostwinner die geboren is in het buitenland, hebben een relatief laag mediaan huishoudensinkomen.
  • Hoe ouder de hoofdkostwinner van een huishouden, hoe hoger het vermogen. Huishoudens met een hbo- of universitair geschoolde hoofdkostwinner hebben de hoogste vermogens. Huishoudens met de jongste kostwinners of met een hoofdkostwinner die geboren is in het buitenland, hebben de laagste vermogens.

Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen

In 2024 bedroeg het mediane inkomen van huishoudens in Nederland 36,5 duizend euro. Dit is 8 procent hoger dan in 2019. Het gemiddelde inkomen in 2024 was hoger: 41,9 duizend euro. Het gemiddelde ligt hoger dan de mediaan doordat huishoudens ongelijk zijn verdeeld over de inkomensladder: er zijn meer huishoudens met een inkomen onder het gemiddelde dan huishoudens met een inkomen erboven. Het mediane inkomen geeft een betere indicatie van het ‘doorsnee’ inkomen.

Hoe hoog het inkomen van een huishouden is, is mede afhankelijk van hoe oud de hoofdkostwinner is. Jongere huishoudens hebben over het algemeen minder te besteden: de volwassenen in deze huishoudens staan nog aan het begin van hun carrière. Het inkomen in de groep tot 25 jaar ligt duidelijk onder het mediane inkomen. Vervolgens loopt dit op met de leeftijd. Huishoudens met een 35- tot 65 jarige hoofdkostwinner hebben meer dan de mediaan te besteden. Van mensen die met pensioen zijn, is het inkomen weer wat lager en 75 plus-huishoudens hebben minder dan het mediane inkomen te besteden. Bij de jongste huishoudens (met een kostwinner tot 25 jaar) groeide het mediane inkomen tussen 2019 en 2024 substantieel meer dan dat van huishoudens in het algemeen.

Onderwijsniveau laat ook een duidelijke relatie zien met de hoogte van het inkomen. Als de hoofdkostwinner basisonderwijs of een vmbo-diploma heeft, is het mediane inkomen het laagst en als dit hbo- of universitair niveau of daarmee vergelijkbaar is, is het mediane inkomen het hoogst. Voor mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma ligt het inkomen daar tussenin.

Huishoudens met een hoofdkostwinner van Nederlandse herkomst hadden het hoogste mediane inkomen, migrantenhuishoudens het laagste. Bij die laatsten maakt het verschil of de hoofdkostwinner afkomstig is uit een Europees land of uit een niet-Europees land. Migrantenhuishoudens van buiten Europa kwamen lager uit dan migrantenhuishoudens uit een Europees land. Het inkomen van de tweede-generatiehuishoudens was hoger dan van migrantenhuishoudens, maar lager dan dat van mensen die in Nederland geboren zijn en van wie de ouders dat ook zijn. Ten opzichte van 2019 zijn de inkomens van de mensen die in Nederland geboren zijn met ouders die buiten Europa zijn geboren en van de mensen die zelf buiten Europa geboren zijn, wel sterker toegenomen dan van alle huishoudens.

Vermogen

Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. Op 1 januari 2024 kwam het gezamenlijke vermogen van de 8,3 miljoen huishoudens in Nederland uit op 2 754 miljard euro: tegenover 3 770 miljard euro aan gezamenlijke bezittingen stond 1 015 miljard aan gezamenlijke schulden. Het mediane vermogen loopt op met de hoogte van het besteedbaar inkomen: van 1,5 duizend euro in de eerste inkomensdecielgroep naar 520,2 duizend euro in de tiende en hoogste inkomensgroep. Van het totale vermogen van huishoudens in Nederland was ruim 4 procent in handen van de laagste-inkomensgroep, terwijl de hoogste-inkomensgroep over bijna 35 procent beschikte. In 2024 lag het mediane vermogen van huishoudens in Nederland op 135,5 duizend euro. Dit is iets minder dan een jaar eerder, toen dat 137,0 duizend euro was. Ten opzichte van 2019 lag het mediane vermogen van alle huishoudens in 2024 ruim tweemaal zo hoog. Die toename komt vooral doordat woningen in waarde zijn gestegen. Bijna zes op de tien huishoudens hadden in 2024 een eigen woning, en dit vormde met 58 procent van de bezittingen het grootste vermogensbestanddeel. Daarna volgen aanmerkelijk belang in vennootschappen en financiële bezittingen, waaronder bank- en spaartegoeden. De hypotheekschuld is de grootste schuldenpost.

Hoe ouder, hoe hoger het vermogen. Jonge mensen aan het begin van hun arbeidscarrière verdienen relatief weinig, kunnen weinig geld opzij zetten en nemen door de sterk gestegen woningprijzen van de afgelopen jaren een relatief hoge schuldenlast op zich als zij een huis kopen. Met gezinsuitbreiding komen extra kosten en wordt het vervolgens moeilijker om vermogen op te bouwen. De jongste huishoudens hadden begin 2024 dan ook nauwelijks vermogen opgebouwd. Naarmate de hoofkostwinner ouder is, wordt de financiële positie ook merkbaar beter. Meer werkervaring en beter betaalde functies verhogen het arbeidsinkomen, en ook nalatenschappen dragen in de levensloop bij aan een verdere vermogensopbouw. Tegelijkertijd wordt vaak een steeds groter deel van de hypotheek afgelost. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vallen de oudere huishoudens weliswaar terug in inkomen, maar zij zijn wel vaak woningbezitter en hebben ook relatief vaak nagenoeg hun hypotheek afgelost. De groep van 75 jaar of ouder is minder vermogend dan de voorgaande leeftijdsgroep: de aanvullende pensioenen zijn een stuk lager dan bij de 65- tot 75 jarigen en het woningbezit is ook lager. Het mediane vermogen van de huishoudens met een hoofdkostwinner tussen 35 en 45 jaar liet ten opzichte van 2019, met bijna een verdriedubbeling van het mediane vermogen, een bovengemiddelde toename van het vermogen zien. De andere huishoudens zagen hun mediane vermogen juist minder dan gemiddeld toenemen. Overigens was ook bij deze huishoudens wel overal sprake van een toename ten opzichte van 2019.

In 2024 hadden huishoudens met een hoofdkostwinner met basisonderwijs of een vmbo-diploma relatief weinig vermogen. Huishoudens met een hoofdkostwinner met een havo-, vwo- of mbo-diploma hadden een mediaan vermogen vergelijkbaar met dat van het totaal van alle huishoudens. Huishoudens met een hbo- of universitair geschoolde hoofdkostwinner hadden juist veel vermogen. Zowel bij huishoudens met een kostwinner met basisonderwijs of een vmbo-diploma als bij hbo- of universitair geschoolden nam het vermogen minder dan gemiddeld toe. Bij de kostwinners met een mbo-niveau of daarmee vergelijkbaar was de toename juist bovengemiddeld.

Het mediane vermogen van huishoudens van Nederlandse herkomst, lag substantieel hoger dan het mediane vermogen van alle huishoudens in Nederland. Bij tweede-generatiehuishoudens uit Europa, was het mediane vermogen wat lager dan dat van alle huishoudens. Bij de andere herkomstgroepen lag het mediane vermogen verder onder dat van de totale bevolking. Bij huishoudens van Nederlandse herkomst, nam het mediane vermogen ten opzichte van 2019 minder dan gemiddeld toe. Dat geldt ook voor Europese tweede-generatiehuishoudens. Bij tweede-generatiehuishoudens van buiten Europa, was er een relatief grote stijging van het vermogen. Dit geldt ook voor de migrantenhuishoudens van buiten Europa. Desondanks bleef van die laatste huishoudens het vermogen relatief laag. Een klein vermogen dat procentueel fors groeit, blijft een klein vermogen.