Verdeling: Arbeid en vrije tijd

Arbeid en vrije tijd gaat over de hoeveelheid en kwaliteit van werk en over de balans tussen werk en vrije tijd. Betaald en onbetaald werk geeft mensen controle over hun leven, helpt bij het ontwikkelen van vaardigheden en van een gevoel van eigenwaarde en nut voor de samenleving. Vrije tijd draagt bij aan gezondheid, tevredenheid met het leven en sociale relaties. De verschillen tussen bevolkingsgroepen worden gemeten met de nettoarbeidsparticipatie, de tevredenheid met het werk en de tevredenheid over de hoeveelheid vrije tijd.

  • Vooral mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma en migranten die buiten Europa geboren zijn, hebben minder vaak dan gemiddeld betaald werk.
  • Met name werknemers van 45 tot 75 jaar, hbo’ers en universitair geschoolden en werknemers met een Nederlandse herkomst zijn bovengemiddeld vaak tevreden met hun werk.
  • Bijna driekwart van de volwassenen in Nederland was in 2025 tevreden met de hoeveelheid vrije tijd. Vooral 65-plussers zijn vaker dan gemiddeld tevreden met de hoeveelheid vrije tijd die zij hebben.

Nettoarbeidsparticipatie

De nettoarbeidsparticipatie is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking. De werkzame beroepsbevolking bestaat uit mensen die betaald werk hebben. De gegevens over nettoarbeidsparticipatie hebben betrekking op de bevolking van 15 tot 75 jaar. Voor meer informatie over de arbeidsmarktpositie van de Nederlandse bevolking, zie De arbeidsmarkt in cijfers 2025 CBS (2026) en SDG 8.2 Arbeid en vrije tijd.
In 2025 had 73,2 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk. Hierbij gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur. Ook werkenden met een kleine deeltijdbaan worden meegeteld. Ten opzichte van 2019 is de nettoarbeidsparticipatie gestegen. In 2019 was deze 70,0 procent. In 2024 en 2025 is de nettoarbeidsparticipatie echter vrijwel gelijk gebleven.

In 2025 was de nettoarbeidsparticipatie van mannen met 77,2 procent bovengemiddeld, die van vrouwen ondergemiddeld (69,3 procent). De nettoarbeidsparticipatie was met respectievelijk 87,7 procent, 86,9 procent en 85,3 procent het hoogst onder 25- tot 35-jarigen, 35- tot 45-jarigen en 45- tot 55-jarigen. Wel bleef bij deze groepen de toename van de arbeidsdeelname tussen 2019 en 2025 achter bij het gemiddelde. Onder 55- tot 65-jarigen (75,8 procent) en jongeren van 15 tot 25 jaar (76,0 procent) was de arbeidsdeelname lager, maar nog altijd bovengemiddeld. Van de 65- tot 75-jarigen had 20,8 procent betaald werk, dat is lager dan gemiddeld. Het grootste deel van deze groep is dan ook al gepensioneerd. Bij 55- tot 75-jarigen was de toename van de nettoarbeidsparticipatie ten opzichte van 2019 sterker dan gemiddeld.

Bij hbo’ers en universitair geschoolden (82,6 procent) en mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma (74,8 procent) was de nettoarbeidsparticipatie hoger dan gemiddeld. Van de mensen met een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar had 57,3 procent betaald werk; dat is lager dan gemiddeld. Onder mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma bleef de toename van de nettoarbeidsparticipatie ten opzichte van 2019 achter bij de algemene ontwikkeling. Bij hbo’ers en universitair geschoolden en mensen met een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar liep de ontwikkeling van de nettoarbeidsparticipatie in de pas met de algemene ontwikkeling.

Mensen met een Nederlandse herkomst hadden vergeleken met het gemiddelde een hogere nettoarbeidsparticipatie (74,5 procent). Dat geldt ook voor mensen van de tweede generatie van buiten Europa is geboren (76,7 procent). Bij mensen van de tweede generatie uit Europa (71,3 procent) en migranten van buiten Europa (62,8 procent) ligt de arbeidsparticipatie juist onder het gemiddelde. Op basis van de gestandaardiseerde  cijfers blijkt dat mensen van de tweede generatie van buiten Europa, en Europese migranten, juist minder vaak betaald werk hebben dan gemiddeld. Dat hangt bij beide groepen vooral samen met leeftijd. Zo is de tweede generatie met een herkomst van buiten Europa relatief jong, met veel 15- tot 45-jarigen. En Europese migranten zijn relatief vaak tussen de 25 en 55 jaar. Dat zijn juist de leeftijdsgroepen waarin relatief veel mensen betaald werk hebben. De toename in het percentage mensen met betaald werk was sterker dan gemiddeld bij mensen die in Nederland zijn geboren, ongeacht of hun ouders daar ook zijn geboren. Bij migranten van buiten Europa bleef de stijging van de nettoarbeidsparticipatie achter bij de gemiddelde toename.

Tevredenheid met werk

In 2025 was 78,6 procent van alle werknemers van 15 tot 75 jaar (zeer) tevreden met hun werk. Dit blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van het CBS en TNO. Dit percentage is iets hoger dan in 2022 (77,9 procent).

Mannelijke werknemers zijn in tegenstelling tot vrouwen vaker dan gemiddeld tevreden met hun werk, en de werktevredenheid nam bij hen ook sterker toe dan gemiddeld. Verder zijn jongere werknemers, met name van 25 tot 45 jaar, minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun werk. Bij 15- tot 25-jarige werknemers was er tussen 2022 en 2025 ook een afname in de tevredenheid met het werk. Onder oudere werknemers nam de tevredenheid juist sterk toe met de leeftijd. Tussen 2022 en 2025 nam voor werknemers de tevredenheid van 55 tot 65 jaar sterker dan gemiddeld toe.

Werknemers met een afgeronde bachelor- of masteropleiding waren bovengemiddeld tevreden met hun werk. Wel nam bij hen de werktevredenheid iets af. Werknemers met een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar zaten juist onder het gemiddelde. Onder werknemers met een havo-, vwo- of mbo-diploma was de tevredenheid met het werk vrijwel gemiddeld. Echter, na standaardisatie zijn zij iets minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun werk. Wel is bij hen de toename van de tevredenheid met het werk ten opzichte van 2022 sterker dan gemiddeld.

Werknemers met een Nederlandse herkomst waren vaker dan gemiddeld tevreden met hun werk. Ook is bij hen de werktevredenheid ten opzichte van 2022 sterker toegenomen dan gemiddeld. Bij werknemers van de tweede generatie uit Europa, week de tevredenheid met het werk nauwelijks af van het gemiddelde. Werknemers van de tweede generatie van buiten Europa en werknemers die buiten Nederland zijn geboren was dat juist minder dan gemiddeld het geval. Bij werknemers van de tweede generatie van buiten Europa, nam de werktevredenheid tussen 2022 en 2025 bovendien af.

Tevredenheid met vrije tijd

In 2025 was 73,9 procent van de volwassenen in Nederland tevreden met de hoeveelheid vrije tijd die ze hadden. Dit is niet significant veranderd ten opzichte van 2019.

Mannen en vrouwen verschillen niet significant in hun tevredenheid met de vrije tijd. Wel ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 voor mannen iets gunstiger dan gemiddeld, met een stijging van 1,4 procentpunt. Voor vrouwen ontwikkelde de tevredenheid zich juist ongunstig, met een daling van 1,9 procentpunt.

Mensen van verschillende leeftijden oordelen anders over de hoeveelheid beschikbare vrije tijd. Zo zijn mensen tussen 18 en 55 jaar minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun hoeveelheid vrije tijd (ongeveer twee derde van hen is tevreden), terwijl 55-plussers juist vaker dan gemiddeld tevreden zijn. Bij de 65-plussers is 94 procent tevreden met hun vrije tijd.

Mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar zijn met 78,8 procent vaker dan gemiddeld tevreden met de hoeveelheid vrije tijd. Na standaardisatie, waarbij gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, leeftijd en herkomst, blijkt voor deze groep de tevredenheid met de vrije tijd niet langer bovengemiddeld.

Mensen met een Nederlandse herkomst zijn meer dan gemiddeld content met de beschikbare vrije tijd: 77,7 procent geeft aan hiermee tevreden zijn. In deze groep ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 bovendien gunstiger dan gemiddeld, met een stijging van 1,8 procentpunt. Migranten en de tweede generatie met een herkomst buiten Europa zijn minder dan gemiddeld tevreden. Na standaardisatie blijkt de tevredenheid met de vrije tijd voor deze laatste groep niet langer af te wijken van het gemiddelde. Dit geldt ook voor migranten die in Europa zijn geboren. Ten opzichte van 2019 ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich voor mensen met een herkomst buiten Europa ongunstig, met een daling van 6,8 procentpunt.

Literatuur

SCP, 2018, Alle ballen in de lucht. Tijdsbesteding in Nederland en de samenhang met kwaliteit van leven. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.