SDG 10.1 Sociale samenhang en ongelijkheid
Het eerste deel van SDG 10 gaat over sociale samenhang, inclusie en gelijkheid. Sociale samenhang is essentieel voor het goed functioneren van een samenleving. Familie, buren, vrienden, verenigingen, hulp en ondersteuning vormen de basis. Mensen moeten gelijke kansen hebben om aan de samenleving deel te nemen.
- Sociale contacten en deelname aan de samenleving via vrijwilligerswerk en informele hulp zijn in 2025 afgenomen.
- De vermogensongelijkheid in Nederland is trendmatig afgenomen.
- Het vertrouwen in andere mensen is in 2025 afgenomen.
Het dashboard en de indicatoren
Middelen en mogelijkheden
in EU
in 2024
in EU
in 2024
in EU
in 2025
Gebruik
in EU
in 2023
in EU
in 2017
Uitkomsten
in EU
in 2025
in EU
in 2023
Beleving
in EU
in 2023
in EU
in 2023
in EU
in 2017
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Middelen en mogelijkheden | Ratio 80/20 inkomensongelijkheid | 4,44 inkomensratio tussen de hoogste en laagste kwintielgroep in 2024 | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Gini-coëfficient inkomensongelijkheid | 0,30 waarde tussen 0 (volkomen gelijk) en 1 (volkomen ongelijk) in 2024 | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Gini-coëfficient vermogensongelijkheid | 0,73 waarde tussen 0 (volkomen gelijk) en 1 (volkomen ongelijk) in 2024 | dalend (stijging brede welvaart) | ||
| Middelen en mogelijkheden | Relatieve armoede | 13,4% van de bevolking leeft onder Europese armoedegrens (60% mediane inkomen) in 2025 | 3e van 13 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Contact met familie, vrienden of buren | 70,9% heeft gemiddeld minstens 1 keer per week om sociale redenen contact in 2025 | 2e van 19 in 2023 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Deelname vereniging | 41,1% van de bevolking van 15+ is actief in een vereniging in 2025 | 2e van 27 in 2017 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Vrijwilligerswerk | 47,0% van de bevolking van 15+ deed georganiseerd vrijwilligerswerk in 2025 | |||
| Gebruik | Informele hulp | 34,1% van de bevolking van 15+ verleent informele hulp in 2025 | |||
| Uitkomsten | Risico op armoede of sociale uitsluiting | 15,8% van de bevolking in 2025 | dalend (stijging brede welvaart) | 3e van 13 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Arme zzp-ers | 4,4% van de zzp’ers leeft in een arm huishouden in 2024 | |||
| Uitkomsten | Tevredenheid met sociaal leven | 79,9% van de bevolking van 18+ is (zeer) tevreden in 2025 | |||
| Uitkomsten | Oordeel over immigranten | 30,5% van de bevolking van 15+ heeft een positief oordeel in 2023 | 6e van 19 in 2023 | midden van de ranglijst | |
| Beleving | Vertrouwen in andere mensen | 63,3% van de bevolking van 15+ vindt de meeste mensen te vertrouwen in 2025 | 2e van 19 in 2023 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Beleving | Discriminatiegevoelens | 12,0% van de bevolking van 15+ ziet zich als lid van een gediscrimineerde groep in 2023 | 18e van 19 in 2023 | onderste kwart van de ranglijst | |
| Beleving | Ontwikkeling normen en waarden | 20,7% van de bevolking van 18+ vindt dat ze de goede kant op gaan of gelijk blijven in 2025 | |||
| Beleving | Ervaren regie over het eigen leven | 47,9% ervaart in hoge mate eigen regie (score tenminste 4 van 5) in 2025 | 3e van 27 in 2017 | bovenste kwart van de ranglijst |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Sociale relaties en participatie in de samenleving zijn essentieel voor de brede welvaart ‘hier en nu’ en ‘later’. Ze bevorderen sociale samenhang, versterken onderling vertrouwen en gedeelde normen en waarden, en verkleinen de kans op armoede en sociale uitsluiting.
Middelen en mogelijkheden gaan over sociaal kapitaal, sociale structuren, armoede en inkomens- en vermogensongelijkheid. De inkomensongelijkheid is in Nederland laag ten opzichte van andere EU landen. De 80/20-ratio meet de verhouding tussen het totale inkomen van de huishoudens met de hoogste 20 procent inkomens en dat van de huishoudens in de laagste 20-procentsgroep. In 2024 was het inkomen van de hoogste inkomensgroep bijna 4,5 keer zo groot als dat van de laagste groep. Nederland stond in 2024 op de vijfde plaats van de EU-27. Ook de Gini-coëfficiënt voor inkomensongelijkheid is relatief laag. Deze coëfficiënt meet de verdeling van het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van personen. De waarde ligt tussen 0 en 1: hoe dichter bij nul, hoe gelijker de inkomens verdeeld zijn. De Gini-coëfficiënt in Nederland was 0,30 in 2024. Hiermee stond Nederland in 2024 ook op de vijfde plaats van de EU-27.
De vermogensongelijkheid is in de afgelopen jaren trendmatig afgenomen. De Gini-coëfficiënt bedroeg in 2024 0,73. In 2018 was dat nog 0,79. De waardevermeerdering van koopwoningen droeg bij aan de verminderde vermogensongelijkheid tussen huishoudens. Het bezit van een koopwoning vormt voor de minder vermogenden doorgaans het belangrijkste vermogensbestanddeel. Andere componenten, die minder hard in waarde stegen, maken bij de meest vermogenden een groter deel van hun vermogen uit.
Weinig inkomen kan volwaardige deelname aan de samenleving in de weg staan. In 2025 leefde 13,4 procent van de Nederlandse bevolking onder de Europese armoedegrens (60 procent van het mediane inkomen in Nederland). Daarmee hoort Nederland bij de bovenste landen van de EU-ranglijst (3e van 13 beschikbare landen). Deze indicator meet inkomen in vergelijking met anderen in een land, wat niet noodzakelijk een lage levensstandaard in absolute zin impliceert. In SDG1 Geen armoede is ook een dalende trend te zien in de armoede gebaseerd op kosten van basisbehoeften, hoewel de armoede in 2024 na vijf jaar daling wel weer een stijging liet zien. Het aandeel mensen dat drie jaar of meer in een arm huishouden leeft daalt en komt in 2024 uit op 0,7 procent. Dit komt neer op ongeveer 131 duizend mensen.
Gebruik betreft sociale contacten en deelname aan de samenleving via organisaties en verenigingen, waaronder vrijwilligerswerk. Het aandeel mensen van 15 jaar of ouder dat minstens een keer per week sociale contacten had, vrijwilligerswerk deed of informele hulp verleende nam in 2025 licht af, terwijl deelname aan verenigingen constant bleef. In 2025 zag, sprak of berichtte 70,9 procent van de mensen minstens één keer per week familieleden, vrienden of buren om sociale redenen. Dit is een daling van 1,1 procentpunt ten opzichte van 2024. Het aandeel mensen dat om sociale redenen contact heeft (met familie, vrienden of collega's) was in 2023 groot ten opzichte van andere Europese landen, toen was dit alleen in Portugal groter. Het aandeel van de bevolking dat in 2025 minstens een keer per maand actief was bij activiteiten van een vereniging is 41,1 procent. In 2025 deed 47,0 procent van de bevolking georganiseerd vrijwilligerswerk, minder dan in 2024 toen ongeveer de helft van de bevolking dit deed. Ook het aandeel dat in de vrije tijd onbetaald (informele) hulp verleent aan anderen buiten het eigen huishouden nam met 2,0 procentpunt af in 2025 tot 34,1 procent. Tot 2024 nam dit aandeel mensen nog trendmatig toe.
Uitkomsten hebben betrekking op armoederisico, de mate van sociale samenhang en op uitsluiting en discriminatie. Zoals ook te zien in SDG1 Geen armoede is het aandeel van de Nederlandse bevolking dat materieel is achtergesteld, risico loopt op armoede, of leeft in een huishouden met weinig of geen werk, relatief klein ten opzichte van andere EU-landen en licht afgenomen. Het ging in 2025 om 15,8 procent van de bevolking. Dat zijn 2,8 miljoen mensen.
In 2024 leefde 4,4 procent van de zzp’ers in een arm huishouden. Zzp’ers zijn kwetsbaar op het gebied van sociale zekerheid. Anders dan mensen in loondienst, moeten zij zelf zorgen voor hun arbeidsongeschiktheidsverzekering, pensioenvoorziening en andere inkomensverzekeringen.
In 2025 was bijna 80 procent van de volwassen bevolking tevreden of zeer tevreden met het sociale leven. Dit percentage is lager dan in het eerste jaar dat deze tevredenheid werd gemeten (83,5 procent in 2013). In 2020 en 2021 daalde de tevredenheid met het sociale leven. Daarna is het weer gestegen, maar niet tot het niveau van voor 2020. De opstelling tegenover mensen uit andere landen zegt iets over sociale cohesie en toegankelijkheid van de samenleving. In 2020 had 36,9 procent van de Nederlanders van 15 jaar of ouder een positief oordeel over immigranten, in 2023 was dit percentage gedaald naar 30,5 procent. Dit percentage is niet hoog of laag in vergelijking met andere EU-landen (6e van 19 in 2023).
Beleving gaat over het vertrouwen van mensen in elkaar, gevoelens van gedeelde normen en waarden en sociale uitsluiting. Ruim 63 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder heeft vertrouwen in andere mensen. Dit is een daling van bijna 3 procentpunt ten opzichte van 2024. Tot 2024 was er nog sprake van een stijgende trend. Het vertrouwen in andere mensen was in 2023 groot vergeleken met andere EU-landen. Nederland stond toen op de tweede plaats na Finland.
Daarnaast voelen relatief veel mensen zich gediscrimineerd in vergelijking met andere EU-landen, vindt een op de vijf volwassenen dat normen en waarden de goede kant op gaan en ervaren minder mensen regie over hun eigen leven. In 2023 beschouwde 12 procent van de mensen van 15 jaar of ouder zich lid van een gediscrimineerde groep. Dit is ongeveer evenveel als in 2020 en het op-een-na hoogste percentage van de 19 EU-landen waarvoor de vergelijking mogelijk is. In 2025 vond 20,7 procent van de volwassen bevolking dat normen en waarden de goede kant op gaan of gelijk blijven. Van de overige mensen vond 34,7 procent dat ze duidelijk de verkeerde kant op gaan en 44,6 procent dat ze iets meer de verkeerde dan de goede kant op gaan. Normen zijn concrete gedragsregels en verwachtingen, deze komen vaak vanuit de waarden, ofwel overtuigingen die mensen hebben. Gedeelde normen en waarden werken verbindend tussen mensen en bevorderen de sociale samenhang.
De vrijheid om zelf te beslissen over het leven wordt beïnvloed door onder andere de financiële situatie, de woon- en werksituatie, maar ook opleiding en sociale omgeving en is hiermee ook sterk afhankelijk van de kansen die mensen krijgen in hun leven. In 2025 voelde 47,9 procent van de Nederlanders een grote mate van vrijheid om zelf te beslissen hoe ze hun leven inrichten. In 2022 en 2023 was dit hoger en voelde iets meer dan de helft van de Nederlanders (52,7 procent in 2022 en 52,5 procent in 2023) een grote mate van regie. In de jaren voor 2020 schommelde het percentage ook steeds rond de 48 procent, hiermee is de ervaren regie in recente jaren dus op eenzelfde niveau als voor 2020.
Relevante links
- Link Visualisatie - Armoede en schulden