Kredietcrisis

In 2008 ontstond de kredietcrisis in de Verenigde Staten nadat banken verliezen leden op hun hypotheekportefeuilles. Door de globale verwevenheid van de financiële wereld kwamen na de val van zakenbank Lehman Brothers ook Europese banken in de problemen. In Nederland voerde de Staat vanaf 2008 allerlei steuningrepen uit om de stabiliteit op de financiële markt te waarborgen.
Dit behelsde onder andere de nationalisatie van Fortis Nederland. Er werd ook kapitaal verstrekt aan ING, Aegon en SNS Reaal. Uiteindelijk zag de Staat zich naast deze maatregelen ook genoodzaakt om de Amerikaanse hypotheekportefeuille van ING over te nemen en SNS Reaal te nationaliseren. Ten slotte verzorgde de Staat nog een garantieregeling voor financiële instellingen en een schadeloosstelling voor de depositohouders van Icesave, al hadden deze laatste twee maatregelen slechts een gering effect op de overheidsschuld.
Terwijl Nederland en veel andere Europese landen juist de gevolgen van de kredietcrisis bestreden, ontstond eind 2009 in Griekenland de eurocrisis. Toen bekend werd dat de Griekse overheid jarenlang de staat van de overheidsfinanciën rooskleuriger had voorgedaan dan deze was, nam de rente op Griekse staatsobligaties explosief toe. Ook andere eurolanden kwamen in de problemen, zoals Ierland in 2010, Portugal in 2011 en Spanje en Cyprus in 2012. Door allerlei steunmaatregelen vanuit de lidstaten van de EU, het IMF en de ECB is het vertrouwen van de financiële markten in deze landen verbetert. Hier stonden hervormingen van deze landen tegenover.