Levensverwachting stijgt minder hard in Nederland en EU

Ouder echtpaar hand in hand op de golfbaan
De levensverwachting bij geboorte is in landen van de Europese Unie tussen 2011 en 2016 toegenomen van 80 jaar en 2 maanden naar 81 jaar. In Nederland steeg zij van 81 jaar en 1 maand naar 81 jaar en 6 maanden. De toename in zowel Nederland als de EU is lager dan in voorgaande periodes. Dat meldt het CBS.

Levensverwachting bij geboorte
 EU-28Nederland
199077,02
199177,16
199277,36
199377,04
199477,52
199577,54
199677,57
199777,94
199878,01
199977,97
200078,13
200178,33
200277,778,41
200377,778,66
200478,479,24
200578,579,48
200678,979,84
200779,180,25
200879,480,39
200979,680,67
201079,980,82
201180,281,09
201280,381,05
201380,581,29
201480,981,64
201580,681,48
20168181,54
201781,73
Bron: CBS, Eurostat

De levensverwachting bij geboorte voor mannen en vrouwen in EU-lidstaten nam van 1990 tot 1995 toe met 11 maanden. Daarna bleef de levensverwachting stijgen, maar die stijging ging niet in elke vijfjaarsperiode even hard. De grootste toename deed zich voor tussen 2003 en 2008, toen de levensverwachting van mannen met 20 maanden toenam en die van vrouwen met 18 maanden. Vervolgens liep de toename weer terug tot minder dan een jaar voor mannen en vrouwen tussen 2011 en 2016.

De ontwikkeling in Nederland volgt in grote lijnen die van de EU. De toename van de levensverwachting tussen 1990 en 1995 en tussen 2011 en 2016 was minder dan 1 jaar voor mannen en minder dan een half jaar voor vrouwen. De snelste groei van de levensverwachting viel voor mannen tussen 2003 en 2008 (25 maanden) en voor vrouwen tussen 2002 en 2007 (19 maanden).

Toename levensverwachting per vijf jaar (jaar)
 EU-28 mannenEU-28 vrouwenNederlandse mannenNederlandse vrouwen
1990-19950,90,90,80,3
1991-19961,210,60,2
1992-19971,30,90,90,3
1993-19981,311,20,7
1994-19991,30,80,80,1
1995-20001,61,10,90,2
1996-20011,61,21,10,4
1997-20021,510,80,1
1998-20031,40,81,10,2
1999-20041,71,31,51
2000-20051,511,61
2001-20061,61,31,81,2
2002-20071,51,321,6
2003-20081,71,52,11,3
2004-20091,41,11,71,2
2005-20101,51,31,61,1
2006-20111,51,11,61
2007-20121,40,81,10,5
2008-20131,411,10,8
2009-20141,511,30,6
2010-201510,510,4
2011-20160,90,50,70,3
2012-20170,90,5
Bron: CBS, Eurostat, WHO-HFA
EU-cijfers op basis van WHO-HFA tot en met 2001-2006, Eurostat vanaf 2002-2007

Toename levensverwachting Nederland blijft achter

Nederland behoort met onder andere Griekenland en Zweden tot de landen die voor de eeuwwisseling tot de EU toetraden en waar de groei van de levensverwachting sinds 1990 is achtergebleven. In Litouwen en Bulgarije is de toename laag vergeleken met andere landen die sinds 2004 zijn toegetreden en veelal hun achterstand aan het inhalen zijn. Slovenië had al in 1990 een relatief hoge levensverwachting voor deze groep landen.

Levensverwachting van mannen stijgt sneller dan die van vrouwen

In bijna alle EU-landen is vanaf 1990 de levensverwachting bij geboorte van mannen sneller gestegen dan die van vrouwen. Daarmee halen mannen een deel van hun achterstand in. De verschillen in levensstijl tussen mannen en vrouwen zijn kleiner geworden. Er is bijvoorbeeld minder verschil in het percentage rokers. De uitzonderingen zijn Bulgarije, Roemenië, Litouwen en Griekenland, waar de levensverwachting van vrouwen sneller steeg dan die van mannen.

In Nederland steeg tussen 1990 en 2017 de levensverwachting bij geboorte van mannen met 6 jaar en 3 maanden, en die van vrouwen met 3 jaar en 3 maanden. De levensverwachting van Nederlandse mannen bleef zo een van de hoogste in de EU. Nederlandse vrouwen vielen tussen 1980 en 2000 terug van een van de hoogste levensverwachtingen bij geboorte naar de Europese middenmoot. In vergelijking met andere landen hebben veel Nederlandse vrouwen gerookt, met name in de jaren zeventig en tachtig. Dat heeft nog tientallen jaren later effect op de levensverwachting.

Levensverwachting bij geboorte (jaar)
 EU-28 mannenEU-28 vrouwenNederlandse mannenNederlandse vrouwen
199071,678,773,880,1
199171,678,874,180,2
199271,979,174,380,3
199372,179,17480
199472,479,474,680,3
199572,579,674,680,4
199672,879,774,780,4
199773,28075,280,6
199873,480,175,280,7
199973,780,375,380,5
200074,180,775,580,6
200174,580,975,880,7
200274,580,97680,7
200374,680,876,280,9
200475,281,576,981,4
200575,481,577,281,6
200675,88277,681,9
20077682,27882,3
200876,382,378,382,3
200976,682,678,582,7
201076,982,878,882,7
201177,383,179,282,9
201277,48379,182,8
201377,783,379,483
201478,183,679,983,3
201577,983,379,783,1
201678,283,679,983,1
201780,183,3
Bron: CBS, Eurostat, WHO-HFA
EU-cijfers op basis van WHO-HFA tot en met 2001, Eurostat vanaf 2002

Versnelling en vertraging in groei levensverwachting

Schommelingen in de toename van de levensverwachting zijn niet ongewoon. Verbeterde hygiëne en geneeskunde (bijvoorbeeld antibiotica) en de toegenomen welvaart droegen in de negentiende en twintigste eeuw bij aan een stijging van de levensverwachting; in sommige perioden meer dan andere. Roken zorgde in de twintigste eeuw voor een vertraging in de toename van de levensverwachting; eerst bij mannen en later bij vrouwen. De laatste decennia zorgden medische technologie en preventie (bijvoorbeeld het verbod op roken in openbare ruimten) voor lagere sterfte, onder andere bij hart- en vaatziekten.