Nederland: matigheidseiland binnen Europa

In de beeldvorming staan Nederlanders te boek als grote drinkers. Toch zijn ze dat niet: vrijwel nergens in Europa wordt zo weinig gedronken als in ons land. Die positie als ‘matigheidseiland’ binnen Europa heeft ons land al zo lang de vergelijkende alcoholstatistiek wordt gepubliceerd. De cijfers van de alcoholconsumptie horen tot de oudste historische tijdreeksen van het CBS, reden om ze in de Week van de Geschiedenis onder de aandacht te brengen.

Alcoholverbruik

2585g1

Matige drinkers

Twee eeuwen geleden was het alcoholverbruik - bier, wijn en gedistilleerd - hoog. In de jaren 1820–1840 was het zo’n 8 tot 10 liter pure alcohol per hoofd. Daarna zakte het tot onder de 5 liter halverwege de jaren vijftig, om daarna te stabiliseren rond de 7 liter per hoofd. Vanaf 1900 daalt het verbruik snel tot 1,5 liter in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Het niveau van het gebruik van rond 1830 zou pas weer rond 1970 worden bereikt. Dankzij de welvaartsgroei steeg het verbruik van gedistilleerd van 5,5 liter pure alcohol per hoofd in 1970 tot 8 liter in 1995. Met een dergelijk verbruik blijft de Nederlander een matige drinker. Luxemburgers zijn met een verbruik van ruim boven 12 liter pure alcohol per hoofd van de bevolking (2003) de grootste gebruikers. Ieren en Duitsers volgen met ruim 10 liter. In ons land was dat 7,9 liter. Alleen in Griekenland, Italië en Zweden wordt minder gedronken.

Alcoholverbruik in Europa, 2003

2585g2

Een ‘reveil social’

Het CBS heeft een rijke traditie in het alcoholonderzoek. De oudste consumptiecijfers van alcohol danken we aan Henri Methorst, de eerste directeur van het CBS. Hij berekende in 1899 het verbruik van alcohol vanaf 1830 en hij gaf ook een verklaring voor de daling die hij constateerde.

Methorst schreef de toenemende matigheid toe aan drie factoren: 1. de invoering van de Drankwet (1881) die het aantal verkooppunten beperkte; 2. de toename van de sportbeoefening, die met matigheid gepaard ging; en 3. het succes van de georganiseerde drankbestrijding, die hij onderdeel noemde van een bredere ‘réveil social’.
Zijn analyse was de perfecte illustratie van wat het nieuwe statistische bureau allemaal kon. Het bureau was opgericht om de discussie over de sociale politiek te voeden met relevante statistieken, en deed dat bekwaam en met volle overtuiging.

Relevante, niet per se onbetwiste cijfers

Het CBS werd vanaf 1916 verantwoordelijk voor de uitgave van de officiële verbruiksstatistiek. Die publicatieopdracht had het bureau overgenomen van het ministerie van Binnenlandse Zaken dat de verbruikscijfers te onbetrouwbaar vond. Die verbruikscijfers waren ook boterzacht. Het CBS slaagde er echter in de verbruiksgegevens op een ‘wetenschappelijk verantwoorde’ wijze te presenteren. Onbetwist waren de cijfers nog steeds niet, maar Methorst was doordrongen van het feit dat het maatschappelijke debat gediend was met relevante, niet per se onbetwiste statistieken.

Mede dankzij de afschaffersbeweging

In de jaren dertig en veertig hebben diverse CBS-onderzoekers modelanalyses uitgevoerd van het bier- en gedistilleerdverbruik. In 1942 was het de bekende Jan Tinbergen die rekende aan het alcoholverbruik. Wat Methorst nog gaf als verklaring voor de daling van het verbruik, kon Tinbergen met cijfers aantonen als een belangrijke factor in zijn model: de invloed van de afschaffersbeweging.

Ronald van der Bie

Bron: CBS, Tweehonderd jaar statistiek in tijdreeksen