Auteur(s): Christianne Hupkens
Welke 55-plussers ontvangen mantelzorg en thuiszorg?

4. Conclusie

Ruim de helft van de 55-plussers met die beperkt zijn in minstens één algemene dagelijkse levensverrichting (ADL) of één instrumentele algemene dagelijkse levensverrichting (IADL) ontvangt zorg aan huis: 19 procent ontvangt zowel mantelzorg als thuiszorg, 19 procent ontvangt alleen thuiszorg en 14 procent ontvangt alleen mantelzorg. 

Er is onderzocht of er verschillen in het ontvangen van mantelzorg en/of thuiszorg zijn tussen mannen en vrouwen, naar leeftijd en burgerlijke staat. Vrouwen die beperkt zijn in hun dagelijks functioneren ontvangen zowel vaker mantelzorg als thuiszorg dan mannen. Dit verschil kan worden verklaard doordat vrouwen gemiddeld ouder zijn en vaker chronische ziekten hebben dan mannen, waardoor hun behoefte aan zorg groter is (Kooiker et al., 2019). Hoe ouder mensen zijn, hoe meer mantelzorg en thuiszorg zij ontvangen. Mensen van 75 jaar of ouder ontvangen zowel meer mantelzorg als meer thuiszorg dan mensen van 55 tot 75 jaar. Bijna 60 procent van de mannen en ruim drie kwart van de vrouwen van 75 jaar of ouder ontvangen één of beide vormen van zorg. Weduwen of weduwnaars zijn gemiddeld ouder en krijgen vaker zowel mantelzorg als thuiszorg dan mensen die zijn gehuwd, gescheiden of nooit zijn gehuwd. Mensen die alleen wonen ontvangen meer zorg dan mensen in een meerpersoonshuishouden. Zij krijgen vooral vaker thuiszorg. 

Daarnaast is onderzocht van wie ze deze zorg krijgen. Kinderen en partners zijn de belangrijkste mantelzorgers. Meer dan de helft van de mantelzorgontvangers krijgt deze zorg van hun kind, schoonzoon of schoondochter; ruim 4 op de 10 krijgt dit van hun partner. Vrouwen krijgen vaker mantelzorg van hun kinderen en mannen krijgen deze zorg vaker van hun partner. Dit komt doordat vrouwen vaker zijn verweduwd, terwijl oudere mannen vaker nog wel een partner hebben. Mensen die zijn getrouwd krijgen meestal mantelzorg van hun partner, terwijl mensen die zijn verweduwd deze zorg vooral van hun kinderen of schoonkinderen ontvangen. Dit wordt ook bevestigd in eerder onderzoek (Kloosterman en Schmeets, 2020, CBS, 2023). Ouderen die geen kinderen hebben, krijgen vaker mantelzorg van andere familieleden en van buren, vrienden, kennissen dan ouderen die kinderen hebben. 

Hoe meer kinderen 55-plussers hebben, hoe meer mantelzorg ze krijgen. Ouderen, waarvan de kinderen binnen een straal van 5 kilometer wonen, krijgen meer mantelzorg dan ouderen met kinderen die verder weg wonen. Dit komt overeen met eerder onderzoek onder mantelzorgers met ouders op hoge leeftijd (Reep en Bruggink, 2024). Ouderen zonder kinderen ontvangen vaker thuiszorg en ouderen met kinderen vaker mantelzorg. Per saldo krijgen ouderen die geen kinderen hebben evenveel mantelzorg en/of thuiszorg als ouderen met kinderen.

Ten slotte is gekeken naar het type zorg dat mantelzorgontvangers krijgen. Mensen die mantelzorg ontvangen, krijgen vooral hulp in het huishouden en begeleiding of vervoer bij het bezoeken van bijvoorbeeld een arts. Ook krijgt bijna 60 procent van de mantelzorgontvangers hulp bij het regelen van geldzaken en andere administratie, en zorg in de vorm van gezelschap, troost of afleiding. Dit komt overeen met de resultaten van eerder onderzoek naar mantelzorg in 2021 en 2022 (CBS, 2023). Het type mantelzorg verschilt tussen mannen en vrouwen, tussen 55- tot 75-jarigen en 75-plussers en tussen mensen die zijn gehuwd en mensen die zijn verweduwd. Zo krijgen gehuwden vaker hulp in de huishouding, bij het klaarmaken van de maaltijd en bij medische en persoonlijke verzorging. Weduwen en weduwnaars krijgen vaker hulp bij het regelen van geldzaken en andere administratie, en ze krijgen vaker mantelzorg in de vorm van gezelschap en afleiding. 

De bevinding dat ruim de helft van de 55-plussers die kampen met beperkingen in hun dagelijks functioneren mantelzorg of thuiszorg ontvangt, betekent dat bijna de helft van deze groep geen mantelzorg en ook geen thuiszorg ontvangt. Het is belangrijk om te onderzoeken of zij wel behoefte aan deze hulp hebben. Of vinden deze ouderen dat niet nodig, omdat ze zichzelf ondanks hun beperkingen toch goed kunnen redden? Uit onderzoek blijkt dat hoewel mantelzorgontvangers vaak positief zijn over de hulp die zij van hun naasten ontvangen, niet iedereen mantelzorg wil ontvangen (Kloosterman en Schmeets, 2020). Sommige ouderen vinden het bijvoorbeeld niet prettig om afhankelijk te zijn van anderen. Of ze willen anderen niet belasten en ze vragen niet graag om hulp. 

Een beperking van dit onderzoek is dat het lastig is om mantelzorg die wordt verleend door de partner goed in kaart te brengen. Niet iedereen zal de hulp en zorg van partners als mantelzorg bestempelen, omdat deze zorg binnen de gebruikelijke taakverdeling in het huishouden past of omdat mensen het vanzelfsprekend vinden dat de partner helpt als ze beperkingen ondervinden in het dagelijks leven. Mogelijk wordt mantelzorg door partners in dit onderzoek onderschat. Om mantelzorg van partners beter in kaart te brengen, zouden extra enquêtevragen over dit onderwerp aan het onderzoek moeten worden toegevoegd of zou er kwalitatief onderzoek onder ouderen met beperkingen moeten worden gedaan.

De Gezondheidsenquête richt zich alleen op de bevolking in particuliere huishoudens. Mantelzorg aan personen in (zorg)instellingen blijft in dit artikel buiten beeld. Ook is het denkbaar dat een deel van de mantelzorgontvangers of mantelzorgbehoeftigen die wel in particuliere huishoudens wonen, vanwege hun gezondheidstoestand niet in staat zijn deel te nemen aan de Gezondheidsenquête. Ook deze personen blijven buiten beeld.

Uit het huidige onderzoek blijkt dat kinderen en partners verreweg de belangrijkste mantelzorgers zijn. De verwachting is dat het aantal ouderen de komende 25 jaar flink zal stijgen. Bovendien zullen er verhoudingsgewijs steeds meer alleenstaande ouderen zonder partner en kinderen zijn. Daardoor kan het beroep op andere familieleden, vrienden en buren om mantelzorg te verlenen groter worden en kan de vraag naar thuiszorg sterk toenemen.