Arbeidspositie van mensen met een beperking
Over deze publicatie
In dit artikel is onderzocht in hoeverre mensen met een beperking belemmerd worden bij het uitvoeren of krijgen van werk. En hoeveel werkenden en niet-werkenden hebben een langdurige beperking? En welke verschillen zijn er naar achtergrondkenmerken van mensen met een langdurige beperking?
Belangrijkste uitkomsten:
- De meerderheid van de personen met een langdurige beperking ervaart een belemmering bij het uitvoeren of krijgen van werk.
- Het aantal niet-werkenden die een sterke belemmering ervaren bij het krijgen van werk, is toegenomen van 828 duizend in 2022 naar 867 duizend in 2025.
- Personen die twijfelen of ze beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt in de toekomst, noemen gezondheid het meest als factor.
1. Inleiding
De ervaren gezondheid in Nederland is de afgelopen jaren verslechterd. Het percentage personen met een langdurige beperking in activiteiten die mensen gewoonlijk doen, stijgt (CBS, 2026a). Tussen 2014 en 2025 ging het om een stijging van 26 procent naar 31 procent, waarbij de stijging plaatsvond bij personen met een niet-ernstige beperking. Het percentage personen met een ernstige langdurige beperking bleef relatief stabiel. Ook is er een toename van mensen die hun gezondheid als (zeer) slecht ervaren. Dat geldt vooral voor niet-werkenden. Het aantal niet-werkenden met een (zeer) slechte ervaren gezondheid steeg van 548 duizend in 2021 tot 631 duizend in 2025 (CBS Statline, 2026a). Zeven op de tien van hen gaven aan dat ze vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid niet naar werk zoeken en daarvoor ook niet beschikbaar zijn (Kromhout, 2025). Het aantal niet-werkenden met een (zeer) goede gezondheid daalde van 2,3 miljoen in 2021 naar 1,9 miljoen in 2025. Bij het aantal werkenden kwamen er juist meer mensen bij met een (zeer) goede gezondheid bij dan mensen met een (zeer) slechte gezondheid.
Het is bekend dat een goede gezondheid een belangrijke factor is voor het meedoen op de arbeidsmarkt. Personen met een goede gezondheid hebben over het algemeen vaker werk (Hupkens & De Vries, 2024). Daarentegen kunnen gezondheidsproblemen ervoor zorgen dat oudere werknemers minder lang doorwerken (van den Heuvel & Niks, 2019). Ook is de kans op het vinden van werk lager bij personen die een belemmering hebben in het vinden van werk door een langdurige aandoening, ziekte of handicap dan personen zonder een belemmering (Michiels, 2023).
De krapte op de arbeidsmarkt houdt ondanks de daling van het aantal werklozen ten opzichte van het aantal vacatures aan (CBS, 2026b). In het tweede kwartaal van 2026 waren er 95 werklozen per 100 vacatures. Tegelijkertijd daalt het aandeel gezonde mensen onder degenen die niet aan het werk zijn (CBS Statline, 2026a; Kromhout, 2025). Andersom gesteld, is een steeds groter deel van het gezonde arbeidspotentieel reeds benut. De vraag is in hoeverre de gezondheid van mensen een belemmering vormt voor een mogelijke verdere groei van de arbeidsparticipatie. Aan de hand van de volgende onderzoeksvragen wordt een beeld geschetst van de beschikbare data om deze vraag te kunnen beantwoorden:
- Hoeveel werkenden en niet-werkenden hebben een langdurige beperking? En in hoeverre worden mensen met een langdurige beperking belemmerd bij het uitvoeren of krijgen van werk?
- Welke verschillen zijn er naar achtergrondkenmerken van mensen met een langdurige beperking?
2. Data
In dit artikel is gebruik gemaakt van twee enquêtes: de Enquête beroepsbevolking (EBB) en Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Voor aanvullende analyses zijn gegevens over uitkeringen gekoppeld aan respondenten. Hieronder worden de databronnen verder besproken.
2.1 Enquête beroepsbevolking
De EBB is een enquête van het CBS waarbij de relatie tussen mens en de arbeidsmarkt centraal staat. Het is een roterend panelonderzoek met vijf peilingen. Dit houdt in dat respondenten vijf keer benaderd worden om deel te nemen aan de enquête met ongeveer 3 maanden tussen de peilingen (CBS, 2023).
De doelpopulatie van de EBB bestaat uit personen van 15 jaar en ouder die woonachtig zijn in Nederland in een particulier huishouden. Voor dit artikel worden alleen de 15- tot 75-jarigen meegenomen voor de analyses.
Gezondheid
Vanaf 2021 zijn vragen over de gezondheid toegevoegd aan de EBB. Deze worden alleen in de eerste peiling aan de respondenten gesteld. Het betreffen vragen over de ervaren gezondheid, ervaren beperking in gezondheid en arbeidsbelemmering. Aan de hand van de volgende vragen worden de volgende concepten gemeten:
Ervaren gezondheid: “Hoe is over het algemeen uw gezondheid?”
Langdurige beperking: “In welke mate bent u vanwege problemen met uw gezondheid beperkt in activiteiten die mensen gewoonlijk doen?” En een vervolgvraag aan respondenten die een niet-ernstige of ernstige beperking ervaren: “Duurt deze beperking al een half jaar of langer?”. Wanneer dit het geval is, worden ze geclassificeerd als een persoon met een langdurige beperking. Als een respondent wel een (ernstige) beperking heeft, maar korter dan een half jaar, wordt deze persoon geclassificeerd als iemand zonder een langdurige beperking.
Arbeidsbelemmering: De personen die een langdurige beperking hebben, krijgen een vervolgvraag. Aan de werkenden wordt gevraagd: “In welke mate wordt u door een langdurige ziekte, aandoening of handicap belemmerd bij uw werk?”. En aan de niet-werkenden: “In welke mate wordt u door een langdurige ziekte, aandoening of handicap belemmerd bij het krijgen van werk?”. Of als ze de afgelopen vier weken niet naar werk hebben gezocht: “Stel dat u op zoek zou gaan naar werk. In welke mate verwacht u dan door een langdurige ziekte, aandoening of handicap belemmerd te worden bij het krijgen van werk?”.
Daarnaast is informatie beschikbaar over de reden om niet te werken of in deeltijd te werken. Ziekte of arbeidsongeschiktheid is daarbij één van de antwoordcategorieën. Er is daarbij een grote overlap met het hebben van een beperking: 89 procent van de personen die wegens ziekte niet tot de beroepsbevolking behoren, heeft een beperking in 2025. Bovendien komt een ernstige beperking bij hen vaker voor dan een niet-ernstige beperking.
Vanaf 2023 zijn vragen over het (niet) willen werken in de toekomst toegevoegd aan de EBB en de belangrijkste redenen om daarover te twijfelen (Souren, 2025). Deze vragen worden alleen in de vijfde peiling gevraagd.
Uitkeringen
De gegevens van de respondenten van de EBB zijn verrijkt met gegevens over uitkeringen op basis van registraties. De doelpopulatie van de EBB in dit artikel zijn de 15- tot 75-jarigen in particuliere huishoudens wonend in Nederland. Hierdoor wijken de cijfers af van het totaal aantal uitkeringen waar het CBS over publiceert (CBS StatLine, 2026b). Ook zijn de cijfers op basis van de EBB en uitkeringen in dit artikel jaargemiddelden, terwijl de reguliere cijfers over uitkeringen zijn vastgesteld op een peildatum. Het gaat om gegevens over de volgende uitkeringen: arbeidsongeschiktheid (AO), bijstand en werkloosheid (WW). Het gegeven over de uitkeringen is vastgesteld voor de maand dat de persoon is geënquêteerd.
2.2 Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden
De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) is een jaarlijkse enquête van CBS en TNO onder werknemers in Nederland over hun werk en werkomstandigheden. De doelpopulatie zijn alle 15- tot 75-jarigen die in Nederland werken en tot een particulier huishouden behoren (Lautenbach et al, 2026).
Gezondheid
In de NEA zijn meerdere vragenblokken over de gezondheid van werknemers (in relatie tot hun werk) opgenomen, waaronder vragen over hun (algemene) gezondheid en chronische ziekte of aandoening. In vergelijking met de EBB zijn er meer en uitgebreidere vragen over de gezondheid van werknemers. De vragen over chronische ziektes en aandoeningen worden aan ongeveer de helft van de respondenten gesteld. Dit heeft te maken met het onderzoeksdesign van de NEA (het split-half ontwerp) (Lautenbach et al, 2026).
In dit artikel worden cijfers van de NEA gebruikt over arbeidsbelemmering. Dit wordt aan de hand van de volgende vragen gemeten.
Arbeidsbelemmering: “Heeft u één of meer van de volgende langdurige ziekten, aandoeningen of handicaps?“. De respondenten krijgen 17 antwoordcategorieën te zien bij deze vraag. Wanneer ze aangeven minimaal één ziekte, aandoening of handicap aangeven, krijgen ze de vervolgvraag: “Wordt u door uw ziekte, aandoening of handicap belemmerd bij het uitvoeren van uw werk?”.
3. Resultaten
3.1 Trends bij niet-werkenden en werkenden met een beperking
Toename aantal werkenden met een langdurige beperking
Het aantal werkenden van 15 tot 75 jaar met een langdurige beperking is tussen 2021 en 2025 met 165 duizend gestegen naar 1,6 miljoen. Het gaat hierbij om zowel personen met een ernstige als niet-ernstige beperking. In dezelfde periode steeg ook het totaal aantal personen met betaald werk, maar naar verhouding minder sterk. Het percentage werkenden met een beperking steeg daardoor licht: van 15 naar 16 procent. De toename zat voornamelijk bij de werkenden met een langdurige beperking die niet ernstig is.
Bij de niet-werkenden schommelde het aantal personen met een beperking de afgelopen jaren iets boven de 1,6 miljoen. Wel nam het totaal aantal niet-werkenden in die vijf jaar af, waardoor het percentage niet-werkenden met een beperking steeg, van 41 naar 45 procent. In tegenstelling tot de werkenden, steeg het aantal niet-werkenden met een ernstige beperking en nam het aantal met een niet-ernstige beperking af.
Het totaal aantal werkenden en niet-werkenden met een langdurige beperking nam dus tussen 2021 en 2025 toe. Deze toename was onder alle leeftijden. Zo steeg het aantal 15- tot 35-jarigen met een langdurige beperking met 53 duizend en met 72 duizend bij de 55- tot 75-jarigen.
Overigens beantwoordt niet iedereen de vraag in welke mate men vanwege problemen met de gezondheid beperkt wordt in activiteiten die mensen gewoonlijk doen. Daardoor gaat het bij de cijfers over mensen met een beperking om een ondergrens. Het aantal personen voor wie onbekend is of ze een langdurige beperking hebben, verschilt tussen werkenden en niet-werkenden. Bij de werkenden ging het in 2025 om bijna een half miljoen personen (5 procent) en bij de niet-werkenden om ruim 300 duizend onbekenden (9 procent). Van een groot deel van deze personen is wel de ervaren gezondheid bekend. Van de personen voor wie onbekend is of ze een beperking hebben, is de ervaren gezondheid vergelijkbaar met die van de gehele populatie van 15 tot 75 jaar.
| 2021 (x mln) | 2022 (x mln) | 2023 (x mln) | 2024 (x mln) | 2025 (x mln) | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Werkzame beroepsbevolking | Geen langdurige beperking | 7,426 | 7,633 | 7,695 | 7,765 | 7,758 |
| Werkzame beroepsbevolking | Langdurige beperking | 1,410 | 1,500 | 1,562 | 1,549 | 1,575 |
| Niet-werkzame bevolking | Geen langdurige beperking | 1,969 | 1,768 | 1,678 | 1,663 | 1,681 |
| Niet-werkzame bevolking | Langdurige beperking | 1,604 | 1,629 | 1,607 | 1,617 | 1,606 |
Niet-werkenden zonder beperking vooral ouderen en jongeren
Van de niet-werkenden zonder beperking is 50 procent 67 jaar (AOW-leeftijd) of ouder of werkt niet meer vanwege hoge leeftijd in 2025. Zij komen in grote mate niet meer beschikbaar op de arbeidsmarkt. Verder is 22 procent jonger dan 25 jaar. Zij werken voornamelijk niet vanwege een studie of ze zijn op zoek naar werk en/of beschikbaar. Ook van de 25- tot 67-jarigen is een deel op zoek en/of beschikbaar (13 procent). Dan blijft van de niet-werkenden nog ongeveer 14 procent over die om andere redenen niet werkzaam is. Zij hebben wel een werkzame leeftijd, maar werken niet vanwege bijvoorbeeld zorg (9 procent). Verder volgt ook nog een klein deel van de 25- tot 67-jarigen onderwijs, en geeft een klein deel aan niet te werken vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid, of een andere niet genoemde reden.
Meerderheid met een beperking ervaart belemmering bij het uitvoeren of krijgen van werk
Lang niet iedereen met een langdurige beperking wordt daardoor belemmerd bij het uitvoeren (werkenden) of krijgen (niet-werkenden) van werk. Bij de werkenden met een niet-ernstige beperking geeft 27 procent aan dat ze geen belemmering ervaren in het uitvoeren van hun werk, bij de werkenden met een ernstige beperking is dit 3 procent. Daarnaast geven werkenden met een ernstige beperking vaker aan dat ze sterk belemmerd worden (78 procent) ten opzichte van de niet-ernstig beperkten (11 procent).
Bij de niet-werkenden is eenzelfde patroon te zien bij de belemmering bij het krijgen van werk, al zijn de verhoudingen hier anders dan bij de werkenden. Bij de niet-ernstig beperkten geeft 39 procent aan dat ze een sterke belemmering (verwachten te) ervaren bij het krijgen van werk. Daarnaast is van 19 procent onbekend of ze een belemmering ervaren. Ook bij de ernstig beperkte niet-werkenden ligt het percentage dat een sterke belemmering ervaart het hoogst met 84 procent.
| Niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Onbekend (% van 15- tot 75-jarigen) | |
|---|---|---|---|---|
| Werkzame beroepsbevolking | ||||
| Niet-ernstig beperkt | 26,6 | 60,6 | 11,4 | 1,4 |
| Ernstig beperkt | 3,3 | 15,9 | 78,5 | 2,3 |
| Niet-werkzame bevolking | ||||
| Niet-ernstig beperkt | 14,8 | 27,1 | 39,1 | 19,0 |
| Ernstig beperkt | 4,8 | 2,5 | 84,1 | 8,6 |
Niet-werkenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (AO-uitkering) hebben het vaakst een langdurige beperking: bijna de helft is ernstig beperkt en ruim een derde (38 procent) wel beperkt maar niet ernstig. Onder degenen die bijstand ontvangen komt een beperking minder vaak voor. Degenen met een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) hebben ongeveer even vaak een beperking als niet-werkenden zonder uitkering.
| Niet beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Niet-ernstig beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Ernstig beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Onbekend (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 47,1 | 30,7 | 14,0 | 8,3 |
| WW | 58,4 | 27,7 | 5,3 | 8,6 |
| Bijstand | 21,5 | 38,3 | 25,9 | 14,4 |
| AO | 5,3 | 37,7 | 49,7 | 7,3 |
| Geen uitkering | 58,1 | 28,4 | 6,0 | 7,4 |
Als niet-werkenden met een AO-uitkering een langdurige beperking hebben, zijn ze bovendien vaker dan niet-werkenden met een andere uitkering of zonder uitkering sterk belemmerd bij het krijgen van werk (81 procent). Onder mensen met een WW-uitkering is dit het laagst (32 procent): zij hebben relatief vaak een lichte belemmering bij het krijgen van werk (39 procent).
| Niet belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Licht belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Sterk belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Onbekend (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 12,5 | 19,6 | 52,2 | 15,7 |
| WW | 22,1 | 39,0 | 32,3 | 6,6 |
| Bijstand | 6,7 | 18,0 | 64,5 | 10,8 |
| AO | 4,3 | 6,7 | 80,7 | 8,3 |
| Geen uitkering | 17,5 | 25,3 | 36,3 | 20,8 |
Meer mensen niet werkzaam vanwege ziekte en sterk belemmerd bij krijgen van werk
Vanaf 2022 tot en met 2025 nam het aantal niet-werkenden met een sterke belemmering bij het krijgen van werk toe van 828 duizend naar 867 duizend. Deze toename kwam volledig voor rekening van mensen die ook aangeven niet te zoeken naar werk en niet beschikbaar te zijn vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt zijn er dus meer mensen die vanwege hun gezondheid op afstand staan van de arbeidsmarkt. Er was nauwelijks verandering in het aantal mensen dat wel op zoek is naar werk en/of beschikbaar is voor werk op de korte termijn en een sterke belemmering ervaren bij het krijgen van werk.
Gezondheid speelt dus een rol bij de beschikbaarheid voor werk op de korte termijn, maar dat geldt ook voor de langere termijn. Aan mensen die niet willen werken is gevraagd of ze in de toekomst wel willen of kunnen werken en waar dat van afhangt. Hierbij konden ze uit een van de volgende mogelijkheden kiezen: zeker wel, waarschijnlijk wel, waarschijnlijk niet, en zeker niet.
Bij mensen van 15 jaar tot aan de AOW-leeftijd die in 2025 niet werkten omdat zij een opleiding volgen, verwachtte 2 procent in de toekomst waarschijnlijk of zeker niet te gaan werken. Van de mensen die zorg als belangrijkste reden om niet te werken noemen, is dat 46 procent en bij ziekte of arbeidsongeschiktheid 67 procent.
Wanneer niet-werkenden twijfelen over hun beschikbaarheid op de langere termijn, is dat ook vaak vanwege hun gezondheid. In 2025 waren er in totaal 515 duizend mensen die aangaven waarschijnlijk wel of waarschijnlijk niet in de toekomst te willen werken. Aan hen is gevraagd waar het van afhangt om in de toekomst te willen werken. Daarbij konden meerdere antwoorden gegeven worden. Veruit het meest gegeven antwoord (65 procent) was dat het afhangt van hun eigen gezondheid of ze in de toekomst betaald werk kunnen en willen hebben.
3.2 Achtergrondkenmerken
Bijna 2 op de 10 personen met een langdurige ernstige beperking hebben betaald werk
De belemmeringen van een beperking voor het krijgen of uitvoeren van werk komen ook tot uiting in een lagere arbeidsparticipatie. In totaal had 82 procent zonder een langdurige beperking betaald werk in 2025. Deze percentages liggen lager bij personen met een niet-ernstige beperking (57 procent) en met een ernstige beperking (19 procent). De verschillen tussen personen met en zonder een (ernstige) beperking en hun arbeidsparticipatie zijn over het algemeen groter bij een hogere leeftijd. Zo is het verschil in de nettoarbeidsparticipatie bij 25- tot 45-jarigen met een ernstige beperking vergeleken met de personen zonder beperking ruim 3 keer zo klein. Bij de 45- tot 75-jarigen is de arbeidsparticipatie bijna 5 keer zo klein voor mensen met een ernstige beperking ten opzichte van mensen zonder beperking. Voor de personen met een niet-ernstige beperking zijn in de verschillen in arbeidsparticipatie kleiner.
| Procent (%) | |
|---|---|
| Totaal leeftijd | |
| Totaal | 73,2 |
| Niet beperkt | 82,2 |
| Niet-ernstig beperkt | 57,4 |
| Ernstig beperkt | 18,9 |
| 15 tot 25 jaar | |
| Totaal | 76,0 |
| Niet beperkt | 78,6 |
| Niet-ernstig beperkt | 68,1 |
| Ernstig beperkt 1) | |
| 25 tot 45 jaar | |
| Totaal | 87,3 |
| Niet beperkt | 92,8 |
| Niet-ernstig beperkt | 74,2 |
| Ernstig beperkt | 28,7 |
| 45 tot 75 jaar | |
| Totaal | 62,6 |
| Niet beperkt | 74,4 |
| Niet-ernstig beperkt | 49,6 |
| Ernstig beperkt | 15,9 |
| 1) Steekproefomvang te klein om betrouwbare uitkomsten te tonen | |
Personen met een beperking oververtegenwoordigd in deeltijdbanen
In totaal had 16 procent van de werkende 15- tot 75-jarigen een langdurige beperking in 2025. Het overgrote deel van hen heeft een niet-ernstige beperking. Bij jongeren van 15 tot 25 jaar ligt het percentage werknemers met een langdurige beperking met 10 procent lager dan gemiddeld. Naarmate de leeftijd hoger is, neemt het aandeel werkenden met een langdurige beperking toe. Bij de 45- tot 75-jarigen ligt het percentage op 22 procent.
Personen met een langdurige beperking, zowel ernstig als niet-ernstig, zijn ondervertegenwoordigd in de groep voltijdwerkenden. In totaal heeft 13 procent van de voltijders (35 uur of meer per week werkzaam) een langdurige beperking, tegenover 20 procent met een grote deeltijdbaan (20 tot 35 uur per week) en 19 procent bij een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week).
Voor verschillende leeftijdsgroepen is de situatie wel anders. Bij jongeren van 15 tot 25 jaar zijn de verschillen in het aandeel van personen met een beperking tussen de arbeidsduurklassen kleiner dan bij de 25-plussers.
Zowel bij deeltijders als voltijders is het percentage werkenden met een beperking hoger bij een hogere leeftijd. Bij de 45- tot 75-jarigen met een kleine deeltijdbaan is het aandeel met een beperking het hoogst met 33 procent.
| Niet-ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | Ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | |
|---|---|---|
| Totaal leeftijd | ||
| Totaal | 14,8 | 1,3 |
| Minder dan 20 uur | 17,1 | 2,1 |
| 20 tot 35 uur | 18,4 | 1,5 |
| 35 uur en meer | 11,7 | 0,9 |
| 15 tot 25 jaar | ||
| Totaal | 9,4 | 0,5 |
| Minder dan 20 uur | 8,9 | 0,5 |
| 20 tot 35 uur | 12,0 | 0,6 |
| 35 uur en meer | 7,6 | 0,3 |
| 25 tot 45 jaar | ||
| Totaal | 11,7 | 0,9 |
| Minder dan 20 uur | 21,0 | 3,9 |
| 20 tot 35 uur | 15,5 | 1,0 |
| 35 uur en meer | 8,7 | 0,6 |
| 45 tot 75 jaar | ||
| Totaal | 19,9 | 1,9 |
| Minder dan 20 uur | 28,9 | 3,8 |
| 20 tot 35 uur | 22,8 | 2,2 |
| 35 uur en meer | 15,9 | 1,3 |
Minder personen met een beperking bij oudere zelfstandigen
Het percentage personen met een langdurige beperking was het laagst bij werknemers met een flexibel contract in 2025. Met 14 procent lag het iets lager dan bij de zelfstandigen (16 procent) en de werknemers met een vast contract (17 procent). Dat heeft vooral te maken met de jonge leeftijd van flexwerknemers. Jongeren zijn namelijk oververtegenwoordigd bij werknemers met een flexibel contract en hebben ook minder vaak te maken met een beperking. Bij de jongeren van 15 tot 25 jaar is er weinig verschil in het percentage werkenden met beperking tussen de verschillende dienstverbanden. Onder de werkende 25-plussers ligt het percentage met een langdurige beperking juist hoger onder flexwerknemers. Onder flexwerkers vallen verschillende contractvormen: onder de oproep- en invalkrachten is het percentage met een beperking hoger dan de overige flexcontracten.
Daarnaast zijn bij zowel de 25- tot 45-jarigen als bij de 45- tot 75-jarigen minder zelfstandigen met een beperking ten opzichte van de werknemers met een vast of flexibel dienstverband.
| Niet-ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | Ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | |
|---|---|---|
| Totaal leeftijd | ||
| Totaal | 14,8 | 1,3 |
| Vast dienstverband | 15,5 | 1,4 |
| Flexibel dienstverband | 13,2 | 0,9 |
| Zelfstandige | 14,7 | 1,3 |
| 15 tot 25 jaar | ||
| Totaal | 9,4 | 0,5 |
| Vast dienstverband | 8,7 | 0,5 |
| Flexibel dienstverband | 9,5 | 0,5 |
| Zelfstandige | 9,6 | 0,5 |
| 25 tot 45 jaar | ||
| Totaal | 11,7 | 0,9 |
| Vast dienstverband | 11,2 | 0,9 |
| Flexibel dienstverband | 13,8 | 1,0 |
| Zelfstandige | 10,4 | 1,0 |
| 45 tot 75 jaar | ||
| Totaal | 19,9 | 1,9 |
| Vast dienstverband | 20,2 | 2,0 |
| Flexibel dienstverband | 22,2 | 1,9 |
| Zelfstandige | 17,6 | 1,5 |
Verzorgenden vaakst belemmerd bij het uitvoeren van werk
Er zijn grote verschillen tussen beroepen in de mate waarin mensen een ziekte, aandoening of handicap hebben en daardoor belemmerd worden in het uitvoeren van hun werk. Onder werknemers zijn er vooral bij zorg en welzijn beroepen en bij technische beroepen relatief veel mensen – sterk of licht – belemmerd in het uitvoeren van hun werk. Tussen 2023 en 2025 gaat het bij zorg en welzijn bijvoorbeeld om de beroepssegmenten verzorgenden (31 procent) en sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders (27 procent). Bij technische beroepen is het percentage met een arbeidsbelemmering hoog onder hulpkrachten bouw en industrie (30 procent). Werknemers in management en bestuursfuncties hebben minder vaak een aandoening en worden het minst vaak belemmerd in het uitvoeren van hun werk. Zo wordt 8 procent van de algemeen directeuren belemmerd bij het uitvoeren van hun werk en 11 procent van managers op administratief en commercieel gebied.
| Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Wel aandoening, niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Onbekend (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | |
|---|---|---|---|---|
| Hoogste drie | ||||
| Verzorgenden | 25,1 | 5,6 | 16,4 | 0,3 |
| Hulpkrachten industrie en bouw | 21,8 | 8,3 | 15,0 | 0,8 |
| Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders | 22,0 | 4,9 | 17,9 | 0,1 |
| Laagste drie | ||||
| Sportinstructeurs | 9,9 | 3,3 | 12,1 | 0,0 |
| Managers op administratief en commercieel gebied | 9,7 | 1,7 | 18,8 | 0,0 |
| Algemeen directeuren | 6,7 | 1,5 | 14,9 | 0,0 |
Werknemers met een arbeidsbelemmering geven minder vaak aan dat zij makkelijk kunnen voldoen aan de fysieke en psychische eisen die het werk aan hen stelt. Bij een sterke arbeidsbelemmering kan 60 procent voldoen aan de fysieke eisen van het werk in 2025. Zonder een arbeidsbelemmering gaat het om 95 procent. Voor het voldoen aan de psychische eisen gelden vergelijkbare percentages. Ook denken werknemers met een arbeidsbelemmering minder makkelijk een nieuwe baan/functie te krijgen bij hun huidige werkgever of bij een andere werkgever en zijn ze minder vaak tevreden met hun werk.
| Niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | |
|---|---|---|---|
| Tevreden met werk | 80,1 | 69 | 54,9 |
| Voldoen aan fysieke eisen werk | 95,2 | 83,5 | 60 |
| Makkelijk nieuwe functie eigen werkgever | 61,2 | 49,3 | 35,7 |
Werknemers die – licht of sterk – belemmerd worden bij het uitvoeren van het werk, achten zichzelf ook minder lang in staat om door te werken. Zo verwachten 55- tot 75-jarigen die sterk belemmerd worden, in staat te zijn om hun huidige werk – lichamelijk en geestelijk – voort te zetten tot de leeftijd van bijna 65 jaar. Werknemers van dezelfde leeftijd die licht belemmerd worden, verwachten een jaar langer door te werken, dus totdat ze bijna 66 jaar zijn. Werknemers die niet belemmerd worden, denken in staat te zijn om bijna 3 jaar langer door te kunnen werken, dus tot bijna 68 jaar.
4. Discussie en conclusie
De gezondheid van werkenden is de afgelopen jaren afgenomen. Er zijn meer werkenden met een langdurige beperking, met de sterkste toename bij werkenden met een niet-ernstige beperking. Het percentage werkenden met een beperking steeg daardoor licht: van 15 procent naar 16 procent tussen 2021 en 2025.
Een gezonde beroepsbevolking is van belang voor een hoge arbeidsparticipatie. De arbeidsparticipatie is weliswaar historisch gezien op zijn hoogst, maar de krapte op de arbeidsmarkt is ook nog steeds hoog. Naast een te lage of te hoge leeftijd zijn niet-werkenden vooral niet op zoek naar werk of op korte termijn beschikbaar vanwege gezondheid. In de nabije toekomst lijkt dat ook niet snel te veranderen: bij degenen die twijfelen of ze beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt in de toekomst, is gezondheid namelijk de meest genoemde factor.
Aan de andere kant is een minder dan goede gezondheid of een beperking niet altijd een belemmering om het werk te kunnen uitvoeren of een belemmering om werk te vinden. In dit artikel is onderzocht in hoeverre mensen met een langdurige beperking belemmerd worden bij het uitvoeren of krijgen van werk. Bij de werkenden met een niet-ernstige beperking geeft 27 procent aan dat ze geen belemmering ervaren in het uitvoeren van hun werk, bij de werkenden met een ernstige beperking is dit 3 procent. Daarnaast geven werkenden met een ernstige beperking vaker aan dat ze sterk belemmerd worden ten opzichte van de niet-ernstig beperkten.
Verder is gekeken naar de samenhang van achtergrondkenmerken met het hebben van een langdurige beperking en de arbeidspositie. De verschillen in arbeidsparticipatie tussen personen met en zonder een (ernstige) beperking zijn over het algemeen groter bij een hogere leeftijd. Daarnaast hebben mensen met een deeltijdbaan vaker een beperking dan voltijders. Ook zijn er grote verschillen tussen beroepsgroepen in de mate waarin werknemers een ziekte, aandoening of handicap hebben en daardoor belemmerd zijn in het uitvoeren van hun werk. Vooral bij zorg- en welzijn beroepen en technische beroepen zijn er beroepssegmenten waarin relatief veel werknemers – sterk of licht – belemmerd worden in het uitvoeren van hun werk.
Gezondheid is een belangrijke factor voor het deelnemen op de arbeidsmarkt, maar er zijn wel verschillen in de mate van beperkingen en belemmering. Vooral bij de cijfers naar leeftijd of het beroep dat men uitoefent komt de samenhang tussen gezondheid en arbeidsdeelname naar voren. Bij de cijfers over beperking en belemmering is niet of nauwelijks bekend om welk soort beperkingen en belemmeringen het precies gaat. In Bierings et al. (2025) is onderzocht welke rol de aard van een chronische aandoening of het hebben van meerdere chronische aandoeningen speelt bij het niet participeren op de arbeidsmarkt. Verder onderzoek zou zich kunnen richten op de mate waarin mensen belemmeringen ervaren bij het uitvoeren of krijgen van werk bij verschillende chronische aandoeningen.
5. Referentielijst
Bierings, H., Siermann, C. & Vanhommerig, J. (2025). Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces. Statistische Trends.
CBS (2026a). Bijna 1 miljoen mensen voelen zich ernstig beperkt.
CBS (2026b). Werkloosheid gedaald in tweede kwartaal 2026.
CBS (2023). Enquête Beroepsbevolking (EBB) - Onderzoeksbeschrijving.
CBS StatLine (2026a). Binding met de arbeidsmarkt, beroeps- en niet-beroepsbevolking; gezondheid.
CBS StatLine (2026b). Sociale zekerheid; kerncijfers, uitkeringen naar uitkeringssoort.
Heuvel, S. van den & Niks, I. (2019). Gezondheid en langer doorwerken: Resultaten uit de Study on TRansitions in Employability, Ability and Motivation (STREAM). Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 35(4), 407–420.
Hupkens, C. & Vries, R. de (2024). Gezondheid en arbeidsdeelname. Statistische Trends.
Kromhout, J. (2025). Steeds minder niet-werkenden met goede gezondheid, ESB.
Lautenbach, H., Dam, L.M.C. van, Janssen, B., Hulsegge, G., Pleijers, A.J.S.F., Couzy, P., Gommans, G.M. & Mars, G.M.J. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025 - Onderzoeksbeschrijving.
Michiels, J. (2023). Welke niet-werkenden hebben de grootste kans op werk? Statistische Trends.
Souren, M. (2025). Arbeidspotentieel: hoeveel niet-werkenden verwachten beschikbaar te komen voor werk? Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 41(2), 203–213.