3. Resultaten
3.1 Trends bij niet-werkenden en werkenden met een beperking
Toename aantal werkenden met een langdurige beperking
Het aantal werkenden van 15 tot 75 jaar met een langdurige beperking is tussen 2021 en 2025 met 165 duizend gestegen naar 1,6 miljoen. Het gaat hierbij om zowel personen met een ernstige als niet-ernstige beperking. In dezelfde periode steeg ook het totaal aantal personen met betaald werk, maar naar verhouding minder sterk. Het percentage werkenden met een beperking steeg daardoor licht: van 15 naar 16 procent. De toename zat voornamelijk bij de werkenden met een langdurige beperking die niet ernstig is.
Bij de niet-werkenden schommelde het aantal personen met een beperking de afgelopen jaren iets boven de 1,6 miljoen. Wel nam het totaal aantal niet-werkenden in die vijf jaar af, waardoor het percentage niet-werkenden met een beperking steeg, van 41 naar 45 procent. In tegenstelling tot de werkenden, steeg het aantal niet-werkenden met een ernstige beperking en nam het aantal met een niet-ernstige beperking af.
Het totaal aantal werkenden en niet-werkenden met een langdurige beperking nam dus tussen 2021 en 2025 toe. Deze toename was onder alle leeftijden. Zo steeg het aantal 15- tot 35-jarigen met een langdurige beperking met 53 duizend en met 72 duizend bij de 55- tot 75-jarigen.
Overigens beantwoordt niet iedereen de vraag in welke mate men vanwege problemen met de gezondheid beperkt wordt in activiteiten die mensen gewoonlijk doen. Daardoor gaat het bij de cijfers over mensen met een beperking om een ondergrens. Het aantal personen voor wie onbekend is of ze een langdurige beperking hebben, verschilt tussen werkenden en niet-werkenden. Bij de werkenden ging het in 2025 om bijna een half miljoen personen (5 procent) en bij de niet-werkenden om ruim 300 duizend onbekenden (9 procent). Van een groot deel van deze personen is wel de ervaren gezondheid bekend. Van de personen voor wie onbekend is of ze een beperking hebben, is de ervaren gezondheid vergelijkbaar met die van de gehele populatie van 15 tot 75 jaar.
| 2021 (x mln) | 2022 (x mln) | 2023 (x mln) | 2024 (x mln) | 2025 (x mln) | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Werkzame beroepsbevolking | Geen langdurige beperking | 7,426 | 7,633 | 7,695 | 7,765 | 7,758 |
| Werkzame beroepsbevolking | Langdurige beperking | 1,410 | 1,500 | 1,562 | 1,549 | 1,575 |
| Niet-werkzame bevolking | Geen langdurige beperking | 1,969 | 1,768 | 1,678 | 1,663 | 1,681 |
| Niet-werkzame bevolking | Langdurige beperking | 1,604 | 1,629 | 1,607 | 1,617 | 1,606 |
Niet-werkenden zonder beperking vooral ouderen en jongeren
Van de niet-werkenden zonder beperking is 50 procent 67 jaar (AOW-leeftijd) of ouder of werkt niet meer vanwege hoge leeftijd in 2025. Zij komen in grote mate niet meer beschikbaar op de arbeidsmarkt. Verder is 22 procent jonger dan 25 jaar. Zij werken voornamelijk niet vanwege een studie of ze zijn op zoek naar werk en/of beschikbaar. Ook van de 25- tot 67-jarigen is een deel op zoek en/of beschikbaar (13 procent). Dan blijft van de niet-werkenden nog ongeveer 14 procent over die om andere redenen niet werkzaam is. Zij hebben wel een werkzame leeftijd, maar werken niet vanwege bijvoorbeeld zorg (9 procent). Verder volgt ook nog een klein deel van de 25- tot 67-jarigen onderwijs, en geeft een klein deel aan niet te werken vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid, of een andere niet genoemde reden.
Meerderheid met een beperking ervaart belemmering bij het uitvoeren of krijgen van werk
Lang niet iedereen met een langdurige beperking wordt daardoor belemmerd bij het uitvoeren (werkenden) of krijgen (niet-werkenden) van werk. Bij de werkenden met een niet-ernstige beperking geeft 27 procent aan dat ze geen belemmering ervaren in het uitvoeren van hun werk, bij de werkenden met een ernstige beperking is dit 3 procent. Daarnaast geven werkenden met een ernstige beperking vaker aan dat ze sterk belemmerd worden (78 procent) ten opzichte van de niet-ernstig beperkten (11 procent).
Bij de niet-werkenden is eenzelfde patroon te zien bij de belemmering bij het krijgen van werk, al zijn de verhoudingen hier anders dan bij de werkenden. Bij de niet-ernstig beperkten geeft 39 procent aan dat ze een sterke belemmering (verwachten te) ervaren bij het krijgen van werk. Daarnaast is van 19 procent onbekend of ze een belemmering ervaren. Ook bij de ernstig beperkte niet-werkenden ligt het percentage dat een sterke belemmering ervaart het hoogst met 84 procent.
| Niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarigen) | Onbekend (% van 15- tot 75-jarigen) | |
|---|---|---|---|---|
| Werkzame beroepsbevolking | ||||
| Niet-ernstig beperkt | 26,6 | 60,6 | 11,4 | 1,4 |
| Ernstig beperkt | 3,3 | 15,9 | 78,5 | 2,3 |
| Niet-werkzame bevolking | ||||
| Niet-ernstig beperkt | 14,8 | 27,1 | 39,1 | 19,0 |
| Ernstig beperkt | 4,8 | 2,5 | 84,1 | 8,6 |
Niet-werkenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (AO-uitkering) hebben het vaakst een langdurige beperking: bijna de helft is ernstig beperkt en ruim een derde (38 procent) wel beperkt maar niet ernstig. Onder degenen die bijstand ontvangen komt een beperking minder vaak voor. Degenen met een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) hebben ongeveer even vaak een beperking als niet-werkenden zonder uitkering.
| Niet beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Niet-ernstig beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Ernstig beperkt (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | Onbekend (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 47,1 | 30,7 | 14,0 | 8,3 |
| WW | 58,4 | 27,7 | 5,3 | 8,6 |
| Bijstand | 21,5 | 38,3 | 25,9 | 14,4 |
| AO | 5,3 | 37,7 | 49,7 | 7,3 |
| Geen uitkering | 58,1 | 28,4 | 6,0 | 7,4 |
Als niet-werkenden met een AO-uitkering een langdurige beperking hebben, zijn ze bovendien vaker dan niet-werkenden met een andere uitkering of zonder uitkering sterk belemmerd bij het krijgen van werk (81 procent). Onder mensen met een WW-uitkering is dit het laagst (32 procent): zij hebben relatief vaak een lichte belemmering bij het krijgen van werk (39 procent).
| Niet belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Licht belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Sterk belemmerd (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | Onbekend (% van niet-werkzame bevolking van 15 tot 75 jaar met langdurige beperking) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 12,5 | 19,6 | 52,2 | 15,7 |
| WW | 22,1 | 39,0 | 32,3 | 6,6 |
| Bijstand | 6,7 | 18,0 | 64,5 | 10,8 |
| AO | 4,3 | 6,7 | 80,7 | 8,3 |
| Geen uitkering | 17,5 | 25,3 | 36,3 | 20,8 |
Meer mensen niet werkzaam vanwege ziekte en sterk belemmerd bij krijgen van werk
Vanaf 2022 tot en met 2025 nam het aantal niet-werkenden met een sterke belemmering bij het krijgen van werk toe van 828 duizend naar 867 duizend. Deze toename kwam volledig voor rekening van mensen die ook aangeven niet te zoeken naar werk en niet beschikbaar te zijn vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt zijn er dus meer mensen die vanwege hun gezondheid op afstand staan van de arbeidsmarkt. Er was nauwelijks verandering in het aantal mensen dat wel op zoek is naar werk en/of beschikbaar is voor werk op de korte termijn en een sterke belemmering ervaren bij het krijgen van werk.
Gezondheid speelt dus een rol bij de beschikbaarheid voor werk op de korte termijn, maar dat geldt ook voor de langere termijn. Aan mensen die niet willen werken is gevraagd of ze in de toekomst wel willen of kunnen werken en waar dat van afhangt. Hierbij konden ze uit een van de volgende mogelijkheden kiezen: zeker wel, waarschijnlijk wel, waarschijnlijk niet, en zeker niet.
Bij mensen van 15 jaar tot aan de AOW-leeftijd die in 2025 niet werkten omdat zij een opleiding volgen, verwachtte 2 procent in de toekomst waarschijnlijk of zeker niet te gaan werken. Van de mensen die zorg als belangrijkste reden om niet te werken noemen, is dat 46 procent en bij ziekte of arbeidsongeschiktheid 67 procent.
Wanneer niet-werkenden twijfelen over hun beschikbaarheid op de langere termijn, is dat ook vaak vanwege hun gezondheid. In 2025 waren er in totaal 515 duizend mensen die aangaven waarschijnlijk wel of waarschijnlijk niet in de toekomst te willen werken. Aan hen is gevraagd waar het van afhangt om in de toekomst te willen werken. Daarbij konden meerdere antwoorden gegeven worden. Veruit het meest gegeven antwoord (65 procent) was dat het afhangt van hun eigen gezondheid of ze in de toekomst betaald werk kunnen en willen hebben.
3.2 Achtergrondkenmerken
Bijna 2 op de 10 personen met een langdurige ernstige beperking hebben betaald werk
De belemmeringen van een beperking voor het krijgen of uitvoeren van werk komen ook tot uiting in een lagere arbeidsparticipatie. In totaal had 82 procent zonder een langdurige beperking betaald werk in 2025. Deze percentages liggen lager bij personen met een niet-ernstige beperking (57 procent) en met een ernstige beperking (19 procent). De verschillen tussen personen met en zonder een (ernstige) beperking en hun arbeidsparticipatie zijn over het algemeen groter bij een hogere leeftijd. Zo is het verschil in de nettoarbeidsparticipatie bij 25- tot 45-jarigen met een ernstige beperking vergeleken met de personen zonder beperking ruim 3 keer zo klein. Bij de 45- tot 75-jarigen is de arbeidsparticipatie bijna 5 keer zo klein voor mensen met een ernstige beperking ten opzichte van mensen zonder beperking. Voor de personen met een niet-ernstige beperking zijn in de verschillen in arbeidsparticipatie kleiner.
| Procent (%) | |
|---|---|
| Totaal leeftijd | |
| Totaal | 73,2 |
| Niet beperkt | 82,2 |
| Niet-ernstig beperkt | 57,4 |
| Ernstig beperkt | 18,9 |
| 15 tot 25 jaar | |
| Totaal | 76,0 |
| Niet beperkt | 78,6 |
| Niet-ernstig beperkt | 68,1 |
| Ernstig beperkt 1) | |
| 25 tot 45 jaar | |
| Totaal | 87,3 |
| Niet beperkt | 92,8 |
| Niet-ernstig beperkt | 74,2 |
| Ernstig beperkt | 28,7 |
| 45 tot 75 jaar | |
| Totaal | 62,6 |
| Niet beperkt | 74,4 |
| Niet-ernstig beperkt | 49,6 |
| Ernstig beperkt | 15,9 |
| 1) Steekproefomvang te klein om betrouwbare uitkomsten te tonen | |
Personen met een beperking oververtegenwoordigd in deeltijdbanen
In totaal had 16 procent van de werkende 15- tot 75-jarigen een langdurige beperking in 2025. Het overgrote deel van hen heeft een niet-ernstige beperking. Bij jongeren van 15 tot 25 jaar ligt het percentage werknemers met een langdurige beperking met 10 procent lager dan gemiddeld. Naarmate de leeftijd hoger is, neemt het aandeel werkenden met een langdurige beperking toe. Bij de 45- tot 75-jarigen ligt het percentage op 22 procent.
Personen met een langdurige beperking, zowel ernstig als niet-ernstig, zijn ondervertegenwoordigd in de groep voltijdwerkenden. In totaal heeft 13 procent van de voltijders (35 uur of meer per week werkzaam) een langdurige beperking, tegenover 20 procent met een grote deeltijdbaan (20 tot 35 uur per week) en 19 procent bij een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week).
Voor verschillende leeftijdsgroepen is de situatie wel anders. Bij jongeren van 15 tot 25 jaar zijn de verschillen in het aandeel van personen met een beperking tussen de arbeidsduurklassen kleiner dan bij de 25-plussers.
Zowel bij deeltijders als voltijders is het percentage werkenden met een beperking hoger bij een hogere leeftijd. Bij de 45- tot 75-jarigen met een kleine deeltijdbaan is het aandeel met een beperking het hoogst met 33 procent.
| Niet-ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | Ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | |
|---|---|---|
| Totaal leeftijd | ||
| Totaal | 14,8 | 1,3 |
| Minder dan 20 uur | 17,1 | 2,1 |
| 20 tot 35 uur | 18,4 | 1,5 |
| 35 uur en meer | 11,7 | 0,9 |
| 15 tot 25 jaar | ||
| Totaal | 9,4 | 0,5 |
| Minder dan 20 uur | 8,9 | 0,5 |
| 20 tot 35 uur | 12,0 | 0,6 |
| 35 uur en meer | 7,6 | 0,3 |
| 25 tot 45 jaar | ||
| Totaal | 11,7 | 0,9 |
| Minder dan 20 uur | 21,0 | 3,9 |
| 20 tot 35 uur | 15,5 | 1,0 |
| 35 uur en meer | 8,7 | 0,6 |
| 45 tot 75 jaar | ||
| Totaal | 19,9 | 1,9 |
| Minder dan 20 uur | 28,9 | 3,8 |
| 20 tot 35 uur | 22,8 | 2,2 |
| 35 uur en meer | 15,9 | 1,3 |
Minder personen met een beperking bij oudere zelfstandigen
Het percentage personen met een langdurige beperking was het laagst bij werknemers met een flexibel contract in 2025. Met 14 procent lag het iets lager dan bij de zelfstandigen (16 procent) en de werknemers met een vast contract (17 procent). Dat heeft vooral te maken met de jonge leeftijd van flexwerknemers. Jongeren zijn namelijk oververtegenwoordigd bij werknemers met een flexibel contract en hebben ook minder vaak te maken met een beperking. Bij de jongeren van 15 tot 25 jaar is er weinig verschil in het percentage werkenden met beperking tussen de verschillende dienstverbanden. Onder de werkende 25-plussers ligt het percentage met een langdurige beperking juist hoger onder flexwerknemers. Onder flexwerkers vallen verschillende contractvormen: onder de oproep- en invalkrachten is het percentage met een beperking hoger dan de overige flexcontracten.
Daarnaast zijn bij zowel de 25- tot 45-jarigen als bij de 45- tot 75-jarigen minder zelfstandigen met een beperking ten opzichte van de werknemers met een vast of flexibel dienstverband.
| Niet-ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | Ernstig beperkt (% van de werkzame beroepsbevolking) | |
|---|---|---|
| Totaal leeftijd | ||
| Totaal | 14,8 | 1,3 |
| Vast dienstverband | 15,5 | 1,4 |
| Flexibel dienstverband | 13,2 | 0,9 |
| Zelfstandige | 14,7 | 1,3 |
| 15 tot 25 jaar | ||
| Totaal | 9,4 | 0,5 |
| Vast dienstverband | 8,7 | 0,5 |
| Flexibel dienstverband | 9,5 | 0,5 |
| Zelfstandige | 9,6 | 0,5 |
| 25 tot 45 jaar | ||
| Totaal | 11,7 | 0,9 |
| Vast dienstverband | 11,2 | 0,9 |
| Flexibel dienstverband | 13,8 | 1,0 |
| Zelfstandige | 10,4 | 1,0 |
| 45 tot 75 jaar | ||
| Totaal | 19,9 | 1,9 |
| Vast dienstverband | 20,2 | 2,0 |
| Flexibel dienstverband | 22,2 | 1,9 |
| Zelfstandige | 17,6 | 1,5 |
Verzorgenden vaakst belemmerd bij het uitvoeren van werk
Er zijn grote verschillen tussen beroepen in de mate waarin mensen een ziekte, aandoening of handicap hebben en daardoor belemmerd worden in het uitvoeren van hun werk. Onder werknemers zijn er vooral bij zorg en welzijn beroepen en bij technische beroepen relatief veel mensen – sterk of licht – belemmerd in het uitvoeren van hun werk. Tussen 2023 en 2025 gaat het bij zorg en welzijn bijvoorbeeld om de beroepssegmenten verzorgenden (31 procent) en sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders (27 procent). Bij technische beroepen is het percentage met een arbeidsbelemmering hoog onder hulpkrachten bouw en industrie (30 procent). Werknemers in management en bestuursfuncties hebben minder vaak een aandoening en worden het minst vaak belemmerd in het uitvoeren van hun werk. Zo wordt 8 procent van de algemeen directeuren belemmerd bij het uitvoeren van hun werk en 11 procent van managers op administratief en commercieel gebied.
| Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Wel aandoening, niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Onbekend (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | |
|---|---|---|---|---|
| Hoogste drie | ||||
| Verzorgenden | 25,1 | 5,6 | 16,4 | 0,3 |
| Hulpkrachten industrie en bouw | 21,8 | 8,3 | 15,0 | 0,8 |
| Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders | 22,0 | 4,9 | 17,9 | 0,1 |
| Laagste drie | ||||
| Sportinstructeurs | 9,9 | 3,3 | 12,1 | 0,0 |
| Managers op administratief en commercieel gebied | 9,7 | 1,7 | 18,8 | 0,0 |
| Algemeen directeuren | 6,7 | 1,5 | 14,9 | 0,0 |
Werknemers met een arbeidsbelemmering geven minder vaak aan dat zij makkelijk kunnen voldoen aan de fysieke en psychische eisen die het werk aan hen stelt. Bij een sterke arbeidsbelemmering kan 60 procent voldoen aan de fysieke eisen van het werk in 2025. Zonder een arbeidsbelemmering gaat het om 95 procent. Voor het voldoen aan de psychische eisen gelden vergelijkbare percentages. Ook denken werknemers met een arbeidsbelemmering minder makkelijk een nieuwe baan/functie te krijgen bij hun huidige werkgever of bij een andere werkgever en zijn ze minder vaak tevreden met hun werk.
| Niet belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Licht belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | Sterk belemmerd (% van 15- tot 75-jarige werknemers) | |
|---|---|---|---|
| Tevreden met werk | 80,1 | 69 | 54,9 |
| Voldoen aan fysieke eisen werk | 95,2 | 83,5 | 60 |
| Makkelijk nieuwe functie eigen werkgever | 61,2 | 49,3 | 35,7 |
Werknemers die – licht of sterk – belemmerd worden bij het uitvoeren van het werk, achten zichzelf ook minder lang in staat om door te werken. Zo verwachten 55- tot 75-jarigen die sterk belemmerd worden, in staat te zijn om hun huidige werk – lichamelijk en geestelijk – voort te zetten tot de leeftijd van bijna 65 jaar. Werknemers van dezelfde leeftijd die licht belemmerd worden, verwachten een jaar langer door te werken, dus totdat ze bijna 66 jaar zijn. Werknemers die niet belemmerd worden, denken in staat te zijn om bijna 3 jaar langer door te kunnen werken, dus tot bijna 68 jaar.