Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025 - Onderzoeksbeschrijving

8. Kwaliteit

In de vragenlijst van de NEA 2025 zijn een aantal vragen (eenmalig) toegevoegd, de zogenaamde ad hoc vragen, en een paar vragen in het vaste deel van de vragenlijst gewijzigd.  In paragraaf 8.1 wordt de item non-respons beschreven van de vaste vragen. In het blok Gezondheid is een zachte controle toegevoegd aan de vragen over het gemiddeld aantal uren dat werknemers zitten tijdens werk, woon-werkverkeer en in vrije tijd. De uitkomsten daarvan komen in paragraaf 8.2 aan bod. De resterende drie paragrafen behandelen de kwaliteit van de in 2025 toegevoegde ad hoc vragen: paragraaf 8.3 betreft de vragen over buiten werken in de verschillende seizoenen en zonbeschermende maatregelen, paragraaf 8.4 gaat in op de vragen over regels en informatie rondom veilig en gezond werken, paragraaf 8.5 betreft de vragen rondom aandacht bij het werk kunnen houden. Paragraaf 8.6 bespreekt de extra vraag rondom maatregelen genomen na een arbeidsongeval en paragraaf 8.7 gaat in op de vragen rondom zorgen om rond te komen en loontransparantie.

8.1 Item non-respons vaste vragen

In de NEA zijn respondenten niet verplicht om vragen te beantwoorden. In het verleden werd de NEA (ook) op papier ingevuld en was het niet mogelijk om dit te verplichten. Bij de introductie van internetwaarneming is ervoor gekozen om het bij internetwaarneming mogelijk te maken dat vragen leeg worden overgeslagen, vanuit de gedachte dat waarneming via papier en internet dan wat non-respons mogelijkheid betreft zoveel mogelijk op elkaar lijken. Als uitvloeisel daarvan kunnen veel vragen die al jaren in de NEA worden gesteld oningevuld overgeslagen worden.

Sinds 2018 wordt de NEA uitsluitend via internet waargenomen. De mogelijkheid om vragen over te slaan is bij de meeste bestaande vragen behouden om mogelijke trendbreuken te voorkomen. Nieuwe vragen kunnen echter niet meer overgeslagen worden. In plaats daarvan wordt de antwoordmogelijkheid ‘geen antwoord’ aangeboden. Zo is voor alle respondenten duidelijk dat het mogelijk is om een vraag niet te beantwoorden en toch verder te gaan met de vragenlijst. Ook is zo duidelijk dat een respondent bewust geen antwoord heeft gegeven en niet per ongeluk op ‘volgende’ heeft geklikt terwijl nog geen antwoord gekozen was.

Gemiddeld wordt een vraag in de NEA door 3,5 procent van de respondenten niet beantwoord. Niet alle vragen worden aan alle respondenten gesteld. De berekening van de item non-respons is gebaseerd op respondenten waaraan de betrokken vraag is gesteld. Bij sommige vragen geven meer respondenten geen antwoord dan bij andere. Tabel 8.1.1 geeft een overzicht van alle vaste vragen waarop 5 procent of meer van de respondenten in 2025 geen antwoord heeft gegeven (‘geen antwoord’ of vraag overgeslagen).

8.2 Bevindingen aanpassingen vaste vragen rondom zitgedrag

In het blok Gezondheid bevat een drietal vragen over zitgedrag. Meer concreet wordt er gevraagd hoeveel uren respondenten gemiddeld zitten per een dag: 1) op het werk 2) in het woon-werk verkeer en 3) in hun vrije tijd. Op deze vragen zit een harde controle om ervoor te zorgen dat respondenten niet meer uren kunnen invullen dan 24 uur. Dit jaar is er na de harde controle een zachte controle toegevoegd, omdat een deel van de respondenten in 2024 een relatief hoog aantal uren opgaf. Met de aanpassing wordt een respondent geholpen om een zo reëel mogelijk aantal uren per dag op te geven. Respondenten die op de vragen naar het gemiddeld aantal uur zitten per dag op het werk en in hun vrije tijd een antwoord gaven tussen 13 en 24 uur kregen de controlevraag of hun antwoord klopt. Zo nodig konden zij hun antwoord nog aanpassen of ze konden aangeven dat hun antwoord klopt. Dezelfde zachte controle is toegevoegd aan de vraag naar het gemiddeld aantal uren zitten per dag tijdens woon-werkverkeer. Daar werd de controle gedaan bij respondenten die een antwoord gaven tussen 9 en 24 uur. De resultaten van de (al dan niet gecorrigeerde) antwoorden die gegeven zijn na zachte controle in de NEA 2025 zijn vergeleken met de resultaten op de betreffende vragen uit de NEA 2024. Bij alle drie de vragen is in 2025 het percentage respondenten dat het hoge aantal uren (boven de 12 of 8 uur per dag) heeft ingevuld afgenomen.  

8.3 Ad hoc vragen rondom buiten werken en zonbeschermende maatregelen

Een van de ad hoc onderwerpen betreft dit jaar de vragen rondom buiten werken in de verschillende seizoenen.  In het blok Werkomstandigheden wordt aan de respondent gevraagd of zij wel eens buiten werken in de lente, zomer, herfst of winter. Respondenten konden hier aangeven of dat ze dat (bijna) altijd, vaak, soms of nooit doen. De item non-respons op deze vragen is relatief laag:  1,5 procent. 

In het blok Arbomaatregelen zijn een viertal vragen toegevoegd rondom beschermende maatregelen tegen de zon. Het vaste deel van de vragenlijst bevat een aantal werkomstandigheden, zoals werkdruk, fysiek zwaar werk, langdurig beeldschermwerk, stoffen die ongezond kunnen zijn, enzovoort. Met betrekking tot elk van deze aspecten wordt gevraagd of de respondent het nodig vindt dat de werkgever (extra) beschermende maatregelen neemt. Aan deze lijst van aspecten is ‘blootstelling aan de zon of UV-straling’ toegevoegd. De item non-respons dit onderdeel van de vraag is laag: minder dan 1 procent.

Aan de personen die aangaven dat er geen of onvoldoende maatregelen genomen worden tegen de zon of UV-straling werd gevraagd welke maatregelen de werkgever dan (nog) zou moeten nemen. Aan personen die aangaven dat er wel maatregelen genomen zijn door de werkgever werd gevraagd welke maatregelen de werkgever nu al genomen heeft. Ten slotte is aan respondenten wiens werkgever maatregelen heeft genomen de vraag toegevoegd aan of zij gebruik maken van die door de werkgever genomen maatregelen.  

De item non-respons op deze drie vragen is relatief hoog: variërend van 10 tot 17 procent.  

8.4 Ad hoc vragen rondom regels en informatie veilig en gezond werken

Aan de respondenten in cluster 1 zijn in de NEA 2025 in het blok Veiligheidscultuur een drietal vragen gesteld rondom maatregelen over gezond en veilig werken. Allereerst is er een vervolgvraag gesteld aan personen die hebben aangegeven dat werknemers op hun werk zich niet altijd aan de regels rondom gezond en veilig werken houden. Het gaat om de reden dat men zich niet altijd aan die regels houdt. De volgende redenen zijn uitgevraagd: Niet iedereen kent de regels, Niet iedereen begrijpt de regels, Niet iedereen vindt de regels nuttig, Het kost te veel tijd om je aan de regels te houden, Het kost te veel moeite om je aan de regels te houden, Anderen houden zich ook niet aan de regels, Er is geen controle / werkgever vindt het niet belangrijk of een andere reden. De item non-respons op deze vraag is gemiddeld: 3,5 procent.

Aan personen die hebben aangegeven dat er op hun werk informatie wordt gegeven over hoe gezond en veilig te werken, is aanvullend gevraagd of die regels (bijna) altijd, vaak, soms of (bijna) nooit duidelijk zijn, of dat de vraag niet van toepassing is. Op deze vraag is de item non-respons laag: minder dan 0,5 procent.

Aan alle respondenten in het blok Veiligheidscultuur is ten slotte een vraag toegevoegd: ‘Vraagt uw werkgever werknemers om advies als er nieuwe regels of plannen voor veilig werken worden gemaakt?’. Zij konden daarop antwoorden of dat (bijna) altijd, vaak, soms of (bijna) nooit gebeurt.  

De item non-respons op deze vraag is hoog: 28 procent van de respondenten die deze vraag kreeg heeft deze niet beantwoord.

8.5 Ad hoc vragen rondom aandacht bij het werk houden

In de vaste vragenlijst zijn al een aantal aspecten van aandacht opgenomen, bijvoorbeeld: ‘Vergt uw werk dat u er uw gedachten bij houdt?’ en ‘Vereist uw werk intensief nadenken?’. Respondenten kunnen dan aangeven of ze daar nooit, soms, vaak of altijd mee te maken hebben in hun werk. In het blok Werkomstandigheden zijn in 2025 twee vragen toegevoegd rondom het aandacht kunnen houden bij het werk. De eerste vraag is alleen aan cluster 1 gevraagd en is een aanvulling op de vaste lijst van aspecten van aandacht. Het gaat dan om de vraag: ‘Hoe vaak wordt u door uw omgeving afgeleid van uw werk?’. Na de items over aandacht houden is aan beide clusters de vraag gesteld: ‘Hoe moeilijk of makkelijk kunt u in het algemeen uw aandacht bij uw werk houden?’. De antwoordopties waren: (heel) moeilijk, niet moeilijk en niet makkelijk of (heel) makkelijk. De non-respons op beide toegevoegde vragen was minder dan 1 procent.

8.6 Ad hoc vragen rondom maatregelen arbeidsongevallen

In 2025 is aan het blok Arbeidsongevallen (aan beide clusters gesteld) één vraag toegevoegd. Deze vraag volgt na de gedetailleerde informatie over het meest recente arbeidsongeval : ‘Heeft uw werkgever naar aanleiding van dit ongeval maatregelen genomen om dit soort ongevallen in de toekomst te voorkomen?’. Respondenten konden hierop antwoorden: ‘Ja’, ‘Nee, maar wel nodig’, ‘Nee, en niet nodig of mogelijk’ of ‘Weet ik niet/nog onbekend’. Het antwoord ‘nee’ is in twee categorieën gesplitst, om respondenten de mogelijkheid te geven wat genuanceerder te antwoorden. Dat geeft meer inzicht in de achtergrond van het ontkennende antwoord. De item non-respons op deze vraag is 4,5 procent.

8.7 Ad hoc vragen rondom zorgen rondkomen en loontransparantie

In de NEA 2025 zijn in het blok Uw verdere loopbaan twee vragen opgenomen rondom inkomensonzekerheid en welke factoren hierbij een rol spelen. Deze vragen zijn alleen in cluster 2 geplaatst en aan een specifieke groep werknemers gesteld. Voor de routing zijn bestaande vragen gebruikt. De vragen werden gesteld aan uitzendkrachten en oproep-/invalkrachten met (deels) wisselende werkuren of oproepcontracten (0-urencontracten). De eerste vraag luidt als volgt: ‘Maakt u zich weleens zorgen of u kunt rondkomen met het inkomen van uw huidige baan?’ ‘Ja, (bijna) altijd’, ‘Ja, vaak’, ‘Ja, soms’, ‘Nooit’. De tweede vraag, gesteld aan respondenten die zich weleens zorgen zeiden te maken (soms of vaak) ging over de factoren waar de zorgen mee te maken hebben. Zij konden een keuze maken uit de volgende antwoorden: ‘Mijn uurloon is te laag’, ‘Ik word te weinig ingeroosterd’, ‘Onzekerheid door wisselende roosters’, ‘Ik kan zelf niet altijd werken (bijv. vanwege gezondheid of zorgtaken)’, ‘Stijgende prijzen/alles wordt duurder’, ‘Mijn thuis- of woonsituatie is veranderd (bijv. scheiding, nieuw huis, kind)’ of ‘Met iets anders’. De eerste vraag heeft een relatief hoge item non-respons van 9 procent. De vervolgvraag heeft een item non-respons van 3 procent.

Een kanttekening bij deze vragen is dat de werknemers met een dergelijk dienstverband voornamelijk uit jongeren (15 tot 25 jaar) bestaan en dat de leeftijdsgroepen 55 tot 65 jaar en 65 tot 74 jaar die zich zorgen maakten om rond te komen van hun baan te klein zijn om over te kunnen publiceren. Het is op basis van de vraagstelling niet uitgesloten dat deze personen nog andere bronnen van inkomsten hebben en of de vraag derhalve zinvol beantwoord kon worden.

In het blok Arbeidsvoorwaarden zijn in 2025 vier vragen rondom loontransparantie toegevoegd. Ook deze vragen waren alleen in cluster 2 opgenomen. De eerste vraag luidt als volgt: ‘Is het binnen uw organisatie duidelijk of onduidelijk aan welke eisen je moet voldoen om een bepaald salaris te krijgen?’ Respondenten konden antwoorden in hoeverre ze dit (heel) duidelijk, niet duidelijk en niet onduidelijk of (heel) onduidelijk vonden. De tweede vraag gaat over hoe belangrijk werknemers het vinden om te weten wat collega’s in hun organisatie met dezelfde functie verdienen (antwoorden: ‘(heel) belangrijk’, ‘niet belangrijk en niet onbelangrijk’, ‘(heel) onbelangrijk’ of ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’). Aan respondenten voor wie deze vraag van toepassing was, werd een derde vraag gesteld, namelijk of zij weten wat hun collega’s in eenzelfde functie ongeveer verdienen. Antwoordopties waren: ‘Ja, van de meeste wel’, ‘Ja, van sommige’, ‘Nee’ of ‘N.v.t., ik ben de enige met deze functie’. Personen die aangaven dat ze het van de meeste of van sommige collega’s wisten, kregen nog een vierde vraag hoe zij te weten waren gekomen wat hun collega’s verdienen. Zij konden hierbij kiezen uit de volgende antwoordopties: ‘Door salarisschalen of een functiehuis’, ‘Dit is in de CAO geregeld’, ‘Ik heb dit aan mijn werkgever gevraagd’, ‘Mijn werkgever deelt deze informatie zelf’, ‘Mijn collega’s hebben dit zelf verteld’ of ‘Anders’.

De item non-respons op de eerste vraag rondom loontransparantie is relatief hoog: 6 procent. De item non-respons op de overige drie vragen varieert van 2 tot 4 procent.

Opgemerkt dient te worden dat de antwoordcategorie ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’ zowel in de tweede als de derde vraag is opgenomen. De derde vraag is alleen gesteld aan respondenten voor wie de tweede vraag van toepassing was. Toch was de derde vraag voor een deel van de respondenten alsnog niet van toepassing. Bij de tweede vraag heeft 4,9 procent het antwoord ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’ gekozen en bij de derde vraag 3,5 procent.