Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar 2026

Over deze publicatie

In deze rapportage presenteert het CBS de voorlopige cijfers over jeugdbescherming en jeugdreclassering in het eerste halfjaar van 2026. Op 30 juni 2026 liepen er ruim 25 duizend jeugdbeschermingsmaatregelen. In 72 procent ging het om een vorm van ondertoezichtstelling, en bij 28 procent ging het om een voogdijmaatregel. Er werden in de eerste helft van 2026 meer maatregelen beëindigd dan gestart. Het aantal reguliere ondertoezichtstellingen was vergelijkbaar met het eerste halfjaar van 2025, met 17 570 trajecten op 30 juni 2026. Het aantal reguliere voogdijmaatregelen daalde in het eerste halfjaar van 2026, naar 7 125 trajecten. De gemiddelde duur van beëindigde ondertoezichtstellingen in het eerste halfjaar van 2026 bleef ongeveer gelijk aan dezelfde periode in 2025. De gemiddelde duur van beëindigde voogdijmaatregelen nam toe. De meeste ondertoezichtstellingen werden beëindigd volgens plan; de meeste voogdijmaatregelen vanwege het bereiken van meerderjarigheid. Jeugdbescherming kwam relatief gezien het meest voor in jeugdregio’s in Limburg, Friesland en Zeeland.

Op 30 juni 2026 liepen er 6 105 jeugdreclasseringsmaatregelen. In de meeste gevallen ging het om een vorm van toezicht en begeleiding. Na een daling van het aantal jongeren met jeugdreclassering van 2011 tot 2022, nam tussen 2023 en 2025 het aantal weer toe. In de eerste helft van 2026 is het aantal jongeren met jeugdreclassering stabiel gebleven. Er werden in de eerste helft van 2026 meer trajecten gestart dan beëindigd. Het aantal gestarte en beëindigde trajecten is vergelijkbaar met de eerste helft van 2025. De gemiddelde duur van beëindigde trajecten was ook vergelijkbaar met het eerste halfjaar van 2025. Jeugdreclassering kwam het meeste voor in de regio’s Rotterdam en Amsterdam.

Inleiding

Rijk en gemeenten hebben ieder een verantwoordelijkheid voor hulp aan jongeren; gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor jeugdzorg en het rijk heeft een verantwoordelijkheid voor het functioneren van het systeem als zodanig, de stelselverantwoordelijkheid. Om gemeenten en rijk daarbij te ondersteunen is in de Jeugdwet een regeling opgenomen over het ontsluiten van beleidsinformatie. De beleidsinformatie betreft informatie over jeugdhulpgebruik en de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verstrekken hierover gegevens aan het CBS.

In deze rapportage staan de voorlopige resultaten over jeugdbescherming en jeugdreclassering in het eerste halfjaar van 2026. Deze cijfers worden vergeleken met de eerste halfjaren van 2022, 2023, 2024 en 2025. Het eerste hoofdstuk heeft betrekking op jeugdbescherming en het tweede hoofdstuk op jeugdreclassering. De resultaten over jeugdhulp worden in een aparte rapportage beschreven.

De in dit rapport gepubliceerde aantallen over het eerste halfjaar van 2026 zijn voorlopige resultaten, weergegeven met een asterisk (*). De resultaten over 2025 zijn nader voorlopig, aangeduid met **.

1. Jeugdbescherming

1.1 Jongeren met jeugdbescherming

Als de ontwikkeling van een kind of jongere ernstig wordt bedreigd en ouders de zorg die nodig is om de bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende accepteren, kan een rechter een jeugdbeschermingsmaatregel uitspreken. Hierbij kan het gezag van de ouder worden beperkt middels een ondertoezichtstelling, of kan het gezag worden toegewezen aan een gecertificeerde instelling, middels een voogdijmaatregel.

Op 30 juni 2026 stonden 17 975 jongeren onder toezicht. Op 31 december 2025 ging het om 17 875 jongeren (figuur 1.1.1). Nadat het aantal jongeren met ondertoezichtstelling is gestegen in de periode 2016 tot en met 2020, en daalde tussen 2021 en 2025, blijft het aantal in het eerste halfjaar van 2026 stabiel.

Op 30 juni 2026 gold voor 7 130 jongeren een voogdijmaatregel. Sinds 2016 lag dit aantal redelijk constant rond de 10 duizend, maar sinds 2021 nam dit aantal af (figuur 1.1.1). In het eerste halfjaar van 2026 zette deze daling door.

1.1.1 Jongeren met jeugdbescherming op peildatum¹⁾²⁾
DatumTotaal ondertoezichtstelling (aantal jongeren)Totaal voogdij (aantal jongeren)
2016204109890
20172070510075
20182112010120
20192207010070
20202309010085
2021223009750
2022198759330
2023185308755
2024180258120
2025**178757520
2026*179757130
¹⁾ Voor de jaren 2016 t/m 2025 wordt gekeken naar peildatum 31 december en voor 2026 naar peildatum 30 juni. ²⁾ Aantallen jongeren met OTS en voogdij in de jaren 2021 t/m 2024 zijn aangepast ten opzichte van eerdere publicaties, omdat daar ten onrechte halfjaarscijfers getoond werden in plaats van jaarcijfers.

1.2 Jeugdbeschermingsmaatregelen

Het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen is niet gelijk aan het aantal jongeren met een lopende jeugdbeschermingsmaatregel. Jongeren kunnen meerdere jeugdbeschermingsmaatregelen achter elkaar hebben gehad. Om deze reden kan het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen hoger zijn dan het aantal jongeren met jeugdbescherming in dezelfde periode.

Op 30 juni 2026 waren er ruim 25 duizend lopende jeugdbeschermingsmaatregelen. In ruim 70 procent van de gevallen betrof het een vorm van ondertoezichtstelling (OTS). Bij bijna 30 procent van de maatregelen ging het om een vorm van voogdij (tabel 1.2.1).

1.2.1 Jeugdbeschermingsmaatregelen per type maatregel, 1e halfjaar 2026*¹⁾
Peildatum
(1-1-
2026)
InstroomUitstroomPeildatum
(30-06-2026)
Totaal 25 165 4 315 4 415 25 065
Totaal ondertoezichtstelling 17 770 3 970 3 800 17 935
Ondertoezichtstelling 17 460 3 085 2 975 17 570
Voorlopige ondertoezichtstelling 310 885 830 370
Totaal voogdij 7 395 345 610 7 125
Voogdij 7 170 210 475 6 905
Voorlopige en tijdelijke voogdij 225 135 140 220
Bron: CBS.
1) Enkel actieve maatregelen worden meegeteld op de peildatumstanden. Dit betekent dat maatregelen die eindigen op de peildatum niet meetellen.

In de volgende secties worden zowel enkele kenmerken van jeugdbeschermingsmaatregelen als kenmerken van jongeren met jeugdbescherming uitgelicht. In paragraaf 1.3 tot en met paragraaf 1.5 gaat het over jeugdbeschermingsmaatregelen. In paragraaf 1.6 tot en met paragraaf 1.9 worden enkele kenmerken met betrekking tot jongeren met jeugdbescherming uitgelicht. In paragraaf 1.10 worden de aantallen machtigingen uithuisplaatsingen gepresenteerd, paragraaf 1.11 geeft het aandeel jongeren met jeugdbescherming per regio weer. Tot slot worden in paragraaf 1.12 de aantallen herhaald beroep gepresenteerd.

1.3 Aantal beëindigde maatregelen neemt af

In de eerste helft van 2026 nam het aantal beëindigde trajecten af met 7 procent, ten opzicht van de eerste helft van 2025 (figuur 1.3.1). Het aantal gestarte jeugdbeschermingstrajecten lag in de eerste helft van 2026 1 procent hoger dan in de eerste helft van 2025. Bij de ondertoezichtstellingen was sprake van een daling van 1 procent in de gestarte trajecten, en een daling van 11 procent in de beëindigde trajecten. Bij de voorlopige ondertoezichtstellingen was sprake van een toename van het aantal gestarte en beëindigde trajecten. Daarnaast werden meer ondertoezichtstellingen en voorlopige ondertoezichtstellingen gestart dan beëindigd.

Bij voogdijmaatregelen was sprake van een daling bij zowel de beëindigde als de gestarte trajecten. Er werden meer voogdijmaatregelen beëindigd dan gestart. Bij voorlopige en tijdelijke voogdijtrajecten was er ook sprake van een daling van het aantal beëindigde en gestarte trajecten.

1.3.1 Instroom en uitstroom jeugdbescherming
MaatregelUitstroom (maatregelen)Instroom (maatregelen)
Totaal
1e hj 2026*-44154315
1e hj 2025**-47254280
1e hj 2024-51504570
1e hj 2023-56154460
1e hj 2022-61604565
OTS
1e hj 2026*-29753085
1e hj 2025**-33303130
1e hj 2024-36653485
1e hj 2023-40503275
1e hj 2022-46703335
Vrl. OTS
1e hj 2026*-830885
1e hj 2025**-640710
1e hj 2024-635625
1e hj 2023-765670
1e hj 2022-695620
Voogdij
1e hj 2026*-475210
1e hj 2025**-590265
1e hj 2024-705330
1e hj 2023-655380
1e hj 2022-660470
Vrl. en tijd. voogdij
1e hj 2026*-140135
1e hj 2025**-160175
1e hj 2024-145130
1e hj 2023-145135
1e hj 2022-135135

1.4 Voogdijtrajecten meestal langer dan drie jaar

Van de beëindigde reguliere voogdijmaatregelen in het eerste halfjaar van 2026 duurde 83 procent drie jaar of langer (figuur 1.4.1). De meeste reguliere ondertoezichtstellingen duurden één tot drie jaar. Voorlopige ondertoezichtstellingen duurden vrijwel altijd korter dan 3 maanden; dit is officieel ook de maximale duur van een voorlopige OTS. Daarna dient deze ofwel te worden beëindigd ofwel te worden omgezet in een reguliere OTS. De meeste voorlopige voogdijmaatregelen duurden minder dan een half jaar.

1.4.1 Duur van beëindigde jeugdbeschermingsmaatregelen in het 1e halfjaar van 2026*
 0 tot 3 maanden (%)3 tot 6 maanden (%)6 tot 12 maanden (%)12 tot 36 maanden (%)36 maanden of langer (%)
Totaal19,73,915,134,426,9
OTS0,73,220,648,627
Vrl. OTS973
Voogdij4,31382,6
Vrl. voogdij33,333,333,3
Tijd. voogdij¹⁾
¹⁾ De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

De gemiddelde duur van de beëindigde reguliere voogdijmaatregelen is in het eerste halfjaar van 2026 met 46 dagen afgenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025. Daarnaast was de gemiddelde duur van voogdijmaatregelen met 2 742 dagen (ruim 7 jaar) langer dan die van de ondertoezichtstellingen (942 dagen of ruim 2,5 jaar). Sinds 2022 neemt de gemiddelde duur van ondertoezichtstellingen en voogdijmaatregelen over het algemeen toe (figuur 1.4.2). De gemiddelde duur van de tijdelijke voogdijtrajecten fluctueert over de jaren, dit komt mede doordat het om een zeer klein aantal beëindigde trajecten gaat per halfjaar.

1.4.2 Gemiddelde duur beëindigde maatregelen¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (dagen)1e hj 2025** (dagen)1e hj 2024 (dagen)1e hj 2023 (dagen)1e hj 2022 (dagen)
Totaal953999997934914
OTS942933939909858
Vrl. OTS7875757875
Voogdij27422585240424092303
Vrl. voogdij159147168137149
Tijd. voogdij9501168221820961798
¹⁾ Jeugdbeschermingsmaatregelen beëindigd in het eerste halfjaar.

1.5 Meeste ondertoezichtstellingen beëindigd volgens plan

In het eerste halfjaar van 2026 werden 4 415 jeugdbeschermingsmaatregelen beëindigd, waarvan 3 800 ondertoezichtstellingen en 610 voogdijmaatregelen (tabel 1.2.1). De meeste ondertoezichtstellingen werden in het eerste halfjaar van 2026, in lijn met eerdere jaren, beëindigd volgens plan (figuur 1.5.1). In het eerste halfjaar van 2026 zien we wel een daling in het aantal ondertoezichtstellingen dat werd beëindigd volgens plan. Het aantal voorlopige ondertoezichtstellingen (VOTS) dat overging in een ondertoezichtstelling (OTS) nam juist toe. Het aandeel ondertoezichtstellingen dat werd beëindigd vanwege het bereiken van meerderjarigheid, een gezagsbeëindigende maatregel of een tussentijdse opheffing nam in het eerste halfjaar van 2026 af ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 (figuur 1.5.1).

1.5.1 Reden beëindiging ondertoezichtstelling¹⁾
Reden beëindiging OTS1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Beëindiging volgens plan63,766,566,66665,3
VOTS naar OTS18,413,112,413,311,3
Bereiken meerderjarigheid10,111,313,110,411
Gezagsbeëindigende maatregel4,14,74,85,86,6
Tussentijdse opheffing3,74,53,14,45,8
Niet verlengd²⁾
Overlijden jeugdige²⁾
1) Ondertoezichtstellingen en voorlopige ondertoezichtstellingen, beëindigd in het eerste halfjaar. 2) De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

De meest voorkomende reden voor het beëindigen van voogdij in het eerste halfjaar van 2026 is, net zoals in eerdere jaren, het bereiken van de meerderjarigheid. Vanaf het eerste halfjaar van 2022 is er wel een daling te zien in het aandeel voogdijtrajecten met deze reden beëindiging (figuur 1.5.2). Het aandeel voogdijmaatregelen dat beëindigd werd door het herstellen van gezag neemt toe sinds 2022, met uitzondering van het eerste halfjaar van 2024.

1.5.2 Reden beëindiging voogdij¹⁾
 1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Bereiken meerderjarigheid61,461,566,972,774,2
Herstel gezag3226,320,120,619,2
Voogdij naar pleegouder6,69,78,76,76,6
Voogdij naar contactpersoon2,64,3
Overlijden jeugdige²⁾
1) Voogdij, tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij beëindigd in het eerste halfjaar. 2) De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy overwegingen niet gepubliceerd worden.

1.6 Samenloop jeugdbescherming met jeugdreclassering neemt toe

Van alle 0- tot 18-jarigen die in de eerste helft van 2026 jeugdbescherming ontvingen, had 3,1 procent in hetzelfde jaar ook een jeugdreclasseringsmaatregel lopen (figuur 1.6.1). Het aandeel jongeren dat in hetzelfde halfjaar jeugdbescherming en jeugdreclassering ontving neemt sinds de eerste helft van 2022 toe. Deze toename is zowel bij de ondertoezichtstellingen als bij de voogdij maatregelen te zien.

Het gaat in deze cijfers om alle jongeren die in het eerste halfjaar op enig moment jeugdbescherming ontvingen. Van hen is bepaald voor welk percentage ook een jeugdreclasseringsmaatregel gold in dezelfde periode.

1.6.1 Samenloop jeugdreclassering naar type jeugdbescherming¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Jeugdbescherming en jeugdreclassering
% van totaal aantal jongeren met jeugdbescherming3,12,82,72,32,2
Ondertoezichtstelling en jeugdreclassering²⁾
% van totaal aantal jongeren met ondertoezichtstelling3,63,23,12,72,6
Voogdij en jeugdreclassering³⁾
% van totaal aantal jongeren met voogdij1,81,61,71,31,1
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met een jeugdbeschermingsmaatregel. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij.

1.7 De meeste jongeren met een OTS krijgen ook jeugdhulp

In het eerste halfjaar van 2026 ontving 77 procent van de jongeren met een ondertoezichtstelling ook jeugdhulp (figuur 1.7.1). Het aandeel jongeren met een ondertoezichtstelling en jeugdhulp met en zonder verblijf is in het eerste halfjaar van 2026 iets afgenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025.

1.7.1 Samenloop ondertoezichtstelling met jeugdhulp¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
OTS en Jeugdhulp7779797877
OTS en JH zonder verblijf6567676664
w.v.
Wijkteam78887
Ambulant4144424140
Daghulp78787
Netwerk jongere3335353534
OTS en JH met verblijf3334343231
w.v.
Pleegzorg1516161516
Gezinsgericht67665
Gesloten plaatsing22222
Overig²⁾1415141312
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met een ondertoezichtstelling én jeugdhulp, als percentage van het totaal aantal jongeren met een ondertoezichtstelling. Jongeren met meerdere jeugdhulpvormen komen meerdere malen in de tabel voor. ²⁾ Verblijf bij een jeugdhulpaanbieder anders dan pleegzorg, gezinsgerichte jeugdhulp of gesloten plaatsing.

Van alle jongeren die een voogdijmaatregel hadden in het eerste halfjaar van 2026, ontving 92 procent daarnaast ook jeugdhulp (figuur 1.7.2). Het aandeel jongeren dat in het eerste halfjaar van 2026 naast voogdij ook jeugdhulp zonder verblijf kreeg, is ten opzichte van het eerste halfjaar van 2024 iets gedaald; van 49 naar 48 procent. In het eerste halfjaar van 2026 ontving 85 procent van de jongeren met voogdij daarbij ook jeugdhulp met verblijf. Dit percentage is lager dan in de jaren daarvoor, waarbij het ging om 87 procent in de eerste helft van 2025 en 88 procent in de halfjaren daarvoor. Niet alle jongeren met voogdij krijgen ook jeugdhulp met verblijf. Hieruit kan afgeleid worden dat er ook jongeren met voogdij zijn die op informele basis (dus zonder tussenkomst van jeugdhulpinstelling en/of pleegzorgaanbieder) in het eigen netwerk worden opgevangen, bijvoorbeeld door opa en oma.

1.7.2 Samenloop voogdij met jeugdhulp¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Voogdij en Jeugdhulp9293939493
Voogdij en JH zonder verblijf4849504846
w.v.
Wijkteam33333
Ambulant3536373534
Daghulp77776
Netwerk jongere1617171614
Voogdij en JH met verblijf8587888888
w.v.
Pleegzorg5559606163
Gezinsgericht1718181614
Gesloten plaatsing11112
Overig²⁾2122202019
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met voogdij én jeugdhulp, als percentage van het totaal aantal jongeren met voogdij. Jongeren met meerdere jeugdhulpvormen komen meerdere malen in de tabel voor. ²⁾ Verblijf bij een jeugdhulpaanbieder anders dan pleegzorg, gezinsgerichte jeugdhulp of gesloten plaatsing.

1.8 Bijna 1 procent van alle jongeren ontvangt jeugdbescherming

Van alle jongeren van 0 tot 18 jaar ontvangt 0,8 procent jeugdbescherming op 30 juni 2026. Bij jongeren die jeugdbescherming ontvingen ging het ongeveer even vaak om jongens als om meiden. In totaal ontvingen 12 880 jongens en 12 225 meiden op 30 juni 2026 jeugdbescherming (tabel 1.8.1).

1.8.1 Jongeren met jeugdbescherming naar geslacht, peildatum 30 juni 2026*1)
TotaalJongensMeiden
Totaal aantal jongeren2)328572516859351599795
Totaal aantal jongeren met jeugdbescherming251051288012225
Totaal ondertoezichtstelling1797592808695
Ondertoezichtstelling1759590908505
Voorlopige ondertoezichtstelling385195190
Totaal voogdij713036003530
Voogdij690535003405
Voorlopige en tijdelijke voogdij220100125
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar.
2) De peildatum voor alle jongeren in Nederland is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum voor jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

In de leeftijdscategorie van 12 tot 18 jaar waren er op 30 juni 2026 12 055 jongeren met jeugdbescherming; dit komt neer op 1 procent van alle jongeren in deze leeftijdsgroep (tabel 1.8.2). Van alle 8 tot 12-jarigen in Nederland ontvingen 6 415 (0,9 procent) jongeren jeugdbescherming. Van alle 4 tot 8-jarigen ontvingen 4 295 kinderen (0,6 procent) jeugdbescherming. De groep 0 tot 4-jarigen was het kleinst: 2 340 kinderen ontvingen jeugdbescherming (0,3 procent) (tabel 1.8.2).

1.8.2 Jongeren met jeugdbescherming naar leeftijd, peildatum 30 juni 2026*1)
TotaalLeeftijd: 0 tot 4 jaarLeeftijd: 4 tot 8 jaarLeeftijd: 8 tot 12 jaarLeeftijd: 12 tot 18 jaar
Totaal aantal jongeren2)32857256697257129407333601169705
Totaal aantal jongeren
met jeugdbescherming
2510523404295641512055
Totaal ondertoezicht-
stelling
179752005355046857740
Ondertoezichtstelling175951910348046157590
Voorlopige
ondertoezichtstelling
385957070150
Totaal voogdij713033574517354320
Voogdij690529571516954205
Voorlopige en
tijdelijke voogdij
220402540115
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar.
2) De peildatum voor alle jongeren in Nederland is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum voor jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

Bij alle vormen van jeugdbescherming is de groep jongeren van 12 tot 18 jaar gestegen in het eerste halfjaar van 2026 ten opzichte van het eerste halfjaar van 2022. De stijging was het grootst bij de voorlopige en tijdelijke voogdij trajecten; van 46 procent naar 52 procent (figuur 1.8.3). Bij voorlopige en tijdelijke voogdij is de groep 0 tot 4 jarigen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2022 gedaald. Bij de reguliere voogdij trajecten zien we in diezelfde periode een daling in de groep van 4 tot 8 jaar.

1.8.3 Jongeren naar leeftijd¹⁾²⁾
Jaar0 tot 4 jaar (%)4 tot 8 jaar (%)8 tot 12 jaar (%)12 tot 18 jaar (%)
Nederland
1e hj 2026*20,3821,722,3235,6
1e hj 2025**20,7921,3722,2535,58
1e hj 202420,8621,4322,2335,48
1e hj 202320,9521,3822,3235,35
1e hj 202220,9421,4422,3835,25
OTS
1e hj 2026*10,8619,7826,2343,14
1e hj 2025**10,5220,5926,3642,54
1e hj 202410,6520,4926,8741,96
1e hj 20239,942127,4341,63
1e hj 202210,4421,1527,3241,08
Vrl. OTS
1e hj 2026*24,6818,1818,1838,96
1e hj 2025**21,2116,6713,6448,48
1e hj 202422,8115,7915,7943,86
1e hj 202315,516,2818,9949,22
1e hj 202234,3620,0811,9733,59
Voogdij
1e hj 2026*4,2710,3524,5560,9
1e hj 2025**4,1312,224,8758,8
1e hj 20244,0613,6124,6357,76
1e hj 20234,5214,4925,0355,95
1e hj 20225,3415,224,0855,38
Vrl. en tijd. voogdij
1e hj 2026*18,1811,3618,1852,27
1e hj 2025**2012,732047,27
1e hj 202423,412,7717,0244,68
1e hj 202316,8810,9726,1645,99
1e hj 202224,7111,7917,8745,63
¹⁾ De cijfers over 2022 zijn vanwege herstel van een fout bij het berekenen van de aandelen per leeftijdsgroep licht gewijzigd ten opzichte van eerdere edities van deze rapportage. ²⁾ Voor het totaal aantal jongeren in Nederland is gekeken naar peildatum 1 januari en voor de jongeren met jeugdbescherming naar peildatum 30 juni.

1.9 Jeugdbescherming hangt samen met kenmerken van ouders en huishouden

Uit CBS-onderzoek is gebleken dat bepaalde achtergrondkenmerken van de ouders en het huishouden van de jongere in meer of mindere mate samenhang vertonen met het krijgen van jeugdbescherming. Dat wil overigens niet zeggen dat jeugdbescherming het gevolg is van deze kenmerken of een combinatie ervan. Van een aantal achtergrondkenmerken is in deze paragraaf weergegeven hoe de situatie van jongeren met jeugdbescherming afwijkt van de jongeren zonder jeugdbescherming.

De inzet van jeugdbescherming hangt samen met huishoudkenmerken van de jongere (figuur 1.9.1). Bij 77 procent van de Nederlandse jongeren woonden beide juridische ouders in hetzelfde huishouden. Voor jongeren met jeugdbescherming was dit 11 procent in de eerste helft van 2026. Een tegengesteld patroon is te zien voor kinderen uit huishoudens waar gebruik wordt gemaakt van ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of waarin zorgkosten zijn gemaakt voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dan wel GGZ-medicatie is voorgeschreven. Bijna 6 procent van alle kinderen in Nederland had te maken met Wmo-gebruik in het huishouden, en 25 procent met GGZ-zorg en/of GGZ-medicatie. Bij jongeren met jeugdbescherming was dit respectievelijk 38 en 50 procent. Daarnaast werd bij bijna 5 procent van alle jongeren in Nederland iemand in het huishouden als verdachte van een misdrijf aangemerkt. Bij jongeren met jeugdbescherming was dit bij 29 procent van de jongeren het geval (figuur 1.9.1).

1.9.1 Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudkenmerken¹⁾
JaarJa (%)Nee (%)
Ouders op hetzelfde adres
Nederland2543295742430
Totaal jeugdbescherming318024845
Ondertoezichtstelling²⁾253018140
Voogdij³⁾6506710
WMO in huishouden
Nederland1898903090160
Totaal jeugdbescherming1077516605
Ondertoezichtstelling²⁾765512905
Voogdij³⁾31203700
GGZ in huishouden
Nederland8268552453200
Totaal jeugdbescherming1400513370
Ondertoezichtstelling²⁾1050010060
Voogdij³⁾35053310
Verdachte in huishouden
Nederland1524153127635
Totaal jeugdbescherming812519255
Ondertoezichtstelling²⁾578514775
Voogdij³⁾23354480
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief voorlopige voogdij en tijdelijke voogdij.

 Ook het huishoudinkomen hangt samen met de inzet van jeugdbescherming (figuur 1.9.2). In Nederland woonden 447 duizend jongeren tot 18 jaar in een huishouden met een inkomen dat tot de laagste 20 procent behoort, het laagste kwintiel. Van hen ontving 3,1 procent jeugdbescherming. Het aandeel jongeren met jeugdbescherming daalt naarmate het huishoudinkomen hoger is. In de 20 procent rijkste huishoudens, het hoogste kwintiel, ontving 0,1 procent jeugdbescherming.

1.9.2 Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudinkomen¹⁾
JaarJongeren met jeugdbescherming (%)
Totaal jeugdbescherming
Totaal0,9
Laagste kwintiel3,1
2e kwintiel1,3
3e kwintiel0,4
4e kwintiel0,2
Hoogste kwintiel0,1
Ondertoezichtstelling²⁾
Totaal0,6
Laagste kwintiel2,3
2e kwintiel1
3e kwintiel0,4
4e kwintiel0,2
Hoogste kwintiel0,1
Voogdij³⁾
Totaal0,2
Laagste kwintiel0,8
2e kwintiel0,3
3e kwintiel0,1
4e kwintiel0
Hoogste kwintiel0
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij.

Daarnaast is er samenhang tussen de herkomst van een jongere en de inzet van jeugdbescherming (figuur 1.9.3). Van de jongeren die in Nederland zijn geboren heeft 0,9 procent jeugdbescherming. Bij jongeren die niet geboren zijn in Nederland gaat het ook om 0,9 procent. Bij jongeren met een herkomst uit Turkije en Indonesië is minder vaak sprake van jeugdbescherming dan het landelijke gemiddelde, ongeacht of ze geboren zijn in Nederland. Bij jongeren met een herkomst uit Suriname en het Nederlands-Caribisch gebied is relatief vaker sprake van jeugdbescherming, ongeacht of ze geboren zijn in Nederland. Jongeren met een ouder uit Marokko die zelf geboren zijn in Nederland hebben minder vaak jeugdbescherming (0,6 procent) dan jongeren die in Marokko geboren zijn (1,9 procent).

1.9.3. Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar herkomst¹⁾
 Jongeren met jeugdbescherming (%)
Totaal geboren in Nederland0,9
Nederland0,8
Europa (exclusief Nederland)1
Turkije0,5
Marokko0,6
Suriname1,8
Nederlands-Caribisch gebied2,5
Indonesië0,7
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië1
Totaal niet geboren in Nederland0,9
Europa (exclusief Nederland)0,9
Turkije0,4
Marokko1,9
Suriname1,1
Nederlands-Caribisch gebied2
Indonesië0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië0,8
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar.

1.10  Aantal jongeren met machtiging uithuisplaatsing stabiel

Sinds 2022 ontvangt het CBS van de gecertificeerde instellingen ook informatie over de machtigingen uithuisplaatsing (MUHP) die door een rechter zijn opgelegd. Een MUHP is geen op zichzelf staande maatregel maar gaat altijd samen met een ondertoezichtstelling. Als een kind onder toezicht wordt gesteld, dan blijft het kind meestal thuis wonen. Soms zijn de zorgen over het kind echter zo ernstig dat het beter is als het kind ergens anders gaat wonen en wordt er ook een MUHP opgelegd. Ook als ouders het zelf van belang vinden en het ermee eens zijn dat het kind ergens anders gaat wonen, is er een MUHP nodig. Bij een voogdijmaatregel gaat het kind altijd ergens anders wonen en legt de rechter geen afzonderlijke MUHP op.

In het eerste halfjaar van 2026 waren er 7 720 jeugdigen over wie de rechter een MUHP heeft uitgesproken (tabel 1.10.1). Dit is bijna gelijk aan het eerste halfjaar van 2025. Bij 6 510 jongeren werd de machtiging uithuisplaatsing opgelegd in combinatie met een OTS. Bij 1 110 jongeren ging het bij de start van de MUHP om een voorlopige OTS en dus om een spoedmachtiging uithuisplaatsing. Over 2 150 jongeren werd in het eerste halfjaar van 2026 een nieuwe MUHP uitgesproken. Van 2 385 jongeren liep de opgelegde MUHP af in het eerste halfjaar 2026.

Niet alle door de rechter opgelegde machtigingen worden in de praktijk ook ten uitvoer gelegd. Een MUHP vervalt als deze niet binnen drie maanden wordt uitgevoerd. Het is niet bekend hoeveel machtigingen niet worden uitgevoerd. In de tabel is wel te zien dat 6 130 jongeren met een MUHP ook jeugdhulp met verblijf ontvingen (5 355 in combinatie met een OTS; 775 in combinatie met een voorlopige OTS). De verwachting is dat bij deze jongeren allemaal een MUHP is opgelegd die vervolgens ook in de praktijk is uitgevoerd. Het is echter niet uit te sluiten dat bij meer jongeren een opgelegde MUHP ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Jongeren met een MUHP die zonder tussenkomst van een jeugdhulpinstelling of pleegzorgaanbieder op informele basis in het eigen netwerk worden opgevangen, bijvoorbeeld bij opa en oma, blijven namelijk buiten beeld.

1.10.1 Aantal jongeren met een door de rechter opgelegde machtiging uithuisplaatsing1) 2)
1e halfjaar 2026*1e halfjaar 2025**1e halfjaar 20241e halfjaar 20231e halfjaar 2022
TotaalTotaal 7 720 7 725 7 705 7 905 8 380
Totaal Waarvan i.c.m. OTS 6 510 6 355 6 235 6 360 6 795
Totaal Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 5 355 5 470 5 410 5 535 5 920
Totaal Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 1 155 885 825 825 875
Totaal Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 1 110 1 290 1 395 1 480 1 525
Totaal Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 775 1 030 1 135 1 240 1 315
Totaal Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 335 255 260 240 210
InstroomTotaal 2 150 2 115 2 055 2 075 2 070
Instroom Waarvan i.c.m. OTS 1 515 1 540 1 535 1 525 1 565
Instroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 1 035 1 205 1 235 1 255 1 285
Instroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 475 335 300 270 280
Instroom Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 610 555 490 535 490
Instroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 370 395 360 415 395
Instroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 240 165 130 115 95
UitstroomTotaal 2 135 2 050 2 055 2 180 2 385
Uitstroom Waarvan i.c.m. OTS 1 430 1 440 1 485 1 610 1 810
Uitstroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 1 140 1 160 1 200 1 325 1 480
Uitstroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 295 280 290 285 330
Uitstroom Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 685 600 555 560 555
Uitstroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 475 440 400 420 450
Uitstroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 210 160 150 140 105
Bron: CBS.
1) Dit betreft alle machtigingen uithuisplaatsingen (MUHP) die op enig moment in de verslagperiode liepen, ongeacht of ze vóór of in die periode gestart zijn en ongeacht of ze in of ná die periode beëindigd zijn.
2) In het geval een jongere in een periode meerdere machtigingen uithuisplaatsing had met verschillende typen jeugdbescherming, is de jongere meegeteld bij de machtigingen uithuisplaatsing i.c.m. een voorlopige OTS; als er zowel periodes met als periodes zonder jeugdhulp met verblijf waren, is de jongere meegeteld in de groep met jeugdhulp met verblijf.

1.11 Jeugdbescherming vooral in Limburg, Friesland en Zeeland

De vijf jeugdregio’s met het grootste aandeel jeugdbescherming waren Zuid-Limburg, Midden-Limburg Oost, Friesland, Zeeland en Midden-Limburg West (figuur 1.11.1 en tabel 1.11.3). In de gemeenten Heerlen, Hulst en Almelo kwamen met 1,8 procent of meer relatief veel jongeren met jeugdbescherming voor (zie figuur 1.11.2 voor het aandeel per gemeente). De laagst scorende regio’s liggen in Haarlemmermeer en Zuid Kennemerland (tabel 1.11.3).

1.11.1 Jeugdbescherming bij 0 tot 18-jarigen naar jeugdregio, 30 juni 2026*¹⁾
Jeugdzorgregios_naamaandeelJB (%)
Groningen0,98
Friesland(Frysl�n)1,12
KopvanNoord-Holland0,94
Drenthe0,8
WestFriesland0,76
Alkmaar(Noord-Kennemerland)0,87
IJsselland0,9
Flevoland0,83
Zaanstreek-Waterland0,57
IJmond(MiddenKennemerland)0,72
ZuidKennemerland0,45
Noord-Veluwe0,71
Amsterdam-Amstelland0,6
Twente1,06
Haarlemmermeer0,47
GooienVechtstreek0,52
MiddenIJssel/OostVeluwe0,79
HollandRijnland0,58
UtrechtWest0,5
Eemland0,55
FoodValley0,51
UtrechtStad0,64
ZuidoostUtrecht0,59
Haaglanden0,62
Achterhoek0,88
Lekstroom0,6
MiddenHolland0,64
CentraalGelderland0,78
Rijnmond0,84
Rivierenland0,57
Zuid-HollandZuid0,66
RijkvanNijmegen0,79
NoordoostBrabant0,72
WestBrabantOost0,71
Midden-Brabant(HartvanBrabant)0,76
WestBrabantWest0,76
Noord-Limburg0,98
Zeeland1,09
Zuidoost-Brabant0,67
Zuid-Limburg1,19
Midden-LimburgOost1,16
Midden-LimburgWest1,09
¹⁾ De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.11.2 Jeugdbescherming bij 0 tot 18-jarigen naar gemeente, 30 juni 2026*¹⁾
Gemeente_naamJeugdbescherming (%)
Groningen 1,03
Almere 0,77
Stadskanaal 1,42
Veendam 1,39
Zeewolde 1,01
Achtkarspelen 0,91
Ameland 0
Harlingen 1,13
Heerenveen 0,8
Leeuwarden 1,44
Ooststellingwerf 1,75
Opsterland 0,54
Schiermonnikoog 0
Smallingerland 1,5
Terschelling 0,15
Vlieland 0
Weststellingwerf 1,09
Assen 0,68
Coevorden 0,91
Emmen 1,16
Hoogeveen 0,66
Meppel 0,91
Almelo 1,8
Borne 0,54
Dalfsen 0,4
Deventer 1,15
Enschede 1,53
Haaksbergen 0,61
Hardenberg 0,75
Hellendoorn 0,34
Hengelo (O.) 1,3
Kampen 0,78
Losser 0,7
Noordoostpolder 0,58
Oldenzaal 0,86
Ommen 0,57
Raalte 0,88
Staphorst 0,72
Tubbergen 0,44
Urk 0,27
Wierden 0,33
Zwolle 1,1
Aalten 0,58
Apeldoorn 0,92
Arnhem 0,97
Barneveld 0,42
Beuningen 0,47
Brummen 0,84
Buren 0,85
Culemborg 0,43
Doesburg 1,71
Doetinchem 1,23
Druten 0,43
Duiven 0,56
Ede 0,47
Elburg 0,6
Epe 0,5
Ermelo 1,05
Harderwijk 0,61
Hattem 0,53
Heerde 0,39
Heumen 0,43
Lochem 0,27
Maasdriel 0,39
Nijkerk 0,54
Nijmegen 0,91
Oldebroek 0,6
Putten 0,59
Renkum 0,93
Rheden 1,19
Rozendaal 0
Scherpenzeel 0,29
Tiel 1,18
Voorst 0,71
Wageningen 0,49
Westervoort 0,82
Winterswijk 0,59
Wijchen 0,68
Zaltbommel 0,41
Zevenaar 0,78
Zutphen 1,15
Nunspeet 0,68
Dronten 0,66
Amersfoort 0,54
Baarn 0,46
De Bilt 0,64
Bunnik 0,37
Bunschoten 1,2
Eemnes 0,26
Houten 0,49
Leusden 0,27
Lopik 0,56
Montfoort 0,44
Renswoude 0,69
Rhenen 0,64
Soest 0,55
Utrecht 0,64
Veenendaal 0,64
Woudenberg 0,48
Wijk bij Duurstede 0,52
IJsselstein 0,76
Zeist 0,65
Nieuwegein 0,84
Aalsmeer 0,42
Alkmaar 1,11
Amstelveen 0,37
Amsterdam 0,65
Bergen (NH.) 0,36
Beverwijk 0,85
Blaricum 0,07
Bloemendaal 0,28
Castricum 0,55
Diemen 0,44
Edam-Volendam 0,33
Enkhuizen 0,89
Haarlem 0,5
Haarlemmermeer 0,47
Heemskerk 0,74
Heemstede 0,21
Heiloo 0,33
Den Helder 1,62
Hilversum 0,62
Hoorn 0,79
Huizen 0,54
Landsmeer 0,93
Laren (NH.) 0,28
Medemblik 0,96
Oostzaan 0,44
Opmeer 0,48
Ouder-Amstel 0,35
Purmerend 0,54
Schagen 0,52
Texel 0,64
Uitgeest 0,75
Uithoorn 0,49
Velsen 0,64
Zandvoort 0,77
Zaanstad 0,64
Alblasserdam 0,78
Alphen aan den Rijn 0,53
Barendrecht 0,47
Drechterland 0,26
Capelle aan den IJssel 0,72
Delft 0,86
Dordrecht 0,75
Gorinchem 0,67
Gouda 0,99
's-Gravenhage 0,72
Hardinxveld-Giessendam 0,36
Hendrik-Ido-Ambacht 0,43
Stede Broec 0,99
Hillegom 0,46
Katwijk 0,6
Krimpen aan den IJssel 0,63
Leiden 0,77
Leiderdorp 0,42
Lisse 0,82
Maassluis 0,56
Nieuwkoop 0,69
Noordwijk 0,49
Oegstgeest 0,41
Oudewater 0,25
Papendrecht 0,96
Ridderkerk 0,69
Rotterdam 1,05
Rijswijk (ZH.) 0,66
Schiedam 0,86
Sliedrecht 0,54
Albrandswaard 0,24
Vlaardingen 1
Voorschoten 0,36
Waddinxveen 0,48
Wassenaar 0,3
Woerden 0,54
Zoetermeer 0,72
Zoeterwoude 0,33
Zwijndrecht 1,05
Borsele 1,03
Goes 1,37
West Maas en Waal 0,38
Hulst 1,81
Kapelle 0,6
Middelburg (Z.) 1,08
Reimerswaal 0,62
Terneuzen 1,39
Tholen 0,85
Veere 0,7
Vlissingen 1,56
De Ronde Venen 0,61
Tytsjerksteradiel 0,57
Asten 0,55
Baarle-Nassau 0,87
Bergen op Zoom 0,78
Best 0,39
Boekel 0,32
Boxtel 0,83
Breda 0,73
Deurne 0,33
Pekela 1
Dongen 0,34
Eersel 0,41
Eindhoven 0,92
Etten-Leur 0,48
Geertruidenberg 1,02
Gilze en Rijen 0,55
Goirle 0,58
Helmond 0,89
's-Hertogenbosch 0,81
Heusden 0,49
Hilvarenbeek 0,28
Loon op Zand 0,58
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,45
Oirschot 0,24
Oisterwijk 0,47
Oosterhout 0,71
Oss 0,86
Rucphen 1
Sint-Michielsgestel 0,41
Someren 0,34
Son en Breugel 0,39
Steenbergen 0,63
Waterland 0,56
Tilburg 1,06
Valkenswaard 0,82
Veldhoven 0,51
Vught 0,3
Waalre 0,37
Waalwijk 0,63
Woensdrecht 0,5
Zundert 0,65
Wormerland 0,25
Landgraaf 1,4
Beek (L.) 0,72
Beesel 1,66
Bergen (L.) 0,81
Brunssum 1,14
Gennep 0,83
Heerlen 2,02
Kerkrade 1,7
Maastricht 1,31
Meerssen 0,25
Mook en Middelaar 0,42
Nederweert 1,03
Roermond 1,14
Simpelveld 1,27
Stein (L.) 0,64
Vaals 0,69
Venlo 1,36
Venray 0,79
Voerendaal 0,24
Weert 1,13
Valkenburg aan de Geul 1,03
Lelystad 1,45
Horst aan de Maas 0,53
Oude IJsselstreek 1,02
Teylingen 0,61
Utrechtse Heuvelrug 0,56
Oost Gelre 0,82
Koggenland 0,51
Lansingerland 0,18
Leudal 1,07
Maasgouw 0,76
Gemert-Bakel 0,39
Halderberge 0,82
Heeze-Leende 0,34
Laarbeek 0,45
Reusel-De Mierden 0,49
Roerdalen 1,06
Roosendaal 0,94
Schouwen-Duiveland 0,54
Aa en Hunze 0,63
Borger-Odoorn 1,1
De Wolden 0,54
Noord-Beveland 0,92
Wijdemeren 0,43
Noordenveld 0,74
Twenterand 1,36
Westerveld 0,62
Lingewaard 0,49
Cranendonck 0,86
Steenwijkerland 0,81
Moerdijk 0,79
Echt-Susteren 1,53
Sluis 0,82
Drimmelen 0,62
Bernheze 0,6
Alphen-Chaam 0,55
Bergeijk 0,52
Bladel 0,64
Gulpen-Wittem 0,47
Tynaarlo 0,44
Midden-Drenthe 0,6
Overbetuwe 0,23
Hof van Twente 0,82
Neder-Betuwe 0,58
Rijssen-Holten 0,43
Geldrop-Mierlo 0,88
Olst-Wijhe 1,02
Dinkelland 0,42
Westland 0,31
Midden-Delfland 0,34
Berkelland 0,91
Bronckhorst 0,66
Sittard-Geleen 1,15
Kaag en Braassem 0,6
Dantumadiel 1,16
Zuidplas 0,34
Peel en Maas 0,65
Oldambt 1,47
Zwartewaterland 0,7
S�dwest-Frysl�n 1,14
Bodegraven-Reeuwijk 0,44
Eijsden-Margraten 0,32
Stichtse Vecht 0,43
Hollands Kroon 0,68
Leidschendam-Voorburg 0,49
Goeree-Overflakkee 0,36
Pijnacker-Nootdorp 0,22
Nissewaard 1,01
Krimpenerwaard 0,75
De Fryske Marren 0,93
Gooise Meren 0,52
Berg en Dal 1,02
Meierijstad 0,61
Waadhoeke 1,26
Westerwolde 1,21
Midden-Groningen 0,96
Beekdaelen 0,64
Montferland 0,86
Altena 0,59
West Betuwe 0,32
Vijfheerenlanden 0,41
Hoeksche Waard 0,54
Het Hogeland 0,59
Westerkwartier 0,36
Noardeast-Frysl�n 0,95
Molenlanden 0,43
Eemsdelta 1,22
Dijk en Waard 0,97
Land van Cuijk 0,78
Maashorst 0,87
Voorne aan Zee 0,65
¹⁾ De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.11.3 Jeugdregio's met de hoogste en laagste aandelen jongeren met jeugdbescherming, peildatum 30 juni 2026*1)
% van het totale aantal personen van 0 tot 18 jaar2)
Hoogste aandelenZuid-Limburg 1,19
Hoogste aandelenMidden-Limburg Oost 1,16
Hoogste aandelenFriesland (Fryslân) 1,12
Hoogste aandelenZeeland 1,09
Hoogste aandelenMidden-Limburg West 1,09
Laagste aandelenZuid Kennemerland 0,45
Laagste aandelenHaarlemmermeer 0,47
Laagste aandelenUtrecht West 0,5
Laagste aandelenFood Valley 0,51
Laagste aandelenGooi en Vechtstreek 0,52
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar met jeugdbescherming.
2) De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.12 Herhaald beroep jeugdbescherming

Van de ondertoezichtstellingen die in het eerste halfjaar van 2026 zijn gestart ging het in 8,5 procent van de maatregelen om een herhaald beroep (figuur 1.12.1). Dat wil zeggen dat deze jongere in het betreffende kalenderjaar of in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren al eens eerder een ondertoezichtstelling heeft gehad. In het eerste halfjaar van 2026 is ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 sprake van een daling bij herhaald beroep van ondertoezichtstellingen. Bij voogdijmaatregelen in het eerste halfjaar van 2026 zien we een stijging ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025, van 1,8 naar 3,8 procent. Het gaat hier echter om kleine absolute aantallen.

1.12.1 Herhaald beroep jeugdbescherming¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Ondertoezichtstelling²⁾8,59,612,511,29,7
Voogdij²⁾3,81,88,32,53
¹⁾ Hierbij wordt teruggekeken naar de betreffende periode én de 5 daaraan voorafgaande kalenderjaren. ²⁾ Jeugdbeschermingsmaatregelen gestart in de betreffende periode.

2. Jeugdreclassering

Jongeren vanaf 12 jaar die voor hun 18e verjaardag in aanraking zijn gekomen met de politie of een leerplichtambtenaar kunnen jeugdreclassering (opgelegd) krijgen. Bij jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar kan ook het jeugdstrafrecht toegepast worden op grond van het adolescentenstrafrecht, indien het ontwikkelingsniveau van de dader daartoe aanleiding geeft. De jongere krijgt op maat gesneden begeleiding van een jeugdreclasseringswerker om te voorkomen dat hij of zij opnieuw de fout ingaat.

Er zijn verschillende vormen van jeugdreclassering:

  • Toezicht en begeleiding in het gedwongen kader (T&B gedwongen kader)
  • Toezicht en begeleiding in het vrijwillige kader (T&B vrijwillig kader)
  • Individuele trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern)
  • Individuele trajectbegeleiding Criminaliteit in Relatie tot Integratie van Etnische Minderheden (ITB CRIEM)
  • Scholings- en trainingsprogramma’s
  • (Voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel

Meer informatie over de verschillende vormen van jeugdreclassering is terug te vinden in de begrippenlijst.

2.1 Jongeren met jeugdreclassering

Op de peildatum 30 juni 2026 hadden 6 040 jongeren een jeugdreclasseringsmaatregel. Van 2011 tot 2022 daalde het aantal jongeren met een jeugdreclasseringsmaatregel, maar daarna nam het aantal toe, tot 2025. Het aantal jongeren met jeugdreclassering aan het einde van het eerste halfjaar 2026 is vergelijkbaar met het aantal op 31 december 2025.

2.1.1 Jongeren met jeugdreclassering1)2)3)4)
JaarJeugdreclassering (aantal jongeren)
201111110
201210830
20139210
20147790
20157590
20166735
20176420
20185925
20195915
20205440
20215005
20224940
20235200
20245740
2025**5995
2026*6040
1) Personen van 12 tot 23 jaar met één of meerdere jeugdreclasseringsmaatregelen. 2) Voor de jaren 2005 t/m 2025 wordt gekeken naar peildatum 31 december en voor 2026 naar peildatum 30 juni. 3) Door invoering van de Jeugdwet treedt in 2015 een methodebreuk op. 4) Aantallen jongeren met jeugdreclassering in de jaren 2022 t/m 2024 zijn aangepast ten opzichte van eerdere publicaties, omdat daar ten onrechte halfjaarscijfers getoond werden in plaats van jaarcijfers.

2.2 Jeugdreclasseringsmaatregelen

Aan het einde van het eerste halfjaar van 2026 waren 6 105 jeugdreclasseringsmaatregelen van kracht (tabel 2.2.1). Het aantal jongeren met een lopende jeugdreclasseringsmaatregel in het eerste halfjaar van 2026 is niet gelijk aan het aantal jeugdreclasseringsmaatregelen dat op enig moment actief is geweest in het eerste halfjaar 2026: jongeren kunnen gedurende de periode meerdere jeugdreclasseringsmaatregelen achter elkaar hebben gehad. Om deze reden is het aantal jeugdreclasseringsmaatregelen hoger dan het aantal jongeren met jeugdreclassering in dezelfde periode.

Op 30 juni 2026 waren er meer maatregelen T&B gedwongen kader dan aan het begin van het eerste halfjaar (5 400 maatregelen aan het einde van het eerste halfjaar van 2026). Ook voor de T&B vrijwillig kader, ITB Harde Kern en ITB CRIEM was het aantal maatregelen op 30 juni 2026 iets hoger dan aan het begin van het jaar. De (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel en het scholings- en trainingsprogramma komen niet of nauwelijks voor (tabel 2.2.1).

2.2.1 Jeugdreclasseringsmaatregelen, per type maatregel, 1e halfjaar 2026*1)
Peildatum
(1-1-2026)
InstroomUitstroomPeildatum
(30-6-2026)
Totaal5885341531906105
Toezicht en begeleiding:
gedwongen kader
5225215019755400
Toezicht en begeleiding: vrijwillig51010851065530
Individuele trajectbegeleiding
Harde Kern
115125105135
Individuele trajectbegeleiding CRIEM20403530
Scholings- en trainingsprogramma....
Gedragsbeïnvloedende maatregel1010.15
Voorbereiding gedrags-
beïnvloedende maatregel
....
Bron: CBS.
1) Enkel actieve maatregelen worden meegeteld op de peildatumstanden. Dit betekent dat maatregelen die eindigen op de peildatum niet meetellen.

In de navolgende secties worden zowel kenmerken van jeugdreclasseringsmaatregelen, als jongeren met jeugdreclassering uitgelicht. In paragraaf 2.3 tot en met paragraaf 2.4 gaat het over jeugdreclasseringsmaatregelen. In paragraaf 2.5 tot en met paragraaf 2.7 worden enkele kenmerken met betrekking tot jongeren met jeugdreclassering uitgelicht. Paragraaf 2.8 geeft het aandeel jongeren met jeugdreclassering per regio weer en in paragraaf 2.9 worden de aantallen herhaald beroep gepresenteerd.

2.3 Meer trajecten gestart dan beëindigd

De instroom van jeugdreclasseringsmaatregelen is in het eerste halfjaar van 2026 ongeveer gelijk gebleven aan het eerste halfjaar van 2025 (figuur 2.3.1). Ook de uitstroom is in het eerste halfjaar 2026 ongeveer gelijk gebleven aan de eerste helft van 2025.

In het eerste halfjaar van 2026 zijn meer jeugdreclasseringsmaatregelen gestart dan beëindigd. Bij T&B in het gedwongen kader zijn 175 meer maatregelen gestart dan beëindigd in het eerste halfjaar van 2026. Ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 blijven de instroom en uitstroom bij T&B trajecten in het gedwongen kader vrijwel gelijk. Bij T&B in het vrijwillig kader is de instroom afgenomen met 2 procent ten opzichte van een jaar eerder, en is de uitstroom toegenomen met 2 procent (figuur 2.3.1). In het eerste halfjaar van 2026 zijn de instroom en uitstroom van trajecten ITB Harde Kern en ITB CRIEM ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 (figuur 2.3.1).

2.3.1 Instroom en uitstroom jeugdreclassering¹⁾
MaatregelUitstroom (maatregelen)Instroom (maatregelen)
Totaal²⁾
1e hj 2026*-31903415
1e hj 2025**-31553440
1e hj 2024-30253300
1e hj 2023-29653050
1e hj 2022-26252700
T&B gedwongen
1e hj 2026*-19752150
1e hj 2025**-19502180
1e hj 2024-17802040
1e hj 2023-18301865
1e hj 2022-16401690
T&B vrijwillig
1e hj 2026*-10651085
1e hj 2025**-10401105
1e hj 2024-10651095
1e hj 2023-9601005
1e hj 2022-825855
ITB Harde Kern
1e hj 2026*-105125
1e hj 2025**-115115
1e hj 2024-125125
1e hj 2023-130125
1e hj 2022-10090
ITB CRIEM
1e hj 2026*-3540
1e hj 2025**-4030
1e hj 2024-5035
1e hj 2023-4045
1e hj 2022-5055
Overig²⁾
1e hj 2026*-1015
1e hj 2025**-1010
1e hj 2024
1e hj 2023-1010
1e hj 202210
Bron: CBS,
¹⁾ Jeugdreclasseringsmaatregelen bij personen van 12 tot 23 jaar. ²⁾ Sommige aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

2.4 Gemiddelde duur neemt iets toe

Van alle afgesloten jeugdreclasseringsmaatregelen duurden de maatregelen T&B in het gedwongen kader het langst. Van deze maatregelen duurde 48 procent een jaar of langer, waarvan de meesten 1 tot 2 jaar (figuur 2.4.1). De andere vormen van jeugdreclassering duurden meestal korter dan 3 maanden, met uitzondering van ITB Harde Kern, waar 53 procent van de trajecten 3 tot 6 maanden duurde.

2.4.1 Duur van beëindigde jeugdreclasseringsmaatregelen in het eerste halfjaar van 2026*
Maatregel0 tot 3 maanden (%)3 tot 6 maanden (%)6 tot 12 maanden (%)12 tot 24 maanden (%)24 tot 36 maanden (%)36 maanden of langer (%)
Totaal32,418,518,825,43,61,3
T&B: gedwongen kader12,518,221,939,85,72,0
T&B: vrijwillig kader69,415,812,62,2
ITB Harde Kern18,652,928,4
ITB Criem100
Overig²⁾
¹⁾ Scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel. De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

De gemiddelde duur van de beëindigde maatregelen is in het eerste halfjaar van 2026 gestegen van 297 tot 302 dagen, wat een toename is van 2 procent ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 (figuur 2.4.2). De gemiddelde duur van de maatregelen T&B in het gedwongen kader nam toe met 10  dagen, terwijl de gemiddelde duur van T&B trajecten in het vrijwillig kader gelijk bleef. Bij ITB Harde Kern is de gemiddelde duur met 4 dagen afgenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025. Bij ITB CRIEM is de gemiddelde duur met 11 dagen toegenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025.

2.4.2 Gemiddelde duur beëindigde maatregelen¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (dagen)1e hj 2025** (dagen)1e hj 2024 (dagen)1e hj 2023 (dagen)1e hj 2022 (dagen)
Totaal302297299320327
T&B gedwongen428418438450456
T&B vrijwillig86868798101
ITB Harde Kern190194200187215
ITB CRIEM120109111109100
Overig¹⁾16122019720866
¹⁾ Jeugdreclasseringsmaatregelen die werden beëindigd in de eerste helft van het jaar. ²⁾ Scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel.

2.5 Bijna vijf op de tien jongeren met jeugdreclassering ontvangen ook jeugdhulp

Jeugdreclassering ging in bijna vijf op de tien gevallen gepaard met de inzet van jeugdhulp (figuur 2.5.1). Dit is minder dan bij jeugdbescherming, waar 77 procent van de jongeren met een ondertoezichtstelling en 92 procent van de jongeren met voogdij ook jeugdhulp ontving (figuur 1.7.1 en 1.7.2). Hierbij moet nog wel worden opgemerkt dat een deel van de jongeren met jeugdreclassering ouder is dan 18 jaar en aanvullende zorg en hulp mogelijk ook kan worden ontvangen vanuit andere zorgdomeinen (de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Zorgverzekeringswet).

Het aandeel jongeren dat naast een jeugdreclasseringsmaatregel ook jeugdhulp ontving, daalde ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 met 7 procent (figuur 2.5.1). Deze daling is te zien bij trajecten T&B in het gedwongen kader en bij ITB Harde Kern.

2.5.1 Samenloop jeugdhulp naar type jeugdreclassering¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (% van totaal jongeren met dit type jeugdreclassering)1e hj 2025** (% van totaal jongeren met dit type jeugdreclassering)1e hj 2024 (% van totaal jongeren met dit type jeugdreclassering)1e hj 2023 (% van totaal jongeren met dit type jeugdreclassering)1e hj 2022 (% van totaal jongeren met dit type jeugdreclassering)
Totaal jongeren met jeugdreclassering en ook jeugdhulp49,25350,948,946,4
Toezicht en begeleiding: gedwongen kader49,252,951,449,446,8
Toezicht en begeleiding: vrijwillig kader48,555,346,745,442,4
Individuele trajectbegeleiding Harde Kern61,258,852,259,260,7
Individuele trajectbegeleiding CRIEM33,333,3
Overig2)84,690,9
¹⁾ Personen van 12 tot 23 jaar met een jeugdreclasseringsmaatregel op peildatum 30 juni die tegelijkertijd jeugdhulp ontvingen. ²⁾ Scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel. De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

2.6 Jongens vaker in jeugdreclassering dan meiden

Op 30 juni 2026 waren meer jeugdreclasseringsmaatregelen bij jongens dan bij meiden van kracht. Dit geldt voor ieder type jeugdreclassering. In totaal waren er 5 105 jongens en 935 meiden met één of meer jeugdreclasseringsmaatregelen (tabel 2.6.1). Ook relatief gezien kwam jeugdreclassering vaker voor bij jongens dan bij meiden, respectievelijk bij 0,4 en 0,1 procent.

2.6.1 Jongeren met jeugdreclassering naar geslacht, peildatum 30 juni 2026*1)
TotaalGeslacht: JongensGeslacht: Meiden
Totaal aantal jongeren2)229078511767651114020
Totaal aantal jongeren met jeugdreclassering60405105935
Toezicht en begeleiding: gedwongen kader54154535880
Toezicht en begeleiding: vrijwillig54548560
Individuele traject-begeleiding Harde Kern135135.
Individuele traject-begeleiding CRIEM3025.
Overig3)1515.
Bron: CBS.
1) Personen van 12 tot 23 jaar met jeugdreclasseringsmaatregelen op peildatum 30 juni 2026.
2) De peildatum voor alle jongeren in Nederland is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum voor jongeren met jeugdreclassering (30 juni 2026).
3) Scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel.

Het aandeel meiden met een jeugdreclasseringsmaatregel is, met uitzondering van T&B in het vrijwillig kader, gelijk gebleven ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025. Bij T&B in het vrijwillig kader neemt het aandeel meiden toe van 9 procent in het eerste halfjaar van 2025 naar 11 procent in het eerste halfjaar van 2026 (figuur 2.6.2).

2.6.2 Jongeren naar geslacht¹⁾²⁾
MaatregelJongens (%)Meiden (%)
Nederland
1e hj 2026*51,448,6
1e hj 2025**51,248,8
1e hj 202451,148,9
1e hj 20235149
1e hj 20225149
T&B gedwongen
1e hj 2026*83,716,3
1e hj 2025**83,616,4
1e hj 202484,815,2
1e hj 202386,413,6
1e hj 202287,112,9
T&B vrijwillig
1e hj 2026*89,210,8
1e hj 2025**90,89,2
1e hj 202487,112,9
1e hj 202388,311,8
1e hj 202288,811,2
Overig³⁾
1e hj 2026*98,91,1
1e hj 2025**97,52,5
1e hj 202493,66,4
1e hj 202394,15,9
1e hj 202296,53,5
¹⁾ Personen van 12 tot 23 jaar. ²⁾ Voor het totaal aantal jongeren in Nederland is gekeken naar peildatum 1 januari en voor de jongeren met jeugdreclassering naar 30 juni. ³⁾ ITB Harde Kern, ITB CRIEM, scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel.

De groep 15 tot 18-jarigen was relatief gezien het grootst in de jeugdreclassering; 0,5 procent van alle personen in deze leeftijdsklasse ontving jeugdreclassering. Bij de 18 tot 23-jarigen was dit 0,2 procent. Bij de 12 tot 15-jarigen lag dit aandeel flink lager, namelijk 0,1 procent (tabel 2.6.3).

Het aandeel 15 tot 18-jarigen is bij T&B trajecten in het gedwongen kader in het eerste halfjaar van 2026 gelijk gebleven ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 (figuur 2.6.4). In de jaren daarvoor nam het aandeel 15 tot 18-jarigen toe ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen.

Bij T&B in het vrijwillig kader nam het aandeel 15 tot 18-jarigen af van 63 procent tot 57 procent, terwijl het aandeel 15 tot 18-jarigen bij overige maatregelen juist toenam van 56 tot 64 procent.

2.6.4 Jongeren naar leeftijd¹⁾
Maatregel12 tot 14 jaar (%)15 tot 18 jaar (%)18 tot 23 jaar (%)
Nederland
1e hj 2026*24,826,348,9
1e hj 2025**25,125,949
1e hj 202425,325,649,2
1e hj 202325,425,449,3
1e hj 202225,225,749,1
T&B gedwongen
1e hj 2026*5,350,444,3
1e hj 2025**5,450,244,4
1e hj 20245,448,945,7
1e hj 20235,446,947,7
1e hj 20224,943,152
T&B vrijwillig
1e hj 2026*9,556,434,1
1e hj 2025**10,862,926,4
1e hj 20248,957,733,4
1e hj 20238,65536,4
1e hj 2022756,136,9
Overig²⁾
1e hj 2026*6,363,630,1
1e hj 2025**7,456,436,2
1e hj 20245,164,330,6
1e hj 20237,160,432,5
1e hj 2022753,839,2
¹⁾ Voor het totaal aantal jongeren in Nederland is gekeken naar peildatum 1 januari en voor jongeren met jeugdreclassering naar peildatum 30 juni. ²⁾ ITB Harde Kern, ITB CRIEM, scholings- en trainingsprogramma en (voorbereiding) gedragsbeïnvloedende maatregel.

2.7 Jeugdreclassering hangt samen met kenmerken van ouders en huishouden

Uit CBS-onderzoek is gebleken dat bepaalde achtergrondkenmerken van de ouders en het huishouden van de jongeren in meer of mindere mate samenhang vertonen met het krijgen van jeugdreclassering. Dat wil overigens niet zeggen dat jeugdreclassering het gevolg is van deze kenmerken of een combinatie ervan. Van een aantal achtergrondkenmerken is in deze paragraaf weergegeven hoe de situatie van jongeren met jeugdreclassering afwijkt van jongeren zonder jeugdreclassering in het eerste halfjaar van 2026.

De inzet van jeugdreclassering hangt samen met huishoudkenmerken van de jongeren (figuur 2.7.1). Bij 64 procent van de Nederlandse jongeren van 12 tot 23 jaar woonden beide juridische ouders in hetzelfde huishouden. Voor jongeren met jeugdreclassering was dit 27 procent. Een tegengesteld patroon is te zien bij kinderen uit huishoudens waar gebruik wordt gemaakt van ondersteuning op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) of waarin zorgkosten zijn gemaakt voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dan wel GGZ-medicatie is voorgeschreven. Bijna 8 procent van alle jongeren in Nederland had te maken met WMO-gebruik in het huishouden, en 29 procent met GGZ-zorg en/of medicatie. Bij jongeren met jeugdreclassering was dit respectievelijk ruim 20 en 37 procent. Tot slot werd bij 18 procent van de jongeren met jeugdreclassering iemand in het huishouden als verdachte van een misdrijf aangemerkt, tegenover ruim 4 procent van alle jongeren in Nederland.

2.7.1 Jongeren met jeugdreclassering in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudkenmerken¹⁾
JaarJa (%)Nee (%)
Ouders op hetzelfde adres
Nederland1462570828210
Totaal jeugdreclassering19755240
WMO in huishouden
Nederland1720852096185
Totaal jeugdreclassering14555595
GGZ in huishouden
Nederland6546351613640
Totaal jeugdreclassering26754375
Verdachte in huishouden
Nederland999902168280
Totaal jeugdreclassering13005750
¹⁾ Jeugdreclasseringsmaatregelen bij personen van 12 tot 23 jaar.

Ook het huishoudinkomen hangt samen met de inzet van jeugdreclassering (figuur 2.7.2). In Nederland woonden in 2026 ruim 261 duizend jongeren van 12 tot 23 jaar in een huishouden met een inkomen dat tot de laagste 20 procent behoort. Van hen ontving 1 procent jeugdreclassering. Het aandeel jongeren met jeugdreclassering daalt naarmate het huishoudinkomen hoger is. In de 20 procent rijkste huishoudens ontving 0,1 procent jeugdreclassering.

2.7.2 Jongeren met jeugdreclassering in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudinkomen¹⁾
JaarJongeren met jeugdreclassering (%)
Totaal jeugdreclassering
Totaal0,3
Laagste kwintiel1
2e kwintiel0,6
3e kwintiel0,3
4e kwintiel0,1
Hoogste kwintiel0,1
¹⁾ Personen van 0 tot 23 jaar.

Daarnaast vertoont de herkomst van de jongere samenhang met de inzet van jeugdreclassering (figuur 2.7.3). Voor jongeren geboren in Nederland was bij 0,3 procent sprake van jeugdreclassering. Voor jongeren die niet geboren zijn in Nederland was dit 0,4 procent. Bij jongeren die geboren zijn in Nederland waarvan minstens een ouder is geboren in het Nederlands-Caribisch gebied of in Suriname was relatief het vaakst sprake van jeugdreclassering, respectievelijk 1,7 procent en 1 procent. Daarnaast was bij jongeren met een Marokkaanse herkomst relatief vaak sprake van jeugdreclassering. Voor jongeren die geboren zijn in Nederland ging het om 0,7 procent, en bij jongeren die niet geboren zijn in Nederland om 1,5 procent. Bij jongeren die geboren zijn in Nederland met een Nederlandse herkomst, en bij jongeren die niet geboren zijn in Nederland met een herkomst uit Europa, Turkije of Indonesië was minder vaak sprake van jeugdreclassering ten opzichte van het landelijke gemiddelde.

2.7.3. Jongeren met jeugdreclassering in het 1e halfjaar van 2026* naar herkomst¹⁾
 Jongeren met jeugdreclassering (%)
Totaal geboren in Nederland0,3
Nederland0,2
Europa (exclusief Nederland)0,4
Turkije0,4
Marokko0,7
Suriname1
Nederlands-Caribisch gebied1,7
Indonesië0,3
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië0,6
Totaal niet geboren in Nederland0,4
Europa (exclusief Nederland)0,2
Turkije0,2
Marokko1,5
Suriname0,9
Nederlands-Caribisch gebied1
Indonesië0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië0,6
¹⁾ Personen van 12 tot 23 jaar.

2.8 Jeugdreclassering vooral in Rotterdam en Amsterdam

In de regio’s Rotterdam en Amsterdam woonden relatief veel jongeren met jeugdreclassering (zie figuur 2.8.1 voor het aandeel per arrondissement). Ook in de gemeenten Schiedam, Rotterdam, Westerwolde en Nissewaard kwamen met meer dan 0,6 procent relatief veel jongeren met jeugdreclassering voor (zie figuur 2.8.2 voor het aandeel per gemeente).

2.8.1 Jeugdreclassering naar arrondissement, peildatum 30 juni 2026*1)
ArrondissementenJeugdreclassering (%)
Amsterdam0,34
Noord-Holland0,24
Gelderland0,20
Midden-Nederland0,23
Noord-Nederland0,29
Overijssel0,25
DenHaag0,22
Rotterdam0,47
Limburg0,25
Oost-Brabant0,21
Zeeland-West-Brabant0,22
1) De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdreclassering (30 juni 2026).

2.8.2 Jeugdreclassering naar gemeente, 30 juni 2026*¹⁾
Gemeente_naamJeugdreclassering (%)
Groningen 0,24
Almere 0,56
Stadskanaal 0,48
Veendam 0,23
Zeewolde 0,19
Achtkarspelen 0,1
Ameland 0
Harlingen 0,55
Heerenveen 0,4
Leeuwarden 0,35
Ooststellingwerf 0,1
Opsterland 0,08
Schiermonnikoog 0
Smallingerland 0,31
Terschelling 0
Vlieland 0
Weststellingwerf 0,13
Assen 0,26
Coevorden 0,31
Emmen 0,46
Hoogeveen 0,39
Meppel 0,22
Almelo 0,47
Borne 0,56
Dalfsen 0,23
Deventer 0,26
Enschede 0,37
Haaksbergen 0,17
Hardenberg 0,23
Hellendoorn 0,15
Hengelo (O.) 0,34
Kampen 0,19
Losser 0,18
Noordoostpolder 0,13
Oldenzaal 0,14
Ommen 0,08
Raalte 0,13
Staphorst 0,07
Tubbergen 0
Urk 0,07
Wierden 0,06
Zwolle 0,27
Aalten 0,15
Apeldoorn 0,19
Arnhem 0,3
Barneveld 0,05
Beuningen 0,07
Brummen 0,18
Buren 0,21
Culemborg 0,19
Doesburg 0,09
Doetinchem 0,32
Druten 0,17
Duiven 0,13
Ede 0,24
Elburg 0,18
Epe 0,16
Ermelo 0,06
Harderwijk 0,2
Hattem 0,18
Heerde 0,08
Heumen 0,4
Lochem 0,16
Maasdriel 0,13
Nijkerk 0,16
Nijmegen 0,15
Oldebroek 0,12
Putten 0,23
Renkum 0,18
Rheden 0,27
Rozendaal 0
Scherpenzeel 0,07
Tiel 0,38
Voorst 0,32
Wageningen 0,04
Westervoort 0,53
Winterswijk 0,31
Wijchen 0,33
Zaltbommel 0,09
Zevenaar 0,12
Zutphen 0,25
Nunspeet 0,3
Dronten 0,39
Amersfoort 0,19
Baarn 0,21
De Bilt 0,07
Bunnik 0,09
Bunschoten 0,13
Eemnes 0,08
Houten 0,08
Leusden 0,18
Lopik 0,1
Montfoort 0
Renswoude 0,24
Rhenen 0,04
Soest 0,17
Utrecht 0,23
Veenendaal 0,18
Woudenberg 0,19
Wijk bij Duurstede 0,18
IJsselstein 0,13
Zeist 0,13
Nieuwegein 0,16
Aalsmeer 0,04
Alkmaar 0,27
Amstelveen 0,23
Amsterdam 0,36
Bergen (NH.) 0,19
Beverwijk 0,3
Blaricum 0,13
Bloemendaal 0,18
Castricum 0,05
Diemen 0,28
Edam-Volendam 0,13
Enkhuizen 0,31
Haarlem 0,2
Haarlemmermeer 0,24
Heemskerk 0,24
Heemstede 0,09
Heiloo 0,14
Den Helder 0,29
Hilversum 0,14
Hoorn 0,44
Huizen 0,12
Landsmeer 0,13
Laren (NH.) 0
Medemblik 0,22
Oostzaan 0,09
Opmeer 0,27
Ouder-Amstel 0,43
Purmerend 0,34
Schagen 0,2
Texel 0
Uitgeest 0,12
Uithoorn 0,39
Velsen 0,27
Zandvoort 0,46
Zaanstad 0,34
Alblasserdam 0,33
Alphen aan den Rijn 0,17
Barendrecht 0,15
Drechterland 0,12
Capelle aan den IJssel 0,59
Delft 0,13
Dordrecht 0,37
Gorinchem 0,22
Gouda 0,3
's-Gravenhage 0,35
Hardinxveld-Giessendam 0,07
Hendrik-Ido-Ambacht 0,15
Stede Broec 0,22
Hillegom 0,04
Katwijk 0,18
Krimpen aan den IJssel 0,23
Leiden 0,2
Leiderdorp 0,18
Lisse 0,17
Maassluis 0,5
Nieuwkoop 0,09
Noordwijk 0
Oegstgeest 0,18
Oudewater 0,15
Papendrecht 0,44
Ridderkerk 0,56
Rotterdam 0,65
Rijswijk (ZH.) 0,43
Schiedam 0,78
Sliedrecht 0,21
Albrandswaard 0,19
Vlaardingen 0,54
Voorschoten 0,23
Waddinxveen 0,19
Wassenaar 0,2
Woerden 0,23
Zoetermeer 0,21
Zoeterwoude 0,18
Zwijndrecht 0,44
Borsele 0,14
Goes 0,25
West Maas en Waal 0,26
Hulst 0,23
Kapelle 0,17
Middelburg (Z.) 0,15
Reimerswaal 0,18
Terneuzen 0,22
Tholen 0,14
Veere 0,12
Vlissingen 0,49
De Ronde Venen 0,17
Tytsjerksteradiel 0,14
Asten 0,1
Baarle-Nassau 0,13
Bergen op Zoom 0,15
Best 0,03
Boekel 0
Boxtel 0,24
Breda 0,25
Deurne 0,25
Pekela 0,33
Dongen 0,2
Eersel 0,18
Eindhoven 0,29
Etten-Leur 0,16
Geertruidenberg 0,19
Gilze en Rijen 0,23
Goirle 0,12
Helmond 0,26
's-Hertogenbosch 0,31
Heusden 0,11
Hilvarenbeek 0,11
Loon op Zand 0,11
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,18
Oirschot 0,09
Oisterwijk 0
Oosterhout 0,33
Oss 0,23
Rucphen 0,33
Sint-Michielsgestel 0,19
Someren 0,05
Son en Breugel 0,13
Steenbergen 0,12
Waterland 0,05
Tilburg 0,26
Valkenswaard 0,22
Veldhoven 0,27
Vught 0,08
Waalre 0,14
Waalwijk 0,12
Woensdrecht 0,21
Zundert 0,08
Wormerland 0,26
Landgraaf 0,27
Beek (L.) 0,19
Beesel 0,48
Bergen (L.) 0,15
Brunssum 0,36
Gennep 0,1
Heerlen 0,39
Kerkrade 0,52
Maastricht 0,16
Meerssen 0,37
Mook en Middelaar 0,12
Nederweert 0,22
Roermond 0,39
Simpelveld 0,09
Stein (L.) 0,04
Vaals 0,35
Venlo 0,38
Venray 0,18
Voerendaal 0,24
Weert 0,25
Valkenburg aan de Geul 0,26
Lelystad 0,57
Horst aan de Maas 0,08
Oude IJsselstreek 0,28
Teylingen 0,13
Utrechtse Heuvelrug 0,13
Oost Gelre 0,34
Koggenland 0,07
Lansingerland 0,22
Leudal 0,16
Maasgouw 0,18
Gemert-Bakel 0,05
Halderberge 0,11
Heeze-Leende 0,16
Laarbeek 0,25
Reusel-De Mierden 0,42
Roerdalen 0,29
Roosendaal 0,36
Schouwen-Duiveland 0,23
Aa en Hunze 0,17
Borger-Odoorn 0,45
De Wolden 0,18
Noord-Beveland 0,14
Wijdemeren 0,07
Noordenveld 0,26
Twenterand 0,16
Westerveld 0,29
Lingewaard 0,13
Cranendonck 0,17
Steenwijkerland 0,22
Moerdijk 0,2
Echt-Susteren 0,4
Sluis 0,32
Drimmelen 0,16
Bernheze 0,12
Alphen-Chaam 0,09
Bergeijk 0,09
Bladel 0,29
Gulpen-Wittem 0,08
Tynaarlo 0,27
Midden-Drenthe 0,13
Overbetuwe 0,14
Hof van Twente 0,18
Neder-Betuwe 0,18
Rijssen-Holten 0,17
Geldrop-Mierlo 0,18
Olst-Wijhe 0
Dinkelland 0,06
Westland 0,05
Midden-Delfland 0,04
Berkelland 0,06
Bronckhorst 0,07
Sittard-Geleen 0,28
Kaag en Braassem 0,33
Dantumadiel 0,08
Zuidplas 0,18
Peel en Maas 0,21
Oldambt 0,26
Zwartewaterland 0,14
S�dwest-Frysl�n 0,34
Bodegraven-Reeuwijk 0,13
Eijsden-Margraten 0,23
Stichtse Vecht 0,14
Hollands Kroon 0,08
Leidschendam-Voorburg 0,23
Goeree-Overflakkee 0,14
Pijnacker-Nootdorp 0,09
Nissewaard 0,61
Krimpenerwaard 0,13
De Fryske Marren 0,17
Gooise Meren 0,14
Berg en Dal 0,36
Meierijstad 0,18
Waadhoeke 0,27
Westerwolde 0,64
Midden-Groningen 0,49
Beekdaelen 0,06
Montferland 0,27
Altena 0,19
West Betuwe 0,12
Vijfheerenlanden 0,25
Hoeksche Waard 0,25
Het Hogeland 0,19
Westerkwartier 0,22
Noardeast-Frysl�n 0,2
Molenlanden 0,05
Eemsdelta 0,42
Dijk en Waard 0,18
Land van Cuijk 0,16
Maashorst 0,14
Voorne aan Zee 0,3
¹⁾ De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdreclassering (30 juni 2026).

Deze hiervoor genoemde concentratie van jongeren met jeugdreclassering blijkt ook uit de cijfers per jeugdregio (tabel 2.8.3). De jeugdregio’s Rijnmond en Flevoland staan bovenaan met de grootste aandelen jongeren met jeugdreclassering. In Zuidoost Utrecht en Midden-Limburg West wonen relatief weinig jongeren met een jeugdreclasseringsmaatregel.

2.8.3 Jeugdregio's met de hoogste en laagste aandelen jongeren met jeugdreclassering, peildatum 30 juni 2026*1)
% van het totale aantal
personen van 12 tot 23 jaar2)
Hoogste aandelen Rijnmond 0,54
Hoogste aandelen Flevoland 0,46
Hoogste aandelen Amsterdam-Amstelland 0,35
Hoogste aandelen Drenthe 0,34
Hoogste aandelen Midden-Limburg Oost 0,31
Laagste aandelen Zuidoost Utrecht0,12
Laagste aandelen Midden-Limburg West 0,12
Laagste aandelen Rivierenland 0,16
Laagste aandelen Food Valley 0,16
Laagste aandelen Lekstroom 0,16
Bron: CBS.
1) Personen van 12 tot 23 jaar met jeugdreclassering.
2) De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdreclassering (30 juni 2026).

2.9 Herhaald beroep jeugdreclassering

Van de jeugdreclasseringsmaatregelen die in het eerste halfjaar van 2026 zijn gestart ging het in 9,7 procent van de maatregelen om een herhaald beroep (figuur 2.9.1). Dat wil zeggen dat deze jongere in het betreffende kalenderjaar of in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren al eens eerder jeugdreclassering heeft gehad.

2.9.1 Herhaald beroep jeugdreclassering¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Jeugdreclasseringsmaatregelen²⁾9,78,912,512,514,3
¹⁾ Hierbij wordt teruggekeken naar de betreffende periode én de 5 daaraan voorafgaande kalenderjaren. ²⁾ Jeugdreclasseringsmaatregelen gestart in de betreffende periode.

Meer informatie

Meer informatie over jeugdbescherming en jeugdreclassering kunt u vinden op de website van CBS:

Onderzoeksbeschrijving Beleidsinformatie Jeugd:
https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/onderzoeksomschrijvingen/korte-onderzoeksbeschrijvingen/beleidsinformatie-jeugd

Tabellen Jeugdzorg na 1-1-2015:
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/navigatieScherm/thema?themaNr=83150

Privacy is een groot goed. Ook als je niks te verbergen hebt, heb je heel wat te beschermen. Het CBS is het Statistisch Bureau van Nederland dat onafhankelijk onderzoek uitvoert. Het CBS werkt bij elk onderzoek met strenge eisen om data op een veilige manier te verwerven, te verwerken en te publiceren en is transparant over de manier van werken en de methodieken.

Het CBS verzamelt gegevens van natuurlijke personen, bedrijven en instellingen. Dit is wettelijk vastgelegd in de CBS-wet en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Identificerende persoonskenmerken worden na ontvangst direct gepseudonimiseerd. Hierdoor kan het onderzoek alleen worden uitgevoerd op gegevens met een pseudosleutel. Bij publicatie zorgt het CBS er bovendien voor dat natuurlijke personen of bedrijven niet herkenbaar of herleidbaar zijn. Ook hanteert het CBS diverse maatregelen tegen diefstal, verlies of misbruik van persoonsgegevens. Het CBS levert geen herkenbare gegevens aan derden, ook niet aan andere overheidsinstellingen. Wel kunnen sommige (wetenschappelijke) instellingen onder strenge voorwaarden toegang krijgen tot gegevens met pseudosleutel op persoons- of bedrijfsniveau. Dit noemen we microdata.

Voor meer informatie, zie onze website: www.cbs.nl/privacy.

Begrippenlijst

Jeugdbeschermingsmaatregel

Een jeugdbeschermingsmaatregel wordt door de rechter dwingend opgelegd. Het doel van de jeugdbeschermingsmaatregel is het opheffen van de bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind. Een kind of jongere wordt dan 'onder toezicht gesteld' of 'onder voogdij geplaatst'.

Ondertoezichtstelling

Ondertoezichtstelling (OTS) is een maatregel waarbij het gezag van de ouders wordt beperkt. Als de ontwikkeling van een kind ernstig bedreigd wordt en ouders de zorg die nodig is om de bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende accepteren, dan kan de rechter op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (of in een enkel geval het openbaar ministerie) een ondertoezichtstelling uitspreken. Het kind krijgt dan een jeugdbeschermer toegewezen van een Gecertificeerde Instelling. Deze persoon begeleidt het kind en zijn ouders bij het oplossen van de opvoedingsproblemen. De ouders blijven zelf verantwoordelijk voor de opvoeding, maar hun gezag wordt door de maatregel gedeeltelijk ingeperkt. Zowel ouders als kind zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die de jeugdbeschermer geeft.

Voorlopige ondertoezichtstelling

Als een kind acuut gevaar loopt en een onderzoek en een verzoekschriftprocedure door de Raad voor de Kinderbescherming niet afgewacht kunnen worden kan de Raad voor de Kinderbescherming de rechter om een voorlopige ondertoezichtstelling verzoeken, vaak in combinatie met een machtiging uithuisplaatsing. Ouders en kind worden door de jeugdbeschermer van de Gecertificeerde Instelling begeleid. De maatregel duurt ten hoogste drie maanden. Tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling zet de Raad het onderzoek voort. Denkt de Raad voor de Kinderbescherming dat de ondertoezichtstelling en de eventuele uithuisplaatsing langer moet duren? Dan vraagt de Raad voor de Kinderbescherming binnen die drie maanden aan de rechter om een definitieve maatregel.

Voogdij

Bij een voogdijmaatregel wordt het gezag over een minderjarige door de rechter toegewezen aan een Gecertificeerde Instelling. Dit kan zijn na een gezagsbeëindigende maatregel of bij kinderen van wie de ouders zijn overleden (waarbij er geen voogd is vastgelegd in het gezagsregister of testament of deze persoon de voogdij niet accepteert). De gezagsbeëindigende maatregel wordt opgelegd als een kind zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder ook in de toekomst niet in staat geacht wordt om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen of als de ouder het gezag misbruikt. In veel gevallen is er al een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing geweest voordat er een gezagsbeëindigende maatregel wordt uitgesproken door de rechter. De gezagsbeëindigende maatregel is in principe een definitieve maatregel die geldt tot het kind 18 jaar is.
Het betreft alleen gevallen waarbij de voogdij wordt uitgevoerd door de Gecertificeerde Instelling zelf, waarbij het kind wordt opgevoed in een pleeggezin of tehuis. Situaties waarbij een pleegouder (pleegoudervoogd) of iemand anders die sterk betrokken is bij het kind (burgervoogd), de voogdij overneemt van de Gecertificeerde Instelling, vallen hierbuiten.

Voorlopige voogdij

Er is sprake van voorlopige voogdij bij een acute situatie die bedreigend is voor het kind. Het gezag over het kind komt bij de Gecertificeerde Instelling te liggen. De voorlopige voogdij gaat vrijwel altijd gepaard met de (tijdelijke) schorsing van het gezag van de ouder(s). De voorlopige voogdij duurt maximaal drie maanden. Als binnen die drie maanden een verzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt ingediend om blijvend in het gezag te voorzien, kan de voorlopige voogdij voortduren tot er een einduitspraak is.

Tijdelijke voogdij

Er is sprake van tijdelijke voogdij als de gezaghebbende ouder het gezag tijdelijk niet zelf kan uitoefenen. Bijvoorbeeld als ouders minderjarig zijn, langdurig in het buitenland verblijven of een ouder onder curatele is gesteld en er geen andere ouder is die het gezag kan uitoefenen. De tijdelijke voogdij duurt voort totdat de rechtbank het gezag van de ouder, op diens verzoek, heeft hersteld.

Duur van een jeugdbeschermingsmaatregel

De duur van een jeugdbeschermingsmaatregel is de periode tussen de aanvangsdatum en de einddatum van de jeugdbescherming. De aanvangsdatum is de eerste dag waarop de jeugdbeschermingsmaatregel geldt. Deze datum is vastgelegd in de beschikking en is gelijk aan de datum van de uitspraak van de kinderrechter. De einddatum is de laatste dag waarop de jeugdbeschermingsmaatregel geldt. De datum waarop de jeugdbeschermingsmaatregel daadwerkelijk beëindigd is.

Reden beëindiging maatregel

De reden waarom de maatregel voor de jongere is beëindigd:

Opties bij (voorlopige) ondertoezichtstelling:

  • Bereiken meerderjarigheid jeugdige
  • Tussentijdse opheffing: De maatregel wordt eerder beëindigd dan zoals is vastgelegd in de oorspronkelijke beschikking van de kinderrechter.
  • Niet verlengd: Er is bij de rechter een verlenging van de maatregel aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
  • Beëindiging volgens plan: De termijn van de maatregel, zoals vastgelegd in de oorspronkelijke beschikking van de kinderrechter, is afgelopen en er is geen verlenging aangevraagd.
  • Gezagsbeëindigende maatregel: De jongere wordt onder voogdij geplaatst.
  • Overlijden jeugdige
  • Voorlopige OTS naar OTS: De voorlopige ondertoezichtstelling wordt beëindigd en deze wordt omgezet naar een reguliere ondertoezichtstelling.

Opties bij (tijdelijke/voorlopige voogdij):

  • Bereiken meerderjarigheid jeugdige
  • Voogdij naar pleegouder
  • Voogdij naar contactpersoon oftewel burgervoogd
  • Herstel gezag: De ouders krijgen het gezag over het kind terug.
  • Overlijden jeugdige

Machtiging uithuisplaatsing (MUHP)

Een machtiging uithuisplaatsing is een juridische maatregel die door de kinderrechter kan worden uitgesproken als er (ernstige) zorgen zijn over de verzorging en opvoeding van een kind óf als de kinderrechter het nodig acht dat de geestelijke of lichamelijke toestand van het kind onderzocht moet worden op een plek buiten het gezin. De kinderrechter machtigt de Gecertificeerde Instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, om het kind dag en nacht uit huis te plaatsen. Dit gebeurt als ouders het niet eens zijn met een uithuisplaatsing. Een machtiging uithuisplaatsing kan worden aangevraagd door de Gecertificeerde Instelling, door de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Als andere professionals, zoals bij Veilig Thuis, ernstige zorgen hebben over een kind, leggen zij die voor aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming kan vervolgens het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing doen.
Het betreft hier de machtiging uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Datum aanvang machtiging uithuisplaatsing

De datum van de eerste dag waarop de machtiging uithuisplaatsing geldt. De datum staat in de beschikking (schriftelijke uitspraak) van de kinderrechter.

Datum einde machtiging uithuisplaatsing

De datum van de laatste dag waarop machtiging uithuisplaatsing geldt. De datum einde machtiging uithuisplaatsing wordt pas aan het CBS geleverd nadat de machtiging uithuisplaatsing daadwerkelijk is geëindigd. Deze datum wordt dus niet op voorhand al aan het CBS geleverd op basis van de te verwachten einddatum zoals opgenomen in de beschikking (schriftelijke uitspraak) van de kinderrechter.

Jeugdreclassering

Jeugdreclassering is een combinatie van toezicht en begeleiding voor jongeren vanaf 12 jaar, die voor hun 18e verjaardag met de politie of leerplichtambtenaar in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen. Bij jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 22 jaar kan ook het jeugdstrafrecht toegepast worden op grond van het adolescentenstrafrecht, indien het ontwikkelingsniveau van de dader daartoe aanleiding geeft. De jongere krijgt op maat gesneden begeleiding van een jeugdreclasseringswerker om te voorkomen dat hij of zij opnieuw de fout ingaat. Jeugdreclassering kan worden opgelegd door de kinderrechter of het openbaar ministerie. Jeugdreclassering kan ook op initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming in het vrijwillige kader worden opgestart.

Toezicht en begeleiding in het gedwongen kader

Verplichte maatregel van jeugdreclassering met als doel te voorkomen dat de jongere opnieuw de fout ingaat (recidiveert) door hem/haar te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting. Dit gebeurt onder meer door middel van zinvolle dagbesteding (school of werk) en vrijetijdsbesteding. Ook kan via deze maatregel begeleiding geboden worden op het gebied van wonen, budgetteren, sociale vaardigheden en hulp bij verslavingsproblematiek en psychiatrische problematiek.
Deze maatregel wordt opgelegd door de kinderrechter of het openbaar ministerie. De maatregel wordt opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke straf (boete, taakstraf of jeugddetentie) of als voorwaarde tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis. Als de jongere zich niet aan de afspraken houdt, heeft dat invloed op de straf die zal worden opgelegd of de (voorwaardelijke) straf die al is opgelegd. De proeftijd voor minderjarigen is gesteld op twee jaar en de jeugdreclasseringsmaatregel wordt dan ook veelal voor de duur van die twee jaar opgelegd. Verlenging met één jaar is mogelijk. Jeugdreclassering opgelegd door het openbaar ministerie duurt maximaal zes maanden.

Toezicht en begeleiding in het vrijwillige kader

Vrijwillige maatregel van jeugdreclassering. Als de jongere en de ouders bereid zijn mee te werken, kan de jeugdreclassering hulpverlening in het vrijwillig kader opstarten met als doel te voorkomen dat de jongere opnieuw de fout ingaat (recidiveert) door hem/haar te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting. Dit gebeurt onder meer door middel van zinvolle dagbesteding (school of werk) en vrijetijdsbesteding. Ook kan via deze maatregel begeleiding geboden worden op het gebied van wonen, budgetteren, sociale vaardigheden en hulp bij verslavingsproblematiek en psychiatrische problematiek. De maatregel kan worden aangevraagd door de Raad voor de Kinderbescherming. De jongere heeft in verschillende situaties de mogelijkheid om gebruik te maken van de vrijwillige maatregel toezicht en begeleiding. Ten eerste kan dit na langdurige detentie, tijdens en na kortdurende detentie en na een maatregel tot plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. In deze gevallen duurt de maatregel maximaal zes maanden en kan deze eenmaal met zes maanden worden verlengd op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Ten tweede kan dit in afwachting van de strafzitting. In dit geval eindigt de maatregel op de datum van de strafzitting of uiterlijk na zes maanden. De Raad voor de Kinderbescherming kan verzoeken om een verlenging. Ten derde kan dit tijdens en na een taakstraf. In dit geval duurt de maatregel tot maximaal zes maanden na beëindiging van de taakstraf. Formeel is deze reclasseringsmaatregel vrijwillig, maar de begeleiding door de jeugdreclasseerder is niet vrijblijvend. Bij onttrekking aan de begeleiding kan dit leiden tot een zwaardere straf.

Individuele trajectbegeleiding Harde Kern

De individuele trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern is een intensief begeleidingstraject voor jongeren met structureel crimineel gedrag. ITB Harde Kern is een alternatief voor detentie. Als de jongere niet wil deelnemen aan dit traject of als de jongere zich in dit traject niet aan de afspraken houdt, dan volgt alsnog onvoorwaardelijke detentie.
ITB Harde Kern kan worden gezien als een sterk repressief traject met weinig bewegingsruimte voor de jongere. De jongere krijgt een strikt dagrooster, waar hij of zij zich van minuut tot minuut aan moet houden. Daarop wordt streng gecontroleerd. De jeugdreclassering werkt in deze maatregel intensief samen met de politie in een duidelijk omschreven taak- en rolverdeling. Daarnaast werkt de Jeugdreclassering ook intensief samen met gezin, school, vriendenkring en werkplek van de jongere en zet zich in om deze als steun voor de jongere te activeren. Binnen de maatregel kunnen ook programma's worden opgelegd zoals agressietraining, sociale vaardigheidstraining en een leer- en werktraject.
ITB Harde Kern wordt opgelegd door de rechter. De maatregel heeft een duur van zes maanden en kan met 6 maanden worden verlengd. Na ITB Harde Kern krijgt de jongere begeleiding vanuit het gewone programma van jeugdreclassering.

Individuele trajectbegeleiding CRIEM

De individuele trajectbegeleiding CRIEM (Criminaliteit in Relatie tot Integratie van Etnische Minderheden) is een individueel begeleidingstraject voor jongeren met een migratieachtergrond die één of meer meerdere lichte delicten hebben gepleegd. Deze vorm van begeleiding wordt toegepast als een gebrekkige integratie van de jongere en/of diens ouders mogelijke factor is voor het plegen van criminaliteit. ITB CRIEM wordt gezien als preventief traject met als doel het bevorderen van de integratie, om te voorkomen dat de jongere terugvalt in crimineel gedrag. Wanneer de jongere zich niet aan de afspraken houdt, stopt de begeleiding en beslist de kinderrechter wat er met de jongere gaat gebeuren.
ITB CRIEM wordt opgelegd door de rechter of het openbaar ministerie. De maatregel heeft een duur van drie maanden en kan met drie maanden worden verlengd. Na ITB CRIEM krijgt de jongere begeleiding vanuit het gewone programma van jeugdreclassering.

Scholings- en trainingsprogramma’s

Scholings- en trainingsprogramma is een maatregel voor jongeren die een groot deel van hun detentiestraf hebben uitgezeten. De jongere krijgt dan begeleiding gedurende het proefverlof, met als doel re-integratie en resocialisatie in de maatschappij. Gedurende het scholings- en trainingsprogramma woont de jongere bij ouders of verzorgers thuis, of (zelfstandig) onder begeleiding.
Aanvragen voor de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma worden door de directeur van de Justitiële Jeugdinrichting schriftelijk ingediend bij de minister van Justitie en Veiligheid.
De maatregel heeft een duur van drie maanden waarbij in bijzondere gevallen voor een langere duur kan worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.

Gedragsbeïnvloedende maatregel

De gedragsbeïnvloedende maatregel is een maatregel bedoeld voor veelplegers met gedragsproblemen en voor jongeren met gedragsproblemen die voor het eerst een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd. De maatregel heeft tot doel het gedrag van de jongere in positieve zin te beïnvloeden om recidive te voorkomen. De maatregel kan bestaan uit verschillende onderdelen, zoals een training of behandeling in sociale vaardigheden, een training of behandeling in het omgaan met boosheid of agressie, gesprekken met een gezinscoach, hulp bij het vinden van zinvolle dagbesteding, of een training om te leren van alcohol of drugs af te blijven. Wanneer de jongere zich niet aan de afspraken houdt, stopt de begeleiding en beslist de kinderrechter wat er met de jongere gaat gebeuren. De maatregel kan worden opgelegd door de rechter en duurt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. De maatregel kan eenmaal worden verlengd voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor zij in eerste instantie was opgelegd.

Voorbereiding gedragsbeïnvloedende maatregel

Door de Gecertificeerde Instellingen uitgevoerde maatregelen met als doel de voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel; het betreft een haalbaarheidsonderzoek.

Duur van een jeugdreclasseringsmaatregel

De duur van een jeugdreclasseringsmaatregel is de periode tussen de aanvangsdatum en de einddatum van de maatregel. De aanvangsdatum is de eerste dag waarop de jeugdreclasseringsmaatregel geldt. De datum is vastgelegd in het document waarin het besluit tot het inzetten van de maatregel is vastgelegd. Het gaat om de betekende beschikking die onherroepelijk is geworden. De einddatum is de laatste dag waarop de jeugdreclasseringsmaatregel geldt. De datum is vastgelegd in het document waarin het besluit tot het inzetten van de maatregel is vastgelegd.

Herhaald beroep

Een jeugdbeschermingsmaatregel wordt als herhaald beroep gezien, als de desbetreffende jongere in het betreffende kalenderjaar of in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren al een maatregel van hetzelfde type heeft ontvangen. De volgende typen maatregelen worden daarbij onderscheiden: ondertoezichtstelling (al dan niet voorlopig) en voogdij (al dan niet voorlopig of tijdelijk). Een voogdijmaatregel bij een jongere die eerder een ondertoezichtstelling had (en andersom), wordt niet als herhaald beroep gezien. Een jeugdreclasseringsmaatregel wordt als herhaald beroep gezien als de desbetreffende jongere in het betreffende kalenderjaar of in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren een jeugdreclasseringsmaatregel heeft ontvangen (ongeacht het type maatregel). Als er bij de start van een nieuwe maatregel al een maatregel van hetzelfde type loopt bij de jongere, wordt de nieuwere maatregel niet gezien als herhaald beroep, maar als een aanvulling van of uitbreiding op de al lopende maatregel.