Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar 2026

1. Jeugdbescherming

1.1 Jongeren met jeugdbescherming

Als de ontwikkeling van een kind of jongere ernstig wordt bedreigd en ouders de zorg die nodig is om de bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende accepteren, kan een rechter een jeugdbeschermingsmaatregel uitspreken. Hierbij kan het gezag van de ouder worden beperkt middels een ondertoezichtstelling, of kan het gezag worden toegewezen aan een gecertificeerde instelling, middels een voogdijmaatregel.

Op 30 juni 2026 stonden 17 975 jongeren onder toezicht. Op 31 december 2025 ging het om 17 875 jongeren (figuur 1.1.1). Nadat het aantal jongeren met ondertoezichtstelling is gestegen in de periode 2016 tot en met 2020, en daalde tussen 2021 en 2025, blijft het aantal in het eerste halfjaar van 2026 stabiel.

Op 30 juni 2026 gold voor 7 130 jongeren een voogdijmaatregel. Sinds 2016 lag dit aantal redelijk constant rond de 10 duizend, maar sinds 2021 nam dit aantal af (figuur 1.1.1). In het eerste halfjaar van 2026 zette deze daling door.

1.1.1 Jongeren met jeugdbescherming op peildatum¹⁾²⁾
DatumTotaal ondertoezichtstelling (aantal jongeren)Totaal voogdij (aantal jongeren)
2016204109890
20172070510075
20182112010120
20192207010070
20202309010085
2021223009750
2022198759330
2023185308755
2024180258120
2025**178757520
2026*179757130
¹⁾ Voor de jaren 2016 t/m 2025 wordt gekeken naar peildatum 31 december en voor 2026 naar peildatum 30 juni. ²⁾ Aantallen jongeren met OTS en voogdij in de jaren 2021 t/m 2024 zijn aangepast ten opzichte van eerdere publicaties, omdat daar ten onrechte halfjaarscijfers getoond werden in plaats van jaarcijfers.

1.2 Jeugdbeschermingsmaatregelen

Het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen is niet gelijk aan het aantal jongeren met een lopende jeugdbeschermingsmaatregel. Jongeren kunnen meerdere jeugdbeschermingsmaatregelen achter elkaar hebben gehad. Om deze reden kan het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen hoger zijn dan het aantal jongeren met jeugdbescherming in dezelfde periode.

Op 30 juni 2026 waren er ruim 25 duizend lopende jeugdbeschermingsmaatregelen. In ruim 70 procent van de gevallen betrof het een vorm van ondertoezichtstelling (OTS). Bij bijna 30 procent van de maatregelen ging het om een vorm van voogdij (tabel 1.2.1).

1.2.1 Jeugdbeschermingsmaatregelen per type maatregel, 1e halfjaar 2026*¹⁾
Peildatum
(1-1-
2026)
InstroomUitstroomPeildatum
(30-06-2026)
Totaal 25 165 4 315 4 415 25 065
Totaal ondertoezichtstelling 17 770 3 970 3 800 17 935
Ondertoezichtstelling 17 460 3 085 2 975 17 570
Voorlopige ondertoezichtstelling 310 885 830 370
Totaal voogdij 7 395 345 610 7 125
Voogdij 7 170 210 475 6 905
Voorlopige en tijdelijke voogdij 225 135 140 220
Bron: CBS.
1) Enkel actieve maatregelen worden meegeteld op de peildatumstanden. Dit betekent dat maatregelen die eindigen op de peildatum niet meetellen.

In de volgende secties worden zowel enkele kenmerken van jeugdbeschermingsmaatregelen als kenmerken van jongeren met jeugdbescherming uitgelicht. In paragraaf 1.3 tot en met paragraaf 1.5 gaat het over jeugdbeschermingsmaatregelen. In paragraaf 1.6 tot en met paragraaf 1.9 worden enkele kenmerken met betrekking tot jongeren met jeugdbescherming uitgelicht. In paragraaf 1.10 worden de aantallen machtigingen uithuisplaatsingen gepresenteerd, paragraaf 1.11 geeft het aandeel jongeren met jeugdbescherming per regio weer. Tot slot worden in paragraaf 1.12 de aantallen herhaald beroep gepresenteerd.

1.3 Aantal beëindigde maatregelen neemt af

In de eerste helft van 2026 nam het aantal beëindigde trajecten af met 7 procent, ten opzicht van de eerste helft van 2025 (figuur 1.3.1). Het aantal gestarte jeugdbeschermingstrajecten lag in de eerste helft van 2026 1 procent hoger dan in de eerste helft van 2025. Bij de ondertoezichtstellingen was sprake van een daling van 1 procent in de gestarte trajecten, en een daling van 11 procent in de beëindigde trajecten. Bij de voorlopige ondertoezichtstellingen was sprake van een toename van het aantal gestarte en beëindigde trajecten. Daarnaast werden meer ondertoezichtstellingen en voorlopige ondertoezichtstellingen gestart dan beëindigd.

Bij voogdijmaatregelen was sprake van een daling bij zowel de beëindigde als de gestarte trajecten. Er werden meer voogdijmaatregelen beëindigd dan gestart. Bij voorlopige en tijdelijke voogdijtrajecten was er ook sprake van een daling van het aantal beëindigde en gestarte trajecten.

1.3.1 Instroom en uitstroom jeugdbescherming
MaatregelUitstroom (maatregelen)Instroom (maatregelen)
Totaal
1e hj 2026*-44154315
1e hj 2025**-47254280
1e hj 2024-51504570
1e hj 2023-56154460
1e hj 2022-61604565
OTS
1e hj 2026*-29753085
1e hj 2025**-33303130
1e hj 2024-36653485
1e hj 2023-40503275
1e hj 2022-46703335
Vrl. OTS
1e hj 2026*-830885
1e hj 2025**-640710
1e hj 2024-635625
1e hj 2023-765670
1e hj 2022-695620
Voogdij
1e hj 2026*-475210
1e hj 2025**-590265
1e hj 2024-705330
1e hj 2023-655380
1e hj 2022-660470
Vrl. en tijd. voogdij
1e hj 2026*-140135
1e hj 2025**-160175
1e hj 2024-145130
1e hj 2023-145135
1e hj 2022-135135

1.4 Voogdijtrajecten meestal langer dan drie jaar

Van de beëindigde reguliere voogdijmaatregelen in het eerste halfjaar van 2026 duurde 83 procent drie jaar of langer (figuur 1.4.1). De meeste reguliere ondertoezichtstellingen duurden één tot drie jaar. Voorlopige ondertoezichtstellingen duurden vrijwel altijd korter dan 3 maanden; dit is officieel ook de maximale duur van een voorlopige OTS. Daarna dient deze ofwel te worden beëindigd ofwel te worden omgezet in een reguliere OTS. De meeste voorlopige voogdijmaatregelen duurden minder dan een half jaar.

1.4.1 Duur van beëindigde jeugdbeschermingsmaatregelen in het 1e halfjaar van 2026*
 0 tot 3 maanden (%)3 tot 6 maanden (%)6 tot 12 maanden (%)12 tot 36 maanden (%)36 maanden of langer (%)
Totaal19,73,915,134,426,9
OTS0,73,220,648,627
Vrl. OTS973
Voogdij4,31382,6
Vrl. voogdij33,333,333,3
Tijd. voogdij¹⁾
¹⁾ De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

De gemiddelde duur van de beëindigde reguliere voogdijmaatregelen is in het eerste halfjaar van 2026 met 46 dagen afgenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025. Daarnaast was de gemiddelde duur van voogdijmaatregelen met 2 742 dagen (ruim 7 jaar) langer dan die van de ondertoezichtstellingen (942 dagen of ruim 2,5 jaar). Sinds 2022 neemt de gemiddelde duur van ondertoezichtstellingen en voogdijmaatregelen over het algemeen toe (figuur 1.4.2). De gemiddelde duur van de tijdelijke voogdijtrajecten fluctueert over de jaren, dit komt mede doordat het om een zeer klein aantal beëindigde trajecten gaat per halfjaar.

1.4.2 Gemiddelde duur beëindigde maatregelen¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (dagen)1e hj 2025** (dagen)1e hj 2024 (dagen)1e hj 2023 (dagen)1e hj 2022 (dagen)
Totaal953999997934914
OTS942933939909858
Vrl. OTS7875757875
Voogdij27422585240424092303
Vrl. voogdij159147168137149
Tijd. voogdij9501168221820961798
¹⁾ Jeugdbeschermingsmaatregelen beëindigd in het eerste halfjaar.

1.5 Meeste ondertoezichtstellingen beëindigd volgens plan

In het eerste halfjaar van 2026 werden 4 415 jeugdbeschermingsmaatregelen beëindigd, waarvan 3 800 ondertoezichtstellingen en 610 voogdijmaatregelen (tabel 1.2.1). De meeste ondertoezichtstellingen werden in het eerste halfjaar van 2026, in lijn met eerdere jaren, beëindigd volgens plan (figuur 1.5.1). In het eerste halfjaar van 2026 zien we wel een daling in het aantal ondertoezichtstellingen dat werd beëindigd volgens plan. Het aantal voorlopige ondertoezichtstellingen (VOTS) dat overging in een ondertoezichtstelling (OTS) nam juist toe. Het aandeel ondertoezichtstellingen dat werd beëindigd vanwege het bereiken van meerderjarigheid, een gezagsbeëindigende maatregel of een tussentijdse opheffing nam in het eerste halfjaar van 2026 af ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 (figuur 1.5.1).

1.5.1 Reden beëindiging ondertoezichtstelling¹⁾
Reden beëindiging OTS1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Beëindiging volgens plan63,766,566,66665,3
VOTS naar OTS18,413,112,413,311,3
Bereiken meerderjarigheid10,111,313,110,411
Gezagsbeëindigende maatregel4,14,74,85,86,6
Tussentijdse opheffing3,74,53,14,45,8
Niet verlengd²⁾
Overlijden jeugdige²⁾
1) Ondertoezichtstellingen en voorlopige ondertoezichtstellingen, beëindigd in het eerste halfjaar. 2) De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy-overwegingen niet gepubliceerd worden.

De meest voorkomende reden voor het beëindigen van voogdij in het eerste halfjaar van 2026 is, net zoals in eerdere jaren, het bereiken van de meerderjarigheid. Vanaf het eerste halfjaar van 2022 is er wel een daling te zien in het aandeel voogdijtrajecten met deze reden beëindiging (figuur 1.5.2). Het aandeel voogdijmaatregelen dat beëindigd werd door het herstellen van gezag neemt toe sinds 2022, met uitzondering van het eerste halfjaar van 2024.

1.5.2 Reden beëindiging voogdij¹⁾
 1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Bereiken meerderjarigheid61,461,566,972,774,2
Herstel gezag3226,320,120,619,2
Voogdij naar pleegouder6,69,78,76,76,6
Voogdij naar contactpersoon2,64,3
Overlijden jeugdige²⁾
1) Voogdij, tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij beëindigd in het eerste halfjaar. 2) De aantallen per categorie zijn zodanig klein dat deze vanuit privacy overwegingen niet gepubliceerd worden.

1.6 Samenloop jeugdbescherming met jeugdreclassering neemt toe

Van alle 0- tot 18-jarigen die in de eerste helft van 2026 jeugdbescherming ontvingen, had 3,1 procent in hetzelfde jaar ook een jeugdreclasseringsmaatregel lopen (figuur 1.6.1). Het aandeel jongeren dat in hetzelfde halfjaar jeugdbescherming en jeugdreclassering ontving neemt sinds de eerste helft van 2022 toe. Deze toename is zowel bij de ondertoezichtstellingen als bij de voogdij maatregelen te zien.

Het gaat in deze cijfers om alle jongeren die in het eerste halfjaar op enig moment jeugdbescherming ontvingen. Van hen is bepaald voor welk percentage ook een jeugdreclasseringsmaatregel gold in dezelfde periode.

1.6.1 Samenloop jeugdreclassering naar type jeugdbescherming¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Jeugdbescherming en jeugdreclassering
% van totaal aantal jongeren met jeugdbescherming3,12,82,72,32,2
Ondertoezichtstelling en jeugdreclassering²⁾
% van totaal aantal jongeren met ondertoezichtstelling3,63,23,12,72,6
Voogdij en jeugdreclassering³⁾
% van totaal aantal jongeren met voogdij1,81,61,71,31,1
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met een jeugdbeschermingsmaatregel. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij.

1.7 De meeste jongeren met een OTS krijgen ook jeugdhulp

In het eerste halfjaar van 2026 ontving 77 procent van de jongeren met een ondertoezichtstelling ook jeugdhulp (figuur 1.7.1). Het aandeel jongeren met een ondertoezichtstelling en jeugdhulp met en zonder verblijf is in het eerste halfjaar van 2026 iets afgenomen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025.

1.7.1 Samenloop ondertoezichtstelling met jeugdhulp¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
OTS en Jeugdhulp7779797877
OTS en JH zonder verblijf6567676664
w.v.
Wijkteam78887
Ambulant4144424140
Daghulp78787
Netwerk jongere3335353534
OTS en JH met verblijf3334343231
w.v.
Pleegzorg1516161516
Gezinsgericht67665
Gesloten plaatsing22222
Overig²⁾1415141312
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met een ondertoezichtstelling én jeugdhulp, als percentage van het totaal aantal jongeren met een ondertoezichtstelling. Jongeren met meerdere jeugdhulpvormen komen meerdere malen in de tabel voor. ²⁾ Verblijf bij een jeugdhulpaanbieder anders dan pleegzorg, gezinsgerichte jeugdhulp of gesloten plaatsing.

Van alle jongeren die een voogdijmaatregel hadden in het eerste halfjaar van 2026, ontving 92 procent daarnaast ook jeugdhulp (figuur 1.7.2). Het aandeel jongeren dat in het eerste halfjaar van 2026 naast voogdij ook jeugdhulp zonder verblijf kreeg, is ten opzichte van het eerste halfjaar van 2024 iets gedaald; van 49 naar 48 procent. In het eerste halfjaar van 2026 ontving 85 procent van de jongeren met voogdij daarbij ook jeugdhulp met verblijf. Dit percentage is lager dan in de jaren daarvoor, waarbij het ging om 87 procent in de eerste helft van 2025 en 88 procent in de halfjaren daarvoor. Niet alle jongeren met voogdij krijgen ook jeugdhulp met verblijf. Hieruit kan afgeleid worden dat er ook jongeren met voogdij zijn die op informele basis (dus zonder tussenkomst van jeugdhulpinstelling en/of pleegzorgaanbieder) in het eigen netwerk worden opgevangen, bijvoorbeeld door opa en oma.

1.7.2 Samenloop voogdij met jeugdhulp¹⁾
Samenloop1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Voogdij en Jeugdhulp9293939493
Voogdij en JH zonder verblijf4849504846
w.v.
Wijkteam33333
Ambulant3536373534
Daghulp77776
Netwerk jongere1617171614
Voogdij en JH met verblijf8587888888
w.v.
Pleegzorg5559606163
Gezinsgericht1718181614
Gesloten plaatsing11112
Overig²⁾2122202019
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar met voogdij én jeugdhulp, als percentage van het totaal aantal jongeren met voogdij. Jongeren met meerdere jeugdhulpvormen komen meerdere malen in de tabel voor. ²⁾ Verblijf bij een jeugdhulpaanbieder anders dan pleegzorg, gezinsgerichte jeugdhulp of gesloten plaatsing.

1.8 Bijna 1 procent van alle jongeren ontvangt jeugdbescherming

Van alle jongeren van 0 tot 18 jaar ontvangt 0,8 procent jeugdbescherming op 30 juni 2026. Bij jongeren die jeugdbescherming ontvingen ging het ongeveer even vaak om jongens als om meiden. In totaal ontvingen 12 880 jongens en 12 225 meiden op 30 juni 2026 jeugdbescherming (tabel 1.8.1).

1.8.1 Jongeren met jeugdbescherming naar geslacht, peildatum 30 juni 2026*1)
TotaalJongensMeiden
Totaal aantal jongeren2)328572516859351599795
Totaal aantal jongeren met jeugdbescherming251051288012225
Totaal ondertoezichtstelling1797592808695
Ondertoezichtstelling1759590908505
Voorlopige ondertoezichtstelling385195190
Totaal voogdij713036003530
Voogdij690535003405
Voorlopige en tijdelijke voogdij220100125
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar.
2) De peildatum voor alle jongeren in Nederland is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum voor jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

In de leeftijdscategorie van 12 tot 18 jaar waren er op 30 juni 2026 12 055 jongeren met jeugdbescherming; dit komt neer op 1 procent van alle jongeren in deze leeftijdsgroep (tabel 1.8.2). Van alle 8 tot 12-jarigen in Nederland ontvingen 6 415 (0,9 procent) jongeren jeugdbescherming. Van alle 4 tot 8-jarigen ontvingen 4 295 kinderen (0,6 procent) jeugdbescherming. De groep 0 tot 4-jarigen was het kleinst: 2 340 kinderen ontvingen jeugdbescherming (0,3 procent) (tabel 1.8.2).

1.8.2 Jongeren met jeugdbescherming naar leeftijd, peildatum 30 juni 2026*1)
TotaalLeeftijd: 0 tot 4 jaarLeeftijd: 4 tot 8 jaarLeeftijd: 8 tot 12 jaarLeeftijd: 12 tot 18 jaar
Totaal aantal jongeren2)32857256697257129407333601169705
Totaal aantal jongeren
met jeugdbescherming
2510523404295641512055
Totaal ondertoezicht-
stelling
179752005355046857740
Ondertoezichtstelling175951910348046157590
Voorlopige
ondertoezichtstelling
385957070150
Totaal voogdij713033574517354320
Voogdij690529571516954205
Voorlopige en
tijdelijke voogdij
220402540115
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar.
2) De peildatum voor alle jongeren in Nederland is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum voor jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

Bij alle vormen van jeugdbescherming is de groep jongeren van 12 tot 18 jaar gestegen in het eerste halfjaar van 2026 ten opzichte van het eerste halfjaar van 2022. De stijging was het grootst bij de voorlopige en tijdelijke voogdij trajecten; van 46 procent naar 52 procent (figuur 1.8.3). Bij voorlopige en tijdelijke voogdij is de groep 0 tot 4 jarigen ten opzichte van het eerste halfjaar van 2022 gedaald. Bij de reguliere voogdij trajecten zien we in diezelfde periode een daling in de groep van 4 tot 8 jaar.

1.8.3 Jongeren naar leeftijd¹⁾²⁾
Jaar0 tot 4 jaar (%)4 tot 8 jaar (%)8 tot 12 jaar (%)12 tot 18 jaar (%)
Nederland
1e hj 2026*20,3821,722,3235,6
1e hj 2025**20,7921,3722,2535,58
1e hj 202420,8621,4322,2335,48
1e hj 202320,9521,3822,3235,35
1e hj 202220,9421,4422,3835,25
OTS
1e hj 2026*10,8619,7826,2343,14
1e hj 2025**10,5220,5926,3642,54
1e hj 202410,6520,4926,8741,96
1e hj 20239,942127,4341,63
1e hj 202210,4421,1527,3241,08
Vrl. OTS
1e hj 2026*24,6818,1818,1838,96
1e hj 2025**21,2116,6713,6448,48
1e hj 202422,8115,7915,7943,86
1e hj 202315,516,2818,9949,22
1e hj 202234,3620,0811,9733,59
Voogdij
1e hj 2026*4,2710,3524,5560,9
1e hj 2025**4,1312,224,8758,8
1e hj 20244,0613,6124,6357,76
1e hj 20234,5214,4925,0355,95
1e hj 20225,3415,224,0855,38
Vrl. en tijd. voogdij
1e hj 2026*18,1811,3618,1852,27
1e hj 2025**2012,732047,27
1e hj 202423,412,7717,0244,68
1e hj 202316,8810,9726,1645,99
1e hj 202224,7111,7917,8745,63
¹⁾ De cijfers over 2022 zijn vanwege herstel van een fout bij het berekenen van de aandelen per leeftijdsgroep licht gewijzigd ten opzichte van eerdere edities van deze rapportage. ²⁾ Voor het totaal aantal jongeren in Nederland is gekeken naar peildatum 1 januari en voor de jongeren met jeugdbescherming naar peildatum 30 juni.

1.9 Jeugdbescherming hangt samen met kenmerken van ouders en huishouden

Uit CBS-onderzoek is gebleken dat bepaalde achtergrondkenmerken van de ouders en het huishouden van de jongere in meer of mindere mate samenhang vertonen met het krijgen van jeugdbescherming. Dat wil overigens niet zeggen dat jeugdbescherming het gevolg is van deze kenmerken of een combinatie ervan. Van een aantal achtergrondkenmerken is in deze paragraaf weergegeven hoe de situatie van jongeren met jeugdbescherming afwijkt van de jongeren zonder jeugdbescherming.

De inzet van jeugdbescherming hangt samen met huishoudkenmerken van de jongere (figuur 1.9.1). Bij 77 procent van de Nederlandse jongeren woonden beide juridische ouders in hetzelfde huishouden. Voor jongeren met jeugdbescherming was dit 11 procent in de eerste helft van 2026. Een tegengesteld patroon is te zien voor kinderen uit huishoudens waar gebruik wordt gemaakt van ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of waarin zorgkosten zijn gemaakt voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dan wel GGZ-medicatie is voorgeschreven. Bijna 6 procent van alle kinderen in Nederland had te maken met Wmo-gebruik in het huishouden, en 25 procent met GGZ-zorg en/of GGZ-medicatie. Bij jongeren met jeugdbescherming was dit respectievelijk 38 en 50 procent. Daarnaast werd bij bijna 5 procent van alle jongeren in Nederland iemand in het huishouden als verdachte van een misdrijf aangemerkt. Bij jongeren met jeugdbescherming was dit bij 29 procent van de jongeren het geval (figuur 1.9.1).

1.9.1 Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudkenmerken¹⁾
JaarJa (%)Nee (%)
Ouders op hetzelfde adres
Nederland2543295742430
Totaal jeugdbescherming318024845
Ondertoezichtstelling²⁾253018140
Voogdij³⁾6506710
WMO in huishouden
Nederland1898903090160
Totaal jeugdbescherming1077516605
Ondertoezichtstelling²⁾765512905
Voogdij³⁾31203700
GGZ in huishouden
Nederland8268552453200
Totaal jeugdbescherming1400513370
Ondertoezichtstelling²⁾1050010060
Voogdij³⁾35053310
Verdachte in huishouden
Nederland1524153127635
Totaal jeugdbescherming812519255
Ondertoezichtstelling²⁾578514775
Voogdij³⁾23354480
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief voorlopige voogdij en tijdelijke voogdij.

 Ook het huishoudinkomen hangt samen met de inzet van jeugdbescherming (figuur 1.9.2). In Nederland woonden 447 duizend jongeren tot 18 jaar in een huishouden met een inkomen dat tot de laagste 20 procent behoort, het laagste kwintiel. Van hen ontving 3,1 procent jeugdbescherming. Het aandeel jongeren met jeugdbescherming daalt naarmate het huishoudinkomen hoger is. In de 20 procent rijkste huishoudens, het hoogste kwintiel, ontving 0,1 procent jeugdbescherming.

1.9.2 Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar huishoudinkomen¹⁾
JaarJongeren met jeugdbescherming (%)
Totaal jeugdbescherming
Totaal0,9
Laagste kwintiel3,1
2e kwintiel1,3
3e kwintiel0,4
4e kwintiel0,2
Hoogste kwintiel0,1
Ondertoezichtstelling²⁾
Totaal0,6
Laagste kwintiel2,3
2e kwintiel1
3e kwintiel0,4
4e kwintiel0,2
Hoogste kwintiel0,1
Voogdij³⁾
Totaal0,2
Laagste kwintiel0,8
2e kwintiel0,3
3e kwintiel0,1
4e kwintiel0
Hoogste kwintiel0
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar. ²⁾ Inclusief voorlopige ondertoezichtstellingen. ³⁾ Inclusief tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij.

Daarnaast is er samenhang tussen de herkomst van een jongere en de inzet van jeugdbescherming (figuur 1.9.3). Van de jongeren die in Nederland zijn geboren heeft 0,9 procent jeugdbescherming. Bij jongeren die niet geboren zijn in Nederland gaat het ook om 0,9 procent. Bij jongeren met een herkomst uit Turkije en Indonesië is minder vaak sprake van jeugdbescherming dan het landelijke gemiddelde, ongeacht of ze geboren zijn in Nederland. Bij jongeren met een herkomst uit Suriname en het Nederlands-Caribisch gebied is relatief vaker sprake van jeugdbescherming, ongeacht of ze geboren zijn in Nederland. Jongeren met een ouder uit Marokko die zelf geboren zijn in Nederland hebben minder vaak jeugdbescherming (0,6 procent) dan jongeren die in Marokko geboren zijn (1,9 procent).

1.9.3. Jongeren met jeugdbescherming in het 1e halfjaar van 2026* naar herkomst¹⁾
 Jongeren met jeugdbescherming (%)
Totaal geboren in Nederland0,9
Nederland0,8
Europa (exclusief Nederland)1
Turkije0,5
Marokko0,6
Suriname1,8
Nederlands-Caribisch gebied2,5
Indonesië0,7
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië1
Totaal niet geboren in Nederland0,9
Europa (exclusief Nederland)0,9
Turkije0,4
Marokko1,9
Suriname1,1
Nederlands-Caribisch gebied2
Indonesië0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië0,8
¹⁾ Personen van 0 tot 18 jaar.

1.10  Aantal jongeren met machtiging uithuisplaatsing stabiel

Sinds 2022 ontvangt het CBS van de gecertificeerde instellingen ook informatie over de machtigingen uithuisplaatsing (MUHP) die door een rechter zijn opgelegd. Een MUHP is geen op zichzelf staande maatregel maar gaat altijd samen met een ondertoezichtstelling. Als een kind onder toezicht wordt gesteld, dan blijft het kind meestal thuis wonen. Soms zijn de zorgen over het kind echter zo ernstig dat het beter is als het kind ergens anders gaat wonen en wordt er ook een MUHP opgelegd. Ook als ouders het zelf van belang vinden en het ermee eens zijn dat het kind ergens anders gaat wonen, is er een MUHP nodig. Bij een voogdijmaatregel gaat het kind altijd ergens anders wonen en legt de rechter geen afzonderlijke MUHP op.

In het eerste halfjaar van 2026 waren er 7 720 jeugdigen over wie de rechter een MUHP heeft uitgesproken (tabel 1.10.1). Dit is bijna gelijk aan het eerste halfjaar van 2025. Bij 6 510 jongeren werd de machtiging uithuisplaatsing opgelegd in combinatie met een OTS. Bij 1 110 jongeren ging het bij de start van de MUHP om een voorlopige OTS en dus om een spoedmachtiging uithuisplaatsing. Over 2 150 jongeren werd in het eerste halfjaar van 2026 een nieuwe MUHP uitgesproken. Van 2 385 jongeren liep de opgelegde MUHP af in het eerste halfjaar 2026.

Niet alle door de rechter opgelegde machtigingen worden in de praktijk ook ten uitvoer gelegd. Een MUHP vervalt als deze niet binnen drie maanden wordt uitgevoerd. Het is niet bekend hoeveel machtigingen niet worden uitgevoerd. In de tabel is wel te zien dat 6 130 jongeren met een MUHP ook jeugdhulp met verblijf ontvingen (5 355 in combinatie met een OTS; 775 in combinatie met een voorlopige OTS). De verwachting is dat bij deze jongeren allemaal een MUHP is opgelegd die vervolgens ook in de praktijk is uitgevoerd. Het is echter niet uit te sluiten dat bij meer jongeren een opgelegde MUHP ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Jongeren met een MUHP die zonder tussenkomst van een jeugdhulpinstelling of pleegzorgaanbieder op informele basis in het eigen netwerk worden opgevangen, bijvoorbeeld bij opa en oma, blijven namelijk buiten beeld.

1.10.1 Aantal jongeren met een door de rechter opgelegde machtiging uithuisplaatsing1) 2)
1e halfjaar 2026*1e halfjaar 2025**1e halfjaar 20241e halfjaar 20231e halfjaar 2022
TotaalTotaal 7 720 7 725 7 705 7 905 8 380
Totaal Waarvan i.c.m. OTS 6 510 6 355 6 235 6 360 6 795
Totaal Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 5 355 5 470 5 410 5 535 5 920
Totaal Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 1 155 885 825 825 875
Totaal Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 1 110 1 290 1 395 1 480 1 525
Totaal Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 775 1 030 1 135 1 240 1 315
Totaal Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 335 255 260 240 210
InstroomTotaal 2 150 2 115 2 055 2 075 2 070
Instroom Waarvan i.c.m. OTS 1 515 1 540 1 535 1 525 1 565
Instroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 1 035 1 205 1 235 1 255 1 285
Instroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 475 335 300 270 280
Instroom Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 610 555 490 535 490
Instroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 370 395 360 415 395
Instroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 240 165 130 115 95
UitstroomTotaal 2 135 2 050 2 055 2 180 2 385
Uitstroom Waarvan i.c.m. OTS 1 430 1 440 1 485 1 610 1 810
Uitstroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 1 140 1 160 1 200 1 325 1 480
Uitstroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 295 280 290 285 330
Uitstroom Waarvan i.c.m. voorlopige OTS 685 600 555 560 555
Uitstroom Waarvan i.c.m. jeugdhulp met verblijf 475 440 400 420 450
Uitstroom Waarvan zonder jeugdhulp met verblijf tijdens MUHP 210 160 150 140 105
Bron: CBS.
1) Dit betreft alle machtigingen uithuisplaatsingen (MUHP) die op enig moment in de verslagperiode liepen, ongeacht of ze vóór of in die periode gestart zijn en ongeacht of ze in of ná die periode beëindigd zijn.
2) In het geval een jongere in een periode meerdere machtigingen uithuisplaatsing had met verschillende typen jeugdbescherming, is de jongere meegeteld bij de machtigingen uithuisplaatsing i.c.m. een voorlopige OTS; als er zowel periodes met als periodes zonder jeugdhulp met verblijf waren, is de jongere meegeteld in de groep met jeugdhulp met verblijf.

1.11 Jeugdbescherming vooral in Limburg, Friesland en Zeeland

De vijf jeugdregio’s met het grootste aandeel jeugdbescherming waren Zuid-Limburg, Midden-Limburg Oost, Friesland, Zeeland en Midden-Limburg West (figuur 1.11.1 en tabel 1.11.3). In de gemeenten Heerlen, Hulst en Almelo kwamen met 1,8 procent of meer relatief veel jongeren met jeugdbescherming voor (zie figuur 1.11.2 voor het aandeel per gemeente). De laagst scorende regio’s liggen in Haarlemmermeer en Zuid Kennemerland (tabel 1.11.3).

1.11.1 Jeugdbescherming bij 0 tot 18-jarigen naar jeugdregio, 30 juni 2026*¹⁾
Jeugdzorgregios_naamaandeelJB (%)
Groningen0,98
Friesland(Frysl�n)1,12
KopvanNoord-Holland0,94
Drenthe0,8
WestFriesland0,76
Alkmaar(Noord-Kennemerland)0,87
IJsselland0,9
Flevoland0,83
Zaanstreek-Waterland0,57
IJmond(MiddenKennemerland)0,72
ZuidKennemerland0,45
Noord-Veluwe0,71
Amsterdam-Amstelland0,6
Twente1,06
Haarlemmermeer0,47
GooienVechtstreek0,52
MiddenIJssel/OostVeluwe0,79
HollandRijnland0,58
UtrechtWest0,5
Eemland0,55
FoodValley0,51
UtrechtStad0,64
ZuidoostUtrecht0,59
Haaglanden0,62
Achterhoek0,88
Lekstroom0,6
MiddenHolland0,64
CentraalGelderland0,78
Rijnmond0,84
Rivierenland0,57
Zuid-HollandZuid0,66
RijkvanNijmegen0,79
NoordoostBrabant0,72
WestBrabantOost0,71
Midden-Brabant(HartvanBrabant)0,76
WestBrabantWest0,76
Noord-Limburg0,98
Zeeland1,09
Zuidoost-Brabant0,67
Zuid-Limburg1,19
Midden-LimburgOost1,16
Midden-LimburgWest1,09
¹⁾ De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.11.2 Jeugdbescherming bij 0 tot 18-jarigen naar gemeente, 30 juni 2026*¹⁾
Gemeente_naamJeugdbescherming (%)
Groningen 1,03
Almere 0,77
Stadskanaal 1,42
Veendam 1,39
Zeewolde 1,01
Achtkarspelen 0,91
Ameland 0
Harlingen 1,13
Heerenveen 0,8
Leeuwarden 1,44
Ooststellingwerf 1,75
Opsterland 0,54
Schiermonnikoog 0
Smallingerland 1,5
Terschelling 0,15
Vlieland 0
Weststellingwerf 1,09
Assen 0,68
Coevorden 0,91
Emmen 1,16
Hoogeveen 0,66
Meppel 0,91
Almelo 1,8
Borne 0,54
Dalfsen 0,4
Deventer 1,15
Enschede 1,53
Haaksbergen 0,61
Hardenberg 0,75
Hellendoorn 0,34
Hengelo (O.) 1,3
Kampen 0,78
Losser 0,7
Noordoostpolder 0,58
Oldenzaal 0,86
Ommen 0,57
Raalte 0,88
Staphorst 0,72
Tubbergen 0,44
Urk 0,27
Wierden 0,33
Zwolle 1,1
Aalten 0,58
Apeldoorn 0,92
Arnhem 0,97
Barneveld 0,42
Beuningen 0,47
Brummen 0,84
Buren 0,85
Culemborg 0,43
Doesburg 1,71
Doetinchem 1,23
Druten 0,43
Duiven 0,56
Ede 0,47
Elburg 0,6
Epe 0,5
Ermelo 1,05
Harderwijk 0,61
Hattem 0,53
Heerde 0,39
Heumen 0,43
Lochem 0,27
Maasdriel 0,39
Nijkerk 0,54
Nijmegen 0,91
Oldebroek 0,6
Putten 0,59
Renkum 0,93
Rheden 1,19
Rozendaal 0
Scherpenzeel 0,29
Tiel 1,18
Voorst 0,71
Wageningen 0,49
Westervoort 0,82
Winterswijk 0,59
Wijchen 0,68
Zaltbommel 0,41
Zevenaar 0,78
Zutphen 1,15
Nunspeet 0,68
Dronten 0,66
Amersfoort 0,54
Baarn 0,46
De Bilt 0,64
Bunnik 0,37
Bunschoten 1,2
Eemnes 0,26
Houten 0,49
Leusden 0,27
Lopik 0,56
Montfoort 0,44
Renswoude 0,69
Rhenen 0,64
Soest 0,55
Utrecht 0,64
Veenendaal 0,64
Woudenberg 0,48
Wijk bij Duurstede 0,52
IJsselstein 0,76
Zeist 0,65
Nieuwegein 0,84
Aalsmeer 0,42
Alkmaar 1,11
Amstelveen 0,37
Amsterdam 0,65
Bergen (NH.) 0,36
Beverwijk 0,85
Blaricum 0,07
Bloemendaal 0,28
Castricum 0,55
Diemen 0,44
Edam-Volendam 0,33
Enkhuizen 0,89
Haarlem 0,5
Haarlemmermeer 0,47
Heemskerk 0,74
Heemstede 0,21
Heiloo 0,33
Den Helder 1,62
Hilversum 0,62
Hoorn 0,79
Huizen 0,54
Landsmeer 0,93
Laren (NH.) 0,28
Medemblik 0,96
Oostzaan 0,44
Opmeer 0,48
Ouder-Amstel 0,35
Purmerend 0,54
Schagen 0,52
Texel 0,64
Uitgeest 0,75
Uithoorn 0,49
Velsen 0,64
Zandvoort 0,77
Zaanstad 0,64
Alblasserdam 0,78
Alphen aan den Rijn 0,53
Barendrecht 0,47
Drechterland 0,26
Capelle aan den IJssel 0,72
Delft 0,86
Dordrecht 0,75
Gorinchem 0,67
Gouda 0,99
's-Gravenhage 0,72
Hardinxveld-Giessendam 0,36
Hendrik-Ido-Ambacht 0,43
Stede Broec 0,99
Hillegom 0,46
Katwijk 0,6
Krimpen aan den IJssel 0,63
Leiden 0,77
Leiderdorp 0,42
Lisse 0,82
Maassluis 0,56
Nieuwkoop 0,69
Noordwijk 0,49
Oegstgeest 0,41
Oudewater 0,25
Papendrecht 0,96
Ridderkerk 0,69
Rotterdam 1,05
Rijswijk (ZH.) 0,66
Schiedam 0,86
Sliedrecht 0,54
Albrandswaard 0,24
Vlaardingen 1
Voorschoten 0,36
Waddinxveen 0,48
Wassenaar 0,3
Woerden 0,54
Zoetermeer 0,72
Zoeterwoude 0,33
Zwijndrecht 1,05
Borsele 1,03
Goes 1,37
West Maas en Waal 0,38
Hulst 1,81
Kapelle 0,6
Middelburg (Z.) 1,08
Reimerswaal 0,62
Terneuzen 1,39
Tholen 0,85
Veere 0,7
Vlissingen 1,56
De Ronde Venen 0,61
Tytsjerksteradiel 0,57
Asten 0,55
Baarle-Nassau 0,87
Bergen op Zoom 0,78
Best 0,39
Boekel 0,32
Boxtel 0,83
Breda 0,73
Deurne 0,33
Pekela 1
Dongen 0,34
Eersel 0,41
Eindhoven 0,92
Etten-Leur 0,48
Geertruidenberg 1,02
Gilze en Rijen 0,55
Goirle 0,58
Helmond 0,89
's-Hertogenbosch 0,81
Heusden 0,49
Hilvarenbeek 0,28
Loon op Zand 0,58
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,45
Oirschot 0,24
Oisterwijk 0,47
Oosterhout 0,71
Oss 0,86
Rucphen 1
Sint-Michielsgestel 0,41
Someren 0,34
Son en Breugel 0,39
Steenbergen 0,63
Waterland 0,56
Tilburg 1,06
Valkenswaard 0,82
Veldhoven 0,51
Vught 0,3
Waalre 0,37
Waalwijk 0,63
Woensdrecht 0,5
Zundert 0,65
Wormerland 0,25
Landgraaf 1,4
Beek (L.) 0,72
Beesel 1,66
Bergen (L.) 0,81
Brunssum 1,14
Gennep 0,83
Heerlen 2,02
Kerkrade 1,7
Maastricht 1,31
Meerssen 0,25
Mook en Middelaar 0,42
Nederweert 1,03
Roermond 1,14
Simpelveld 1,27
Stein (L.) 0,64
Vaals 0,69
Venlo 1,36
Venray 0,79
Voerendaal 0,24
Weert 1,13
Valkenburg aan de Geul 1,03
Lelystad 1,45
Horst aan de Maas 0,53
Oude IJsselstreek 1,02
Teylingen 0,61
Utrechtse Heuvelrug 0,56
Oost Gelre 0,82
Koggenland 0,51
Lansingerland 0,18
Leudal 1,07
Maasgouw 0,76
Gemert-Bakel 0,39
Halderberge 0,82
Heeze-Leende 0,34
Laarbeek 0,45
Reusel-De Mierden 0,49
Roerdalen 1,06
Roosendaal 0,94
Schouwen-Duiveland 0,54
Aa en Hunze 0,63
Borger-Odoorn 1,1
De Wolden 0,54
Noord-Beveland 0,92
Wijdemeren 0,43
Noordenveld 0,74
Twenterand 1,36
Westerveld 0,62
Lingewaard 0,49
Cranendonck 0,86
Steenwijkerland 0,81
Moerdijk 0,79
Echt-Susteren 1,53
Sluis 0,82
Drimmelen 0,62
Bernheze 0,6
Alphen-Chaam 0,55
Bergeijk 0,52
Bladel 0,64
Gulpen-Wittem 0,47
Tynaarlo 0,44
Midden-Drenthe 0,6
Overbetuwe 0,23
Hof van Twente 0,82
Neder-Betuwe 0,58
Rijssen-Holten 0,43
Geldrop-Mierlo 0,88
Olst-Wijhe 1,02
Dinkelland 0,42
Westland 0,31
Midden-Delfland 0,34
Berkelland 0,91
Bronckhorst 0,66
Sittard-Geleen 1,15
Kaag en Braassem 0,6
Dantumadiel 1,16
Zuidplas 0,34
Peel en Maas 0,65
Oldambt 1,47
Zwartewaterland 0,7
S�dwest-Frysl�n 1,14
Bodegraven-Reeuwijk 0,44
Eijsden-Margraten 0,32
Stichtse Vecht 0,43
Hollands Kroon 0,68
Leidschendam-Voorburg 0,49
Goeree-Overflakkee 0,36
Pijnacker-Nootdorp 0,22
Nissewaard 1,01
Krimpenerwaard 0,75
De Fryske Marren 0,93
Gooise Meren 0,52
Berg en Dal 1,02
Meierijstad 0,61
Waadhoeke 1,26
Westerwolde 1,21
Midden-Groningen 0,96
Beekdaelen 0,64
Montferland 0,86
Altena 0,59
West Betuwe 0,32
Vijfheerenlanden 0,41
Hoeksche Waard 0,54
Het Hogeland 0,59
Westerkwartier 0,36
Noardeast-Frysl�n 0,95
Molenlanden 0,43
Eemsdelta 1,22
Dijk en Waard 0,97
Land van Cuijk 0,78
Maashorst 0,87
Voorne aan Zee 0,65
¹⁾ De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.11.3 Jeugdregio's met de hoogste en laagste aandelen jongeren met jeugdbescherming, peildatum 30 juni 2026*1)
% van het totale aantal personen van 0 tot 18 jaar2)
Hoogste aandelenZuid-Limburg 1,19
Hoogste aandelenMidden-Limburg Oost 1,16
Hoogste aandelenFriesland (Fryslân) 1,12
Hoogste aandelenZeeland 1,09
Hoogste aandelenMidden-Limburg West 1,09
Laagste aandelenZuid Kennemerland 0,45
Laagste aandelenHaarlemmermeer 0,47
Laagste aandelenUtrecht West 0,5
Laagste aandelenFood Valley 0,51
Laagste aandelenGooi en Vechtstreek 0,52
Bron: CBS.
1) Personen van 0 tot 18 jaar met jeugdbescherming.
2) De peildatum van het totale aantal jongeren is 1 januari 2026 en komt dus niet overeen met de peildatum van het aantal jongeren met jeugdbescherming (30 juni 2026).

1.12 Herhaald beroep jeugdbescherming

Van de ondertoezichtstellingen die in het eerste halfjaar van 2026 zijn gestart ging het in 8,5 procent van de maatregelen om een herhaald beroep (figuur 1.12.1). Dat wil zeggen dat deze jongere in het betreffende kalenderjaar of in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren al eens eerder een ondertoezichtstelling heeft gehad. In het eerste halfjaar van 2026 is ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025 sprake van een daling bij herhaald beroep van ondertoezichtstellingen. Bij voogdijmaatregelen in het eerste halfjaar van 2026 zien we een stijging ten opzichte van het eerste halfjaar van 2025, van 1,8 naar 3,8 procent. Het gaat hier echter om kleine absolute aantallen.

1.12.1 Herhaald beroep jeugdbescherming¹⁾
Maatregel1e hj 2026* (%)1e hj 2025** (%)1e hj 2024 (%)1e hj 2023 (%)1e hj 2022 (%)
Ondertoezichtstelling²⁾8,59,612,511,29,7
Voogdij²⁾3,81,88,32,53
¹⁾ Hierbij wordt teruggekeken naar de betreffende periode én de 5 daaraan voorafgaande kalenderjaren. ²⁾ Jeugdbeschermingsmaatregelen gestart in de betreffende periode.