Onderweg in Nederland (ODiN) 2018-2020

Eindrapportage heropleveringen

Over deze publicatie

Het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) voorziet in adequate informatie over de dagelijkse mobiliteit van de Nederlandse bevolking beschreven naar plaats van herkomst, bestemming, tijdstip waarop het vervoer plaatsvindt, gebruikte vervoermiddelen en de reismotieven voor de verplaatsingen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De resultaten van ODiN 2018 tot en met 2020 zijn herzien. In dit rapport zijn ook alle herberekende resultaten die eerder in tabellen in de landelijke plausibiliteitsrapportages en in de onderzoeksbeschrijvingen van ODiN 2018, 2019 en 2020 zijn opgenomen, opnieuw gepubliceerd. Dit is ook uitgevoerd voor tabellen waarvan de inhoud naar aanleiding van de herberekeningen niet is gewijzigd.

1. Inleiding

Dit rapport is een herziening van de eerder gepubliceerde plausibiliteitsrapportage ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2020’ en bevat herberekende resultaten van ODiN-onderzoeksjaren 2018, 2019 en 2020. Verplaatsingsonderzoek kent een lange geschiedenis. Van 1978 tot en met 2003 is het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG) van veldwerk tot en met analyse uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de periode 2004 tot en met 2009 werd het onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd door het bureau SocialData onder de naam Mobiliteitsonderzoek Nederland (MON). Vanaf 2010 tot en met 2017 voerde het CBS het Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OViN) uit. Sinds 1 januari 2018 is het verplaatsingsonderzoek sterk gewijzigd en wordt het uitgevoerd onder de naam Onderweg in Nederland (ODiN).

Aanleiding voor de herziening van de ODiN-bestanden van 2018 tot en met 2020 was dat in 2021 uit nadere controles van de cijfers bleek dat er bij het onderdeel serieverplaatsingen een foutieve berekening had plaatsgevonden vanaf het eerste ODiN-jaar 2018. Omdat bij de onderzoeksjaren 2019 en 2020 ook aanvullende optimalisaties van het verwerkingsproces zijn doorgevoerd, is besloten tot heropleveringen van de ODiN-bestanden van alle drie de jaren. Daarbij zijn de indeling van de bestanden en de processen om de bestanden te genereren voor de onderzoeksjaren 2018, 2019 en 2020 zoveel mogelijk gelijk getrokken. Naar aanleiding van de herziening is besloten de resultaten van alle drie de jaren opnieuw te berekenen en te presenteren in dit rapport.

De basis voor dit eindrapport is de herziening van de eerder gepubliceerde plausibiliteitsrapportage ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2020’1). Om de bruikbaarheid van het document te vergroten is er voor gekozen hierin alle ODiN-resultaten die eerder in tabellen in de landelijke plausibiliteitsrapportages en in de onderzoeksbeschrijvingen van ODiN 2018, 2019 en 2020 zijn opgenomen, opnieuw op te nemen. Dit is uitgevoerd ongeacht of cijfers in een tabel een wijziging naar aanleiding van de herziening hebben ondergaan. Op deze wijze zijn alle ODiN-resultaten in één publicatie terug te vinden. De toelichting bij de tabellen in dit eindrapport maakt duidelijk of er sprake is van gewijzigde cijfers naar aanleiding van de herberekeningen. In dit rapport wordt tevens toegelicht welke verschillen er na de heropleveringen nog resteren in de onderzoeksmethode tussen de drie jaren.

Zoals gebruikelijk bij ODiN zijn de resultaten van de drie successieve ODiN-onderzoeken zowel gebaseerd op de responsen van het landelijke onderzoek, als op die van meerwerkonderzoeken. Al deze responsen worden namelijk geïntegreerd in één bestand en ook gezamenlijk gewogen.

In de periode waarop dit rapport betrekking heeft hebben er ontwikkelingen plaatsgevonden die het dagelijks leven in belangrijke mate hebben veranderd. De wereld van 2019 leek nog heel erg op de wereld van de jaren daarvoor, maar dat veranderde in 2020. Het jaar 2020 was een bijzonder jaar vanwege de ziekte covid-19 veroorzaakt door het coronavirus SARS-CoV-19. Het virus dat eind december 2019 in het Chinese Wuhan werd ontdekt werd op 27 februari 2020 officieel voor het eerst bij een persoon in Nederland vastgesteld. Op 1 maart 2020 volgde het eerste advies in Nederland, namelijk thuisblijven bij milde luchtwegklachten na een bezoek aan een risicogebied (China, Zuid-Korea, Iran, Singapore en Noord-Italië). Op 11 maart 2020 was er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) officieel sprake van een pandemie. Het hele jaar zouden nog tal van verschillende adviezen en maatregelen volgen om het virus de kop in te drukken. Dit had invloed op het gehele reilen en zeilen van de samenleving. Ook de mobiliteit is daardoor in 2020 flink gewijzigd ten opzichte van 2019 en wel zodanig dat verondersteld kan worden dat de wijzigingen in het onderzoek in 2020 in het niet vallen bij de trendbreuk veroorzaakt door covid-19.

De herberekende resultaten hebben geen effect op de eerdere conclusies over de plausibiliteit en relatieve vergelijking van ODiN 2018, ODiN 2019 en ODiN 2020. De onderbouwing van die plausibiliteit zoals vastgelegd in de initieel opgeleverde plausibiliteitsrapportages blijft dus actueel en geldig. De uitkomsten van zowel ODiN 2019 als ODiN 2020 blijven dus plausibel ten opzichte van het voorgaande ODiN-jaar.

Dit inleidende hoofdstuk is verder als volgt opgebouwd: In paragraaf 1.1 van dit rapport worden de correcties die in de databestanden van 2018, 2019 en 2020 zijn aangebracht in het kader van de heropleveringen, toegelicht. In paragraaf 1.2 worden de belangrijkste methodologische verschillen in de onderzoeksmethode die in 2018, 2019 en 2020 hebben plaatsgevonden (ook beschreven in de onderzoeksrapporten van die jaren), op een rij gezet. In paragraaf 1.3 wordt ingegaan op de betekenis van de indicatoren in deze rapportage. Tot slot volgt in paragraaf 1.4 een beschrijving van de verdere indeling van deze rapportage.

1.1 Correcties in de heropgeleverde bestanden van ODiN 2018 tot en met ODiN 2020

In deze paragraaf zijn de correcties die in de ODiN-bestanden van 2018, 2019 en 2020 zijn aangebracht, weergegeven.

Afstanden serieverplaatsingen
In de initiële opleveringen van ODiN 2018, 2019 en 2020 bleken de afgelegde afstanden bij serieverplaatsingen onjuist berekend te zijn. Omdat voorheen in het OViN serieverplaatsingen op een andere wijze werden uitgevraagd dan in ODiN kon de in ODiN berekende afstand niet vergeleken worden met voorgaande OViN-jaren2). Daardoor is de fout in de verwerking van serieverplaatsingen niet eerder opgemerkt. Bij de huidige heroplevering van de bestanden is de berekening gecorrigeerd. Dit heeft ertoe geleid dat de waarden van de variabelen AfstS en AfstandSOP voor vrijwel alle serieverplaatsingen gewijzigd zijn. Aangezien de afstanden van serieverplaatsingen deel uit maken van de totale vervoersprestatie is deze na de herberekeningen gewijzigd. Het effect op de totale vervoersprestatie is een verhoging met 3,0 tot 3,3 procent. Dit is de omvangrijkste wijziging in het kader van de heropleveringen. De resultaten van de herberekeningen van de totale vervoersprestatie zijn terug te vinden in tabel 3.1. Meer uitleg over de verschuivingen die hebben plaatsgevonden in de tabel met de totale vervoersprestatie door de herberekeningen staat in bijlage J.

Maatschappelijke participatie
De afleiding van de maatschappelijke participatie is in het initiële bestand van ODiN 2018 niet helemaal goed gegaan. De personen jonger dan 15 jaar zijn toen onterecht toegekend aan 'Eigen huishouding' in plaats van aan 'Scholier/student'. Daarnaast zijn de personen met enkel 0 tot 12 uur betaald werk onterecht toegekend aan 'Onbekend' in plaats van aan 'Overig'. Met ingang van de initiële levering van het bestand van ODiN 2019 was dit reeds verbeterd, maar met deze heropleveringen is de variabele MaatsPart ook in het bestand van ODiN 2018 gecorrigeerd. Deze wijziging heeft uiteraard gevolgen voor analyses met ODiN 2018 waarbij met de variabele MaatsPart gewerkt wordt.

Motief
In het verwerkingsproces voor de initiële oplevering van ODiN 2019 is destijds een kleine wijziging in de afleiding van het motief (variabele MotiefV) doorgevoerd. Deze wijziging is nu ook toegepast in de heroplevering van ODiN 2018. Het betreft de toekenning van het motief bij een laatste verplaatsing die eindigt bij een ‘tweede (t)huis’. Oorspronkelijk werd in het bestand van 2018 dan altijd het motief ‘visite/logeren’ toegekend. Met ingang van ODiN 2019 werd de toekenning voor een laatste verplaatsing met het doel ‘tweede (t)huis’ gelijk getrokken met de toekenning van die naar het ‘eigen woonadres’. Het motief is dan afhankelijk van het doel van de voorgaande verplaatsing. Het aantal verplaatsingen in 2018 waarvan hierdoor het motief gewijzigd is 865 (dat is circa 0,5 procent van alle verplaatsingen). Dit heeft ook in alle gevallen geleidt tot een wijziging van de motiefklasse (variabele KMotiefV).

Vertrek en aankomst in het meerwerkgebied Noordvleugel
In het bestand van ODiN 2018 werden de gemeenten van het deelgebied Gooi en Vechtstreek van het meerwerk Noordvleugel als vertrek- en aankomstlocatie (vastgelegd in de variabelen VertMRA en AankMRA) onterecht toegewezen aan de ‘rest van Noord-Holland’. In de heroplevering van ODiN 2018 is dit rechtgezet. Voor de bestanden van 2019 en 2020 was dat niet nodig omdat het daar al goed zat.

Grensvariabelen
Bij de start van ODiN in 2018 werd voor het vastleggen van informatie bij grensoverschrijdende verplaatsingen gekozen voor een andere werkwijze dan bij OViN. De bedoeling was dat grensoverschrijdende verplaatsingen makkelijker in het bestand te onderscheiden zouden zijn en er makkelijker met grensoverschrijdende gegevens gewerkt zou kunnen worden. Dit bleek echter niet het geval te zijn. In de initiële levering van ODiN 2019 werd dit daarom meteen gewijzigd. 

Er werden daarin drie nieuwe variabelen geïntroduceerd (PCG, GemG en PCBLG) met informatie gerelateerd aan de grensovergang en er werden een of meer codes aan bestaande variabelen (de variabelen VertPC, VertGem, VertProv, VertCorop, VertMRA, VertMRDH en hun aankomst-equivalenten) toegevoegd. Deze verbetering is nu ook in de heroplevering van ODiN 2018 doorgevoerd.

Huishoudvariabelen HHPers, HHSam en HHPlOP
In het onderzoek worden de responsdata uit meerdere bronnen verrijkt met informatie uit registers. Een enkele keer zorgt informatie uit verschillende bronnen voor inconsistenties. In het ODiN-bestand blijkt dat bijvoorbeeld uit het feit dat het aantal personen in het huishouden volgen HHPers niet altijd overeenkomt met het aantal personen dat kan worden berekend met de som van HHLft1 tot en met HHLft4. In veel gevallen betreft het huishoudens die volgens de ene bron meer dan 10 personen bevatten en volgens de andere slechts 1. Het betreft dan veelal woonvormen als studentenhuizen en verzorgingstehuizen. Bij de heropleveringen hebben we hier meer consistentie in aangebracht door de afleidingen van HHPers, HHSam en HHPlOP uit te breiden. Dit heeft geleid tot wijziging van deze variabelen bij jaarlijks enkele tientallen respondenten.

Type elektrische leaseauto
In 2018 werd in gevallen waarbij de brandstofsoort van een leaseauto (BrandstofEPaL) onbekend was gezegd dat er geen sprake was van een elektrische auto. Dit werd met ingang van 2019 gecorrigeerd naar de waarde ‘Onbekend’ voor het type elektrische leaseauto. In de heroplevering van 2018 is dit nu ook gedaan.

Indicator gecorrigeerde snelheid
In de ODiN-bestanden van 2018 en 2019 bleek de indicator (ritvariabele RCorrSnelh) die aangeeft dat de snelheid gecorrigeerd is omdat deze extreem hoog of laag was niet altijd goed gevuld te zijn. Bij de heropleveringen van deze twee bestanden is dat gecorrigeerd. Hierdoor is in ODiN 2018 bij 767 ritten (circa 0,4 procent) de indicator gewijzigd en in ODiN 2019 bij 1 264 ritten (circa 0,7 procent van de ritten).

Overige verbeteringen
In de afleidingen van de variabelen HvmRol, RvmRol, Kind6 en VertLoc zijn in het bestand van 2018 kleine verbeteringen aangebracht die in sommige gevallen tot een aanpassing van de waarde van de betreffende variabelen hebben geleid. Daarnaast zijn in tientallen gevallen onbekende en onjuiste postcodes gecorrigeerd en is op basis daarvan voorheen onbekende regionale informatie met betrekking tot vertrek- en/of aankomstpunt verbeterd.

Met de heropleveringen zijn tevens zoveel mogelijk verschillen tussen de databestanden wat betreft variabelen en waardebereiken weggenomen. De opvallendste van deze verbeteringen betreffen variabelen in het bestand van ODiN 2018 waarbij waardebereiken aangepast zijn conform de verbeteringen die in 2019 waren doorgevoerd:

Fq-variabelen
Met ingang van ODiN 2019 is bij de variabelen over de frequentie van het gebruik van vervoermiddelen (de variabelen waarvan de naam met Fq begint) de code 6 met het label ‘Onbekend’ verwijderd. Deze waarde kan namelijk niet voorkomen, omdat de respondent verplicht is een specifiek antwoord te kiezen. Dit is nu ook doorgevoerd in de heroplevering van ODiN 2018. Voor de variabele FqAutoB (Frequentie gebruik auto als bestuurder) is daarom de oude code 7 code 6 is geworden. Daarnaast is het behorende niet geheel juiste label ‘Niet van toepassing; OP jonger dan 16 jaar’ gewijzigd in ‘Niet van toepassing; OP jonger dan 17 jaar’.

Vervoermiddelenbezit huishouden en persoon
De variabelen HHBezitVm en OPBezitVM zijn variabelen die zijn afgeleid op basis van variabelen over het bezit van voertuigen van het huishouden en van de respondent. Deels komt deze informatie uit de vragenlijst en deels uit registers. In het initiële bestand van ODiN 2018 was code 0 van beide variabelen voorzien van het label 'Geen vervoermiddelen'. Het correctere label 'Geen van de genoemde vervoermiddelen' werd bij ODiN 2019 geïntroduceerd en is nu ook in de heroplevering van ODiN 2018 doorgevoerd.

Alle bovenstaande verbeteringen hebben geleid tot de heropleveringen van ODiN 2018 t/m 2020. De bestanden van deze heroplevering dragen versienummer 2.0 met zich mee. Voor al deze jaargangen zijn ook de bijbehorende codeboeken geüpdatet. Ook de nieuwe codeboeken hebben daarom versie 2.0 meegekregen.

1. 2 Methodologische verschillen tussen ODiN 2018, ODiN 2019 en ODiN 2020

Het onderzoek ODiN is in de jaren 2018, 2019 en 2020 grotendeels op dezelfde wijze uitgevoerd. In deze paragraaf worden de wijzigingen in de onderzoeksmethode aangegeven in de ODiN-onderzoeken van die jaren.

1.2.1 Verschillen in methodologie tussen ODiN 2018 en ODiN 2019

In 2019 hebben er wijzigingen plaatsgevonden die verband houden met de introductie van het meerwerk in de metropoolregio Rotterdam Den Haag. Daarnaast zijn onderstaande verschillen van toepassing.

Groepen op basis van achtergrondkenmerken
Voor het steekproefontwerp van ODiN 2019 is data van ODiN 2018 geanalyseerd om te bekijken of de stratificatie van de steekproeftrekking verbeterd kon worden. Hieruit kwam naar voren dat het verstandig was de categorie 'Nederlandse of westerse achtergrond' te splitsen in twee aparte categorieën. Daarmee wordt de doelpopulatie op basis van achtergrondkenmerken in 2019 opgesplitst in 3 x 10 groepen (in plaats van 2 x 10 zoals bij ODiN 2018). Deze groepen worden evenals in 2018 gegroepeerd in 5 strata. Deze wijziging is ook meegenomen in het weegproces.

Werkgerelateerde doelen 
Bij het ontwerp van de vragenlijst van 2018 is over het hoofd gezien dat voor werkgerelateerde verplaatsingen (verplaatsingen met een van de doelen 'Werken', 'Zakelijk' of 'Beroepsmatig') die direct volgen op een eerste werkgerelateerde verplaatsing, opnieuw het type werk en de aard van de werkzaamheden uitgevraagd moet worden. Bij serieverplaatsingen (een reeks opeenvolgende werkgerelateerde verplaatsingen die als één geheel in het bestand is opgenomen) gebeurde dat wel goed, maar dus niet bij opeenvolgende reguliere werkgerelateerde verplaatsingen. In 2019 is deze fout in de vragenlijst hersteld. Daarmee kan het doel van reguliere werkgerelateerde verplaatsingen die volgen op een eerste werkgerelateerde verplaatsing exacter bepaald worden dan in 2018. Dit heeft tot gevolg dat in ODiN 2018 de reguliere tweede en derde werkgerelateerde verplaatsingen vrijwel uitsluitend de doelen 'Van en naar het werk' en, in mindere mate, het doel 'Zakelijk' toegekend kregen (ongewogen circa 85 procent en 15 procent). Met ingang van ODiN 2019 is deze fout hersteld en kan het doel van een volgende reguliere werkgerelateerde verplaatsing exacter bepaald worden. Daardoor is de onderlinge verhouding tussen de werkgerelateerde doelen van opvolgende tweede en derde werkgerelateerde verplaatsingen uiteraard gewijzigd. In ODiN 2019 is de ongewogen verdeling van de werkgerelateerde doelen 'Werken', 'Zakelijk' en 'Beroepsmatig' bij die selectie respectievelijk circa 25, 35 en 40 procent3). Deze verschuiving heeft ook gevolgen voor de resultaten naar motief van ODiN 2019 in vergelijking met die van ODiN 2018. De vergelijking van deze werkgerelateerde motieven tussen die beide jaren is hierdoor lastiger te maken.

Bouwjaar leaseauto
Gedurende het eerste deel van het onderzoeksjaar werd het jaartal 2019 onterecht niet aan de respondent gepresenteerd als antwoord op de vraag naar het bouwjaar van de leaseauto. Indien de respondent in die periode bij het bouwjaar voor 'weet niet' heeft gekozen is op basis van de verdeling van de responsen van ODiN 2018 aangaand het bouwjaar van leaseauto's een bouwjaar geïmputeerd.

Weging - voorweging
Het model van de voorweging voor ODiN 2019 heeft dezelfde opzet als in 2018, maar is iets gedetailleerder met name vanwege de toevoeging van het meerwerk MRDH. De uitbreiding van de doelgroepindeling in de steekproef is ook doorgevoerd in de voorweging. Daarnaast zijn de aanpassingen in de steekproefuitzet gedurende 2019 verwerkt in de voorweging.

Weging - eindweging
De eindweging van ODiN 2019 kent ook dezelfde opzet als in 2018. De enige aanpassing ten opzichte van het weegmodel van ODiN 2018 is dat de regionale variabelen nu rekening houden met de indeling van het meerwerkgebied van de MRDH. Hiervoor is er extra detail aangebracht in deze variabelen, waardoor de weegvariabelen Regio34 en Regio29 van ODiN 2018 zijn hernoemd naar Regio45 en Regio40. Overigens was in 2018 al voorgesorteerd op het meerwerk MRDH door 5 gebieden binnen de metropoolregio in de weging van ODiN 2018 te onderscheiden. Het aantal onderscheiden regio’s voor de MRDH is in de weging gestegen naar 16.

1.2.2 Verschillen in methodologie tussen ODiN 2019 en ODiN 2020

In 2020 hebben er wijzigingen plaatsgevonden die verband houden met de introductie van het meerwerk in de stadsregio Parkstad Limburg en in de provincie Utrecht. Daarnaast zijn er onderstaande verschillen.

Invuldatum (1)
Met ingang van ODiN 2020 kan de respondent niet meer kiezen of deze de verplaatsingen wil invullen over de toegewezen dag van de week in de afgelopen week of over die toegewezen dag in de daaraan voorafgaande week. Enkel de keuze voor de dag van de week in de afgelopen week behoort met ingang van ODiN 2020 nog tot de mogelijkheden. Het 'terugkijken' is daarmee verschoven van 0 tot 13 dagen naar 0 tot 6 dagen geleden. De respondent wordt met ingang van ODiN 2020 na inloggen in de vragenlijst automatisch de meest recente datum getoond die overeenkomt met de toegekende invuldag (een dag van de week). Over deze datum wordt de respondent gevraagd de verplaatsingen in te vullen. Voor deze wijziging is gekozen omdat uit analyses volgde dat dit de kwaliteit van de responsen zou verbeteren. Vanwege deze wijziging in de waarneming is ook de weging aangepast. De aanpassing van insluitgewichten voor respondenten die over een dag langer dan een week geleden rapporteren is nu weggelaten. Dit heeft als positief effect dat de spreiding van de gewichten kleiner is geworden.

Invuldatum (2)
Vanwege bovenstaande wijziging zijn ook de brieven aan de steekproefpersonen aangepast. Daarin is meteen het advies opgenomen dat de respondent de vragenlijst nog niet dient in te vullen als de dag nog niet helemaal is afgesloten, maar dat deze dat het beste kan doen op de dag na de toegewezen dag van de week. Ook deze wijziging is doorgevoerd met de bedoeling de kwaliteit van de responsen verder te verbeteren.

Inhoudelijke aanpassing website en brieven
Naar aanleiding van de gevolgen van covid-19 virus is het reilen en zeilen van de samenleving wezenlijk veranderd. Over het nut van het onderzoek kreeg het Contact Center Inbound van het CBS dan ook flink wat telefoontjes van respondenten. Sinds april 2020 zijn daarom op de CBS-website een aantal teksten geplaatst die het belang van het CBS-onderzoek in het algemeen en het onderzoek ODiN in het bijzonder, ook in coronatijd benadrukken. Ook de aanschrijf- en rappelbrieven zijn inhoudelijk aangepast. Vanaf mei 2020 is de formulering in de brieven zodanig aangepast, dat deze voor de rest van het jaar te gebruiken zouden zijn, ook als er een eventuele exit strategie van kracht wordt of maatregelen versoepeld zouden worden.

Treinstations buitenland
Indien de respondent in de vragenlijst aangeeft een treinstation in het buitenland te hebben aangedaan, dan wordt voortaan gevraagd welk station dat betrof. Op die manier wordt de kwaliteit van afstanden en reisduren van grensoverschrijdende verplaatsingen verbeterd.

Schakelbord
Een ingrijpende wijziging in de lay-out van de vragenlijst betreft het gebruik van een zogenaamd schakelbord als inleiding op het opgegeven van de vervoermiddelen. Het betreft de presentatie van een overzicht van alle verplaatsingen die de respondent heeft opgegeven. De respondent wordt via dit overzicht gedwongen de verplaatsingen stuk voor stuk en in de juiste volgorde te selecteren om vervolgens de ritten van de geselecteerde verplaatsing in te vullen. Op deze wijze is de respondent zich beter bewust van het feit dat het gaat om de ritten van die ene aangeklikte verplaatsing. Voor deze wijziging is gekozen, omdat sommige respondenten geneigd waren alle ritten (vervoermiddelen) van de hele dag in 1 verplaatsing onder te brengen. Vervolgens liepen ze soms vast in de vragenlijst.

Weging - voorweging
De voorweging bestond voor ODiN 2019 uit de term: regio_oversampling27 x periode4 + Afl_doelgroep5. In ODiN 2020 is deze vervangen door de term: regio_oversampling51 x periode2vw + doelgroep5 x periode2vw. In 2020 is regio_oversampling51 zoals regio_oversampling27 in ODiN 2019, maar nu met de meerwerkgebieden in Parkstad Limburg en Utrecht onderscheiden. De variabele periode2vw is de vervanger van periode4 uit 2019 (deze was er vanwege gewijzigde steekproefuitzetten in 2019) en is een tweedeling van het jaar in jan-feb en rest van het jaar. Dit met het oog op een fout in de steekproefstratificatie naar inkomen in de eerste 8 weken van 2020. De eerste kruising van de regiovariabele en periodevariabele is analoog aan de weegterm die in eerdere jaren is gebruikt en de kruising van doelgroep5 met periode2vw dient nu als correctie voor eventuele verschillen veroorzaakt door de fout in de stratificatie naar inkomen.

Weging - eindweging
Het weegmodel van de eindweging van ODiN 2020 is vrijwel identiek aan dat van ODiN 2019. Een uitzondering is dat Regio45 vanwege de nieuwe meerwerkgebieden is vervangen door Regio67 in de kruising met geslacht en Regio40 door Regio62 in de kruising met inkomen5, herkomst3, leeftijd4 en hhgrootte4. Regio62 is de oorspronkelijke Regio67 met rest van Flevoland bij Overijssel en de Amsterdamse basisregio's ingedikt tot Venom-gebieden (geheel analoog aan Regio40 in 2019). Verder is de aanpassing van insluitgewichten voor respondenten die over een dag langer dan een week geleden rapporteren nu weggelaten vanwege de desbetreffende aanpassing in de waarneming met ingang van 2020. Dit heeft als positief effect dat de spreiding van de gewichten kleiner is geworden.

1.3 Indicatoren in deze rapportage

In de tabellen worden evenals in voorgaande jaren de waarden van verschillende indicatoren per jaar weergegeven. In deze rapportage betreft dat de ODiN-jaren 2018, 2019 en 20204). Vanwege de flinke trendbreuk in 2020 ten opzichte van de jaren ervoor als gevolg van de coronamaatregelen is er voor gekozen ook het percentage op te nemen waarmee de waarde in 2020 gewijzigd is ten opzichte van 2019. Vanwege de herzieningen is besloten dit ook te doen voor 2019 ten opzichte van 2018.

Het ODiN-onderzoek wordt uitgevoerd onder personen van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland. Dat wil zeggen dat personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen niet tot de doelpopulatie behoren. Alle in deze rapportage opgenomen indicatoren hebben dus betrekking op deze afbakening van de doelpopulatie en daarbij is gerekend met de populatie per 1 juli van het betreffende onderzoeksjaar.

Veel van de indicatoren zijn gebaseerd op reguliere verplaatsingen. Daarbij gaat het om:

  • Dagelijkse mobiliteit van de Nederlandse bevolking van 6 jaar of ouder exclusief personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen
  • op Nederlands grondgebied
  • inclusief vakantieverplaatsingen
  • exclusief beroepsmatige verplaatsingen met een zwaar vrachtvoertuig
  • exclusief (werkgerelateerde) serieverplaatsingen
  • exclusief ritten met een vliegtuig.

De (werkgerelateerde) serieverplaatsingen van ODiN betreffen: drie of meer opeenvolgende verplaatsingen met een werkgerelateerd doel (werken, zakelijk of beroepsmatig). Een serieverplaatsing wordt vrijwel altijd vooraf gegaan door 1 afzonderlijk uitgevraagde werkgerelateerde verplaatsing5). Wanneer er 2 of 3 opeenvolgende werkgerelateerde verplaatsingen hebben plaatsgevonden, dan is ieder van die verplaatsingen wel afzonderlijk is uitgevraagd. Deze afzonderlijk uitgevraagde werkgerelateerde verplaatsingen worden in ODiN beschouwd als reguliere verplaatsingen.

De voornaamste indicator in deze rapportage is de totale vervoersprestatie (reizigerskilometers) van Nederlanders van 6 jaar of ouder in Nederland per jaar per vervoerwijze. Deze bestaat uit de totale afgelegde afstand van reguliere verplaatsingen en de serieverplaatsingen (beide zonder beroepsmatig doel met zware vrachtvoertuigen, ook wel wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig genoemd). De totale vervoersprestatie wordt uitgesplitst naar type vervoerwijze. In de analyse wordt bepaald of de reizigerskilometers naar vervoerwijze significant zijn gewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit geldt ook voor de overige indicatoren in deze rapportage.

De plausibiliteitsrapportage richt zich vooral op het belangrijkste bestandsdeel van de totale vervoersprestatie: de reguliere verplaatsingen. Deze behelzen 96 à 97 procent van het totale aantal gemeten reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder. De totale reguliere reizigerskilometers kunnen gezien worden als de niet-institutionele bevolking van Nederland van 6 jaar of ouder maal de afstand per verplaatsing maal het gemiddelde aantal reguliere verplaatsingen per persoon per dag maal het aantal dagen in het jaar. De niet-institutionele bevolking van Nederland van 6 jaar of ouder is bekend uit de Basisregistratie Personen (BRP). De gemiddelde afstand per verplaatsing en het gemiddelde aantal reguliere verplaatsingen per persoon van 6 jaar of ouder per dag zijn dus de bepalende variabelen uit ODiN voor het totale aantal reizigerskilometers. De totale reizigerskilometers, de reguliere reizigerskilometers, de gemiddelde afstand per verplaatsing en het gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per persoon per dag worden in de rapportage afzonderlijk gepresenteerd. Zij worden uitgesplitst naar vervoerwijze en/of verplaatsingsmotief.

De verkeersdeelname en het gebruik van het openbaar vervoer zijn eveneens belangrijke indicatoren. Zij worden uitgesplitst naar de persoonskenmerken geslacht en maatschappelijke participatie. Een persoon neemt aan het verkeer deel als deze minimaal één reguliere verplaatsing per dag of minimaal één serieverplaatsing per dag maakt. Ook personen die enkel vakantieverplaatsingen hebben gemaakt, tellen dus mee bij het bepalen van de verkeersdeelnemers. Niet mee tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig en uiteraard tellen niet mee personen met enkel verplaatsingen geheel in het buitenland.

Significantie en betrouwbaarheid
De significantie van jaar-op-jaar-verschillen is bepaald met behulp van betrouwbaarheidsintervallen waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt. In de tabellen worden significante verschillen ten opzichte van voorgaand jaar met een voetnoot weergegeven. In deze rapportage worden enkel cijfers gepresenteerd die betrouwbaar geacht worden. Mocht dat niet het geval zijn, dan wordt geen waarde gepresenteerd, maar in plaats daarvan een puntje. Daarbij hanteren we de vuistregel dat de waarde betrouwbaar wordt geacht indien het aantal unieke respondenten dat bijdraagt aan de schatting minimaal 50 is en de relatieve marge niet groter is dan 50%.

1.4 Indeling van de rapportage

De opbouw van het rapport is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de ongewogen responsinformatie in ODiN 2020 vergeleken met die van ODiN 2019 en 2018. Daarna komen in hoofdstukken 3, 4 en 5 de resultaten aangaande de totale reizigerskilometers, het aantal reguliere verplaatsingen en de afstand per verplaatsing aan bod. In hoofdstuk 6 wordt de verkeersdeelname gepresenteerd.

In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn de significante verschillen in de uitkomsten tussen 2019 en 2018 en tussen 2020 en 2019 in de tabellen aangegeven. Ook is aangegeven welke cijfers op basis van de herberekening met de herziene bestanden van 2018, 2019 en 2020 zijn gewijzigd. De mutaties van 2020 ten opzichte van 2019 en van 2019 op 2018 zijn getoetst door middel van marges. Daar waar significante wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van eerder gepubliceerde resultaten wordt dit zowel in de tabellen als in de tekst vermeld. Met betrekking tot het jaar 2018 worden de verschillen tussen de herberekeningen en de eerdere publicaties enkel gemeld maar worden de verschillen tussen 2018 en 2019 niet meer opnieuw geduid. De duiding van de verschillen tussen 2019 en 2020 uit de ‘Plausibiliteitsrapportage-OViN 2020 is overgenomen in dit herziene rapport en als er wijzigingen zijn ontstaan door herberekeningen op basis van de nieuwe bestanden, is dit aangegeven en beschreven.

In hoofdstuk 7 worden externe bronnen aangehaald en hoofdstuk 8 ten slotte bevat de samenvatting en conclusie. In de bijlagen A, B en C staan de marges behorende bij de schattingen van respectievelijk 2018, 2019 en 2020 uit de tabellen in de hoofdstukken 3 tot en met 6.

Door de wijzigingen in de databestanden is ook een deel van de resultaten uit de kerntabellen van de onderzoeksbeschrijvingen gewijzigd. Deze zijn opnieuw berekend en als bijlagen toegevoegd aan deze rapportage. Zodoende bevatten de bijlagen D, E en F alle schattingen uit de onderzoeksbeschrijvingen van respectievelijk ODiN 2018, 2019 en 2020. De bijlagen G, H en I bevatten de marges behorende bij de schattingen uit de drie voorgaande bijlagen.

1) Dit eindrapport is gebaseerd op de plausibiliteitsrapportage van ODiN 2020. Om die reden ligt de nadruk op het beschrijven van de geconstateerde verschillen in de mobiliteit van 2019 op 2020 en of deze plausibel kunnen worden geacht. In het enkele geval waarbij de significantie van de verschillen tussen 2019 en 2018 door de herberekeningen gewijzigd is, wordt dit aangegeven. In alle andere gevallen dient men voor de beoordeling van de plausibiliteit van 2019 ten opzichte van 2018 de plausibiliteitsrapportage van ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2019’ te gebruiken.
2) De andere wijze van uitvragen betreft een verdere detaillering en een andere afbakening in ODiN ten opzichte van OViN. In OViN werden opeenvolgende beroepsmatige verplaatsingen ongeacht het aantal bezochte (werk-)locaties als één beroepsmatige verplaatsing uitgevraagd en alleen meegenomen bij de bepaling van de totale vervoersprestatie en niet bij andere indicatoren. In ODiN worden opeenvolgende werkgerelateerde (van en naar het werk, zakelijk/dienstreis en beroepsmatige) verplaatsingen met maximaal 3 achtereenvolgende werklocaties alle apart uitgevraagd en meegenomen in de berekening van alle indicatoren (ze worden beschouwd als reguliere verplaatsingen). Pas bij 4 of meer achtereenvolgende werklocaties worden in ODiN de opeenvolgende verplaatsingen als een geheel uitgevraagd. We spreken in ODiN dan van een serieverplaatsing. Deze zijn dus per definitie werkgerelateerd en worden alleen meegenomen bij de bepaling van de totale vervoersprestatie.
3) De selectie in het databestand betreft verplaatsingen waarvoor geldt dat VolgWerk gelijk is aan 3, 5 of 6.
4) Het betreft de cijfers over 2018 uit de eindrapportage ODiN 2018 van december 2019 (behalve bij tabel 6.1.2) en de cijfers over 2019 uit de plausibiliteitsrapportage ODiN 2019 van juli 2020.
5) Serieverplaatsingen verminderen de responslast van respondenten die voor de uitoefening van hun werk/beroep veelvuldig adressen (meer dan 3 werklocaties) achter elkaar bezoeken (zoals bijvoorbeeld bij pakketbezorgers en pizzakoeriers). Door een andere wijze van uitvraag van serieverplaatsingen is het niet mogelijk om dzelfde uitsplitsingen te maken als bij reguliere verplaatsingen.

2. Ongewogen responsinformatie

In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de ongewogen responsinformatie van ODiN 2020. Dit onderzoeksjaar van ODiN omvat niet alleen het landelijk onderzoek met een responseis van 45 000 respondenten, maar ook de responsen van de vier meerwerkopdrachten die zijn uitgevoerd:

  • Het meerwerk Noordvleugel in opdracht van de Vervoerregio Amsterdam dat wordt uitgevoerd in de Metropoolregio Amsterdam plus de gemeenten Zeewolde en Dronten. De responseis voor dit meerwerk is 2 000 respondenten.
  • Het meerwerk MRDH in en in opdracht van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag waarvan de responseis 5 529 personen betreft.
  • Het meerwerk SPL in opdracht van de Stadsregio Parkstad Limburg dat wordt uitgevoerd in alle zeven gemeenten van de gelijknamige regio met een responseis van 741 respondenten.
  • Het meerwerk Utrecht in opdracht van de Provincie Utrecht en de Gemeente Utrecht dat wordt uitgevoerd in alle gemeenten van de provincie met een responseis van 3 924 personen.

2.1 Responsaantallen

Het databestand van ODiN 2020 bevat 62 940 respondenten. In tabel 2.1.1 is te zien hoe deze verdeeld zijn over de steekproeven ten behoeve van de meerwerkregio's en is de vergelijking met de responsaantallen van voorgaande jaren te zien.

2.1.1 Responsaantallen in opgeleverde bestanden naar steekproef per jaar
ODiN 2018ODiN 2019ODiN 2020
Totaal57 26053 38062 940
Landelijke steekproef54 58945 32049 087
Steekproef Noordvleugel2 6712 1662 307
Steekproef MRDH-5 8946 371
Steekproef SPL--797
Steekproef Utrecht--4 378

2.2 Aandeel correcties

De belangrijkste correctie die met het oog op de plausibiliteit wordt uitgevoerd op het ODiN-bestand is de correctie op basis van geconstateerde extreme snelheden. Om te hoge en te lage ritsnelheden (rekening houdend met de ritvervoerwijze) te corrigeren zijn regels opgesteld die de gerespondeerde ritafstand en/of ritreisduur aanpassen. In ODiN 2020 gebeurde dit bij 6,0 procent van alle reguliere ritten. In 2,9 procent van de ritten ging het om correcties vanwege een te hoge snelheid en in 3,1 procent van de ritten betrof het een correctie vanwege een te lage snelheid. Zie tabel 2.2.1 voor de percentages gecorrigeerde ritten van 2018 tot en met 2020.

2.2.1 Percentage gecorrigeerde ritten in opgeleverde bestanden per jaar
ODiN 2018ODiN 2019ODiN 2020
Totaal6,45,86,0
Correctie van een te hoge snelheid3,22,82,9
Correctie van een te lage snelheid3,23,03,1

2.3 Uitval niet-bruikbare responsen

De responsen die uit het veldwerk komen worden getoetst op bruikbaarheid. Dit gebeurt op verschillende momenten in het verwerkingsproces. Responsen worden verwijderd bij het ontbreken van essentiële informatie en bij inconsistenties van gegevens die niet op een aannemelijke wijze gecorrigeerd kunnen worden. Ook gevallen waarbij de respondent duidelijk niet serieus heeft ingevuld of waarbij de respondent de vragen overduidelijk foutief geïnterpreteerd heeft, worden - indien gesignaleerd - verwijderd.

In tabel 2.3.1.wordt het aantal responsen en de uitval gepresenteerd voor ODiN 2018 tot en met 2020. Uit die tabel volgt dat voor ODiN 2020 63 510 responsen uit het veldwerk werden opgehaald. De uitval in het verwerkingsproces bedroeg 570 responsen. In het databestand van 2020 zijn daarmee uiteindelijk 62 940 respondenten aanwezig.

2.3.1 Aantal responsen en uitval in verwerkingsproces per jaar
ODiN 2018ODiN 2019ODiN 2020
Responsen uit veldwerk58 32753 84963 510
Uitval1 067 469 570
Responsen in het databestand57 26053 38062 940

3. Reizigerskilometers

In dit hoofdstuk worden herberekende reizigerskilometers per jaar gepresenteerd van inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland. De totale vervoersprestatie betreft alle reizigerskilometers van inwoners van Nederland in Nederland inclusief binnenlandse vakanties en serieverplaatsingen maar exclusief (beroepsmatig) wegvervoer met vrachtwagens. De vervoersprestatie in tabel 3.1 is uitgesplitst naar vervoerwijze. Zoals gebruikelijk voor de reizigerskilometers zijn de afstanden gebaseerd op de ritinformatie6).

De totale vervoersprestatie zoals gepresenteerd in tabel 3.1 heeft door de herberekeningen de omvangrijkste wijzigingen ondergaan. De wijzigingen hebben betrekking op zowel 2018, 2019 als 2020. Ze zijn het gevolg van de correctie van de serieverplaatsingen. De totale vervoersprestatie voor 2018 en 2019 is nu 3,3 procent hoger en voor 2020 3,0 procent hoger, dan vermeld in de initiële rapportages. Het grootste deel van de totale vervoersprestatie (variërend van 96 tot 97 procent) zijn de afstanden van de reguliere verplaatsingen, dit deel is uiteraard ongewijzigd gebleven. Vooral het herziene resultaat van de ‘overige vervoerwijzen’ draagt bij aan de hogere totale vervoersprestatie. Een nadere toelichting op de verschillen tussen de cijfers in onderstaande tabel 3.1 ten opzichte van die in de initiële rapportages is te vinden in bijlage J.

3.1 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze per jaar
20181)20191)20201)verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal218,1218,8152,0*0-31
Personenauto als bestuurder108,8108,579,4*0-27
Personenauto als passagier38,739,025,8*+1-34
Trein22,824,19,6*+6-60
Bus/tram/metro6,56,52,9*0-55
Fiets18,517,8*15,5*-4-13
Lopen5,25,26,6*-1+28
Overig17,617,912,1*+2-32
1) Cijfers zijn gewijzigd ten opzichte van de cijfers in voorgaande rapportages.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Door de covid-19 pandemie en de maatregelen die de regering nam om de gevolgen voor de bevolking en de gezondheidszorg zo gunstig mogelijk te laten verlopen, was 2020 een uitzonderlijk jaar. Veel van die maatregelen hadden ook hun weerslag op het verplaatsingsgedrag van de Nederlandse bevolking.

Uit de gegevens van tabel 3.1 blijkt dat de totale vervoersprestatie in ODiN 2020 152 miljard reizigerskilometers bedraagt. Dit is een daling van bijna een derde ten opzichte van ODiN 2019 en verschilt daarmee significant. Voor alle vervoerwijzen geldt dat de vervoersprestatie in 2020 significant gedaald is ten opzichte van de vervoersprestatie in 2019, behalve lopen, dat is significant toegenomen.

De Nederlandse bevolking heeft in 2020 28 procent meer kilometers te voet afgelegd. De vervoersprestatie te voet nam toe met bijna 1,5 miljard kilometer tot 6,6 miljard in 2020.

De daling van het aantal personenautobestuurderskilometers in 2020 ten opzichte van 2019 bedraagt 29,0 miljard kilometers (-27 procent), het aantal kilometers overbrugd als passagiers in een personenauto daalde met 13,2 miljard (-34 procent) nog iets meer.

Voor het controleren van de plausibiliteit van het aantal personenautobestuurderskilometers uit ODiN 2020 kon worden nagegaan wat het aantal personenautobestuurderskilometers van Nederlandse personenauto's op Nederlands grondgebied voor 2020 is, berekend op basis van kilometerregistraties uit OKR (Online Kilometer Registratie) van de Dienst Wegverkeer (RDW). Deze registergegevens zijn vervolgens verdeeld in kilometers gereden op Nederlands grondgebied en kilometers gereden op buitenlands grondgebied. Uit de gegevens op binnenlands grondgebied blijkt dat het aantal personenautokilometers van Nederlandse personenauto’s van 2019 naar 2020 is afgenomen met 15 procent7). Zie voor meer informatie hierover en voor een vergelijking met andere bronnen, die het verkeer op een deel van het Nederlands grondgebied waarnemen zoals de voertuigkilometers op het Rijkswegennet, of een deel van verkeersdeelnemers zie paragraaf 7.2.

De grootste krimp in afgelegde kilometers deed zich voor bij het openbaar vervoer. Uit ODiN blijkt dat het aantal reizigerskilometers met de trein in 2020 afnam met 60 procent tot 9,6 miljard kilometer. De grootste treinvervoerder, de Nederlandse Spoorwegen (NS), rapporteert in het jaarverslag over 2020 (NS, 2021) een afname van het aantal reizigerskilometers met de trein met 55 procent tot ruim 8 miljard reizigerskilometers. Het aantal reizigerskilometers met bus, tram en metro daalde in 2020 tot 2,9 miljard (-55 procent).
Het totale aantal reizigerskilometers op de fiets nam van 2019 naar 2020 af met ruim 2,2 miljard reizigerskilometers tot 15,5 miljard.

Tabel 3.2 bevat de totale reguliere reizigerskilometers in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven naar verplaatsingsmotief. In deze tabel zijn door de herberekeningen alleen alle cijfers van het jaar 2018 iets gewijzigd behalve het totaal van 2018. De cijfers van 2019 en 2020 zijn ongewijzigd ten opzichte van de initiële rapportage.

3.2 Reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief per jaar
20181)20192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal210,3210,9147,0*0-30
Van en naar het werk61,457,0*36,4*-7-36
Zakelijk en beroepsmatig12,819,2*10,9*+50-43
Diensten en verzorging4,84,33,6*-11-16
Winkelen en boodschappen doen18,218,314,7*+1-20
Onderwijs of cursus volgen12,112,06,0*-1-50
Visite en logeren38,634,2*24,0*-11-30
Uitgaan, sport en hobby35,739,2*23,7*+10-40
Toeren en wandelen9,69,512,2*-1+29
Ander motief17,217,215,4*0-10
1) Cijfers, behalve het totaal, zijn gewijzigd ten opzichte van de cijfers in voorgaande rapportages.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit analyse van de gegevens uit tabel 3.2 blijkt dat ook de reguliere reizigerskilometers voor het totaal van alle motieven in ODiN 2020 significant verschillen met ODiN 2019. Het verschil tussen de totale vervoersprestatie en het totaal aantal reguliere reizigerskilometers bedraagt in 2020 5,1 miljard kilometer (in 2019 was dat 8,0 miljard kilometer). Dit verschil is toe te schrijven aan de serieverplaatsingen, die bij het berekenen van de totale vervoersprestatie wél worden meegenomen, maar niet bij de reguliere verplaatsingen.

Uit tabel 3.2 blijkt ook dat voor het motief toeren en wandelen het aantal reguliere reizigerskilometers in ODiN 2020 significant hoger is dan bij ODiN 2019 (+29 procent). Voor alle andere motieven geldt dat het aantal reguliere reizigerskilometers in 2020 significant lager ligt. De overheid heeft vele maatregelen genomen om de kans op besmetting met en verspreiding van het coronavirus zo veel mogelijk te beperken. Zo is een appél gedaan op werkenden om, indien mogelijk, thuis te werken, zijn mogelijkheden om te winkelen in niet-essentiële winkels, beperkt door perioden van winkelsluitingen, of beperkte toegang onder strikte voorwaarden. Ook golden er in 2020 perioden waarin het onderwijs geheel of gedeeltelijk digitaal werd aangeboden en het bezoeken van bijvoorbeeld scholen en universiteiten niet - of slechts binnen bepaalde grenzen - mogelijk was. Bezoek aan theaters, concerten, bioscopen en andere evenementen waren tijdelijk mogelijk voor kleine bezoekersaantallen of zelfs helemaal niet toegestaan. Dit gold eveneens voor de horeca en voor de meeste sportieve activiteiten, vooral in groepsverband. Ook werd van tijd tot tijd een oproep gedaan om thuis niet meer dan een klein aantal bezoekers te ontvangen. Vanaf medio december gold een harde lockdown waarbij vrijwel alle plekken waarbij mensen samen kunnen komen gesloten werden (Rijksoverheid, z.d. a).

Wandelen en fietsen, soms beperkt tot wandelen of fietsen met een maximaal aantal personen (bijvoorbeeld 2 of 4 met een afstand van minimaal 1,5 meter ten opzichte van elkaar), of alleen met gezinsleden bleef een van de weinige mogelijkheden om buitenshuis te ontspannen, te bewegen of een frisse neus te halen. In 2020 is er meer gewandeld dan in de jaren ervoor. Dit laatste is ook terug te vinden in ODiN 2020 cijfers. Het aantal kilometers met motief ‘Toeren en wandelen’ is in ODiN 2020 met 2,7 miljard kilometer toegenomen ten opzichte van 2019.

Aan de oproep thuis te werken tenzij het niet anders kan, is gehoor gegeven. Meer mensen werkten in 2020 van huis uit, of werkten vaker dan voorheen thuis (CBS-StatLine, 2021a; De Haas, Hamersma en Faber, 2021). Daarnaast waren er mensen die niet konden gaan werken omdat bijvoorbeeld de winkel, de sportclub, hun praktijk etc. waar ze werkten gesloten moesten blijven. Uit de resultaten van ODiN 2020 blijkt dat het aantal reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ ten opzichte van 2019 is afgenomen met 36 procent tot 36,4 miljard reizigerskilometers in 2020. Het aantal kilometers dat is afgelegd met het motief ‘Zakelijk en beroepsmatig’, nam af met 43 procent tot 10,9 miljard reizigerskilometers.

Het aantal reizigerskilometers afgelegd voor ‘Onderwijs of cursus volgen’ halveerde in 2020 ten opzichte van 2019. Overheidsmaatregelen met betrekking tot het onderwijs zorgden ervoor dat scholen, teneinde besmettingen te voorkomen periodes moesten sluiten en overgingen tot online les geven. Ook kinderdagverblijven konden niet het hele jaar open om die reden.

De maatregelen rond de covid-19 pandemie maakten 2020 ten opzichte van 2019 een bijzonder jaar. De reizigerskilometers voor ‘Uitgaan, sport en hobby’ namen af met 40 procent, ‘Visite en logeren’ met 30 procent. Het totaal aantal kilometers gereisd om gebruik te maken van ‘Diensten en verzorging’ waaronder een bezoek aan kapper, nagelstudio, schoonheidsspecialiste, nam in 2020 af met 16 procent ten opzichte van een jaar eerder.

6) Dit is de meest zuivere bepaling. Verplaatsingen kunnen met meerdere vervoerwijzen worden gemaakt, bijvoorbeeld fiets-trein-bus-lopen. In dat geval wordt bij de hier gehanteerde afleiding de afgelegde afstand per rit van al de vier gebruikte vervoerwijzen binnen de hele verplaatsing ook toegekend aan elk van de vier gebruikte vervoerwijzen. ODiN kent daarnaast voor die gevallen een hoofdvervoerwijze toe voor de gehele verplaatsing op basis van de langst afgelegde afstand binnen de verplaatsing. Deze hoofdvervoerwijze speelt echter geen rol bij de toekenning van de hier gepresenteerde afstanden.
7) Ten tijde van het schrijven van dit document zijn voor 2020 de voorlopige verkeersprestatiegegevens gebruikt die zijn gepubliceerd op 10 november 2021.

4. Gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag

De totale reizigerskilometers zijn te ontleden in aantallen verplaatsingen en de verplaatsingsafstanden. Dit hoofdstuk richt zich op het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag naar vervoerwijze en naar motief. Vanzelfsprekend is deze indicator gebaseerd op verplaatsingsinformatie, terwijl de tabellen in hoofdstuk 3 gebaseerd zijn op ritinformatie. Voor betere leesbaarheid zijn in alle tabellen van dit hoofdstuk de cijfers weergegeven per 1 000 personen van 6 jaar of ouder.

In tabel 4.1 wordt het gemiddeld aantal verplaatsingen in Nederland naar hoofdvervoerwijze van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland vermeld. Het betreft reguliere verplaatsingen8). De gegevens van het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 personen per dag naar vervoerwijze zijn niet gewijzigd ten gevolge van de bestandsherzieningen. Dat geldt voor zowel de resultaten uit 2018, 2019 als voor 2020.

4.1 Gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze per jaar
201820192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal2 7822 710*2 352*-3-13
Personenauto als bestuurder958948805*-1-15
Personenauto als passagier323312240*-3-23
Trein798233*+4-60
Bus/tram/metro7872*35*-7-51
Fiets792757*626*-4-17
Lopen445426*523*-4+23
Overig10711290*+4-20
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 4.1 is af te leiden dat in ODiN 2020 het totaal aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag (2 352) 13 procent lager ligt ten opzichte van ODiN 2019. Deze daling is significant. Ook voor alle vervoerwijzen geldt dat het aantal verplaatsingen significant is gedaald met uitzondering van lopen. Het aantal loopverplaatsingen is significant toegenomen met 23 procent tot 523 loopverplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag in 2020. Ook uit onderzoek van het KiM, uitgevoerd in juni/juli 2020, blijkt dat medio 2020 29 procent minder reizen zijn gemaakt. Die daling is minder groot dan aan het begin van de coronacrisis (De Haas, Hamersma en Faber, 2020).

De grootste afname deed zich voor onder het aantal treinverplaatsingen, dit daalde in 2020 in vergelijking met 2019 met 60 procent. De overheid gebood de spoorwegen een keur aan maatregelen te nemen om besmetting tijdens het reizen te vermijden, de bevolking werd opgeroepen om alleen strikt noodzakelijke treinreizen te maken. Hierdoor viel onder andere een groot deel van het forensenverkeer met de trein weg (zie NS jaarverslag 2020). Voor reizen met het overige openbaar vervoer golden eendere restricties. Het aantal verplaatsingen met bus, tram en metro halveerde ruim van 72 tot 35 per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag in 2020. Ter vergelijking: uit gegevens uit de OV-monitor (CBS en Translink) blijkt dat het aantal instappers in het openbaar vervoer van 2019 op 2020 is gedaald met 53 procent (CBS, z.d.) en (OV-Monitor CBS & Translink, z.d.). Het KiM constateerde dat er medio 2020 nog steeds negatieve beeldvorming was over het openbaar vervoer in de coronacrisis. 85 procent van de mensen gaf toen aan liever individueel vervoer te willen gebruiken dan openbaar vervoer. De opgegeven reden hiervoor waren onder andere: overheidsadvies om alleen te reizen met het OV als het strikt noodzakelijk was (48 procent), omdat mensen minder vaak reisden (46 procent) en een derde gaf aan het OV minder te gebruiken uit angst voor besmetting met het coronavirus (De Haas et al., 2020).

Zoals ook vermeld bij tabel 3.2 is hier een relatie met de maatregelen van de overheid om de kans op overdragen van covid-19 te reduceren. Daardoor is het gebruik van alle modaliteiten, behalve lopen, afgenomen. Het aantal verplaatsingen met de personenauto als bestuurder nam in 2020 af met 15 procent. Het aantal verplaatsingen als personenautopassagier daalde nog sterker, namelijk met 23 procent. Het is aannemelijk dat hier een relatie is met de in een deel van 2020 gedane oproep aan mensen om bijvoorbeeld alleen een winkel te bezoeken, of om maar met 1 persoon op bezoek te gaan. Ook de van tijd tot tijd geldende sluiting van scholen of het niet samen in een personenauto willen reizen om besmetting te voorkomen en het feit dat het moeilijk is om in de auto 1,5 meter afstand te houden tot niet-huisgenoten, hebben er mogelijk aan bijgedragen dat het aantal personenautopassagiersverplaatsingen nog iets sterker daalde dan het aantal personenautobestuurdersverplaatsingen. De op dit moment beschikbare resultaten uit het Nationaal Verplaatsingenpanel (NVP) getoond in opeenvolgende rapportages met de naam Achtergrondrapportage Monitoring Mobiliteit en Vervoer onderdeel van het Dashboard I&W, zijn moeilijk vergelijkbaar met de ODiN-resultaten omdat er bijvoorbeeld indexcijfers van aantallen reizen worden gepresenteerd waarbij week 10 van 2020 op 100 procent is gesteld. Een goede vergelijking van deze aantallen reizen-indexcijfers uit 2020 met dezelfde periode in 2019 is hiermee niet goed mogelijk. Via raadpleging van deze cijfers via (www.dat.nl/nvp) kan met enige armslag worden berekend dat het gemiddeld aantal reizen met de auto per panellid per weekdag is afgenomen met 20 procent. Onduidelijk is wat onder auto wordt verstaan. Gaat het enerzijds om personenauto's, bestelauto's, of vrachtauto's etc., en anderzijds om autobestuurders of autopassagiers? Daarnaast is de vraag wat er met gegevens per panellid wordt bedoeld. Niet duidelijk is door de aanduiding 'per panellid' of het om gewogen of ongewogen cijfers gaat. Als we de verplaatsingsaantallen van ODiN voor autopassagier en autobestuurder samen tellen en 2019 en 2020 met elkaar vergelijken is de afname 17 procent.

Ook is er in vergelijking met 2019 in 2020 minder vaak gebruik gemaakt van de fiets. Het aantal fietsverplaatsingen nam af met 17 procent. Het is aannemelijk dat een aantal fietsverplaatsingen door mensen die normaal gesproken met hun fiets naar het werk gingen en die in 2020 gehoor gaven om thuis te werken, niet zijn gemaakt. Ook scholieren en studenten - groepen waarin in niet-coronajaren relatief veel fietsgebruikers voorkomen - hoefden ten tijde van de sluiting van hun onderwijsinstellingen (VOraad, z.d.) en (Rijksoverheid, z.d. d) de reis ernaar toe op de fiets niet te maken omdat ze thuis online les ontvingen.

Tabel 4.2 toont wederom het aantal dagelijkse verplaatsingen in Nederland per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland, maar ditmaal naar reismotief. Ten gevolge van de herberekeningen zijn alle cijfers van 2018 bijgesteld behalve het totaal aantal reguliere verplaatsingen van 2018. Door de herberekening is nu het verschil tussen 2019 en 2018 voor ‘ander motief’ significant lager. In de initiële publicatie was dit verschil niet significant. De cijfers van 2019 en 2020 zijn niet gewijzigd.

4.2 Gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief per jaar
20181)20192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal2 7822 710*2 352*-3-13
Van en naar het werk549505*370*-8-27
Zakelijk en beroepsmatig69107*72*+55-33
Diensten en verzorging858672*+1-17
Winkelen en boodschappen doen565544*552-4+1
Onderwijs of cursus volgen227222138*-2-38
Visite en logeren294273*238*-7-13
Uitgaan, sport en hobby513511357*+0-30
Toeren en wandelen174171269*-2+58
Ander motief307291**285-5-2
1) Cijfers, behalve het totaal, zijn gewijzigd ten opzichte van de cijfers in voorgaande rapportages.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.
** Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar, terwijl dat in de voorgaande rapportages niet het geval was.

De afname van het totaal aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag in 2020 met 13 procent is op basis van de indeling naar motief als volgt verdeeld. Er is sprake van een significante daling bij het motief ‘Onderwijs of cursus volgen' (waaronder kinderopvang). Voor dit doel zijn ruim een derde minder verplaatsingen gemaakt. In 2020 waren er perioden waarbij een hoog aantal covid-19-zieken in het ziekenhuis belandden, of dat verwacht werd dat het aantal ziekenhuispatiënten zonder aanvullende maatregelen zo hoog zou kunnen oplopen dat de druk op de gezondheidszorg te groot zou kunnen worden. Maatregelen die in het kader daarvan genomen werden waren tijdelijke geheel of gedeeltelijke sluitingen van het onderwijs en de kinderopvang en in plaats daarvan werd -waar mogelijk- online les gegeven of ouders moesten zelf voor kinderopvang zorgen. Een daling van het aantal verplaatsingen voor ‘Onderwijs of cursus volgen’ valt daarom binnen het verwachtingspatroon. Dit geldt ook voor de daling van het aantal verplaatsingen voor de motieven ‘Diensten en verzorging’ en ‘Uitgaan, sport en hobby. Ook op deze branches waren van tijd tot tijd beperkende overheidsmaatregelen van toepassing, teneinde het aantal contactmomenten tussen (groepen) mensen in bijvoorbeeld de horeca, sportgelegenheden, verenigingen, zangkoren en tijdens bezoek en overnachtingen te beperken om de kans op besmetting met het virus zo klein mogelijk te maken. In dat kader zijn ook werkenden voor wie de mogelijkheid bestond om thuis te werken en niet naar hun kantoor of bedrijf te reizen opgeroepen niet naar hun werk te reizen en zo mogelijk online te vergaderen. De verwachting dat het aantal verplaatsingen ‘Van en naar het werk’ hierdoor zou afnemen is dan ook logisch. Uit de gegevens van ODiN 2020 blijkt dat in vergelijking met 2019 het aantal verplaatsingen ‘Van en naar het werk’ is afgenomen met 27 procent en het aantal ‘Zakelijke en beroepsmatige’ verplaatsingen is afgenomen met een derde.

Ofschoon er ook periodes waren waarin zogenaamde niet-essentiële winkels hun deuren moesten sluiten tijdens een lockdown of hooguit voor afhalen hun deur op een ‘kier’ konden zetten, blijkt dat het aantal verplaatsingen gemaakt met het motief ‘Winkelen en boodschappen doen’ in 2020 niet significant verschilt van het aantal ‘winkelverplaatsingen’ in 2019. Mensen hebben dus ongeveer evenveel winkelverplaatsingen gemaakt als vorig jaar maar uit een extra analyse blijkt wel dat in 2020 het aandeel winkelverplaatsingen waarbij maar één winkel is bezocht met 8 procent is toegenomen ten opzichte van 2019.

Mensen hadden vanwege de coronamaatregelen minder mogelijkheden om ergens naar toe te gaan of mensen te bezoeken. Aannemelijk is dat ze volop gebruik maakten van de weinige mogelijkheden om te bewegen, te ontspannen of vertier te zoeken door te gaan wandelen of te toeren. De berichtgeving over druk bezochte natuurgebieden, stranden, parken en dergelijke getuigde hiervan (Erik Jonk, 2020, Hart van Nederland, 2020). Uit de gegevens van ODiN 2020 komt naar voren dat het aantal verplaatsingen met motief ‘Toeren en wandelen’ ten opzichte van 2019, toen er nog geen sprake was overheidsmaatregelen in het kader van de coronapandemie, met 58 procent is toegenomen. Ofschoon het onderzoek slechts de situatie van het eerste deel van 2020 beschrijft, blijkt ook uit KiM-onderzoek dat er medio 2020 in vergelijking met de situatie van vóór de coronacrisis nog steeds sprake is van een afname van het aantal verplaatsingen voor alle motieven, maar niet voor 'Toeren en wandelen'. De onderzoekers vonden eveneens dat de grootste daling in het aantal verplaatsingen plaatsvond voor het motief 'onderwijs' (De Haas et al., 2020).

8) De hoofdvervoerwijze betreft de vervoerwijze waarmee binnen de verplaatsing de langste afstand is afgelegd.

5. Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing

De totale reizigerskilometers zijn te ontleden in aantallen verplaatsingen en verplaatsingsafstanden. Dit hoofdstuk richt zich op de gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing naar vervoerwijze en naar motief. Evenals bij het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag in het voorgaande hoofdstuk, wordt bij de afgelegde afstand per verplaatsing alleen gerekend met reguliere verplaatsingen. Voor deze indicator wordt vooral informatie op verplaatsingsniveau gebruikt. Echter, bij de indeling naar vervoerwijze wordt voor alle reguliere verplaatsingen gekeken naar de som van de ritafstanden per ritvervoerwijze (bijvoorbeeld de fiets) en deze wordt vervolgens gedeeld door het totaal aantal verplaatsingen waarvan (in dit geval) de fiets de hoofdvervoerwijze is.

In tabel 5.1 wordt de gemiddelde afstand per verplaatsing in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven naar vervoerwijze. De gegevens van de gemiddeld afgelegde afstand per verplaatsing naar vervoerwijze zijn niet gewijzigd ten gevolge van de bestandsherzieningen. Dat geldt voor zowel de resultaten uit 2018, 2019 als voor 2020.

5.1 Gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze per jaar
201820192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal13,0013,2910,58*+2-20
Personenauto als bestuurder18,9619,0016,33*0-14
Personenauto als passagier20,6021,3018,21*+3-15
Trein49,2949,8448,51+1-3
Bus/tram/metro13,9114,6413,62+5-7
Fiets3,993,974,16*0+5
Lopen2,022,072,15*+2+4
Overig21,5620,6117,33*-4-16
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 5.1 volgt dat de gemiddelde afstand per verplaatsing voor het totaal van alle vervoerwijzen in ODiN 2020 10,6 kilometer is. Dat is meer dan een vijfde korter dan in 2019. Deze gemiddelde afstand per verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder verschilt significant van ODiN 2019. Ook de gemiddelde afstand per verplaatsing van personenautobestuurders en personenautopassagiers, daalde in 2020 significant in vergelijking met een jaar eerder met respectievelijk 14 procent en 15 procent. Daarentegen was de gemiddelde afstand per verplaatsing met de fiets in 2020 een twintigste deel (significant) langer dan in 2019 evenals de gemiddelde afstand van een verplaatsing te voet.

Dat de diverse maatregelen om het aantal besmettingen in goede banen te leiden ook een relatie kunnen hebben met de afgelegde verplaatsing blijkt onder andere uit het artikel ‘Een virus en ons reisgedrag’. De auteurs vergeleken gegevens op werkdagen in de weken 14, 18, 22, 26, 30, 34 en 38 uit het Nationaal Verplaatsingspanel (NVP) met de gegevens in week 10 (vlak voor de ‘intelligente lockdown’) in 2020. Zij constateerden op basis daarvan dat de afgelegde afstand per 'trip' er anders uitziet. Voor personenauto en OV daalde de afgelegde afstand fors, terwijl die voor fietsen en lopen toenam. Op het moment dat de personenauto (week 21) en OV (week 26) weer op het niveau van begin maart zaten, bleven de fiets- en loopafstanden nog steeds boven basisniveau. Volgens de auteurs leek er niet direct sprake te zijn van substitutie: "We zijn minder verplaatsingen gaan maken, maar de afgelegde afstand per verplaatsing is toegenomen" (Smit, Taale en Van Beek, 2020). Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de analyse van Smit et al. door het vergelijken van indexcijfers met elkaar binnen hetzelfde jaar, eventuele seizoenseffecten en veranderingen in weersomstandigheden die ook een rol kunnen hebben bij de wijzigingen in de mobiliteit, niet zijn meegenomen. Uit eerder genoemd onderzoek van het KiM (De Haas et al., 2020) dat betrekking heeft op de eerste helft van 2020 blijkt dat in die periode het aantal verplaatsingen nog steeds 29 procent lager ligt dan voor de start van de coronacrisis maar dat de daling in afstand op dat moment 37 procent bedraagt, hetgeen betekent dat de gemiddelde afstand per verplaatsing rond juni/juli in dat jaar lager ligt dan vóór de crisis.

In tabel 5.2 is de gemiddelde afstand per verplaatsing naar reismotief in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven. Als resultaat van de herzieningen in de bestanden, zijn na herberekening alle gegevens van het jaar 2018 iets gewijzigd behalve het totaal. De cijfers van de jaren 2019 en 2020 bleven ongewijzigd.

5.2 Gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief per jaar
20181)20192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal13,0013,2910,58*+2-20
Van en naar het werk19,2319,2616,66*0-13
Zakelijk en beroepsmatig31,8030,5625,76*-4-16
Diensten en verzorging9,708,51*8,55-120
Winkelen en boodschappen doen5,535,754,49*+4-22
Onderwijs of cursus volgen9,189,257,44*+1-20
Visite en logeren22,6021,4117,10*-5-20
Uitgaan, sport en hobby11,9813,09*11,23*+9-14
Toeren en wandelen9,459,527,69*+1-19
Ander motief9,6410,079,13*+5-9
1) Cijfers, behalve het totaal, zijn gewijzigd ten opzichte van de cijfers in voorgaande rapportages.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 5.2 blijkt dat voor vrijwel alle motieven geldt dat de gemiddelde afstand per verplaatsing gemeten in ODiN 2020 significant verschilt met ODiN 2019. Enige uitzondering hierop vormt het motief ‘Diensten en verzorging'.

De gemiddelde afstand per verplaatsing om ‘Van en naar het werk’ te reizen was in 2020 2,6 kilometer korter dan in 2019, de gemiddelde verplaatsingsafstand van zakelijke en beroepsmatige verplaatsingen, bijna 5 kilometer korter. In 2018 en 2019 was de gemiddelde verplaatsingsafstand voor reizen met de trein van en naar het werk circa 41 kilometer, voor reizigers die met de trein reisden met een zakelijk of beroepsmatig motief was de verplaatsingsafstand nog groter (zie CBS StatLine, 2021a). Het is aannemelijk dat hierdoor een deel van de langere reisafstanden voor deze motieven tijdens de periode met coronamaatregelen niet heeft plaatsgevonden. Een groot deel van de mensen die de trein gebruikten om van en naar het werk te reizen of om zakelijke activiteiten zoals voor extern vergaderen en andere zakelijke activiteiten met mensen buiten de werkomgeving, reisden door de coronamaatregelen minder met de trein (Metselaar, 2020). Zo constateerden De Haas et al. (2021) op basis van gegevens van het MPN op 3 tijdstippen in 2020 dat werkenden die vóór de coronacrisis het OV gebruikten voor de reis van huis naar het werk, in de meest recente meting van september/oktober 2020 meer thuis werkten dan werkenden die een andere vervoerwijze voor de woon-werkreis gebruikten.

De gemiddelde verplaatsingsafstand voor het motief ‘Winkelen en boodschappen doen‘ is ten opzichte van 2019 22 procent korter en bedraagt in 2020 4,5 kilometer. Ook hier spelen overheidsmaatregelen mogelijk een rol zoals de oproep “Ga zo veel mogelijk naar de winkels of markten bij u in de buurt. Zo komt u zo min mogelijk in contact met anderen” (Rijksoverheid (z.d. a). Van Velzen berichtte in november 2020 dat de crisis de consument naar winkels in de buurt drijft (Velzen, J. van, 2020). Dit maakt aannemelijk dat in 2020 de gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Winkelen en boodschappen doen’ korter is dan de jaren ervoor.

Ook de gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Onderwijs of cursus volgen’ is vergeleken met 2019 afgenomen met 1,8 kilometer tot bijna 7,5 kilometer. Op het gebied van het onderwijs en de kinderopvang waren in 2020 overheidsmaatregelen van toepassing in het kader van covid-19. Op hogescholen en universiteiten waren in 2020 na de eerste lockdown in maart de langdurigste beperkingen van kracht. Op deze schooltypen vonden en vinden bijna geen fysieke onderwijsactiviteiten plaats met uitzonderingen van examens, tentamens, ondersteuning van kwetsbare studenten en praktijkonderwijs. Over het algemeen is de afstand van huis naar deze schooltypen langer dan van de andere schooltypen. Op het lager onderwijs en het speciaal onderwijs waren minder beperkingen van toepassing. Zodra het mogelijk was, werd onderwijs aan deze groepen weer voortgezet. De afstanden van huis naar deze schooltypen zijn gemiddeld het kortst en zijn voor het basisonderwijs gemiddeld 0,7 kilometer. Voor het voortgezet onderwijs variëren de gemiddelde woon-schoolafstanden tussen 2,4 en 3,3 kilometer (CBS StatLine, 2021b). Omdat vooral de schooltypen met de kortste woon-schoolafstanden de minste beperkingen hadden, is het aannemelijk dat de gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Onderwijs of cursus volgen’ vergeleken met 2019 toen deze beperkingen niet van kracht waren, korter is geworden.

De gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Visite en logeren’ is met 4,3 kilometer gedaald tot 17,1 kilometer in 2020. Naast maatregelen die het logeren in hotels en dergelijke minder aantrekkelijk maakten, zoals het feit dat bijvoorbeeld gedurende bepaalde perioden in 2020 eet- en drinkgelegenheden en roomservice in hotels gesloten waren voor hotelgasten (Rijksoverheid, 2021b), waren er ook beperkingen met betrekking tot het ontmoeten van het aantal mensen buitenshuis en het ontvangen van gasten binnenshuis. Het is aannemelijk dat daardoor, als er gelogeerd werd of mensen op visite gingen, minder vaak een bezoek op lange afstand plaatsvond. Berichten uit de media zoals bijvoorbeeld over het dichter bij huis zoeken van vriendschappen in coronatijd (Santhagens en Van Oost, 2021) wijzen ook in de richting van kortere verplaatsingen.

Op de horeca en de sportgelegenheden waren eveneens tal van beperkingen van toepassing (Rijksoverheid, 2021b). Mogelijk heeft dat ook zijn weerslag gehad op de gemiddelde verplaatsingsafstand voor het motief ’Uitgaan, sport en hobby’. Uit eten was gedurende diverse perioden in 2020 niet mogelijk, het afhalen van maaltijden wel. Sportclubs moesten van tijd tot tijd hun deuren gesloten houden op enkele uitzonderingen na. De gemiddelde verplaatsingsafstand voor het motief ’Uitgaan, sport en hobby’ was in 2020 1,9 kilometer (-14 procent) korter dan in 2019.

Ofschoon er 58 procent meer verplaatsingen plaatsvonden in 2020 en 29 procent meer kilometers zijn afgelegd met als doel ‘Toeren en wandelen’ was de gemiddelde verplaatsingsafstand van zo’n activiteit ruim 1,8 kilometer korter dan in 2019. Er zijn veel rondjes gemaakt in 2020; verplaatsingen met hetzelfde aankomst- en vertrekpunt.

6. Deelname aan het verkeer

Andere belangrijke indicatoren zijn de verkeersdeelname in het algemeen en de deelname aan het openbaar vervoer in het bijzonder. De eerste indicator wordt berekend op basis van verplaatsingsinformatie en voor de tweede wordt ritinformatie gebruikt.

6.1 Verkeersdeelname

Volgens de gehanteerde definitie bij ODiN neemt een persoon die één of meerdere reguliere verplaatsingen per dag maakt of één of meer serieverplaatsingen per dag maakt, deel aan het verkeer. Ook personen die enkel vakantieverplaatsingen hebben gemaakt, tellen dus mee bij het bepalen van de verkeersdeelnemers. Uitzondering daarop vormen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig. Zij tellen niet mee voor de bepaling van verkeersdeelname. Ook geheel in het buitenland gemaakte verplaatsingen tellen vanzelfsprekend niet mee voor de verkeersdeelname. Bij nul verplaatsingen neemt een persoon niet deel aan het verkeer.

Tabel 6.1.1 geeft de percentages weer van de personen die op een gemiddelde dag in het betreffende jaar deelnemen aan het verkeer. Het betreft deelname aan het verkeer in Nederland van inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland. De deelname is onderverdeeld naar geslacht. De gegevens over de verkeersdeelname naar geslacht zijn niet gewijzigd ten gevolge van de bestandsherzieningen, dat geldt voor zowel de resultaten uit 2018, 2019 als voor 2020.

6.1.1 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht per jaar1)
201820192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal82,981,9*73,8*-1-10
Mannen83,082,674,4*0-10
Vrouwen82,981,3*73,2*-2-10
1) Verkeersdeelname behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag. Daarbij tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig niet mee.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 6.1.1 blijkt dat op een gemiddelde dag in 2020 bijna 74 procent van de Nederlandse bevolking van 6 jaar of ouder minstens één maal per dag deelneemt aan het verkeer. Dat is significant lager (-10 procent) dan in ODiN 2019. Dit ligt in lijn met de eerdere constatering dat het gemiddeld aantal verplaatsingen in ODiN 2020 lager is dan in ODiN 2019. Zowel bij vrouwen als mannen is er een significante afname van 10 procent in 2020 ten opzichte van 2019. Mannen hebben, evenals in 2019, iets vaker aan het verkeer deelgenomen dan vrouwen. Het verschil in verkeersdeelname van mannen tegenover vrouwen in ODiN 2020 is significant. In 2019 was het verschil in verkeersdeelname tussen mannen en vrouwen ook significant.

Dat in 2020 meer mensen dan in 2019 niet hebben deelgenomen aan het verkeer is gezien de invloed van corona op de samenleving aannemelijk. Voor een specifieke groep mensen was dit zeker het geval: personen die besmet raakten met covid-19 moesten tot twee weken in quarantaine. Dit gold ook voor mensen die contact hadden gehad met personen die later besmet bleken. Ook hele huishoudens en schoolklassen moesten hierdoor soms in quarantaine. De overheid adviseerde: “Volg de leefregels (sic) en blijf 10 dagen thuis vanaf het laatste contact met de besmette persoon. Ga dus niet naar je werk, doe geen boodschappen en reis niet met het openbaar vervoer” (RIVM, z.d. b). Uit informatie van het RIVM, grafisch weergegeven door EenVandaag blijkt dat vanaf 1 maart 2020 bijna 800 duizend mensen in Nederland besmet raakten met het coronavirus (RIVM, z.d. a), (EenVandaag, z.d.). Thuiswerken en online onderwijs werd voor veel mensen (tijdelijk) het 'nieuwe normaal'. Ook andere maatregelen zoals het sluiten of beperken van bezoek aan bijvoorbeeld winkels, culturele instellingen en ouderen in verzorgingstehuizen maakten het vanzelfsprekender dat men niet of minder vaak de deur uit ging. Uit KiM-onderzoek betreffende het eerste deel van 2020 gebaseerd op gegevens van het Mobiliteitspanel Nederland blijkt dat vóór de coronacrisis 20 procent van de Nederlanders niet naar buiten ging. Aan het begin van de crisis nam ongeveer de helft van de mensen niet deel aan het verkeer en medio 2020 gold dit voor circa een derde van de mensen (De Haas et al., 2020).

Tabel 6.1.2 geeft de percentages weer van de inwoners in particuliere huishoudens in Nederland die per dag deelnemen aan het verkeer in Nederland, onderverdeeld naar maatschappelijke participatie. Door de herberekeningen zijn alleen de percentages verkeersdeelname van de categorieën Scholier/student en Overig gewijzigd ten opzichte van de voorgaande rapportages. De gegevens van 2019 en 2020 zijn ongewijzigd.

6.1.2 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie per jaar1)
20182)20192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal82,981,9*73,8*-1-10
Werkzaam 12-30 uur per week89,687,8*82,7*-2-6
Werkzaam ≥ 30 uur per week89,088,780,5*0-9
Scholier/student87,286,474,9*-1-13
Werkloos75,271,266,1*-5-7
Arbeidsongeschikt71,167,858,3*-5-14
Gepensioneerd/VUT69,869,062,7*-1-9
Overig73,271,0*62,1*-3-12
1) Verkeersdeelname behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag.
2) Cijfers voor Scholier/Student en Overig zijn gewijzigd ten opzichte van de cijfers in voorgaande rapportages.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

De verkeersdeelname naar maatschappelijke participatie, getoond in tabel 6.1.2, laat zien dat voor alle van de onderscheiden groepen met betrekking tot maatschappelijke participatie de verkeersdeelname in 2020 significant lager is dan in 2019. In paragraaf 6.1.1 is een aantal mogelijke redenen genoemd die het aannemelijk maken dat in 2020 meer mensen zijn thuisgebleven en niet aan het verkeer hebben deelgenomen. De overheid heeft bijvoorbeeld de oproep gedaan om zo min mogelijk te reizen en zoveel mogelijk thuis te blijven. Ook zijn mensen thuis gebleven wegens ziekte of omdat zij in quarantaine moesten. Anderen bleven thuis uit angst of uit voorzorg besmet te raken.

De verhoudingsgewijs grootste dalingen in verkeersdeelname in 2020 vergeleken met 2019 zijn te zien bij arbeidsongeschikten, de groep met scholieren en studenten en de groep overigens/anders. Het is mogelijk dat er onder arbeidsongeschikten meer mensen voorkomen die behoren tot een zogenaamde risicogroep. Volgens het RIVM lopen mensen uit risicogroepen een grotere kans om ernstig ziek te worden of te overlijden door covid-19 (RIVM, z.d. c). Dit kan ertoe hebben bijgedragen dat er binnen deze groep verhoudingsgewijs meer mensen voorkomen die niet aan het verkeer hebben deelgenomen. Naast arbeidsongeschikten, van wie in 2020 ruim 4 op de 10 niet aan het verkeer deelnamen, was ook de verkeersdeelname van gepensioneerden laag, 37 procent van hen nam niet deel aan het verkeer. Ook binnen deze groep zijn veel mensen die die tot een risicogroep behoren. Volgens het RIVM hebben mensen die ouder zijn dan 70 een verhoogd risico op een ernstig verloop van covid-19. De verkeersdeelname van de groep anders/overig is gelijk aan die van de gepensioneerden.

6.2 Deelname openbaar vervoer

In tabel 6.2.1 is het aandeel dat gebruik maakt van het openbaar vervoer in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven. De deelname aan het openbaar vervoer houdt in dat er door een persoon minstens één reguliere rit of minimaal één serieverplaatsing is gemaakt met het openbaar vervoer op de dag waarover gerapporteerd wordt in het onderzoek ODiN. De gegevens over de deelname aan het openbaar vervoer naar geslacht zijn niet gewijzigd ten gevolge van het herzien van de ODiN-bestanden. Dat geldt voor alle ODiN-jaren (2018 tot en met 2020).

6.2.1 Deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht per jaar1)
201820192020verschil 2019 t.o.v. 2018 (%)verschil 2020 t.o.v. 2019 (%)
Totaal8,68,63,9*0-54
Mannen8,07,93,6*-1-55
Vrouwen9,29,24,2*0-54
1) Deelname aan het openbaar vervoer behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag met trein, bus, tram of metro.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

In 2020 is het percentage OV-deelname met meer dan de helft afgenomen ten opzichte van ODiN 2019. Dit verschil is significant. Net geen 4 procent van de inwoners van 6 jaar of ouder maakten gemiddeld op een dag gebruik van trein, bus, tram of metro. Evenals in 2018 en in 2019 was de deelname van vrouwen aan het openbaar vervoer in 2020 significant hoger dan bij mannen.

In 2020 waren sinds de 2e week van maart maatregelen van toepassing in het openbaar vervoer in het kader van de covid-19 pandemie. Deze maatregelen waren erop gericht het aantal contactmomenten in het openbaar vervoer zo klein mogelijk te maken, er werden onder andere mogelijkheden geschapen om de gewenste veilige afstand tussen mensen van minimaal 1,5 meter mogelijk te maken. Het openbaar vervoer werd enkel toegankelijk voor “noodzakelijke reizen” en er werd een basisdienstregeling ingesteld zodat bijvoorbeeld verplegend personeel hun werk kon blijven bereiken met het openbaar vervoer. Gedurende 2020 zijn er binnen het OV vele verschillende maatregelen genomen. Soms werd ook tijdelijk versoepeld zoals in juni, waarna weer strengere maatregelen golden in oktober (NS, 2020), (OVPro, z.d.). Ook voor frequente OV-gebruikers zoals scholieren, studenten en werknemers golden in 2020 maatregelen zoals bijvoorbeeld online, of thuisonderwijs, geheel of gedeeltelijke schoolsluitingen of de oproep aan werkenden om zoveel mogelijk thuis te werken. De cocktail van deze maatregelen had zijn uitwerking op de deelname aan het openbaar vervoer en zorgde voor een trendbreuk ten opzichte van voorgaande jaren.

7. Externe bronnen

In dit hoofdstuk worden diverse externe bronnen gepresenteerd die als achtergrondinformatie kunnen dienen voor het interpreteren van de resultaten van ODiN 2020.

7.1 Het weer

Het weer kan een factor zijn die de mobiliteit en dus ook de keuze voor het gebruik van een vervoerwijze in positieve of negatieve zin kan beïnvloeden (Zie paragraaf 7.1.2 van de Plausibiliteitsrapportage van ODiN 2019 voor achtergrondinformatie hierover). Voor het verschil in weer tussen 2019 en 2020 is op hoofdlijnen gekeken naar wat het KNMI hierover bericht. Daaruit volgen de cijfers in tabel 7.1 waarin ook een kolom opgenomen is met het afgeronde gemiddelde over de vijf jaren voorafgaand aan 2018.

7.1.1 Indicatoren van het weer per jaar
2013-2017201820192020
IJsdagen (max. temp. lager dan 0,0 °C) 4 3 20
Vorstdagen (min. temp. lager dan 0,0 °C) 47 50 4031
Warme dagen (max. temp. 20,0 °C of hoger) 95 132 99110
Zomerse dagen (max. temp. 25,0 °C of hoger) 27 55 2632
Tropische dagen (max. temp. 30,0 °C of hoger) 4 9 1112
Zonuren1 8182 0901 9642 026
Neerslag (in mm) 793 607 783785
Bron: KNMI.

De grootste verschillen ten opzichte van 2019 zien we bij het aantal warme dagen (+11) en zomerse dagen (+6). Wat het aantal zonuren betreft classificeert het KNMI 2019 als ‘zeer zonnig’ en 2020 als ‘extreem warm, zeer zonnig’.

2019 krijgt de classificatie 'vrij droog' en 2020 geldt als ‘aan de droge kant’. Deze globale informatie geeft niet direct een eenduidige indicatie wat dit voor de mobiliteit in 2020 ten opzichte van 2019 zou kunnen betekenen. Ook informatie over het weer is geen garantie voor meer houvast. Het KNMI noemt 2020 samen met 2014 het warmste jaar sinds tenminste 1901 en ook het zevende zeer warme jaar op rij (KNMIa, 2019 en KNMIb, 2020).

Extremen waarvoor een code werd gegeven in 2020 kwamen voor rondom de jaarwisseling van 2019 naar 2020, het KNMI gaf toen een code rood uit voor het noorden, elders code oranje. De reden hiervoor was, mede als gevolg van het afsteken van vuurwerk, zeer dichte mist met plaatselijk een zicht van minder 10 meter. Op 9 februari zorgde een depressie genaamd Ciara voor een zuidwesterstorm aan de kust. Wegens zeer zware windstoten werd voor het hele land werd code oranje uitgegeven. Op Vlieland werd een windstoot van 129 km/uur gemeten. Een groot deel van februari was het winderig.

7.2 Verkeersprestaties op basis van kilometertellerstanden

De verkeersprestaties worden door het CBS berekend op basis van tellerstanden van motorvoertuigen uit de Online Kilometerregistraties (OKR) en de Erkenning KeuringsInstanties (EKI) van de RDW (Dienst Wegverkeer). Gebruikt zijn kilometerstanden geregistreerd in de periode tot en met 1 maart 2021. De berekening van de cijfers van de verkeersprestaties van Nederlandse personenauto’s op Nederlands grondgebied voor het verslagjaar 2020 wijkt af van die van de jaren ervoor. Bij de voorlopige cijfers over 2020 is voor het ‘smoothing effect’ van de methode gecorrigeerd door middel van een correctiefactor. Door dit effect wordt de jaarlijkse variatie in de verkeersprestatiecijfers afgevlakt en dit geeft een vertekend beeld van periodes waarin de mobiliteit plotseling ingrijpend wijzigt, zoals in 2020 ten gevolge van de coronacrisis9). Nadat de verkeersprestaties voor alle Nederlandse personenauto’s worden berekend wordt een verdeling gemaakt tussen kilometers gereden in het binnenland en kilometers gereden in het buitenland. In verslagjaar 2019 bedroegen de verkeersprestaties van Nederlandse personenauto’s op Nederlands grondgebied: 104,8 miljard kilometer en op basis van het voorlopige 2020-cijfer: 89,3 miljard kilometer. Dat is een daling van 14,8 procent. Dus ook op basis van de verkeersprestatiegegevens blijkt dat in 2020 waarin diverse maatregelen zijn genomen om de verspreiding van het Coronavirus in te perken, het aantal gereden kilometers afgelegd door Nederlandse personenauto’s in Nederland fors is afgenomen.

7.3 Voertuigkilometers rijkswegennet

7.3.1 Voertuigkilometers op het rijkswegennet in 2020

In haar rapportage betreffende het Rijkswegennet constateert Rijkswaterstaat dat er sinds het uitbreken van de covid-19 pandemie en de hieraan gekoppelde coronamaatregelen van de overheid, een heel ander verkeersbeeld is in 2020 (Rijkswaterstaat, 2021). Rijkswaterstaat rapporteert op basis van metingen op het Rijkswegennet dat ten opzichte van 2019 het aantal afgelegde voertuigkilometers met 16 procent is gedaald, tot 61 miljard voertuigkilometers. De daling in afgelegde kilometers is vooral waarneembaar in de spitsperioden van maandag tot en met donderdag en in de nacht. Rijkswaterstaat geeft aan dat de verkeersprestatie een maatstaf is voor het gebruik van het wegennet. Uit gegevens van het bemeten Rijkswegennet blijkt dat sinds 13 maart 2020 (tot de zomerperiode) de verkeersprestatie gereduceerd is tot ongeveer 75%-80% in vergelijking met de zelfde periode in 2019. In de zomerperiode is de verkeersprestatie en het verkeersbeeld ongeveer hetzelfde als in het jaar ervoor. Daarna, sinds september, is het aantal gereden voertuigkilometers stabiel op ongeveer 80% ten opzichte van 2019.

7.3.2 Relatie voertuigkilometers rijkswegennet met autobestuurderskilometers ODiN

Een toe- of afname van het aantal voertuigkilometers op het Rijkswegennet kan een indicatie zijn voor een toe- of afname van het aantal voertuigkilometers met de auto als bestuurder in Nederland gemeten met ODiN, maar dat hoeft niet zo te zijn. Allereerst wordt met de meetlussen al het verkeer op het Rijkswegennet gemeten. Met al het verkeer wordt hier bedoeld: al het gemotoriseerde verkeer (zoals ook vrachtwagens, trekkers voor opleggers, autobussen, speciale voertuigen, motorfietsen maar géén bromfietsen) dat van het Rijkswegennet gebruik mag maken en dit is zowel Nederlands als buitenlands wegverkeer. In ODiN wordt het verkeer gemeten door enkel inwoners van Nederland (op Nederlands grondgebied) op zowel Rijkswegen als andere wegen in Nederland. Kilometers gemaakt ten behoeve van goederenvervoer met voertuigen zoals vrachtwagens en trekkers voor opleggers, behoren niet tot de scope van ODiN en worden in ODiN dus niet gemeten. In het ODiN-onderzoek wordt geen onderscheid gemaakt naar wegtype. Daarom is het niet mogelijk om alleen op basis van ODiN eenduidig aan te geven hoeveel voertuigkilometers worden afgelegd door inwoners van Nederland op het Rijkswegennet. Daarnaast is het op dit moment niet mogelijk om aan te geven hoeveel kilometers er worden gemaakt door mensen uit het buitenland op het Rijkswegennet.

Een toe- of afname van het verkeer op het Rijkswegennet kan meerdere oorzaken hebben zoals: een toe- of afname van het aantal kilometers gereden door buitenlandse voertuigen, een toe- of afname van het aantal kilometers gereden door binnenlandse voertuigen, of door beiden. Daarnaast kan uitbreiding van het aantal rijstroken, of uitbreiding van het aantal kilometers Rijkswegennet zorgen voor meer op Rijkswegen afgelegde autokilometers. In 2020 zijn er bijvoorbeeld in totaal 6 nieuwe weggedeelten opengesteld en is in totaal 84 km aan nieuwe rijstrooklengte opgeleverd. Ook maatregelen zoals het weren van verkeer uit binnensteden, het instellen van milieuzones, omleidingsroutes gesuggereerd door route-navigatieapparatuur of navigatie-apps en dergelijke, kunnen leiden tot een verschuiving van het verkeer op niet-Rijkswegen naar Rijkswegen en vice-versa. Daarnaast zijn er economische, demografische en andere factoren die van invloed zijn op de volumes van het wegverkeer.

Dit alles maakt het moeilijk om een toe- of afname van de autobestuurderskilometers uit ODiN één op één te vertalen naar een toe- of afname van kilometers afgelegd op het Rijkswegennet en omgekeerd.

7.4 Reizigerskilometers met de trein

Op het gebied van het personenvervoer op het spoor is de NS de grootste spoorvervoeraanbieder, maar er zijn de afgelopen jaren diverse aanbieders bijgekomen, zoals Arriva, Connexxion, Thalys en Breng. Ook buitenlandse vervoerders zijn actief in Nederland. Voorbeelden daarvan zijn Abellio Rail NRW, DB Regio NRW, NMBS en Eurobahn.

Evenals vorige jaren heeft van alle spoorvervoerders in Nederland enkel de NS iets gerapporteerd over de toe- of afname van 2019 op 2020 van het aantal reizigerskilometers op het spoor in Nederland. In hun jaarverslag van 2020 meldt de NS dat het aantal reizigerskilometers met 55% gedaald is ten opzichte van 2019. Omdat de NS niet het totale spoorvervoer vertegenwoordigt is er geen compleet beeld te geven van het totale personenvervoer op het spoor in Nederland op grond van externe bronnen. Om die reden laat een vergelijking van NS-gegevens met ODiN gegevens ruimte voor interpretatie.

7.5 Mobiliteitsgegevens op basis van het MPN

Het KiM heeft tijdens de coronacrisis twee keer een onderzoek uitgevoerd op basis van een enquête onder ruim 2 000 Nederlanders. Het eerste onderzoek vond plaats eind maart en begin april 2020, het tweede onderzoek eind juni en begin juli 2020 onder dezelfde groep Nederlanders. In het onderzoek worden behalve effecten van de coronacrisis op het mobiliteitsgedrag onder andere ook verwachtingen van Nederlanders met betrekking tot het verplaatsingsgedrag gemeten. Ofschoon die resultaten (nog) niet heel 2020 bestrijken zoals bij ODiN, komen er uit het MPN een aantal interessante gegevens die -met een slag om de arm- vergeleken kunnen worden met ODiN 2020. Een aantal resultaten uit het MPN (De Haas et al., 2020):

  • Medio 2020 zijn het aantal activiteiten buitenshuis nog steeds minder dan vóór de coronacrisis, maar wel hoger dan aan het begin ervan.
  • Ongeveer 20 procent van de Nederlanders heeft de vakantieplannen geannuleerd, en circa 60 procent van de geplande vakanties wordt mogelijk in Nederland gevierd.
  • In juni/juli werkt 48 procent van de werkenden deels thuis. Aan het begin van de Coronacrisis was dit 54 procent.
  • Medio 2020 volgt circa 8 procent van de scholieren weer volledig onderwijs op locatie.
  • Een derde van de mensen nam geen deel aan het verkeer op een gemiddelde dag in juni/juli. Bij de start van de coronacrisis gold dit voor ongeveer de helft van de populatie.
  • Negatiever oordeel over gebruik OV dan vóór de crisis: 84 procent van de mensen geeft in juni/juli aan liever individueel vervoer te gebruiken dan het OV.
  • Medio 2020 worden 29 procent minder reizen gemaakt dan vóór de crisis en 37 procent minder afstand afgelegd. Bij het begin van de crisis werd nog minder gereisd en nog minder kilometers overbrugd.

Op plaatsen in dit rapport waar dit van toepassing is, zijn resultaten uit het MPN en ODiN naast elkaar gezet.

7.6 Andere bronnen

Er is ook nog naar andere bronnen gekeken om verschillen tussen ODiN 2020 en ODiN 2019 te kunnen verklaren. Daarbij was dan vaak de conclusie dat de onderzoeksmethode te veel verschilde van ODiN om een goede vergelijking tussen de cijfers te kunnen maken.

7.6.1 Actuele Verkeersgegevens NDW over 'personenverkeer'

Op de website van het CBS is onder de noemer Mobiliteit in coronatijd (CBS, z.d.) een grafische weergave gepubliceerd van het verloop van het 'personenverkeer' in 2020 op basis van verkeersindexcijfers van het NDW. In de grafiek wordt afzonderlijk het verloop van het 'personenverkeer' getoond op werkdagen en op weekenddagen in 2020 (2019=100, elke week in 2019 is op 100 gesteld).

Als op basis van deze indexcijfers globaal een indexcijfer voor heel 2020 op werkdagen wordt berekend (som weekindexen gedeeld door het aantal weken) blijkt hieruit dat de verkeersintensiteit van het 'personenverkeer' over 2020 ten opzichte van 2019 op werkdagen met 20 procent is gedaald (19,1 procent op weekdagen en 22 procent op weekenddagen). Omdat deze berekening is gemaakt op basis van indexcijfers en niet op de daaraan ten grondslag liggende absolute cijfers (die zijn (nog) niet beschikbaar) zijn seizoensinvloeden hierin niet meegerekend. Een andere kanttekening bij deze gegevens is dat het in de grafiek genoemde 'personenverkeer' niet geheel gelijk is aan het verkeer met alleen personenauto's. De verkeersgegevens zijn geselecteerd door de NDW op basis van voertuiglengte categorieën afhankelijk van het type lus. Tot het personenverkeer worden gerekend de voertuigen met voertuiglengte groter dan 1,85 meter en kleiner of gelijk aan 5,60 meter. Binnen deze voertuiglengte kunnen ook voertuigen vallen die niet tot de personenauto's behoren zoals een deel van de bestelauto's die een ander mobiliteitspatroon hebben. Tot slot zijn de verkeersgegevens gebaseerd op een 200-tal meetlocaties die een representatief landelijk beeld van het vrachtverkeer geven. De selectie is gemaakt met het oog op het vrachtverkeer. Daarbij was het voor Nederland belangrijke internationale vrachtverkeer ook een belangrijke afweging. Het is niet duidelijk of de zodoende gekozen meetlocaties ook een representatief landelijk beeld geven van het 'personenverkeer'.

Dit betekent dat de hierboven berekende daling van de verkeersintensiteit met 20 procent nog sterker gedaald zou kunnen zijn als de meetlusgegevens puur uit personenauto's zouden bestaan zonder vervuiling met andere voertuigen en er rekening wordt gehouden met seizoensinvloeden en de meetpunten representatief zijn voor personenautoverkeer.

Dit maakt het moeilijk om een toe- of afname van de personenautobestuurderskilometers uit ODiN één op één te vertalen naar een toe- of afname van kilometers afgelegd op het Rijkswegennet door 'personenverkeer' op basis van het NDW en omgekeerd.

7.6.2 Nationale Zakelijke Mobiliteitsmonitor (NZMO)

Het Nationaal Zakelijk Mobiliteitsonderzoek (Nieuwenbroek, 2021) is gebaseerd op een drietal metingen in mei/juni, augustus/september, en november 2020 in samenwerking met MSR Consulting Group. Aan de derde meting namen 3 100 reizigers mee en 500 bedrijven. Het benaderen van respondenten is zowel gedaan met hulp van leasemaatschappijen, importeurs als met bedrijven in het openbaar vervoer. Enkele resultaten uit dit onderzoek zijn:

  • Thuiswerken en videobellen blijven ook na corona geaccepteerd. Zowel bedrijven als reizigers verwachten dat dit aanzienlijke gevolgen gaat hebben voor de invulling van hun zakelijke kilometers in het post-corona tijdperk.
  • De negatieve invloed van corona op de bedrijfsactiviteiten loopt langzaam terug. In mei was dat 46 procent, in september 40 procent en in november 34 procent. Kleine bedrijven (tot tien medewerkers) worden daarbij het hardst getroffen. Wel moet daarbij worden aangetekend dat de derde meting net voor de tweede lockdown werd uitgevoerd.
  • Het aantal externe afspraken is zeer sterk afgenomen in coronatijd. Voor corona ging 51 procent van de medewerkers af en toe naar externe afspraken, in de meting in november was dat gedaald naar 22 procent. De prognose is dat de zakelijke reiziger midden 2021 42 procent externe afspraken heeft.
  • Beduidend minder zakelijke kilometers. Het kilometrage van de zakelijke auto-reiziger neemt af. In 2020 is per auto 31 procent minder (zakelijke) kilometers gereden ten opzichte van 2019.

In hoeverre de resultaten van dit onderzoek representatief zijn voor het zakelijke verkeer en met welke type voertuigen de respondenten in dit onderzoek hebben gereden is niet beschreven op de geraadpleegde website.

 
9) Uitleg over de methode is opgenomen in de toelichting van de StatLinetabel: Verkeersprestaties personenauto's; kilometers, brandstofsoort, grondgebied. De methode wijkt af van de oude reeks voorlopige cijfers (1990-2019). Ten tijde van het schrijven van dit document zijn voor 2020 de voorlopige verkeersprestatiegegevens gebruikt, gepubliceerd op 10 november 2021. Op dat moment waren helaas nog geen marges bekend.

8. Samenvatting en conclusie

In dit rapport zijn -waar van toepassing- herziene resultaten van het verplaatsingsonderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) 2020 gepresenteerd en die van de voorgaande twee onderzoeksjaren. De verschillen tussen de resultaten van ODiN 2020 en ODiN 2019 zijn onderzocht en beschreven. De basis voor dit eindrapport is de herziening van de eerder gepubliceerde plausibiliteitsrapportage ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2020’10). Om de bruikbaarheid van het document te vergroten is er voor gekozen hierin alle ODiN-resultaten die eerder in tabellen in de landelijke plausibiliteitsrapportages en in de onderzoeksbeschrijvingen gepubliceerd zijn opnieuw op te nemen.

8.1 Samenvatting

Aanleiding voor de heroplevering van deze eindrapportage is dat de bestanden van 2018, 2019 en 2020 zijn herzien en de resultaten op basis daarvan zijn herberekend voor alle drie de jaren. De algemene conclusie is dat de wijzigingen in de heropgeleverde bestanden en de daarmee uitgevoerde herberekeningen geen effect hebben gehad op eerdere conclusies ten aanzien van de plausibiliteit van de jaren 2018 tot en met 2020.
De belangrijkste wijzigingen in de resultaten na de herberekening zijn:

  • Een verhoging van de totale vervoersprestatie voor alle vervoerwijzen in 2018, 2019 en 2020 (tabel 3.1).
  • De extra kilometers aan serieverplaatsingen ontstaan door de aanpassingen en herberekeningen van de serieverplaatsingen geven een plausibel beeld voor 2018, 2019 en 2010 (bijlage J.).
  • Een wijziging van de uitkomsten berekend met de variabele maatschappelijke participatie voor scholier/student en overig in 2018 (tabel 6.1.2), maar ook in tabellen in de bijlagen gebaseerd op deze variabele.
  • Wijzigingen in de uitsplitsingen naar motief in 2018 (tabel, 3.3, 4.2, 5.2) en ook in tabellen in de bijlagen gebaseerd op de uitsplitsing naar motief.
  • Door de herberekeningen is het verschil tussen 2019 en 2018 in het aantal dagelijkse verplaatsingen in Nederland per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland voor ‘ander motief’ nu significant lager (tabel 4.2). In de initiële publicatie was dit verschil niet significant. Ook deze wijziging doet geen afbreuk aan de eerder geconstateerde plausibiliteit van het betreffende resultaat.

8.1.1 Totale vervoersprestatie

De totale vervoersprestatie in ODiN 2020 is in vergelijking met ODiN 2019 met bijna een derde gedaald tot bijna 152 miljard reizigerskilometers. Dit is uiteraard een significante afname.

Voor de totale vervoersprestatie geldt:

  • Voor alle vervoerwijzen is de vervoersprestatie significant gedaald behalve voor lopen
  • De vervoersprestatie te voet nam toe met bijna 1,5 miljard kilometer tot 6,6 miljard in 2020.
  • De vervoersprestatie met de personenauto als bestuurder bedraagt in 2020 79,4 miljard kilometers en is ten opzichte van 2019 afgenomen met 27 procent
  • Het aantal kilometers overbrugd als passagiers in een personenauto daalde met 13,2 miljard (-34 procent) tot 25,8 miljard in 2020.
  • Het aantal reizigerskilometers met de trein is in 2020 afgenomen met 60 procent tot 9,6 miljard kilometer.
  • De vervoersprestatie met bus, tram en metro daalde ten opzichte van 2019 met 55 procent tot 2,9 miljard reizigerskilometers in 2020.
  • De vervoersprestatie met de fiets is in ODiN 2020 met -13 procent significant lager dan in ODiN 2019.
  • De reizigerskilometers met overige vervoerwijzen zijn in 2020 afgenomen met 32 procent.

8.1.2 Reguliere reizigerskilometers

Het aantal reguliere reizigerskilometers in ODiN 2020 is 147 miljard. Dit is 63,9 miljard minder dan in ODiN 2019. Evenals bij de totale vervoersprestatie gaat het om een significante daling met bijna een derde (-30 procent). Ook de reguliere reizigerskilometers van alle motieven zijn significant gewijzigd van 2019 naar 2020.

Resultaten van de verdeling van motieven in de reguliere reizigerskilometers:

  • Voor alle motieven zijn de reguliere reizigerskilometers significant gedaald behalve voor 'Toeren en wandelen' dat met 29 procent is toegenomen tot 12,2 miljard in 2020
  • De reguliere reizigerskilometers voor onderwijs of cursus volgen en kinderopvang is in 2020 gehalveerd tot 6,0 miljard.
  • Het aantal reguliere reizigerskilometers voor 'Uitgaan, sport, hobby' (-40 procent) is in ODiN 2020 significant afgenomen evenals voor het motief ‘Visite en logeren’ dat in ODiN 2020 met -30 procent significant is gedaald in vergelijking met ODiN 2019.
  • Het aantal reguliere reizigerskilometers met het motief ‘Zakelijk en beroepsmatig’ is in ODiN 2020 met 43 procent afgenomen (-8,2 miljard) en daarmee significant lager dan in ODiN 2019.
  • Het aantal kilometers ‘Van en naar het werk’ is in ODiN 2020 met -20,6 miljard kilometer significant lager(-36 procent) dan in ODiN 2019.
  • De reguliere reizigerskilometers voor 'Winkelen en boodschappen doen' en 'Diensten en verzorging' zijn in 2020 significant afgenomen met respectievelijk 20 procent en 16 procent.

8.1.3 Gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 inwoners per dag

Het aantal verplaatsingen (gemiddeld per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag) is met -13 procent significant lager in ODiN 2020 dan in ODiN 2019. Voor alle vervoerwijzen is er een significante daling in het aantal verplaatsingen gesignaleerd behalve voor lopen.

  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag is voor lopen in 2020 met bijna een kwart toegenomen ten opzichte van 2019.
  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen met de trein en met bus, tram en metro is in 2020 meer dan gehalveerd met respectievelijk 60 procent en 51 procent.
  • De verplaatsingen met de personenauto als bestuurder namen ten opzichte van 2019 af met 15 procent in 2020. Het aantal verplaatsingen als passagier van een personenauto daalde in hetzelfde jaar met bijna een kwart.
  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen met de fiets is in ODiN 2020 eveneens significant gedaald (-17 procent). Dit gold ook voor verplaatsingen met 'Overige vervoerwijzen dat met een vijfde afnam ten opzichte van vorig jaar.
  • Het aantal verplaatsingen voor 'Toeren en wandelen' is significant toegenomen in ODiN 2020 met ruim meer dan de helft ten opzichte van ODiN 2019.
  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen voor het motief 'Van en naar het werk' is significant afgenomen met ruim een kwart. Het motief 'Zakelijk en beroepsmatig' is in ODiN 2020 met een derde afgenomen tegenover ODiN 2019.
  • Verplaatsingen met als doel 'Onderwijs of cursus volgen’ (incl. kinderopvang) zijn met -38 procent ook significant gedaald.
  • In 2020 daalde het aantal verplaatsingen voor 'Uitgaan, sport en hobby' met bijna een derde.
  • Het aantal verplaatsingen voor de motieven 'Diensten en verzorging' en ‘Visite en logeren’ namen in ODiN 2020 significant af met respectievelijk 17 procent en 13 procent ten opzichte van ODiN 2019.
  • Voor 'Overige reismotieven' en 'Winkelen en boodschappen doen' verschilt het gemiddeld aantal verplaatsingen per dag (per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder) in ODiN 2020 niet significant van ODiN 2019.

8.1.4 Gemiddeld afgelegde afstand per verplaatsing

De gemiddelde verplaatsingsafstand voor het totaal is 10,6 kilometer in ODiN 2020 en is ruim een vijfde korter dan in 2019. Een significant verschil. Ook voor personenautobestuurder, personenautopassagier, fiets en voor de groep 'Overige vervoerwijzen', geldt dat de afgelegde afstand per verplaatsing in ODiN 2020 significant verschilt van die in ODiN 2019. Dit is ook het geval voor de afgelegde afstand per verplaatsing van alle afzonderlijke motieven, met uitzondering van 'Diensten en verzorging'. De grootste afname van de gemiddelde afstand per verplaatsing deed zich voor bij de motieven 'Winkelen en boodschappen doen', 'Visite en logeren', 'Onderwijs of cursus volgen' en 'Toeren en wandelen'. De verplaatsingsafstanden van deze motieven namen in 2020 met ongeveer een vijfde af ten opzichte van een jaar eerder. De verplaatsingsafstanden van de niet genoemde motieven daalden alle significant met percentages variërend van min 16 procent voor ‘Zakelijk en beroepsmatig' tot min 9 procent voor 'Overige reismotieven'. Enige uitzondering hierop vormt de verplaatsingsafstand van het motief ‘Diensten en verzorging’ die nagenoeg gelijk is aan die in ODiN 2019.

8.1.5 Verkeersdeelname

De deelname aan het verkeer in ODiN 2020 is bijna 74 procent. In ODiN 2019 was dit significant hoger en bedroeg de participatiegraad bijna 82 procent. Andere constateringen zijn:

  • Zowel bij mannen als bij vrouwen is de afname in verkeersdeelname in 2020 ten opzichte van 2019 significant. In 2020 is er een significant verschil tussen de verkeersdeelname tussen mannen en vrouwen. Mannen nemen significant meer deel aan het verkeer. In ODiN 2019 was er ook een significant verschil tussen mannen en vrouwen op dit gebied.
  • Uit de verdeling van verkeersdeelname naar maatschappelijke participatie blijkt dat er tussen ODiN 2020 en ODiN 2019 voor het totaal van alle personen en met betrekking tot de verdeling naar maatschappelijke participatie, maar ook bij de afzonderlijke groepen, een significante daling is in de verkeersdeelname. Verhoudingsgewijs is de afname in verkeersdeelname het grootst onder arbeidsongeschikten (-14 procent), scholieren en studenten (-13 procent) en bij de groep anders/overige (-12 procent). Bij personen die '12-30 uur werkzaam zijn per week' is de afname in verkeersdeelname met 6 procent in 2020 binnen al de onderscheiden groepen het minst.
  • De deelname aan het openbaar vervoer is in 2020 ten opzichte van 2019 meer dan gehalveerd en dus significant afgenomen. In beide jaren blijkt de deelname aan het openbaar vervoer door vrouwen significant hoger dan bij mannen.

8.2 Conclusie

ODiN 2020 laat een trendbreuk in het mobiliteitsbeeld zien in vergelijking met ODiN 2019 en 2018. Het ongekende pakket aan maatregelen dat het kabinet gedurende 2020 heeft genomen om de gevolgen van coronapandemie in goede banen te leiden, ligt eraan ten grondslag. In maart 2020 maakt het kabinet de eerste algemene maatregelen bekend om het coronavirus te bestrijden zoals de handen wassen, in de elleboog niezen, en geen handen meer schudden. Medio maart besluit het kabinet om een ‘intelligente lockdown’ door te voeren. Aan mensen wordt onder andere gevraagd om indien mogelijk thuis te werken, alleen naar de winkel te gaan, en er volgen beperkingen voor de luchtvaart en het openbaar vervoer. Het wordt stiller op straat, de meeste files in de ochtend- en avondspits verdwijnen (Rijkswaterstaat, 2021). De maatregelen van maart worden heel april verlengd. In mei worden financiële steunpakketten ingevoerd voor zelfstandigen en de arbeidsmarkt die door de lockdown worden getroffen. Na de meivakantie openen basisscholen weer gedeeltelijk en mogen kinderdagverblijven open. In juni 2020 volgt een volledige heropening van het basisonderwijs. Het openbaar vervoer gaat weer volledig rijden maar mondkapjes dragen is er verplicht. In juli is wat mobiliteit betreft de opdracht om anderhalve meter afstand te houden tot de medemensen die niet tot je 'bubbel' behoren, de belangrijkste maatregelen in het verkeer met anderen. Echter het aantal besmettingen dat na de eerste lockdown gezakt was, loopt na de zomervakantie weer op. In september komt het kabinet tot de conclusie dat de maatregelen toch weer aangescherpt dienen te worden, teneinde de bezetting door coronapatiënten in de ziekenhuizen niet te hoog te laten oplopen. De aangescherpte maatregelen van eind september blijken onvoldoende effect te hebben. Er volgt een tweede golf met hoge aantallen coronabesmettingen. Daarom volgt half oktober een gedeeltelijke lockdown die verlengd en verzwaard wordt in november omdat de maatregelen tegen het virus niet voldoende bleken te zijn om de besmettingen genoeg terug te dringen. Medio december volgt er een harde lockdown en 2020 eindigt op oudejaarsavond met een verbod op het afsteken van de meeste soorten vuurwerk.

Totale vervoersprestatie significant gedaald
Uit resultaten van ODiN 2020 blijkt dat de totale vervoersprestatie met bijna een derde is afgenomen ten opzichte van ODiN 2019. Van alle cijfers opgenomen in de tabellen 3.1 tot en met 6.1.2. in deze rapportage verschillen alle waarden significant ten opzichte van 2019, met uitzondering van een vijftal. De vervoersprestatie van alle vervoerwijzen is significant afgenomen met uitzondering van lopen dat significant is toegenomen met 1,5 miljard kilometer.

Het aantal personenautobestuurderskilometers in 2020 is ten opzichte van 2019 gedaald met 27 procent. Cijfers uit een andere bron waarmee eveneens voertuigkilometers van personenauto’s worden berekend, zijn de verkeersprestaties (CBS). Deze worden berekend op basis van tellerstanden van motorvoertuigen uit de Online Kilometerregistraties (OKR) en de Erkenning KeuringsInstanties (EKI) van de RDW (Dienst Wegverkeer). Gebruikt zijn kilometerstanden geregistreerd in de periode tot en met 1 maart 2021. De berekening van de cijfers van de verkeersprestaties van Nederlandse personenauto’s op Nederlands grondgebied voor het verslagjaar 2020 wijkt af van die van de jaren ervoor. Bij de voorlopige cijfers over 2020 is voor het ‘smoothing effect’ van de methode gecorrigeerd door middel van een correctiefactor. Door dit effect wordt de jaarlijkse variatie in de verkeersprestatiecijfers afgevlakt en dit geeft een vertekend beeld van periodes waarin de mobiliteit plotseling ingrijpend wijzigt, zoals in 2020 ten gevolge van de coronacrisis11). In verslagjaar 2019 bedroegen de verkeersprestaties van Nederlandse personenauto’s op Nederlands grondgebied: 104,8 miljard kilometer en op basis van het voorlopige 2020-cijfer: 89,3 miljard kilometer. Dat is een daling van 14,8 procent. Dus ook de verkeersprestatiegegevens tonen aan dat er in het jaar 2020 waarin diverse maatregelen zijn genomen om de verspreiding van het Coronavirus in te perken, het aantal gereden kilometers afgelegd door Nederlandse personenauto’s in Nederland fors is afgenomen.

De cijfers die daarnaast het meest in de buurt komen om te vergelijken met de ODiN-gegevens is een visualisatie van het CBS van het 'personenverkeer' op basis van NDW-gegevens. Hieruit is met wat slagen om de arm af te leiden dat de verkeersindex op 200 geselecteerde punten op snelwegen van 2019 op 2020 is afgenomen met ongeveer 20 procent (-19,1 procent op weekdagen en -22 procent op weekenddagen, zie paragraaf 7.5.1). Daarnaast volgt uit het Nationaal Zakelijk Mobiliteitsonderzoek (paragraaf 7.5.2) dat er minder kilometers zijn gereden door zakelijke autoreizigers in 2020. Het kilometrage van de zakelijke autoreiziger is volgens dit onderzoek afgenomen met 31 procent ten opzichte van 2019.

Wat de 'personenverkeer'-cijfers uit het NDW op de CBS website ook laten zien is dat de intelligente lockdown die het kabinet in maart 2020 invoerde tot een trendbreuk in de mobiliteit heeft geleid. Het totale 'personenverkeer' op autosnelwegen nam sterk af. Ook laat de CBS-visualisatie-'personenverkeer' zien hoe dit verkeer op autosnelwegen wijzigde gedurende 2020 als het kabinet maatregelen die de mobiliteit troffen versoepelde of versterkte.

Waar mogelijk is een aantal resultaten uit ODiN 2020 naast uitkomsten uit andere onderzoeken gelegd. Enerzijds is nagegaan of het onderzoek wel of niet ondersteuning biedt voor de plausibiliteit van het betreffende ODiN-resultaat. Anderzijds zijn resultaten uit ander onderzoek aangehaald om na te gaan of zij een mogelijke verklaring bevatten voor het gevonden ODiN resultaat. Daarnaast zijn ook resultaten geplaatst naast door het kabinet getroffen coronamaatregelen teneinde te wijzen op mogelijke relaties tussen pakketten met maatregelen en resultaten uit ODiN 2020. Hieronder worden de meeste significante resultaten uit ODiN 2020 gepresenteerd waarbij een vergelijking met resultaten uit ander onderzoek of coronamaatregelen kon worden gemaakt.

Terug naar de (herberekende) ODiN-resultaten over de vervoersprestatie. Het aantal kilometers overbrugd door passagiers in een personenauto daalde met 34 procent nog iets meer. Vooral het openbaar vervoer werd geraakt door de coronamaatregelen. Er deed zich een daling voor in afgelegde kilometers met de trein met 60 procent tot 9,6 miljard. De grootste treinvervoerder, de NS, rapporteert in het jaarverslag over 2020 (NS, 2021) een afname van het aantal reizigerskilometers met de trein met 55 procent tot ruim 8 miljard reizigerskilometers. Van andere vervoerders op het spoor zijn geen resultaten bekend. Het aantal reizigerskilometers met bus, tram en metro daalde in ODiN met 55 procent tot 2,9 miljard in 2020.

Het totale aantal reizigerskilometers op de fiets nam ten opzichte van 2019 af met ruim 2,2 miljard reizigerskilometers tot 15,5 miljard. Ook op groepen mensen die doorgaans relatief veel de fiets gebruiken zoals scholieren, studenten en mensen die fietsend naar hun werk gingen waren coronamaatregelen van toepassing zoals sluiting of beperkte openstelling van scholen, en het verzoek om vooral thuis te werken. Dit maakte een deel van hun fietsverplaatsingen om naar de opleiding of naar het werk te fietsen overbodig.

De totale vervoersprestatie te voet groeide significant met 28 procent. Dit komt met name omdat er veel meer is gewandeld, zoals ook blijkt uit de verdeling naar motief. Het aantal reguliere reizigerskilometers voor dit doel nam ook toe met 29 procent.

Reguliere reizigerskilometers afgenomen, behalve 'Toeren en wandelen'
Reguliere reizigerskilometers gemaakt in 2020 voor alle andere motieven zijn daarentegen significant lager dan in 2019. Er zijn door het kabinet veel soorten maatregelen genomen om de kans op besmetting met het coronavirus zo veel mogelijk te beperken; een appél op werkenden om zoveel mogelijk thuis te werken, beperkingen omtrent winkelen in niet-essentiële winkels, periode waarin het onderwijs geheel of gedeeltelijk gesloten was, bezoekersaantallen van theaters, concerten, bioscopen en andere evenementen werden beperkt of perioden waarin bezoek zelfs helemaal niet was toegestaan, beperkingen of perioden met sluiting waren eveneens van toepassing op de horeca en voor de meeste sportieve activiteiten, vooral in groepsverband. Ook werd van tijd tot tijd een oproep gedaan om thuis niet meer dan een klein aantal bezoekers te ontvangen. Vanaf medio december gold een harde lockdown waarbij vrijwel alle plekken waarbij mensen samen kunnen komen gesloten werden (Rijksoverheid, z.d. a).

De beperkingen door de overheidsmaatregelen zijn ook herkenbaar in de ODiN resultaten naar motief. Voor alle motieven behoudens 'Toeren en wandelen', zijn significant minder kilometers afgelegd. Wandelen en fietsen bleven een van de weinige mogelijkheden om buitenshuis te ontspannen, te bewegen of een frisse neus te halen. In 2020 is er meer gelopen dan in de jaren ervoor. Dit laatste is ook terug te vinden in ODiN 2020 cijfers.

Aan de oproep thuis te werken tenzij het niet anders kan, is gehoor gegeven. Meer mensen werkten in 2020 van huis uit, of werkten vaker dan voorheen thuis (CBS-StatLine, 2021a, De Haas et al., 2021). Daarnaast was er ook een groep mensen die niet kon werken omdat bijvoorbeeld de winkel, de sportclub, hun praktijk etc. waar ze werkten (tijdelijk) gesloten moesten blijven. Uit de resultaten van ODiN 2020 blijkt dat het aantal reguliere reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ ten opzichte van 2019 is afgenomen met 36 procent. Kilometers afgelegd met een ‘Zakelijk en beroepsmatig’ motief, namen af met 43 procent, reizigerskilometers voor ‘Onderwijs of cursus volgen’ halveerden in 2020 ten opzichte van 2019.

Afname aantal verplaatsingen per persoon per dag, behalve te voet
Het totaal aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag is met -13 procent significant lager dan in ODiN 2019. Van alle vervoerwijzen is het aantal verplaatsingen significant gedaald, alleen het aantal loopverplaatsingen is met bijna een kwart significant toegenomen. De grootste afname deed zich voor onder het aantal treinverplaatsingen, dit daalde in 2020 met 60 procent en met bus, tram en metro waarvan het aantal verplaatsingen halveerde (-51 procent). Ter vergelijking: uit gegevens in de OV-monitor (CBS en Translink) blijkt dat het aantal instappers in het openbaar vervoer van 2019 op 2020 is gedaald met 53 procent (CBS, z.d.) en (OV-Monitor CBS & Translink, z.d.). De overheid gebood de openbaar vervoerbedrijven een keur aan maatregelen te nemen om besmetting tijdens het reizen te vermijden, de bevolking werd opgeroepen om alleen strikt noodzakelijke reizen met het OV te maken. Hierdoor viel onder andere een groot deel van het forensenverkeer weg (zie NS jaarverslag 2020). Overheidsmaatregelen waarbij het aannemelijk is dat ze een relatie hebben met de afname van het aantal verplaatsingen met andere vervoerwijzen zijn beschreven in Hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk zijn eveneens paralellen gemaakt tussen overheidsmaatregelen en het significant dalen van verplaatsingen naar motief. Uitzonderingen hierop vormen het aantal verplaatsingen met motief 'Winkelen en boodschappen doen' dat in 2020 niet significant verschilde met het aantal verplaatsingen voor dit doel in 2019 en het aantal verplaatsingen met motief 'Toeren en wandelen' dat in 2020 toenam met 58 procent in vergelijking met 2019.

Het is aannemelijk dat mensen, omdat ze door de overheidsmaatrelen ten gevolge van de coronapandemie minder mogelijkheden hadden om ergens naar toe te gaan of mensen te bezoeken, volop gebruik maakten van de weinige mogelijkheden om te bewegen, te ontspannen of vertier te zoeken door te gaan wandelen of te toeren getuige de berichtgeving over druk bezochte natuurgebieden, stranden, parken en dergelijke (Erik Jonk, 2020, Hart van Nederland, 2020). Tot slot volgt uit onderzoek van het KiM in juni/juli 2020 dat er medio 2020 in vergelijking met de situatie van vóór de coronacrisis nog steeds sprake is van een afname van het aantal verplaatsingen voor alle motieven, maar niet voor 'Toeren en wandelen' (De Haas et al., 2020).

Afname afstand per verplaatsing
De gemiddelde afstand per verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder voor het totaal van alle vervoerwijzen in ODiN 2020 is een vijfde korter dan in 2019. Ook de gemiddelde verplaatsingsafstanden van personenautobestuurders en personenautopassagiers, daalden in 2020 significant met respectievelijk 14 procent en 15 procent. De gemiddelde verplaatsingsafstand voor fiets (5 procent) en lopen (4 procent) waren daarentegen significant langer dan vorig jaar.

Op basis van gegevens uit het Nationaal Verplaatsingspanel waarin gegevens op werkdagen in de weken 14, 18, 22, 26, 30, 34 en 38 werden vergeleken met de gegevens in week 10 in 2020 (vlak voor de ‘intelligente lockdown’) volgt dat de afgelegde afstand per 'trip' er in die periode anders uitziet. Voor personenauto en OV nam de afgelegde afstand af maar voor fietsen en lopen nam de afstand per 'trip' toe. Op het moment dat de auto (week 21) en OV (week 26) weer op het niveau van begin maart zaten, bleven de fiets- en loopafstanden nog steeds boven basisniveau (Smit et al., 2020). Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de analyse van Smit et al. door het vergelijken van indexcijfers met elkaar binnen hetzelfde jaar, eventuele seizoenseffecten en veranderingen in weersomstandigheden die ook een rol kunnen hebben bij de wijzigingen in de mobiliteit, niet zijn meegenomen. Daarbij waren gegevens uit de analyse slechts beschikbaar voor een deel van het jaar 2020. 
Voor vrijwel alle motieven geldt dat de gemiddelde afstand per verplaatsing gemeten in ODiN 2020 significant verschilt met ODiN 2019. Enige uitzondering hierop vormt het motief ‘Diensten en verzorging'. In paragraaf 5.2 is uitvoerig ingegaan op de mogelijke parallellen tussen de overheidsmaatregelen en afname van de gemiddelde afstand per verplaatsing naar motief zoals bij de gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Visite en logeren’ die met 4,3 kilometer is gedaald 2020, wijzen specifieke overheidsbeperkingen maar ook mediaberichten over het dichter bij huis zoeken van vriendschappen in coronatijd (Santhagens et al., 2021) ook in de richting van kortere verplaatsingen.

Ofschoon er met als doel ‘Toeren en wandelen’ 58 procent meer verplaatsingen plaatsvonden in 2020 en bijna een kwart meer kilometers zijn afgelegd was de gemiddelde verplaatsingsafstand van zo’n activiteit ruim 1,8 kilometer korter dan in 2019. Er zijn veel ‘rondjes’ gemaakt.

Afname verkeersdeelname
Op een gemiddelde dag in 2020 nam bijna 74 procent van de Nederlandse bevolking van 6 jaar of ouder minstens één maal per dag deel aan het verkeer. Dat is significant lager (-10 procent) dan in ODiN 2019. Dit ligt in lijn met de eerdere constatering dat het gemiddeld aantal verplaatsingen in ODiN 2020 lager is dan in ODiN 2019. Zowel bij vrouwen als mannen is er een significante afname van 10 procent in 2020 ten opzichte van 2019. Mannen hebben, evenals in 2019, iets vaker aan het verkeer deelgenomen dan vrouwen. Het verschil in verkeersdeelname van mannen tegenover vrouwen in ODiN 2020 is significant. In 2019 was het verschil in verkeersdeelname tussen mannen en vrouwen ook significant. Een afname in verkeersdeelname in 2020 was te verwachten op logische gronden.

Uit informatie van het RIVM, grafisch weergegeven door EenVandaag blijkt dat vanaf 1 maart 2020 bijna 800 duizend mensen in Nederland besmet raakten met het coronavirus (RIVM, z.d. a), (EenVandaag, z.d.). De overheid heeft mensen die een vermoeden hadden van besmetting, die in contact zijn geweest met iemand die besmet was of die zelf besmet waren leefregels opgelegd om 10 dagen thuis te blijven vanaf het laatste contact met de besmette persoon. (RIVM, z.d. b). Ook uit KiM-onderzoek blijkt dat er in 2020 minder mensen deelnamen aan het verkeer. Uit een analyse op basis van het Mobiliteitspanel Nederland met gegevens over juni/juli 2020 blijkt dat vóór de Coronacrisis 20 procent van de Nederlanders niet naar buiten ging. Aan het begin van de crisis nam ongeveer de helft van de mensen niet deel aan het verkeer en medio 2020 gold dit voor circa een derde van de mensen (De Haas et al., 2020).

Eindconclusie
In 2020 hebben de maatregelen vanwege covid-19 gezorgd voor een trendbreuk in de mobiliteit ten opzichte van 2018 en 2019. In deze rapportage zijn waar mogelijk de resultaten van ODiN 2020 geconfronteerd met resultaten uit andere onderzoeken of is een (mogelijke) verklaring gegeven voor gevonden verschillen tussen ODiN 2020 en ODiN 2019. Resultaten die geconfronteerd zijn met ander onderzoek, blijken niet met ODiN in tegenspraak te zijn, maar bieden ook niet altijd directe ondersteuning omdat de bronnen niet hetzelfde meten of slechts een deel van het jaar meten.

10) Dit eindrapport gebaseerd is op de plausibiliteitsrapportage van ODiN 2020. Om die reden ligt de nadruk op het beschrijven van de geconstateerde verschillen in de mobiliteit van 2019 op 2020 en of deze plausibel kunnen worden geacht. In het enkele geval waarbij de significantie van de verschillen tussen 2019 en 2018 door de herberekeningen gewijzigd is, wordt dit aangegeven. In alle andere gevallen dient men voor de plausibiliteit tussen 2019 en 2018 de plausibiliteitsrapportage van ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2019’ te gebruiken.
11) Nadat de verkeersprestaties van Nederlandse voertuigen zijn berekend op basis van de kilometertellerstanden uit het RDW-register worden de cijfers verdeeld naar kilometers gereden op Nederlands grondgebied en kilometers gereden op buitenlands grondgebied. Uitleg over de methode is opgenomen in de toelichting van de StatLinetabel: Verkeersprestaties personenauto's; kilometers, brandstofsoort, grondgebied. De methode waarop het voorlopige cijfer voor 2020 is berekend, wijkt af van de oude reeks voorlopige cijfers (1990-2019).

Referenties

CBS (z.d.). Mobiliteit in Coronatijd. Geraadpleegd op 20-04 2021.

CBS StatLine (2021a). Werkzame beroepsbevolking; thuiswerken.

CBS Statline (2021a). Mobiliteit; per verplaatsing, vervoerwijzen, motieven, regio's.

CBS Statline (2021b). Nabijheid voorzieningen; afstand locatie, wijk- en buurtcijfers 2019.

EenVandaag (z.d.). Coronacijfers: totaal besmettingen, doden en ziekenhuisopnames in Nederland. Geraadpleegd op 15 april 2021.

Haas, M. de, Hamersma, M. en R. Faber (2020). Nieuwe inzichten. Mobiliteit en de coronacrisis. Ministerie van infrastructuur en waterstaat. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.

Haas, M. de, Hamersma, M. en R. Faber (2021). Thuiswerken tijdens en na de coronacrisis. Een overzicht van drie metingen met het Mobiliteitspanel Nederland (MPN). Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.

Hart van Nederland (2020). Drukte bij stranden, strandgemeenten roepen op om niet meer (met de auto) te komen. Hart van Nederland.

Jonk, E. (2020). Natuurbeheerders waarschuwen voor drukte in de natuur deze zondag. Metronieuws.

Nieuwenbroek, R. (2021). NZMO: Meer thuiswerken én minder zakelijke kilometers in post-corona tijdperk. Automobielmanagement.

Metselaar, D. (2020). Onderzoek NS en TU Delft: forens zal vaker wegblijven dan andere reizigers. SpoorPro.nl – Vakblad voor railbedrijven, 18 december 2020.

NS Jaarverslag 2020.

OVPro (z.d.). Dossier corona.

OV-Monitor CBS & Translink (z.d.). Veel minder druk in het openbaar vervoer door Coronavirus. Geraadpleegd op 20-04 2021.

Rijksoverheid (z.d. a). Corona en winkelen en boodschappen doen. Geraadpleegd op 14 april 2021.

Rijksoverheid (z.d. b). Het coronavirus en de horeca en evenementen. Geraadpleegd op 14 april 2021. 

Rijksoverheid (z.d. c). Coronavirus tijdlijn. Geraadpleegd op 20-04-2021.

Rijksoverheid (z.d. d). Coronavirus COVID-19/ Onderwijs en kinderopvang.

Rijkswaterstaat (2021). Rapportage Rijkswegennet 3e periode 2020: 1 september – 31 december.

RIVM (z.d. a). Actuele informatie over COVID-19. Geraadpleegd op 15 april 2021.

RIVM (z.d. b). Vragen en achtergronden/RIVM Geraadpleegd op 16 april 2021.

RIVM (z.d. c). Risicogroepen en Covid-19/RIVM. Geraadpleegd op 16-04 2021.

Santhagens, E. en S. van Oost (2021). In Coronatijd zoeken we vriendschappen dichter bij huis. EenVandaag, 31 januari 2021.

Smit, R., Taale, H. en P. van Beek (2020). Een virus en ons reisgedrag. In: Scheltes, A. Ton, D., Bekenkamp, L., Hoen, H., Hamersma, M. en N. Schaap, Colloquium vervoersplanologisch speurwerk (CVS) Anders dan anders corona editie, CVS-bundel. Zoetermeer: 82-83

Velzen, J. van (2020). Crisis drijft consument naar winkel in de buurt. Trouw, 23 november 2020.

VOraad (z.d.). Laatste nieuws rond corona en onderwijs.

(z.d. = zonder datum)

Bijlage A

Marges ODiN 2018

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2018 uit de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld samen met de onder- en bovengrens van de marge en de relatieve marge in procenten. De onder- en bovengrens begrenzen het interval waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt. Vanwege de herberekeningen zijn de cijfers in de tabellen A.3.1, A.3.2, A.4.2, A.5.2 en A.6.1.2 deels gewijzigd.

A.3.1 Marges totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal218,1214,6221,61,6
Personenauto als bestuurder108,8106,3111,32,3
Personenauto als passagier38,737,140,44,3
Trein22,821,524,15,8
Bus/tram/metro6,56,16,85,6
Fiets18,518,118,92,2
Lopen5,25,15,42,5
Overig17,616,219,08,1

A.3.2 Marges reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal210,3207,2213,51,5
Van en naar het werk61,459,863,02,6
Zakelijk en beroepsmatig12,811,613,99,0
Diensten en verzorging4,84,45,28,3
Winkelen en boodschappen doen18,217,418,94,0
Onderwijs of cursus volgen12,111,512,75,3
Visite en logeren38,636,840,34,5
Uitgaan, sport en hobby35,734,337,24,1
Toeren en wandelen9,69,110,15,1
Ander motief17,216,318,15,2

A.4.1 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 7822 7622 8020,7
Personenauto als bestuurder 958 943 9721,5
Personenauto als passagier 323 315 3312,5
Trein 79 75 824,4
Bus/tram/metro 78 74 824,9
Fiets 792 780 8051,6
Lopen 445 435 4542,1
Overig 107 102 1135,0

A.4.2 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 7822 7622 8020,7
Van en naar het werk 549 540 5581,6
Zakelijk en beroepsmatig 69 65 735,4
Diensten en verzorging 85 81 894,4
Winkelen en boodschappen doen 565 555 5751,7
Onderwijs of cursus volgen 227 221 2332,6
Visite en logeren 294 287 3002,3
Uitgaan, sport en hobby 513 504 5221,7
Toeren en wandelen 174 169 1792,8
Ander motief 307 298 3162,8

A.5.1 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal13,0012,8013,191,5
Personenauto als bestuurder18,9618,6019,321,9
Personenauto als passagier20,6019,8621,343,6
Trein49,2947,3951,193,9
Bus/tram/metro13,9113,3614,463,9
Fiets3,993,924,071,8
Lopen2,021,982,062,1
Overig21,5620,0223,107,1

A.5.2 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal13,0012,8013,191,5
Van en naar het werk19,2318,8219,642,1
Zakelijk en beroepsmatig31,8029,5934,006,9
Diensten en verzorging9,709,0110,387,1
Winkelen en boodschappen doen5,535,335,743,7
Onderwijs of cursus volgen9,188,749,624,8
Visite en logeren22,6021,7023,504,0
Uitgaan, sport en hobby11,9811,5312,433,7
Toeren en wandelen9,459,019,894,6
Ander motief9,649,1710,104,8

A.6.1.1 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal82,982,583,30,5
Mannen83,082,483,60,7
Vrouwen82,982,383,40,7

A.6.1.2 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal82,982,583,30,5
Werkzaam 12-30 uur per week89,688,790,51,1
Werkzaam ≥ 30 uur per week89,088,489,60,7
Scholier/student87,286,487,90,9
Werkloos75,272,078,24,3
Arbeidsongeschikt71,168,573,63,7
Gepensioneerd/VUT69,868,670,91,7
Overig73,271,774,62,0

A.6.2.1 Marges deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2018
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal8,68,38,93,2
Mannen8,07,68,44,7
Vrouwen9,28,89,64,3

Bijlage B

Marges ODiN 2019

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2019 uit de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld samen met de onder- en bovengrens van de marge en de relatieve marge in procenten. De onder- en bovengrens begrenzen het interval waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt. Vanwege de herberekeningen zijn de cijfers in tabel B.3.1 gewijzigd. De overige tabellen zijn niet gewijzigd.

B.3.1 Marges totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal218,8215,0222,61,7
Personenauto als bestuurder108,5105,8111,22,5
Personenauto als passagier39,037,140,94,8
Trein24,122,725,55,7
Bus/tram/metro6,56,16,96,2
Fiets17,817,318,22,4
Lopen5,25,05,32,6
Overig17,916,419,38,1

B.3.2 Marges reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal210,9207,4214,31,6
Van en naar het werk57,055,358,62,9
Zakelijk en beroepsmatig19,217,720,77,7
Diensten en verzorging4,33,94,78,7
Winkelen en boodschappen doen18,317,519,24,6
Onderwijs of cursus volgen12,011,312,86,1
Visite en logeren34,232,635,94,9
Uitgaan, sport en hobby39,237,440,94,4
Toeren en wandelen9,59,010,15,8
Ander motief17,216,118,26,1

B.4.1 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 7102 6882 7310,8
Personenauto als bestuurder 948 933 9641,6
Personenauto als passagier 312 304 3212,7
Trein 82 78 864,5
Bus/tram/metro 72 69 765,0
Fiets 757 744 7701,8
Lopen 426 417 4352,2
Overig 112 106 1185,4

B.4.2 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 7102 6882 7310,8
Van en naar het werk 505 496 5141,7
Zakelijk en beroepsmatig 107 102 1124,8
Diensten en verzorging 86 82 904,6
Winkelen en boodschappen doen 544 534 5541,8
Onderwijs of cursus volgen 222 216 2282,9
Visite en logeren 273 266 2802,6
Uitgaan, sport en hobby 511 501 5201,9
Toeren en wandelen 171 166 1762,9
Ander motief 291 282 3003,1

B.5.1 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal 13,29 13,07 13,501,6
Personenauto als bestuurder 19,00 18,60 19,402,1
Personenauto als passagier 21,30 20,42 22,184,1
Trein 49,84 48,01 51,683,7
Bus/tram/metro 14,64 14,03 15,254,2
Fiets 3,97 3,89 4,062,0
Lopen 2,07 2,02 2,122,3
Overig 20,61 19,16 22,057,0

B.5.2 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal13,2913,0713,501,6
Van en naar het werk19,2618,8019,722,4
Zakelijk en beroepsmatig30,5628,8032,325,8
Diensten en verzorging8,517,879,167,6
Winkelen en boodschappen doen5,755,515,994,2
Onderwijs of cursus volgen9,258,759,765,5
Visite en logeren21,4120,4922,324,3
Uitgaan, sport en hobby13,0912,5513,634,1
Toeren en wandelen9,529,0110,025,3
Ander motief10,079,5010,645,7

B.6.1.1 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal81,981,582,40,5
Mannen82,682,083,20,7
Vrouwen81,380,781,90,8

B.6.1.2 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal81,981,582,40,5
Werkzaam 12-30 uur per week87,886,788,91,3
Werkzaam ≥ 30 uur per week88,788,089,30,8
Scholier/student86,485,587,21,0
Werkloos71,267,374,75,4
Arbeidsongeschikt67,864,870,74,4
Gepensioneerd/VUT69,067,970,21,7
Overig71,069,472,52,2

B.6.2.1 Marges deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2019
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal8,68,38,83,2
Mannen7,97,58,34,9
Vrouwen9,28,89,64,4

Bijlage C

Marges ODiN 2020

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2019 uit de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld samen met de onder- en bovengrens van de marge en de relatieve marge in procenten. De onder- en bovengrens begrenzen het interval waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt. Vanwege de herberekeningen zijn de cijfers in tabel C.3.1 gewijzigd. De overige tabellen zijn niet gewijzigd.

C.3.1 Marges totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal152,0149,4154,71,8
Personenauto als bestuurder79,477,581,42,5
Personenauto als passagier25,824,627,04,8
Trein9,68,810,48,3
Bus/tram/metro2,92,73,29,0
Fiets15,515,215,92,3
Lopen6,66,56,82,0
Overig12,111,013,18,7

C.3.2 Marges reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal147,0144,5149,41,7
Van en naar het werk36,435,337,53,1
Zakelijk en beroepsmatig10,910,011,88,1
Diensten en verzorging3,63,33,98,7
Winkelen en boodschappen doen14,714,115,23,7
Onderwijs of cursus volgen6,05,66,57,2
Visite en logeren24,022,925,24,7
Uitgaan, sport en hobby23,722,624,84,7
Toeren en wandelen12,211,812,74,0
Ander motief15,414,516,25,4

C.4.1 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 3522 3342 3710,8
Personenauto als bestuurder 805 792 8181,6
Personenauto als passagier 240 233 2472,8
Trein 33 31 356,3
Bus/tram/metro 35 33 376,4
Fiets 626 616 6371,7
Lopen 523 514 5321,7
Overig 90 85 955,5

C.4.2 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 3522 3342 3710,8
Van en naar het werk 370 362 3771,9
Zakelijk en beroepsmatig 72 68 765,2
Diensten en verzorging 72 68 754,6
Winkelen en boodschappen doen 552 543 5611,6
Onderwijs of cursus volgen 138 133 1423,5
Visite en logeren 238 232 2442,5
Uitgaan, sport en hobby 357 350 3642,0
Toeren en wandelen 269 264 2752,0
Ander motief 285 277 2932,8

C.5.1 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal10,5810,4110,741,6
Personenauto als bestuurder16,3315,9916,662,0
Personenauto als passagier18,2117,4618,954,1
Trein48,5145,8951,135,4
Bus/tram/metro13,6212,6414,597,1
Fiets4,164,084,252,0
Lopen2,152,112,181,7
Overig17,3316,0918,577,2

C.5.2 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal10,5810,4110,741,6
Van en naar het werk16,6616,2417,092,5
Zakelijk en beroepsmatig25,7624,1127,416,4
Diensten en verzorging8,557,919,197,5
Winkelen en boodschappen doen4,494,344,643,3
Onderwijs of cursus volgen7,446,957,926,5
Visite en logeren17,1016,3817,824,2
Uitgaan, sport en hobby11,2310,7411,714,3
Toeren en wandelen7,697,417,983,7
Ander motief9,138,689,584,9

C.6.1.1 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal73,873,474,20,5
Mannen74,473,874,90,8
Vrouwen73,272,773,80,8

C.6.1.2 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal73,873,474,20,5
Werkzaam 12-30 uur per week82,781,883,71,2
Werkzaam ≥ 30 uur per week80,579,981,10,8
Scholier/student74,974,075,81,2
Werkloos66,163,168,94,5
Arbeidsongeschikt58,355,660,94,6
Gepensioneerd/VUT62,761,763,61,5
Overig62,160,763,52,3

C.6.2.1 Marges deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2020
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal3,93,84,14,4
Mannen3,63,43,86,7
Vrouwen4,24,04,55,9

Bijlage D

Kerntabellen ODiN 2018

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2018 uit de onderzoekbeschrijving van het betreffende jaar. Vanwege de herberekeningen zijn de cijfers in de tabellen D.4, D.5, D.6, D.7 en D.8 deels gewijzigd.

D.1 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20181)
MannenVrouwenTotaal
Totaal83,082,982,9
6 tot 12 jaar90,990,190,6
12 tot 18 jaar85,786,986,3
18 tot 25 jaar85,687,986,8
25 tot 35 jaar87,689,788,6
35 tot 50 jaar86,686,886,7
50 tot 65 jaar83,084,083,5
65 tot 75 jaar74,475,474,9
75 jaar of ouder63,157,359,8
1)  Verkeersdeelname is afgeleid uit het aandeel personen dat op de dag van enquêtering minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing heeft gemaakt. Daarbij tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig niet mee.

D.2 Deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20181)
MannenVrouwenTotaal
Totaal8,09,28,6
6 tot 12 jaar2,3.2,1
12 tot 18 jaar10,113,311,7
18 tot 25 jaar21,126,623,8
25 tot 35 jaar12,614,213,4
35 tot 50 jaar6,77,67,1
50 tot 65 jaar5,96,26,0
65 tot 75 jaar3,45,04,2
75 jaar of ouder3,33,23,2
1) Het aandeel personen dat op een dag minimaal één reguliere rit of serieverplaatsing met trein, bus, tram of metro heeft gemaakt.

D.3 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar woonprovincie en ritvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal108,838,722,86,518,55,217,6218,1
Groningen3,41,60,90,20,70,10,87,8
Fryslân4,91,90,60,30,70,21,19,6
Drenthe4,21,4.0,10,50,10,67,5
Overijssel8,02,81,30,11,30,31,615,5
Flevoland3,21,00,70,20,30,10,56,1
Gelderland14,65,02,70,42,40,62,127,8
Utrecht8,33,02,10,41,60,40,916,8
Noord-Holland16,16,04,91,73,30,92,435,3
Zuid-Holland20,57,24,62,03,61,23,142,2
Zeeland2,40,7..0,40,10,44,4
Noord-Brabant16,75,52,80,62,70,73,132,2
Limburg6,32,61,40,21,00,41,012,9
1) De totale vervoersprestatie bevat alle reizigerskilometers van reguliere verplaatsingen (inclusief vakantieverplaatsingen) en serieverplaatsingen. Niet inbegrepen is (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig.

D.4 Gemiddelde afgelegde afstand per persoon van 6 jaar of ouder per dag in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal18,26,73,91,13,20,92,336,2
Van en naar het werk6,80,41,30,30,70,11,010,6
Zakelijk en beroepsmatig1,40,10,2.0,00,00,52,2
Diensten en verzorging0,40,20,10,00,10,00,00,8
Winkelen en boodschappen doen1,50,70,20,10,40,10,13,1
Onderwijs of cursus volgen0,40,20,60,30,40,00,12,1
Visite en logeren3,12,30,70,10,20,00,26,6
Uitgaan, sport en hobby2,42,00,50,10,70,20,36,1
Toeren en wandelen0,40,2..0,60,40,11,6
Ander motief1,80,60,20,10,10,00,13,0
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

D.5 Gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal 958 323 79 78 792 445 1072 782
Van en naar het werk 271 18 33 21 143 24 39 549
Zakelijk en beroepsmatig 37 2 3. 10 3 14 69
Diensten en verzorging 34 14 2 3 22 7 3 85
Winkelen en boodschappen doen 195 64 5 13 167 109 12 565
Onderwijs of cursus volgen 16 22 15 17 120 31 6 227
Visite en logeren 107 69 10 6 62 31 9 294
Uitgaan, sport en hobby 133 100 9 12 164 83 13 513
Toeren en wandelen 14 6.. 33 117 3 174
Ander motief 151 28 4 4 73 40 8 307
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

D.6 Gemiddelde reisduur per persoon van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal24,529,286,113,2416,4611,233,7674,60
Van en naar het werk8,330,552,180,902,720,291,2916,24
Zakelijk en beroepsmatig1,470,090,23.0,210,050,532,62
Diensten en verzorging0,690,320,120,110,300,110,091,73
Winkelen en boodschappen doen2,921,280,330,402,021,370,228,54
Onderwijs of cursus volgen0,520,411,080,792,070,270,175,31
Visite en logeren3,402,460,970,281,060,350,308,82
Uitgaan, sport en hobby3,372,910,810,493,532,740,5714,41
Toeren en wandelen1,070,55..3,725,680,4211,61
Ander motief2,750,720,290,160,820,380,195,31
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

D.7 Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal18,9620,6049,2913,913,992,0221,5613,00
Van en naar het werk25,0522,7440,7515,324,742,4724,7619,23
Zakelijk en beroepsmatig37,4234,6974,42.4,242,5233,0631,80
Diensten en verzorging12,1314,8145,459,392,551,5312,579,70
Winkelen en boodschappen doen7,7711,4847,627,852,120,967,015,53
Onderwijs of cursus volgen25,298,8342,3017,913,611,2513,339,18
Visite en logeren28,7633,9368,4316,173,551,1923,4622,60
Uitgaan, sport en hobby17,9519,6761,0412,034,052,6419,5511,98
Toeren en wandelen25,9528,42..17,493,3132,179,45
Ander motief12,1020,1361,8312,102,040,8514,639,64
1) Het betreft het gemiddelde aantal kilometers dat per reguliere verplaatsing wordt afgelegd door personen van 6 jaar of ouder. De afstand naar vervoerwijze is op basis van de ritvervoerwijze zodat alle gebruikte vervoermiddelen meetellen. Het aantal verplaatsingen is echter naar de hoofdvervoerwijze van een verplaatsing.

D.8 Gemiddelde reisduur per verplaatsing in minuten naar motief en hoofdvervoerwijze, 20181)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal25,6128,7077,5141,6820,7725,2635,0226,81
Van en naar het werk30,7630,4766,7542,9618,9911,8932,8329,60
Zakelijk en beroepsmatig39,3740,4287,87.21,7221,4137,8437,95
Diensten en verzorging20,0423,7175,7235,5813,7414,5525,7120,34
Winkelen en boodschappen doen14,9819,8870,5530,2212,1512,5517,4915,11
Onderwijs of cursus volgen33,4718,2372,2245,9017,268,7628,3323,41
Visite en logeren31,7035,88100,4445,7317,2011,1034,5130,06
Uitgaan, sport en hobby25,3929,1994,9142,4121,5432,7943,0128,10
Toeren en wandelen77,3884,75..113,9148,73130,9366,74
Ander motief18,2625,4282,7236,8511,229,6025,2517,31
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen van personen van 6 jaar of ouder.

Bijlage E

Kerntabellen ODiN 2019

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2019 uit de onderzoekbeschrijving van het betreffende jaar. De resultaten in deze tabellen zijn door de herberekeningen niet gewijzigd.

E.1 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20191)
MannenVrouwenTotaal
Totaal82,681,381,9
6 tot 12 jaar89,688,388,9
12 tot 18 jaar86,386,486,4
18 tot 25 jaar83,485,884,6
25 tot 35 jaar86,786,586,6
35 tot 50 jaar87,186,486,7
50 tot 65 jaar82,583,282,9
65 tot 75 jaar74,572,473,5
75 jaar of ouder63,956,059,4
1)  Verkeersdeelname is afgeleid uit het aandeel personen dat op de dag van enquêtering minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing heeft gemaakt. Daarbij tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig niet mee.

E.2 Deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20191)
MannenVrouwenTotaal
Totaal7,99,28,6
6 tot 12 jaar..1,6
12 tot 18 jaar9,312,210,7
18 tot 25 jaar20,727,424,0
25 tot 35 jaar13,813,013,4
35 tot 50 jaar7,37,77,5
50 tot 65 jaar5,16,96,0
65 tot 75 jaar2,95,44,2
75 jaar of ouder3,12,82,9
1) Het aandeel personen dat op een dag minimaal één reguliere rit of serieverplaatsing met trein, bus, tram of metro heeft gemaakt.

E.3 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar woonprovincie en ritvervoerwijze, 20191)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal108,539,024,16,517,85,217,9218,8
Groningen3,81,61,10,20,70,20,58,1
Fryslân5,22,3.0,20,60,21,010,0
Drenthe3,61,4..0,50,20,77,0
Overijssel7,52,92,0.1,40,31,615,7
Flevoland3,01,10,80,20,30,1.6,1
Gelderland15,04,32,60,42,30,62,628,0
Utrecht9,23,62,60,41,60,41,118,8
Noord-Holland14,95,24,71,63,00,92,733,1
Zuid-Holland20,27,54,82,23,41,23,442,7
Zeeland2,71,1..0,40,10,35,0
Noord-Brabant17,35,53,00,62,60,72,332,0
Limburg6,22,51,20,10,90,41,112,4
1) De totale vervoersprestatie bevat alle reizigerskilometers van reguliere verplaatsingen (inclusief vakantieverplaatsingen) en serieverplaatsingen. Niet inbegrepen is (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig.

E.4 Gemiddelde afgelegde afstand per persoon van 6 jaar of ouder per dag in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20191)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal18,06,74,11,13,00,92,336,0
Van en naar het werk6,20,41,30,30,60,10,89,7
Zakelijk en beroepsmatig2,20,20,20,00,10,00,73,3
Diensten en verzorging0,40,2.0,00,10,00,00,7
Winkelen en boodschappen doen1,50,80,20,10,30,10,13,1
Onderwijs of cursus volgen0,40,20,70,30,40,00,12,1
Visite en logeren2,71,90,80,10,20,00,15,8
Uitgaan, sport en hobby2,62,30,60,10,60,20,36,7
Toeren en wandelen0,30,2..0,50,40,11,6
Ander motief1,80,60,20,00,20,00,12,9
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

E.5 Gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 2019
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal 948 312 82 72 757 426 1122 710
Van en naar het werk 246 15 33 21 134 21 36 505
Zakelijk en beroepsmatig 59 4 4 2 13 4 23 107
Diensten en verzorging 33 13. 3 23 9 3 86
Winkelen en boodschappen doen 198 62 5 11 157 100 12 544
Onderwijs of cursus volgen 14 24 16 16 116 30 7 222
Visite en logeren 100 60 10 6 59 32 7 273
Uitgaan, sport en hobby 139 100 10 10 159 80 13 511
Toeren en wandelen 13 7.. 30 116 3 171
Ander motief 147 28 3 3 66 35 8 291
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

E.6 Gemiddelde reisduur per persoon van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 20191)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal24,529,386,393,2216,2610,923,7074,39
Van en naar het werk7,590,472,190,882,590,291,0915,10
Zakelijk en beroepsmatig2,320,190,290,070,260,060,803,98
Diensten en verzorging0,650,33.0,120,320,100,091,66
Winkelen en boodschappen doen2,931,250,330,361,911,230,238,22
Onderwijs of cursus volgen0,480,381,120,732,030,250,185,18
Visite en logeren3,122,141,040,270,990,390,208,15
Uitgaan, sport en hobby3,563,190,890,513,602,510,5614,80
Toeren en wandelen1,100,69..3,725,680,3411,81
Ander motief2,770,760,290,190,840,410,225,47
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

E.7 Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20191)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal19,0021,3049,8414,643,972,0720,6113,29
Van en naar het werk25,2225,4141,1615,214,852,9121,5819,26
Zakelijk en beroepsmatig36,5540,0257,2219,264,092,2729,4030,56
Diensten en verzorging11,4814,04.9,092,631,058,688,51
Winkelen en boodschappen doen7,6812,6245,978,082,110,928,435,75
Onderwijs of cursus volgen26,848,0041,4518,483,631,2912,579,25
Visite en logeren26,9931,8576,5619,383,301,3218,8621,41
Uitgaan, sport en hobby18,5322,6959,3613,044,002,5821,7113,09
Toeren en wandelen25,1634,21..16,863,3928,969,52
Ander motief12,2919,8362,8512,682,290,9317,0810,07
1) Het betreft het gemiddelde aantal kilometers dat per reguliere verplaatsing wordt afgelegd door personen van 6 jaar of ouder. De afstand naar vervoerwijze is op basis van de ritvervoerwijze zodat alle gebruikte vervoermiddelen meetellen. Het aantal verplaatsingen is echter naar de hoofdvervoerwijze van een verplaatsing.

E.8 Gemiddelde reisduur per verplaatsing in minuten naar motief en hoofdvervoerwijze, 20191)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal25,8530,0378,1444,5621,4825,6433,1727,46
Van en naar het werk30,8831,9967,0742,4219,3413,9730,1629,92
Zakelijk en beroepsmatig39,3347,2480,9542,4520,2816,5735,1937,15
Diensten en verzorging19,4324,62.38,1814,0810,8725,1519,34
Winkelen en boodschappen doen14,7720,2468,3932,6212,1612,2619,6215,11
Onderwijs of cursus volgen34,6015,9970,9646,0317,548,4727,7523,36
Visite en logeren31,3535,60103,7649,8816,6312,2228,7029,84
Uitgaan, sport en hobby25,6631,9388,9749,2622,6831,2642,7628,99
Toeren en wandelen84,48103,80..122,3849,16102,4669,25
Ander motief18,8726,6288,7353,8012,6711,8028,0118,80
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen van personen van 6 jaar of ouder.

Bijlage F

Kerntabellen ODiN 2020

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2020 uit de onderzoekbeschrijving van het betreffende jaar. De resultaten in deze tabellen zijn door de herberekeningen niet gewijzigd.

F.1 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20201)
MannenVrouwenTotaal
Totaal74,473,273,8
6 tot 12 jaar79,880,280,0
12 tot 18 jaar72,175,073,5
18 tot 25 jaar73,375,974,6
25 tot 35 jaar76,677,977,2
35 tot 50 jaar79,078,578,7
50 tot 65 jaar76,876,876,8
65 tot 75 jaar69,766,067,8
75 jaar of ouder56,447,751,6
1) Verkeersdeelname is afgeleid uit het aandeel personen dat op de dag van enquêtering minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing heeft gemaakt. Daarbij tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig niet mee.

F.2 Deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar leeftijd en geslacht, 20201)
MannenVrouwenTotaal
Totaal3,64,23,9
6 tot 12 jaar...
12 tot 18 jaar6,26,46,3
18 tot 25 jaar9,314,511,9
25 tot 35 jaar5,86,16,0
35 tot 50 jaar3,23,23,2
50 tot 65 jaar2,42,52,5
65 tot 75 jaar.2,21,6
75 jaar of ouder..1,1
1) Het aandeel personen dat op een dag minimaal één reguliere rit of serieverplaatsing met trein, bus, tram of metro heeft gemaakt.

F.3 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar woonprovincie en ritvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal79,425,89,62,915,56,612,1152,0
Groningen2,80,9..0,60,20,45,5
Fryslân4,01,0..0,60,20,76,8
Drenthe2,51,0..0,50,2.4,9
Overijssel5,61,60,7.1,20,40,910,5
Flevoland2,50,8.0,10,30,1.4,4
Gelderland10,83,31,30,22,00,81,720,1
Utrecht6,42,11,10,21,30,51,012,6
Noord-Holland10,53,92,00,72,71,11,722,6
Zuid-Holland15,15,21,60,93,11,42,129,3
Zeeland1,80,7..0,40,1.3,8
Noord-Brabant12,23,71,10,32,31,01,622,2
Limburg5,21,60,6.0,70,50,79,4
1) De totale vervoersprestatie bevat alle reizigerskilometers van reguliere verplaatsingen (inclusief vakantieverplaatsingen) en serieverplaatsingen. Niet inbegrepen is (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig.

F.4 Gemiddelde afgelegde afstand per persoon van 6 jaar of ouder per dag in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal13,14,41,60,52,61,11,624,9
Van en naar het werk4,40,20,50,10,40,00,56,2
Zakelijk en beroepsmatig1,20,10,1.0,00,00,51,9
Diensten en verzorging0,40,2.0,00,00,00,00,6
Winkelen en boodschappen doen1,40,50,10,00,30,10,12,5
Onderwijs of cursus volgen0,20,10,20,10,30,00,01,0
Visite en logeren2,01,30,40,10,20,00,14,1
Uitgaan, sport en hobby1,61,30,20,00,50,20,24,0
Toeren en wandelen0,40,2..0,70,60,12,1
Ander motief1,60,50,10,00,10,00,12,6
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

F.5 Gemiddeld aantal verplaatsingen per 1 000 personen van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal 805 240 33 35 626 523 902 352
Van en naar het werk 192 11 13 10 99 17 27 370
Zakelijk en beroepsmatig 39 2 1. 9 4 16 72
Diensten en verzorging 30 12. 1 18 9 2 72
Winkelen en boodschappen doen 203 55 2 6 155 122 10 552
Onderwijs of cursus volgen 8 17 6 8 75 20 4 138
Visite en logeren 86 48 5 3 56 34 6 238
Uitgaan, sport en hobby 93 61 4 4 110 75 11 357
Toeren en wandelen 17 9.. 41 198 4 269
Ander motief 140 25 2 2 64 44 8 285
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

F.6 Gemiddelde reisduur per persoon van 6 jaar of ouder per dag naar motief en hoofdvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal18,636,662,531,5014,7415,062,8461,96
Van en naar het werk5,340,300,850,441,850,210,679,66
Zakelijk en beroepsmatig1,300,070,11.0,180,050,582,33
Diensten en verzorging0,580,25.0,050,250,110,041,31
Winkelen en boodschappen doen2,680,940,110,181,781,330,157,18
Onderwijs of cursus volgen0,260,270,400,351,290,200,112,89
Visite en logeren2,431,510,530,161,000,330,186,13
Uitgaan, sport en hobby2,351,780,290,193,173,080,4911,35
Toeren en wandelen1,190,87..4,439,290,3916,24
Ander motief2,500,660,160,090,800,450,224,88
1) Het betreft enkel reguliere verplaatsingen, dus inclusief vakantieverplaatsingen en exclusief serieverplaatsingen.

F.7 Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing in reizigerskilometers naar motief en ritvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal16,3318,2148,5113,624,162,1517,3310,58
Van en naar het werk22,8118,5938,4014,294,431,7916,9716,66
Zakelijk en beroepsmatig30,2830,6464,89.3,641,2229,6625,76
Diensten en verzorging12,2112,90.8,472,711,099,328,55
Winkelen en boodschappen doen6,759,4449,156,842,010,845,534,49
Onderwijs of cursus volgen26,277,4836,5018,013,521,0310,957,44
Visite en logeren23,9126,2871,3922,873,390,9416,3417,10
Uitgaan, sport en hobby17,0720,9256,0510,544,653,2615,1511,23
Toeren en wandelen23,8327,41..16,373,2522,857,69
Ander motief11,7220,6066,3510,002,230,7915,309,13
1) Het betreft het gemiddelde aantal kilometers dat per reguliere verplaatsing wordt afgelegd door personen van 6 jaar of ouder. De afstand naar vervoerwijze is op basis van de ritvervoerwijze zodat alle gebruikte vervoermiddelen meetellen. Het aantal verplaatsingen is echter naar de hoofdvervoerwijze van een verplaatsing.

F.8 Gemiddelde reisduur per verplaatsing in minuten naar motief en hoofdvervoerwijze, 20201)
Personenauto als bestuurderPersonenauto als passagierTreinBus/tram/metroFietsLopenOverigTotaal
Totaal23,1427,7576,5842,5723,5428,8031,7226,34
Van en naar het werk27,8326,8265,6643,9918,6512,2124,5926,13
Zakelijk en beroepsmatig33,6435,9582,45.19,6914,7135,8932,36
Diensten en verzorging19,5021,34.37,7214,0512,9721,1418,24
Winkelen en boodschappen doen13,2117,0766,9829,9911,5310,9414,6013,00
Onderwijs of cursus volgen32,8116,4267,9645,7517,1210,1925,5721,02
Visite en logeren28,4331,28101,9950,5017,889,6930,4925,78
Uitgaan, sport en hobby25,3829,3882,6248,5128,7440,9245,3131,80
Toeren en wandelen72,0196,52..