Sterfte in Nederland in 2024

Over deze publicatie

Dit artikel beschrijft de belangrijkste doodsoorzaken van inwoners van Nederland in 2024. Daarbij zijn de overledenen ingedeeld in 5 groepen van elk 20 leeftijdsjaren.

1. Inleiding

Binnen het meerjarenplan Demografische Ontwikkeling onderzoekt het CBS de mogelijkheden om zorgpaden te identificeren die mensen doorlopen aan het eind van hun leven. In aanloop naar dat onderzoek is gekeken naar kenmerken van overledenen die daarin een rol kunnen spelen. Dit artikel doet daarvan verslag.

In 2024 overleden 172 165 inwoners van Nederland.1) Ruim de helft van hen, 55 procent, was de leeftijd van 80 jaar gepasseerd. De doodsoorzaken van deze groep ouderen domineren dan ook in de statistieken waardoor soms minder oog is voor de andere leeftijdsgroepen. Dat is een gemis, want los van het persoonlijk leed heeft een kind dat overlijdt in het verkeer of de zelfdoding van een jongere vaak een andere maatschappelijke impact dan het overlijden van een 80-plusser met hartfalen, ook al komt dat laatste veel vaker voor. Per leeftijdsgroep willen we daarom inzicht gegeven in de aantallen overledenen en de belangrijkste oorzaken van hun overlijden. Daarnaast wordt gekeken naar de plaats van overlijden, de huishoudsamenstelling en de financiële welvaart van de overledenen.

2. Methode

Voor het bepalen van de levensfase zijn alle overledenen ingedeeld in leeftijdsgroepen van elk 20 jaar. De indeling in vijf groepen van 20 jaar is weliswaar tamelijk willekeurig, maar elk van deze levensfasen kenmerkt zich door verschillen in aantal overledenen en de belangrijkste oorzaak van hun overlijden. De leeftijd wordt bepaald op het moment van overlijden, zoals dat in de doodsoorzakenstatistieken van het CBS gebruikelijk is. Baby’s vormen een uitzondering op deze leeftijdsindeling omdat overlijdens in het eerste levensjaar vaak andere doodsoorzaken hebben dan overlijdens op latere leeftijd.

Bij elk overlijden wordt door een arts een doodsoorzakenformulier ingevuld. De vermelde doodsoorzaken worden bij het CBS vertaald in coderingen volgens de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10). Deze codes worden vervolgens ten behoeve van de publicatie ingedikt tot achttien categorieën van belangrijkste doodsoorzaken. Sommige van deze categorieën kennen een nadere specificering op het tweede, derde of vierde niveau, bijvoorbeeld: Niet natuurlijke doodsoorzaken – Ongevallen – Vervoersongevallen – Wegverkeersongevallen.

Het is niet altijd mogelijk om de exacte doodsoorzaak vast te stellen. Deze gevallen worden gecodeerd als Symptomen, afwijkende klinische bevindingen en laboratoriumuitslagen, niet elders geclassificeerd; ICD-10-codes: R00-R99. Daarnaast waren er in 2024 7 972 overlijdens waarvan geen doodsoorzakenformulier beschikbaar is. In totaal waren er 13 489 overlijdens in 2024 die volgens een van beide redenen een onbekende doodsoorzaak hebben. Dat is 7,8 procent van alle sterfgevallen.

Naast het absolute aantal overlijdens wordt per leeftijdsgroep ook het gestandaardiseerde aantal weergegeven per 100 duizend inwoners. Het gestandaardiseerde aantal is gebaseerd op het aantal inwoners op 1 januari 2024 van dezelfde leeftijd.

3. Resultaten

Sterven in de verschillende levensfasen

Baby’s

In 2024 overleden 547 kinderen tussen hun geboorte en hun eerste verjaardag. Dat is nog los van de 461 doodgeboren kinderen na een zwangerschapsduur van 24 weken of langer2). Twee derde van de overlijdens van baby’s zijn het gevolg van aandoeningen van de perinatale periode en 17 procent betreft aangeboren afwijkingen.

3.1 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 0-jarigen, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Aandoeningen van de perinatale periode36166,0219,5
Aangeboren afwijkingen9317,056,5
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen193,511,6
Niet-natuurlijke doodsoorzaken152,79,1
Infectieuze en parasitaire ziekten81,54,9
Andere oorzaken203,712,2
Onbekend315,718,8
Totaal547332,6
*Voorlopige cijfers

Kinderen en jongeren, 1 tot 20 jaar

Bij 35 procent van de 1 tot 20-jarigen die in 2024 overleden was sprake van een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Deze categorie is nader te specificeren in 91 ongevallen en 62 zelfdodingen. De ongevallen betreft 61 vervoersongevallen waarvan 54 wegverkeersongevallen. In 2024 overleden 72 jongeren aan nieuwvormingen.

3.2 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 1 tot 20-jarigen, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Niet-natuurlijke doodsoorzaken16635,14,7
Nieuwvormingen7215,22
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen367,61
Aangeboren afwijkingen347,21
Endocriene, voedings-, stofwisselingsziekten265,50,7
Andere oorzaken8718,42,4
Onbekend52111,5
Totaal47313,3
*Voorlopige cijfers

Jongvolwassenen, 20 tot 40 jaar

Ruim 43 procent van de jongvolwassenen tussen de 20 en 40 jaar die in 2024 overleden had een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Van de 899 gevallen was 501 keer sprake van zelfdoding, 330 keer betrof het een ongeval en 43 jongvolwassenen waren het slachtoffer van moord en doodslag.

3.3 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 20 tot 40-jarigen, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Niet-natuurlijke doodsoorzaken89943,219,1
Nieuwvormingen37117,87,9
Ziekten van hart en vaatstelsel1326,32,8
Psychische stoornissen1165,62,5
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen994,82,1
Andere oorzaken23911,55,1
Onbekend22310,74,7
Totaal2.07944,3
*Voorlopige cijfers

Het aantal overlijdens als gevolg van nieuwvormingen is bij deze leeftijdsgroep, met bijna 18 procent van de gevallen, de op een na meest voorkomende doodsoorzaak. De meest voorkomende nieuwvormingen daarbij zijn die van de borst, 58 gevallen, en 54 keer van het lymfatisch en bloedvormend weefsel.

Middelbare leeftijd, 40 tot 60 jaar

Nieuwvormingen zijn, met bijna 41 procent van de gevallen, verreweg de belangrijkste doodsoorzaak van overlijdens in 2024 in de leeftijdsklasse van 40 tot 60 jaar. Nader gespecificeerd gaat het dan voornamelijk om nieuwvormingen van luchtpijp (-vertakkingen) en long (912 gevallen), borst (537), darm (346) en alvleesklier (322).

Ruim 14 procent van de overledenen van middelbare leeftijd overleed aan hart- en vaatziekten. Daarvan zijn 389 gevallen aangemerkt als acuut hartinfarct. De niet-natuurlijke doodsoorzaken zijn bij deze leeftijdsgroep, in tegenstelling tot de jongere groepen, pas de derde belangrijkste doodsoorzaak. Van de 1 185 overlijdens met een niet-natuurlijke oorzaak betrof het onder andere 676 keer een zelfdoding, 436 keer een ongeval en 31 waren slachtoffers van moord of doodslag. Binnen de ongevallen werd de accidentele vergiftiging met 145 gevallen het meest gemeld.

3.4 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 40 tot 60-jarigen, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Nieuwvormingen4.48940,896,9
Ziekten van hart en vaatstelsel1.58514,434,2
Niet-natuurlijke doodsoorzaken1.18510,825,6
Ziekten van de ademhalingsorganen5144,711,1
Ziekten van de spijsverteringsorganen4484,19,7
Psychische stoornissen4113,78,9
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen4113,78,9
Andere oorzaken7396,715,9
Onbekend1.23311,226,6
Totaal11.015237,7
*Voorlopige cijfers

Het aantal overlijdens als gevolg van nieuwvormingen neemt toe met de leeftijd. Er waren 336 overlijdens van 40 tot 45-jarigen in deze groep en 2 287 van 55-60 jaar, bijna 7 keer zoveel. Terwijl er 1,2 keer meer inwoners van 55 tot 60 waren dan 40 tot 45-jarigen.

3.5 Belangrijkste doodsoorzaken bij 40 tot 60-jarigen, 2024*
LeeftijdNieuwvormingen (aantal)Ziekten van hart en vaatstelsel (aantal)Niet-natuurlijke doodsoorzaken (aantal)Ziekten van de ademhalingsorganen (aantal)
40-4533613323419
45-5056120225961
50-551305458326147
55-602287792366287
* voorlopige cijfers

Het aantal overlijdens als gevolg van hart- en vaatziekten neemt ook toe naarmate de leeftijd vordert, maar in veel minder sterke mate. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen bij de andere leeftijdsgroepen.

Senioren, 60 tot 80 jaar

Net als bij de overledenen van middelbare leeftijd overleed 40 procent van de groep tussen 60 en 80 jaar als gevolg van nieuwvormingen. Het grote verschil is dat het aantal overledenen met 25 duizend bijna 6 keer zo hoog is. Relatief gezien is het verschil in aantal per 100 000 inwoners in deze leeftijdsgroep zelfs meer dan 6 keer zo hoog. De meest voorkomende overlijdens als gevolg van de nieuwvormingen zijn van luchtpijp (-vertakkingen) en long (6 324 gevallen), gevolgd door alvleesklier (1 936) en het lymfatisch en bloedvormend weefsel (1 847).

3.6 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 60 tot 80-jarigen, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Nieuwvormingen25.09439,7630,7
Ziekten van hart en vaatstelsel11.97618,9301
Ziekten van de ademhalingsorganen6.0199,5151,3
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen3.5015,588
Psychische stoornissen2.6084,165,6
Niet-natuurlijke doodsoorzaken2.4363,961,2
Andere oorzaken6.95011174,7
Onbekend4.6577,4117,1
Totaal63.2411.589,60
*Voorlopige cijfers

Ondanks dat de top 5 van belangrijkste doodsoorzaken bestaat uit medische aandoeningen, overleden 2 436 mensen in deze leeftijdscategorie aan een niet-natuurlijke oorzaak. Dat zijn er meer dan alle overledenen met een niet-natuurlijke dood in alle voorgaande leeftijdsgroepen bij elkaar. In 2024 overleden 1 881 mensen tussen de 60 en 80 jaar aan een ongeval waarvan 1 331 aan een accidentele val en 189 in het wegverkeer. 491 mensen overleden door zelfdoding.

Ouderen, 80 jaar en ouder

In de oudste groep overledenen zijn ziekten van hart en vaatstelsel de meest voorkomende doodsoorzaak gevolgd door nieuwvormingen. In deze leeftijdsgroep overlijden ook relatief veel mensen aan psychische stoornissen waartoe ook dementie behoort.

3.7 Meest voorkomende doodsoorzaken bij 80-jarigen en ouder, 2024*
Aantal%Aantal per 100.000
Ziekten van hart en vaatstelsel24.38025,72.706,80
Nieuwvormingen17.44218,41.936,50
Psychische stoornissen11.61112,21.289,10
Ziekten van de ademhalingsorganen8.6259,1957,6
Niet-natuurlijke doodsoorzaken7.0157,4778,9
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen5.7176634,7
Andere oorzaken18.44419,52.047,80
Onbekend7.2937,7809,7
Totaal94.81010.526,50
*Voorlopige cijfers

De niet-natuurlijke doodsoorzaken vallen met 7 015 gevallen net binnen de top 5. Dit betreft voornamelijk ongevallen (6 857) waarvan 5 875 mensen overleden na een accidentele val.

1 op 3 mensen sterft thuis

Ruim 55 duizend mensen overleden thuis, dat is 32 procent van alle overlijdens in 2024. Bijna 49 duizend mensen overleden in een verpleeghuis (28 procent) en 35 duizend in een ziekenhuis (20 procent).

3.8 Plaats van overlijden, 2024*
 Ziekenhuis (%)Verpleeghuis (%)Overige instellingen (%)Thuis (%)Elders (%)Onbekend (%)
Totaal34828485701941255303313610916
0-jarigen38400372124
1 tot 20 jaar1984121377943
20 tot 40 jaar5012681884401186
40 tot 60 jaar288748582751196551042
60 tot 80 jaar166301022357802480712064595
80 jaar en ouder142283783212712243197934926
* voorlopige cijfers

Van de overleden baby’s stierf 70 procent in een ziekenhuis en 7 procent thuis. Opvallend is dat in 23 procent van de gevallen de plaats van overlijden bij hen ontbreekt. Ook de overlijdens van kinderen en jongeren vonden vaak plaats in een ziekenhuis, namelijk 42 procent.
Het relatief hoge aantal overlijdens elders van de 1 tot 20-jarigen en de 20 tot 40-jarigen hangt samen met het aantal overlijdens met een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Ongeveer 40 procent van deze overlijdens vindt elders plaats dan thuis, in een ziekenhuis of in een andere instelling.
Naarmate de leeftijd van de overledene vordert vindt een groter deel van de overlijdens plaats in een verpleeghuis. Het overgrote deel van alle mensen die overlijden als gevolg van psychische stoornissen, vaak ouderen met dementie, overlijdt in het verpleeghuis.

1 op 3 mensen overlijdt als alleenstaande

Met uitzondering van baby’s en jongeren overlijdt binnen elke leeftijdsgroep ongeveer een derde van de inwoners van Nederland als alleenstaande. In de categorie 40 tot 60 jaar en 60 tot 80 jaar was de overledene in de helft van de gevallen een partner in een paar, dat wil zeggen gehuwd of in een geregistreerd partnerschap al dan niet met kinderen. Bij de 80-plussers was het merendeel, 39 procent, lid van een institutioneel huishouden. Dit komt overeen met het aantal mensen dat in een verpleeghuis overleed.

3.9 Plaats in huishouden bij overlijden, 2024*
 Thuiswonend kind (%)Alleenstaande (%)Partner in paar (%)Ouder in eenouderhuishouden (%)Lid van institutioneel huishouden (%)Overig lid van een huishouden (%)
Totaal154954764602053756475564150
0-jarigen348000311
1 tot 20 jaar4261630217
20 tot 40 jaar4327775865819234
40 tot 60 jaar28237235296683879152
60 tot 80 jaar612019631594122390771090
80 jaar en ouder030052227261792373842856
* voorlopige cijfers

13 procent sterft welvarend

In onderstaande figuur is het aantal overledenen weergegeven naar de kwintielgroep van het financieel welvaren van hun huishouden. De financiële welvaart van een huishouden is gebaseerd op zowel het gestandaardiseerd inkomen als het vermogen. Op grond van de optelling van inkomen en vermogen zijn (min of meer) alle particuliere huishoudens van Nederland gerangschikt van laag naar hoog en in 5 groepen van gelijke omvang verdeeld. De eerste groep bevat dan de 20 procent huishoudens met de laagste financiële welvaart, de vijfde groep bevat de 20 procent huishoudens met de hoogste financiële welvaart. De kwintielgroep is vastgesteld voor het jaar 2023 dus het jaar voorafgaand aan het overlijden. Vandaar dat de baby’s in het overzicht ontbreken. Ook voor institutionele huishoudens is de financiële welvaart niet bekend. Dat betreft ruim 50 duizend overledenen in 2024. In die gevallen is het welvaartspercentiel overgenomen van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden. Hierna bleef van 16 duizend overledenen het welvaartspercentiel onbekend (9,4 procent). Deze onbekenden zijn bij de analyse uitgesloten.

3.10 Welvaartskwartiel bij overlijden, 2024
 1 laagste (%)2 (%)3 (%)4 (%)5 hoogste (%)
Totaal4901743584304552524822458
1 tot 20 jaar10281837387
20 tot 40 jaar752361329297229
40 tot 60 jaar35541834182818211795
60 tot 80 jaar17191151221174798519038
80 jaar en ouder2741826186164681320611309
* voorlopige cijfers

Ruim 22 duizend mensen die in 2024 overleden behoorden tot de 20-procent meest welvarende huishoudens. Dat is 13 procent van alle overledenen. Bijna 29 procent van de overledenen behoorde tot het kwintiel met de laagste financiële welvaart.

Tenslotte is bekeken of mensen met een hogere financiële welvaart aan andere oorzaken overlijden dan mensen met een lagere welvaart. Mensen in het hoogste welvaartskwintiel overlijden veel vaker aan nieuwvormingen (33,8 procent) dan mensen in het laagste kwintiel (22,2 procent). Daartegen stierven verhoudingsgewijs meer mensen met een lage welvaart aan ziekten van de ademhalingsorganen dan mensen met een hoge welvaart.

3.11 Belangrijkste doodsoorzaken naar financiële welvaart, 2024*
1e laagste2e3e4e5e hoogste
Nieuwvormingen22,225,930,832,133,8
Ziekten van hart en vaatstelsel22,323,922,521,219,6
Ziekten van de ademhalingsorganen10,89,78,47,15,9
Psychische stoornissen10,18,47,488,2
Niet-natuurlijke doodsoorzaken6,96,76,56,96,8
Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen5,24,75,76,67,7
Ziekten van de spijsverteringsorganen3,73,52,92,62,4
Infectieuze en parasitaire ziekten2,62,52,52,22
Ziekten urinewegen en geslachtsorganen2,52,62,321,8
Endocriene, voedings-, stofwisselingsziekten2,72,31,81,71,6
Andere oorzaken2,72,42,222
Onbekend8,47,57,17,68,2
*Voorlopige cijfers

4. Conclusies en vervolg

Uit de doodsoorzakenstatistiek van het CBS blijkt dat elke levensfase zijn eigen set aan belangrijkste doodsoorzaken kent. Baby’s overlijden vooral aan complicaties rond de geboorte, kinderen, jongeren en jongvolwassenen sterven vaker als gevolg van ongevallen en zelfdoding. Vanaf 40 jaar neemt de sterfte door kanker toe en bij de 80-plussers zijn hart- en vaatziekten de belangrijkste reden van overlijden.

Een punt van aandacht is het aantal sterfgevallen waarvan de doodsoorzaak door de arts niet eenduidig kon worden vastgesteld of waarvan het doodsoorzaakformulier ontbreekt. In 2024 is van 7 972 (4,6 procent) overledenen de doodsoorzaak hierdoor onbekend. Dit vertekent mogelijk de uitkomsten. In oudere jaren was dit probleem kleiner. Daardoor compliceert het bovendien de vergelijkbaarheid door de tijd.

Het gegeven dat mensen bij hun overlijden alleenstaand zijn of beschikken over een bepaald welvaartsniveau zegt op zich weinig over de situatie waarin zij zich in de periode voorafgaand aan hun overlijden bevonden. Eerder CBS-onderzoek3) heeft bijvoorbeeld aangetoond dat er aanzienlijke gezondheidsverschillen en verschillen in levensverwachting zijn tussen mensen met een hogere en lagere welvaart.
Met het voorgenomen onderzoek naar zorgpaden kan meer inzicht worden gegeven in hoeverre veranderingen in het huishouden en welvaart samenhangen met zorgbehoefte, zorggebruik en uiteindelijk sterfte.

Meer informatie op de website van het CBS

Onderzoeksbeschrijving Doodsoorzakenstatistiek
https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/onderzoeksomschrijvingen/korte-onderzoeksbeschrijvingen/doodsoorzakenstatistiek

Tabellen Doodsoorzaken
https://opendata.cbs.nl/CBS/nl/navigatieScherm/thema?themaNr=36380

Dashboard Bevolking
https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/bevolkingsgroei/overlijden

Artikelen
Laatste levensjaren 80-plussers, juli 2020
https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2020/laatste-levensjaren-tachtigplussers?onepage=true

Trends in sterfte en doodsoorzaken, 2014-2024
https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2025/trends-in-sterfte-en-doodsoorzaken-2014-2024/1-inleidin