Minimum European Health Module (MEHM) in de gezondheidsenquête en EU-SILC
Over deze publicatie
De Minimum European Health Module (MEHM) is een korte vragenlijst module die ontwikkeld is voor het gebruik in persoonsenquêtes over sociale onderwerpen. De module meet drie verschillende aspecten van gezondheid: ervaren gezondheid, chronische morbiditeit en beperkingen. De MEHM is zowel in EU-SILC als in de jaarlijkse gezondheidsenquête opgenomen in de periode 2014 tot en met 2024. In dit onderzoek worden de resultaten van de drie variabelen uit de MEHM vergeleken tussen beide onderzoeken. Ook zal worden onderzocht waarom uitkomsten tussen beide onderzoeken mogelijk afwijken. De trends in MEHM tussen 2014 tot en met 2024 zullen worden vergeleken tussen beide onderzoeken en voor 2024 zullen ook de verschillen naar achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en gestandaard huishoudinkomen) worden beschreven.
Erratum
De cijfers over het percentage mensen met een GALI beperking ('GALI beperking', ‘GALI beperking, ernstig’ en ‘GALI beperking, niet ernstig’) in de gezondheidsenquête waren onjuist. Ten onrechte waren ook mensen meegeteld, waarbij de beperking niet langdurig was. Deze fout zat in de cijfers vanaf 2019. Dit is inmiddels gecorrigeerd.
De tabellen 3.1.2, 3.2.2 en 3.3.1 t/m 3.3.4; de begeidende teksten en grafiek 3.1.2.2 zijn aangepast. Ook de eerste alinea van hoofstuk 4 is aangepast.
1. Inleiding
De Minimum European Health Module (MEHM) is een korte vragenlijst module die ontwikkeld is voor het gebruik in persoonsenquêtes over sociale onderwerpen. De module meet drie verschillende aspecten van gezondheid: ervaren gezondheid, chronische morbiditeit en beperkingen. In het geval van ervaren gezondheid wordt de vraag gesteld ‘Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?’ Bij chronische morbiditeit gaat het over het hebben van een langdurige ziekte of aandoening, en bij beperkingen over het ondervinden van langdurige beperkingen door gezondheidsproblemen bij activiteiten die mensen gewoonlijk doen. Hierbij wordt onder langdurig zes maanden of meer verstaan. In deze publicatie worden de uitkomsten van deze Minimum European Health Module vergeleken tussen twee onderzoeken die door het CBS worden uitgevoerd onder de bevolking van Nederland. Het gaat om de jaarlijkse Gezondheidsenquête en de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC).
De jaarlijkse Gezondheidsenquête (GEZO) van het CBS heeft als doel een zo volledig mogelijk overzicht te geven van (ontwikkelingen in) gezondheid, medische contacten en leefstijl van de bevolking van 0 jaar of ouder in Nederland. De Gezondheidsenquête levert jaarlijks cijfers voor de Staat van Volksgezondheid en Zorg, ter ondersteuning van beleid. Iedere zes jaar wordt in het kader van een EU-verordening de Europese Gezondheidsenquête (EHIS, European Health Interview Survey) gehouden onder personen van 15 jaar of ouder in de lidstaten. Om een zo goed mogelijke vergelijkbaarheid tussen de lidstaten te realiseren zijn de vragen in de enquête geharmoniseerd. Het doel van dit onderzoek is statistische gegevens te verzamelen die bijdragen aan het Europese gezondheidsbeleid. Hierbij gaat het om sociale insluiting en bescherming, ongelijkheid op gezondheidsgebied, een gezonde levensstijl en gezond ouder worden. Voor de Europese statistieken wordt de EHIS gebruikt om prevalentiecijfers te maken over gezondheid, zorggebruik en leefstijl, maar ook om verbanden tussen deze indicatoren te onderzoeken. In Nederland wordt de EHIS iedere zes jaar geïntegreerd in de Gezondheidsenquête van het CBS.
EU-SILC is een jaarlijks onderzoek onder personen van 16 jaar of ouder dat eveneens op basis van een verordening wordt uitgevoerd in de lidstaten van de Europese Unie. Het doel van EU-SILC is om veranderingen in de sociaaleconomische situatie van huishoudens te volgen en om internationaal vergelijkbare gegevens over inkomens en de omvang en structuur van armoede en sociale uitsluiting te genereren. Onderwerpen die in het onderzoek aan bod komen, betreffen onder andere de woonsituatie, kinderopvang, bezit, ‘rond’ kunnen komen, inkomensbestanddelen, gezondheid en arbeid. Het onderzoek vormt de referentiebron voor vergelijkende statistieken in alle EU-lidstaten op dit gebied. Daarnaast wordt in EU-SILC iedere 3 jaar een module over gezondheid opgenomen. Deze module bevat ook vragen over leefstijl en zorggebruik. Deze vragen worden gebruikt om trends in gezondheid te monitoren. In Nederland wordt EU-SILC vooral gebruikt om cijfers over subjectieve armoede te publiceren.
Door verschillen in het onderzoeksdesign en de context van de enquêtevragen kunnen de uitkomsten voor de MEHM in deze twee onderzoeken van elkaar verschillen. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het onderzoeksdesign van de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 eerst de uitkomsten van de MEHM voor de totale bevolking van 16 jaar of ouder vergeleken voor de jaren 2014 tot en met 2024. Voor deze leeftijdsgrens is gekozen, omdat de onderzoekspopulatie van de MEHM in EU-SILC wordt gevormd door personen van 16 jaar of ouder . Aansluitend wordt dieper ingegaan op de uitkomsten van 2024. Hierbij wordt eerst naar de achtergrondkenmerken in de steekproeven gekeken en daarna naar de uitsplitsing van de MEHM naar achtergrondkenmerken. De publicatie sluit af met conclusies in hoofdstuk 4.
2. Methoden
Dit hoofdstuk gaat in op de vragen van de MEHM en vervolgens komt het onderzoeksdesign van de Gezondheidsenquête en EU-SILC aan de orde.
2.1 De MEHM
De MEHM bestaat uit drie vragen. Eerst wordt gevraagd ‘Hoe is in het algemeen uw gezondheid?’. De respondent krijgt hierbij de volgende antwoordopties aangeboden: ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘gaat wel’, ‘slecht’ en ‘zeer slecht’.
In de Gezondheidsenquête worden hier voor de meeste publicaties twee groepen van gemaakt: een (zeer) goede ervaren gezondheid en een minder dan goede ervaren gezondheid. Hierbij bestaat de eerste groep uit mensen die ‘zeer goed’ of ‘goed’ antwoorden op de vraag en de tweede groep uit de mensen die ‘gaat wel’, ‘slecht’ of ‘zeer slecht’ antwoorden. In dit artikel zal vooral de focus liggen op het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid, omdat dit ook de meest gebruikte publicatievariabele van de Gezondheidsenquête is en deze indeling ook gebruikt wordt voor de berekening van de gezonde levensverwachting.
Voor het meten van langdurige ziekten of aandoeningen is de vraag gesteld ‘Heeft u één of meer langdurige ziekten of aandoeningen?‘. Langdurig is (naar verwachting) een half jaar of langer. De respondenten konden deze vraag beantwoorden met ‘ja’ of ‘nee’. In deze publicatie zal het percentage mensen dat ‘ja’ antwoordt op deze vraag worden gepresenteerd.
Om te bepalen of iemand een langdurige beperking heeft worden de volgende vragen gesteld ‘In welke mate bent u door problemen met uw gezondheid beperkt in activiteiten die mensen gewoonlijk doen?’. De antwoordopties hierbij zijn ‘Ernstig beperkt’, ‘Wel beperkt maar niet ernstig’ en ‘helemaal niet beperkt’. Vervolgens wordt de vraag gesteld ‘Duurt deze beperking al een half jaar of langer?’ Hierbij kon de respondent met ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. Voor deze publicatie zijn mensen die ‘Ernstig beperkt’ of ‘Wel beperkt maar niet ernstig’ antwoorden op de eerste vraag en ‘ja’ op de tweede vraag samengevoegd en gedefinieerd als mensen met een langdurige beperking. Deze internationaal gebruikte en afgestemde indicator voor gezondheidsbeperking wordt de GALI-indicator genoemd. GALI staat voor Global Activity Limitation Indicator.
2.2 Gezondheidsenquête
De Gezondheidsenquête is een onderzoek gebaseerd op een steekproef van personen, getrokken uit de Basisregistratie Personen (BRP). De steekproef is verspreid over alle maanden van het jaar. Elk jaar wordt gestreefd naar een netto steekproef van minimaal 9 500 personen van 0 jaar of ouder in particuliere huishoudens. In de jaren (2014, 2019, 2025) dat de EHIS wordt geïntegreerd in de Gezondheidsenquête is het doel dat 7500 mensen van 15 jaar of ouder deelnemen. Voor de EHIS heeft de doelpopulatie namelijk betrekking op personen van 15 jaar of ouder.
De Gezondheidsenquête is vanaf 2014 in het "mixed-mode" CAWI-CAPI-design uitgevoerd. Dit wil zeggen dat steekproefpersonen eerst worden benaderd om via internet deel te nemen (CAWI – Computer Assisted Web Interviewing). Non-respondenten zijn opnieuw benaderd voor een ‘face-to-face’ interview (CAPI – Computer Assisted Personal Interviewing). Vanaf 2018 is hierbij een doelgroepenstrategie gehanteerd. Dat wil zeggen dat niet alle CAWI non-respondenten worden benaderd voor een CAPI-interview. Als een doelgroep relatief goed heeft gerespondeerd in CAWI, is uit die doelgroep een kleiner deel opnieuw benaderd voor CAPI. Hierdoor is de uiteindelijke totale respons een betere afspiegeling van de gehele bevolking. De doelgroepen zijn bepaald op basis van achtergrondkenmerken waarover informatie beschikbaar was bij de steekproeftrekking en die samenhangen met responskans: leeftijd, inkomen en migratieachtergrond. Sinds 2018 wordt gewerkt met zogeheten ‘incentives’. Dat wil zeggen dat respondenten kans maken op een prijs. Dat staat in de uitnodigingsbrief beschreven. Het doel hiervan is het verhogen van de respons.
Het responspercentage lag in de jaren 2014 tot en met 2017 rond de 60 tot 65 procent. De bruto steekproef (het aantal benaderde personen) was in die jaren dus ongeveer 15 duizend. Door het invoeren van de doelgroepenbenadering in 2018 en daarmee het selectief minder opnieuw benaderen van sommige steekproefpersonen, is het responspercentage verlaagd. Het doel was immers niet het behalen van een zo hoog mogelijk responspercentage, maar om de responspercentages per doelgroep zoveel mogelijk gelijk te krijgen. De bruto-steekproef voor 2024 had een omvang van 20.040 personen. Het responspercentage was 48.4 procent. Er hebben in totaal 8077 personen van 16 of ouder deelgenomen.
Voor verschillen tussen de samenstelling van de netto steekproef en de totale bevolking wordt een correctie toegepast door middel van een wegingsfactor. Deze factor is gebaseerd op de kenmerken geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, burgerlijke staat, stedelijkheid, provincie, landsdeel, huishoudgrootte, inkomen, vermogen, seizoen en met ingang van 2018, doelgroep. Voor meer details zie de nota weging Gezondheidsenquête 2014.
In het statistiekjaren 2020 en 2021 werd de waarneming voor de Gezondheidsenquête verstoord door de coronacrisis. In een deel van het jaar was het niet mogelijk om aan huis interviews af te nemen en werd dus alleen via internet gerespondeerd. Hierdoor werd het weegmodel van de Gezondheidsenquête aangepast voor het jaar 2020. Daarbij is gebruik gemaakt van tijdreeksmodellen om te kunnen corrigeren voor het wegvallen van een deel van de waarneming. Meer informatie hierover is te raadplegen in de nota Toelichting berekening kwartaal- en jaarcijfers Gezondheidsenquête 2020.
2.3 EU-SILC
De doelpopulatie van EU-SILC bestaat uit de in Nederland woonachtige particuliere huishoudens en de personen die hiervan deel uitmaken. Voor het verzamelen van enquêtegegevens van huishoudens worden alleen personen van 16 jaar of ouder benaderd.
EU-SILC is een roterend panelonderzoek. Elk jaar start een nieuw cohort dat vervolgens een aantal opeenvolgende jaren wordt gevolgd (de zogenaamde peilingen). Tot 2020 waren er drie vervolgpeilingen, vanaf 2021 zijn dat er vijf. De groep steekproefpersonen die het panel verlaat, wordt jaarlijks vervangen door een nieuwe steekproef, die representatief is voor de Nederlandse bevolking. Hierdoor zitten er bijvoorbeeld in 2024 respondenten die in 2024 zijn getrokken in de steekproef en voor het eerst meedoen (peiling 1) en respondenten die al voor de tweede (in 2023 getrokken in de steekproef, peiling 2), derde (in 2022 getrokken in de steekproef), vierde, vijfde of zesde (in 2019 getrokken in de steekproef, peiling 6) keer meedoen.
Voor de eerste peiling wordt steeds een personensteekproef getrokken uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het betreft gestratificeerde tweetrapssteekproeven. Hierbij worden in de eerste trap per COROP-gebied systematisch gemeenten geselecteerd met kansen evenredig aan hun inwoneraantallen. De tweede trap is een aselecte steekproef van personen van 16 jaar of ouder in de geselecteerde gemeenten met omvang per gemeente zoals bepaald in de eerste trap. Er wordt via oversampling gecorrigeerd voor lagere respons in de lage inkomensgroepen. Om te voorkomen dat grote huishoudens een relatief grote trekkingskans hebben, wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen huishoudens met één persoon en huishoudens met minstens twee personen van 16 jaar en ouder. Ook 16-jarigen worden oververtegenwoordigd zodat het verwachte aandeel 16-jarigen over alle peilingen enigszins vergelijkbaar is met andere leeftijdsgroepen.
De vragen over gezondheid (MEHM) worden alleen aan de steekproefpersonen gesteld en niet aan de overige huishoudleden. In de analyses zijn daarom alleen de steekproefpersonen meegenomen.
Vanaf 2016 wordt EU-SILC in een "mixed-mode" design uitgevoerd. Steekproefpersonen worden eerst schriftelijk benaderd en gevraagd om via internet deel te nemen. Als het CBS de beschikking heeft over het telefoonnummer worden de non-respondenten nogmaals benaderd voor een telefonisch interview (CATI – Computer Assisted Personal Interviewing). Door een afname van de kwaliteit van de telefoonnummers worden echter steeds minder respondenten telefonisch herbenaderd. Het gewogen percentage telefoonbezit (van voldoende kwaliteit) in de herbenaderbare cawi nonrespons wordt geschat op 54,5%.
In 2024 namen er 12162 steeproefpersonen deel aan EU-SILC. Het aantal respondenten varieert per peilmoment.
| Peilmoment | Aantallen | Percentage |
|---|---|---|
| 1 | 3 301 | 27,1 |
| 2 | 1 981 | 16,3 |
| 3 | 1 281 | 10,5 |
| 4 | 1 776 | 14,6 |
| 5 | 1 771 | 14,6 |
| 6 | 2 052 | 16,9 |
| Totaal | 12 162 | 100,0 |
De waarneming vindt doorgaans plaats in de periode februari-juli. Jaarlijks doen tussen de 12 en 15 duizend steekproefpersonen mee aan het onderzoek. Het responspercentage varieert sterk per peiling. In de eerste peiling is de respons circa 39 procent. Tussen de vervolgpeilingen loopt het responspercentage op. In peiling 2 respondeert ongeveer 64 procent van de respondenten die aan peiling 1 hebben meegedaan en in peiling 6 doet nog 90 procent mee van de respondenten die aan peiling 5 hebben meegedaan.
Ter correctie van vertekeningen door onder- en oververtegenwoordiging van bepaalde groepen zijn weegfactoren gebruikt. Voor de uitkomsten van dit onderzoek is een weegfactor gemaakt die de steekproefpersonen van de zes peilingen weegt naar de populatie-aantallen. Gezien het doel van EU-SILC vormt het inkomen van huishoudens een belangrijke weegvariabele. Andere kenmerken waarnaar gewogen wordt zijn leeftijd, geslacht, huishoudgrootte, herkomst, stedelijkheid, provincie en woningbezit.
2.4 Belangrijkste verschillen Gezondheidsenquête en EU-SILC
Zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt bestaan er enkele belangrijke verschillen tussen het onderzoeksdesign van de Gezondheidsenquête en dat van EU-SILC. Voor de Gezondheidsenquête wordt ieder jaar een nieuwe representatieve steekproef van personen uit de Nederlandse bevolking getrokken. EU-SILC is een roterend panelonderzoek waarbij bij de eerste peiling gestratificeerde tweetrapssteekproeven worden getrokken met een oversampling van slecht responderende inkomensgroepen en 16-jarigen.
Ook de interviewmode van de onderzoeken is verschillend. In de Gezondheidsenquête worden respondenten eerst via CAWI benaderd. Een selectief gedeelte van de non-respondenten wordt daarna benaderd via CAPI (de zgn. doelgroepenbenadering). In EU-SILC worden respondenten ook eerst CAWI benaderd, maar non-respondenten worden daarna via CATI herbenaderd als een telefoonnummer beschikbaar is. Deze herbenadering is dus niet doelgroepgericht, maar is afhankelijk van de beschikbaarheid van telefoonnummers.
Voor de Gezondheidsenquête wordt het hele jaar waargenomen, bij EU-SILC is dat doorgaans februari tot en met juli.
Mogelijk werd vanwege de waarneemmethode de Gezondheidsenquête meer verstoord door de Coronacrisis dan EU-SILC. Er kon door de Coronamaatregelen in delen van 2020 en 2021 (grotendeels) niet CAPI worden waargenomen terwijl CATI gewoon doorliep.
Naast de verschillen in onderzoeksdesign en mode verschilt ook het weegmodel voor de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Bij EU-SILC vormt het inkomen van huishoudens een belangrijke weegvariabele.
Tenslotte is ook de context van de vragen van de MEHM anders. Voor de Gezondheidsenquête worden de respondenten uitgenodigd voor deelname aan een enquête met vragen over gezondheid en leefstijl. De vragen van de MEHM staan in het begin van de enquête na enkele vragen over achtergrondkenmerken. In EU-SILC worden de respondenten uitgenodigd voor een onderzoek naar inkomen en leefsituatie en komen de MEHM vragen later aan bod.
3. Resultaten
In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van de Gezondheidsenquête en EU-SILC met elkaar vergeleken. Eerst worden de resultaten voor de MEHM voor de jaren 2014 tot en met 2024 vergeleken. Vervolgens wordt dieper ingegaan op het recentste onderzoeksjaar 2024. Eerst worden de persoonskenmerken van beide onderzoeken beschreven voor 2024. Vervolgens worden het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid, het percentage mensen met een langdurige beperking en het percentage mensen met een langdurige aandoening naar achtergrondkenmerken beschreven en vergeleken.
3.1 De MEHM voor de jaren 2014 tot en met 2024
3.1.1 Trends in ervaren gezondheid
In 2024 is het percentage mensen van 16 jaar of ouder met een (zeer) goede ervaren gezondheid hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC.
Het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid verschilt in de jaren 2014 tot en met 2020 niet statistisch significant (minder dan 1 procent) tussen EU-SILC en de Gezondheidsenquête. In 2020 (het eerste jaar met corona) steeg het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid in beide onderzoeken tot 78 procent. Daarna daalde het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid in SILC tot 70 procent in 2023 en 2024.
In de Gezondheidsenquête bleef het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid in 2021 nog relatief hoog (77 procent) en daalde het tot 73 procent in 2024.
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| EU-SILC | Zeer goed | 23,2 | 22,2 | 22,5 | 22,4 | 23,5 | 23,3 | 26,1 | 17,6 | 13,7 | 14,0 | 14,4 |
| EU-SILC | Goed | 54,1 | 54,0 | 53,4 | 53,7 | 52,2 | 51,6 | 51,9 | 55,6 | 57,5 | 55,5 | 55,4 |
| EU-SILC | Gaat wel | 17,3 | 18,6 | 19,2 | 19,3 | 19,6 | 19,7 | 17,6 | 21,6 | 23,5 | 24,0 | 24,2 |
| EU-SILC | Slecht of zeer slecht | 5,4 | 5,4 | 5,3 | 4,9 | 4,7 | 5,5 | 4,4 | 5,2 | 5,3 | 6,5 | 6,0 |
| EU-SILC | Goed of zeer goed | 77,3 | 76,2 | 75,9 | 76,1 | 75,7 | 74,8 | 77,9 | 73,2 | 71,2 | 69,5 | 69,8 |
| GEZO | Zeer goed | 22,4 | 22,0 | 22,1 | 21,6 | 21,2 | 19,5 | 22,8 | 21,6 | 16,9 | 16,7 | 17,6 |
| GEZO | Goed | 54,6 | 53,9 | 53,5 | 54,3 | 53,6 | 56,0 | 55,6 | 55,8 | 56,6 | 57,1 | 55,7 |
| GEZO | Gaat wel | 17,7 | 19,1 | 18,4 | 18,3 | 19,5 | 19,4 | 17,5 | 18,5 | 21,0 | 20,6 | 21,3 |
| GEZO | Slecht of zeer slecht | 5,3 | 5,0 | 5,9 | 5,8 | 5,7 | 5,1 | 4,1 | 4,2 | 5,5 | 5,5 | 5,5 |
| GEZO | Goed of zeer goed | 77,0 | 75,9 | 75,7 | 75,9 | 74,8 | 75,5 | 78,4 | 77,3 | 73,5 | 73,8 | 73,2 |
| EU-SILC | 77,3 | 76,2 | 75,9 | 76,1 | 75,7 | 74,9 | 77,9 | 73,2 | 71,2 | 69,8 | 69,8 | |
| Gezondheidsenquête | 77,0 | 75,9 | 75,7 | 75,9 | 74,8 | 75,5 | 78,4 | 77,3 | 73,5 | 73,8 | 73,2 | |
Tot 2018 is er minder dan 1 procent verschil in het percentage mensen met een goede en een zeer goede gezondheid tussen beide onderzoeken. In de jaren 2018 tot en met 2020 is het percentage mensen met een zeer goede ervaren gezondheid hoger in EU-SILC en het percentage mensen met een goede ervaren gezondheid lager dan in de Gezondheidsenquête. Hierdoor verschilt het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid niet significant tussen beide onderzoeken in deze periode. In de periode 2021 tot en met 2024 is vooral het percentage mensen met een zeer goede ervaren gezondheid hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC. In de jaren 2021 en 2022 is het percentage mensen dat aangeeft de gezondheid als goed te ervaren ongeveer gelijk in EU-SILC en de Gezondheidsenquête. In 2024 geven meer mensen aan dat hun gezondheid goed is in de Gezondheidsenquête.
Eurostat voegt voor publicaties de groepen mensen samen die hun gezondheid als ‘slecht’ of ‘zeer slecht’ ervaren. Daarom is dit in deze tabel ook gedaan. Voor de jaren 2016 tot en met 2018 is het percentage mensen dat de gezondheid als slecht of zeer slecht ervaart hoger in de Gezondheidsenquête.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | |
|---|---|---|
| 2014 | 77,3 | 77,0 |
| 2015 | 76,2 | 75,9 |
| 2016 | 75,9 | 75,7 |
| 2017 | 76,1 | 75,9 |
| 2018 | 75,7 | 74,8 |
| 2019 | 74,9 | 75,5 |
| 2020 | 77,9 | 78,4 |
| 2021 | 73,2 | 77,3 |
| 2022 | 71,2 | 73,5 |
| 2023 | 69,8 | 73,8 |
| 2024 | 69,8 | 73,2 |
3.1.2 Trends in langdurige beperkingen
In 2024 is het percentage mensen met een GALI-beperking niet significant verschillend tussen de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Ook in de andere jaren ziet men geen significante verschillen tussen in het percentage mensen met een GALI-beperking tussen EU-SILC en de gezondheidsenquête (voor alle jaren overlappen de 95-procent betrouwbaarheidsintervallen).
Het percentage mensen dat een niet-ernstige beperking heeft is zowel in de Gezondheidsenquête als in EU-SILC toegenomen tussen 2014 en 2024.
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| EU-SILC | Ernstig beperkt (%) | 5,5 | 7,3 | 6,1 | 6,1 | 5,5 | 5,0 | 4,7 | 4,3 | 5,0 | 4,9 | 4,5 |
| Wel beperkt maar niet ernstig (%) | 22,9 | 23,4 | 23,5 | 24,3 | 25,7 | 24,3 | 23,9 | 25,6 | 27,3 | 27,2 | 27,0 | |
| Beperking (%) | 28,4 | 30,7 | 29,5 | 30,4 | 31,2 | 29,3 | 28,6 | 29,9 | 32,3 | 32,1 | 31,4 | |
| GEZO | Ernstig beperkt (%) | 6,4 | 7,1 | 7,3 | 7,0 | 6,9 | 5,8 | 5,0 | 4,9 | 6,3 | 6,0 | 6,2 |
| Wel beperkt maar niet ernstig (%) | 22,5 | 23,0 | 23,3 | 25,4 | 25,4 | 24,2 | 24,5 | 24,6 | 24,4 | 25,1 | 26,4 | |
| Beperking (%) | 29,0 | 30,1 | 30,5 | 32,4 | 32,3 | 30,0 | 29,4 | 29,4 | 30,7 | 31,1 | 32,6 | |
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | |
|---|---|---|
| 2014 | 28,4 | 29,0 |
| 2015 | 30,7 | 30,1 |
| 2016 | 29,5 | 30,5 |
| 2017 | 30,4 | 32,4 |
| 2018 | 31,2 | 32,3 |
| 2019 | 29,3 | 30,0 |
| 2020 | 28,6 | 29,4 |
| 2021 | 29,9 | 29,4 |
| 2022 | 32,3 | 30,7 |
| 2023 | 32,1 | 31,1 |
| 2024 | 31,4 | 32,6 |
3.1.3 Trends in langdurige aandoeningen
In 2024 is er geen significant verschil tussen het percentage mensen met een langdurige aandoening in EU-SILC en de Gezondheidsenquête. Het percentage mensen met een langdurige aandoening was in de jaren 2018 tot en met 2020 iets hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC.
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| EU-SILC | 34,7 | 35,3 | 33,0 | 33,4 | 32,4 | 32,3 | 32,5 | 33,4 | 36,3 | 36,3 | 36,3 |
| GEZO | 34,2 | 34,0 | 34,4 | 34,9 | 35,2 | 35,3 | 35,0 | 34,8 | 34,8 | 35,4 | 35,2 |
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | |
|---|---|---|
| 2014 | 34,7 | 34,2 |
| 2015 | 35,3 | 34,0 |
| 2016 | 33,0 | 34,4 |
| 2017 | 33,4 | 34,9 |
| 2018 | 32,4 | 35,2 |
| 2019 | 32,3 | 35,3 |
| 2020 | 32,5 | 35,0 |
| 2021 | 33,4 | 34,8 |
| 2022 | 36,3 | 34,8 |
| 2023 | 36,3 | 35,4 |
| 2024 | 36,3 | 35,2 |
3.2 MEHM naar persoonskenmerken
In tabel 3.2 staan de persoonskenmerken van de Gezondheidsenquête en EU-SILC weergegeven voor de mensen van 16 jaar of ouder. Zowel in EU-SILC als in de Gezondheidsenquête worden de percentages gewogen om een zo goed mogelijke afspiegeling te krijgen van de Nederlandse bevolking. Voor geslacht en leeftijd zijn de gewogen percentages tussen EU-SILC en Gezondheidsenquête gelijk.
Voor onderwijsniveau zijn er wel verschillen tussen de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Onderwijsniveau is dan ook geen variabele in het weegmodel van beide onderzoeken, maar een onderwerp dat in beide onderzoeken wordt uitgevraagd. Voor beide onderzoeken is voor 16 tot 25 jaar gekeken naar de hoogst gevolgde opleiding en voor 25 jaar of ouder naar de hoogst behaalde opleiding.
In EU-SILC is het aandeel mensen dat basisonderwijs, vmbo of mbo volgenden/behaalden lager dan in de Gezondheidsenquête en het aandeel mensen dat hbo of wo volgden/behaalden hoger. Het (gewogen) aandeel missende waarden is hoger in de Gezondheidsenquête.
In de Enquête beroepsbevolking (EBB), de bron waarop het onderwijsniveau van de Nederlandse bevolking wordt bepaald, ziet men onder de 15- tot 90-jarigen (StatLine) dat 27,9 procent van de bevolking basisonderwijs, vmbo, mbo1 heeft behaald, 36,0 procent havo, vwo of mbo2-4 en 35,6 procent hbo of wo. De gewogen percentages van de Gezondheidsenquête liggen dichter bij de EBB dan de percentages van EU-SILC. Mogelijk speelt hier een paneleffect mee. Vooral onder jongeren zal het aandeel dat hbo of wo volgt, stijgen in volgende peilmomenten omdat de jongeren hun opleiding (kunnen) afronden.
Wat betreft de indelingen in kwintielgroepen van het gestandaardiseerd inkomen wijken de gewogen percentages in de Gezondheidsenquête en EU-SILC nauwelijks van elkaar af. Alleen in het derde kwintiel is er een klein verschil. Daarnaast ziet men dat de inkomens in EU-SILC geen missende waarden hebben, terwijl de Gezondheidsenquête ruim 1 procent missende waarden heeft. Omdat inkomen de belangrijkste doelvariabele is van EU-SILC, worden huishoudens waarvan het inkomen onbekend is verwijderd uit het analysebestand van EU-SILC.
Ongewogen zijn de verschillen in de kwintielgroepen tussen beide onderzoeken groter. Dit kan mogelijk verklaard worden door de gestratificeerde steekproeftrekking en de oversampling van mensen met een laag inkomen in EU-SILC.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Geslacht | Man | 49,4 | 49,5 | 49,4 | 48,4 |
| Geslacht | Vrouw | 50,6 | 50,5 | 50,6 | 51,6 |
| Leeftijd | 16-25 jaar | 13,4 | 4,8 | 13,4 | 11,2 |
| Leeftijd | 25-45 jaar | 30,7 | 19,9 | 30,7 | 28,3 |
| Leeftijd | 45-65 jaar | 32,0 | 31,9 | 32,0 | 31,7 |
| Leeftijd | 65-75 jaar | 13,2 | 23,7 | 13,2 | 17,0 |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 10,8 | 19,6 | 10,8 | 11,8 |
| Onderwijsniveau | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 17,4 | 20,7 | 21,8 | 21,8 |
| Onderwijsniveau | havo, vwo, mbo2-4 | 34,7 | 35,4 | 36,9 | 36,8 |
| Onderwijsniveau | hbo, wo | 46,3 | 43,1 | 39,6 | 39,9 |
| Onderwijsniveau | Onbekend | 1,5 | 0,8 | 1,7 | 1,5 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 1ste kwintiel | 15,3 | 14,1 | 15,4 | 11,7 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 2de kwintiel | 16,8 | 19,1 | 16,9 | 16,0 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 3de kwintiel | 19,9 | 21,9 | 18,6 | 20,1 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 4de kwintiel | 22,8 | 22,2 | 22,7 | 24,2 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 5de kwintiel | 25,2 | 22,7 | 25,1 | 26,8 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | Onbekend | . | . | 1,3 | 1,2 |
3.2.1 Ervaren gezondheid naar persoonskenmerken
In de Gezondheidsenquête is het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid (74 procent) hoger dan in EU-SILC (70 procent). Ook onder mannen en vrouwen is het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid hoger in de Gezondheidsenquête evenals als in de jongste en oudste leeftijdsgroepen. In alle opleidingsgroepen en in het eerste, derde en vijfde inkomenskwintiel is het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid ook hoger in de Gezondheidsenquête.
De patronen in het hebben van een (zeer) goede ervaren gezondheid zijn wel gelijk in beide onderzoeken. Meer mannen dan vrouwen hebben een (zeer) goede ervaren gezondheid. Het percentage mensen met een (zeer) goede ervaren gezondheid daalt met de leeftijd en stijgt met de inkomensgroep. Ook ziet men gelijkaardige verschillen tussen de opleidingsgroepen in de Gezondheidsenquête en EU-SILC.
| EU-SILC 95%-betrouwbaar- heidsinterval | Gezondheids- enquête 95%-betrouwbaar- heidsinterval | Verschil onderzoeken | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | ||
| Totaal, 16 jaar of ouder | 69,8 | 69,0 | 70,6 | 73,2 | 72,3 | 74,2 | 3,4 | |
| Geslacht | Man | 71,2 | 70,0 | 72,3 | 75,4 | 74,0 | 76,7 | 4,2 |
| Geslacht | Vrouw | 68,5 | 67,3 | 69,6 | 71,1 | 69,8 | 72,5 | 2,7 |
| Leeftijd | 16-25 jaar | 80,6 | 78,6 | 82,5 | 85,2 | 83,1 | 87,3 | 4,7 |
| Leeftijd | 25-45 jaar | 79,4 | 78,1 | 80,7 | 80,5 | 78,9 | 82,1 | 1,1 |
| Leeftijd | 45-65 jaar | 66,7 | 65,3 | 68,2 | 69,7 | 67,9 | 71,5 | 3,0 |
| Leeftijd | 65-75 jaar | 60,1 | 57,7 | 62,5 | 64,7 | 61,9 | 67,6 | 4,6 |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 49,9 | 47,2 | 52,6 | 58,4 | 55,2 | 61,7 | 8,5 |
| Onderwijsniveau | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 51,5 | 49,4 | 53,7 | 58,8 | 56,4 | 61,1 | 7,2 |
| Onderwijsniveau | havo, vwo, mbo2-4 | 68,9 | 67,5 | 70,3 | 73,9 | 72,3 | 75,5 | 5,0 |
| Onderwijsniveau | hbo, wo | 78,1 | 77,0 | 79,2 | 81,6 | 80,2 | 82,9 | 3,5 |
| Onbekend | 44,6 | 37,4 | 51,9 | 50,5 | 42,1 | 58,9 | 5,9 | |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 1ste kwintiel | 50,7 | 48,4 | 53,0 | 56,4 | 53,6 | 59,1 | 5,6 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 2de kwintiel | 61,9 | 59,8 | 64,1 | 66,3 | 63,7 | 68,8 | 4,3 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 3de kwintiel | 68,9 | 67,1 | 70,8 | 73,2 | 70,9 | 75,4 | 4,2 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 4de kwintiel | 75,8 | 74,2 | 77,4 | 76,7 | 74,7 | 78,6 | 0,9 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 5de kwintiel | 81,8 | 80,4 | 83,2 | 85,1 | 83,5 | 86,6 | 3,3 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | Onbekend | . | . | . | 75,8 | 67,5 | 84,0 | |
3.2.2 Langdurige beperkingen naar persoonskenmerken
Het aandeel 16-plussers met een langdurige beperking (volgens de GALI-indicator) is niet significant verschillend tussen de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Ook voor alle persoonskenmerken overlappen de betrouwbaarheidsintervallen en is er geen verschil in het percentage mensen met een langdurige beperking tussen beide onderzoeken.
Ook de patronen naar persoonskenmerken verschillen niet tussen beide onderzoeken. Het aandeel mensen met een langdurige beperking is hoger onder vrouwen dan onder mannen, en neemt toe naarmate de leeftijd toeneemt. Onder mensen met een lager inkomen is het aandeel mensen met een beperking hoger.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | Verschil onderzoeken | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 95%-betrouwbaarheidsinterval | 95%-betrouwbaarheidsinterval | ||||||
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | |
| Totaal, 16 jaar of ouder | 31,4 | 30,6 | 32,3 | 32,6 | 31,6 | 33,6 | 1,2 |
| Man | 28,0 | 26,8 | 29,1 | 29,1 | 27,7 | 30,6 | 1,2 |
| Vrouw | 34,9 | 33,6 | 36,1 | 36,0 | 34,6 | 37,5 | 1,2 |
| 16-25 jaar | 14,0 | 12,3 | 15,7 | 15,0 | 12,9 | 17,2 | 1,0 |
| 25-45 jaar | 21,5 | 20,2 | 22,9 | 21,0 | 19,4 | 22,6 | -0,5 |
| 45-65 jaar | 34,1 | 32,6 | 35,6 | 36,5 | 34,7 | 38,4 | 2,4 |
| 65-75 jaar | 45,2 | 42,7 | 47,6 | 48,4 | 45,4 | 51,4 | 3,2 |
| 75 jaar of ouder | 55,9 | 53,1 | 58,6 | 56,6 | 53,3 | 59,9 | 0,8 |
| basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 47,0 | 44,8 | 49,2 | 47,6 | 45,3 | 50,0 | 0,7 |
| havo, vwo, mbo2-4 | 33,0 | 31,5 | 34,4 | 32,0 | 30,3 | 33,6 | -1,0 |
| hbo, wo | 24,4 | 23,2 | 25,5 | 24,8 | 23,3 | 26,3 | 0,4 |
| Onbekend | 47,7 | 39,7 | 55,6 | 37,4 | 29,2 | 45,6 | -10,3 |
| 1ste kwintiel | 46,4 | 44,0 | 48,8 | 45,5 | 42,8 | 48,3 | -0,8 |
| 2de kwintiel | 41,0 | 38,8 | 43,2 | 41,9 | 39,2 | 44,5 | 0,8 |
| 3de kwintiel | 33,0 | 31,1 | 34,9 | 34,0 | 31,6 | 36,4 | 1,0 |
| 4de kwintiel | 25,4 | 23,8 | 27,1 | 28,0 | 25,9 | 30,0 | 2,5 |
| 5de kwintiel | 21,1 | 19,6 | 22,6 | 22,6 | 20,8 | 24,4 | 1,5 |
| Onbekend | 15,8 | 36,6 | 3,6 | ||||
3.2.3 Langdurige aandoeningen naar persoonskenmerken
Het percentage mensen met een langdurige aandoening is niet significant verschillend tussen respondenten van EU-SILC en respondenten van de Gezondheidsenquête. Ook naar geslacht en inkomen zijn er geen verschillen tussen beide onderzoeken. Alleen onder respondenten van 16 tot 25 jaar en mensen met havo, vwo, mbo2-4 onderwijs (en onderwijsniveau onbekend) is het percentage mensen met een langdurige aandoening hoger in EU-SILC.
| EU-SILC 95%-betrouwbaar- heidsinterval | Gezondheids- enquête 95%-betrouwbaar- heidsinterval | Verschil onderzoeken | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | ||
| Totaal, 16 jaar of ouder | 36,3 | 35,4 | 37,1 | 35,2 | 34,2 | 36,3 | 1,0 | |
| Geslacht | Man | 33,7 | 32,4 | 34,9 | 31,9 | 30,5 | 33,4 | 1,7 |
| Geslacht | Vrouw | 38,8 | 37,6 | 40,0 | 38,5 | 37,0 | 39,9 | 0,4 |
| Leeftijd | 16-25 jaar | 16,9 | 15,1 | 18,8 | 13,1 | 11,1 | 15,1 | 3,8 |
| Leeftijd | 25-45 jaar | 25,8 | 24,4 | 27,2 | 25,0 | 23,2 | 26,7 | 0,9 |
| Leeftijd | 45-65 jaar | 41,2 | 39,6 | 42,7 | 41,8 | 39,9 | 43,7 | -0,6 |
| Leeftijd | 65-75 jaar | 53,5 | 51,1 | 56,0 | 51,4 | 48,4 | 54,4 | 2,2 |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 54,6 | 51,9 | 57,3 | 52,7 | 49,4 | 56,1 | 1,9 |
| Onderwijsniveau | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 47,0 | 44,8 | 49,1 | 45,2 | 42,9 | 47,6 | 1,7 |
| Onderwijsniveau | havo, vwo, mbo2-4 | 38,2 | 36,8 | 39,7 | 34,9 | 33,2 | 36,6 | 3,4 |
| Onderwijsniveau | hbo, wo | 30,1 | 28,9 | 31,3 | 30,0 | 28,4 | 31,6 | 0,1 |
| Onderwijsniveau | Onbekend | 61,2 | 53,7 | 68,7 | 35,7 | 27,6 | 43,7 | 25,5 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 1ste kwintiel | 49,2 | 46,9 | 51,5 | 44,5 | 41,7 | 47,2 | 4,7 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 2de kwintiel | 41,4 | 39,2 | 43,6 | 41,8 | 39,2 | 44,4 | -0,4 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 3de kwintiel | 36,8 | 34,8 | 38,7 | 36,1 | 33,7 | 38,5 | 0,7 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 4de kwintiel | 31,8 | 30,1 | 33,5 | 32,6 | 30,5 | 34,8 | -0,8 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | 5de kwintiel | 29,0 | 27,4 | 30,6 | 27,4 | 25,5 | 29,4 | 1,5 |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | Onbekend | 24,4 | 16,1 | 32,7 | ||||
3.3 Interpretatie van de verschillen in resultaten
Voor de hele bevolking van 16 jaar of ouder is het percentage met een (zeer) goede ervaring hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC. Er is vrijwel geen verschil in het percentage 16-plussers dat aangeeft een langdurige beperking of aandoening te hebben tussen beide onderzoeken.
Zoals in paragraaf twee is aangegeven bestaan er methodologische verschillen tussen de Gezondheidsenquête en EU-SILC. Voor een aantal verschillen wordt in deze paragraaf gekeken of dit de verklaring is voor de significante verschillen in ervaren gezondheid.
3.3.1 Verschillen in design: panel versus jaarlijkse steekproef
EU-SILC is een panelonderzoek. Respondenten doen 6 keer mee aan het panel met een tussenpauze van steeds 1 jaar. Op deze manier zitten er ieder jaar respondenten van peiling 1 tot en met peiling 6 in de steekproef. Omdat de jaarlijkse Gezondheidsenquête bestaat uit steeds een volledige nieuwe steekproef wordt in tabel 3.3.1.1 peiling 1 van EU-SILC vergeleken met de Gezondheidsenquête. Hierbij werd een nieuwe weging gemaakt voor alleen peiling 1.
| EU-SILC peiling 1 | Gezondheidsenquête | Verschil onderzoeken | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 95%-Betrouwbaarheidsinterval | 95%-Betrouwbaarheidsinterval | ||||||
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | |
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | 69,1 | 67,5 | 70,7 | 73,2 | 72,3 | 74,2 | 4,2 |
| Langdurige beperking | 30,8 | 29,1 | 32,4 | 32,6 | 31,6 | 33,6 | 1,9 |
| Langdurige aandoening | 35,6 | 34,0 | 37,3 | 35,2 | 34,2 | 36,3 | 0,6 |
In peiling 1 van EU-SILC gaf 69 procent van de respondenten van 16 jaar en ouder aan de gezondheid als (zeer) goed te ervaren en 31 procent gaf aan een langdurige beperking te hebben. Het percentage mensen met een als (goed) ervaren gezondheid is ook voor respondenten die de eerste peiling in 2024 hadden lager dan in de Gezondheidsenquête. Er is geen verschil in het percentage mensen met een langdurige beperking en aandoening tussen peiling 1 van EU-SILC en de Gezondheidsenquête.
3.3.2 Leeftijd
Omdat de EU-SILC steekproef wordt getrokken voor personen van 16 jaar of ouder en deze respondenten worden gevolgd in de tijd, zijn er minder jongeren van 16 tot 20 jaar in de steekproef. In slechts een van de zes peilmomenten in de steekproef zitten er bijvoorbeeld 16-jarigen en slechts 2 peilmomenten 17-jarigen. Hierdoor is de opleiding ook anders want jongeren zijn doorgaans nog niet afgestudeerd. Daarom wordt er in tabel 3.3.2.1 alleen naar respondenten van 25 jaar of ouder gekeken. Voor deze leeftijdsgrens is gekozen, omdat de meeste jongeren zijn afgestudeerd op hun 25ste.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | Verschil onderzoeken | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 95%-betrouwbaarheidsinterval | 95%-betrouwbaarheidsinterval | ||||||
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | |
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | 68,1 | 67,2 | 69,0 | 71,4 | 70,3 | 72,4 | 3,2 |
| Langdurige beperking | 34,1 | 33,2 | 35,1 | 35,3 | 34,2 | 36,5 | 1,2 |
| Langdurige aandoening | 39,3 | 38,3 | 40,2 | 37,8 | 36,7 | 38,9 | -1,5 |
In EU-SILC geven minder personen van 25 jaar of ouder aan een (zeer) goede ervaren gezondheid te hebben dan in de Gezondheidsenquête. Het percentage mensen dat aangeeft een langdurige beperking of aandoening te hebben is onder respondenten van 25 jaar of ouder niet verschillend tussen EU-SILC en de Gezondheidsenquête.
3.3.3 Verschil CAPI en CATI
In de Gezondheidsenquête worden alleen bepaalde doelgroepen via CAPI benaderd als ze niet responderen op de CAWI vragenlijst. In EU-SILC worden alle non-respondenten van CAWI benaderd via CATI indien een telefoonnummer beschikbaar is.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | Verschil in onderzoeken | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 95%-betrouwbaarheidsinterval | 95%-betrouwbaarheidsinterval | |||||||
| % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | ||
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | CAWI | 69,3 | 68,4 | 70,2 | 72,9 | 71,8 | 74,0 | 3,6 |
| CATI/CAPI | 72,0 | 70,2 | 73,9 | 74,2 | 72,2 | 76,1 | 2,1 | |
| Langdurige beperking | CAWI | 31,0 | 30,1 | 31,9 | 34,0 | 32,8 | 35,2 | 3,0 |
| CATI/CAPI | 33,4 | 31,4 | 35,4 | 28,4 | 26,4 | 30,4 | -5,0 | |
| Langdurige aandoening | CAWI | 36,2 | 35,2 | 37,2 | 36,5 | 35,3 | 37,7 | 0,3 |
| CATI/CAPI | 36,6 | 34,5 | 38,6 | 30,3 | 28,3 | 32,4 | -6,2 | |
In de CAWI mode is het percentage mensen van 16 jaar of ouder met een (zeer) goede ervaren gezondheid hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC. Tussen CATI en CAPI verschilt het percentage mensen met een (zeer) goede ervaring echter niet.
In EU-SILC is het percentage mensen met een langdurige beperking onder CAWI-respondenten lager in dan in de Gezondheidsenquête. Het percentage mensen met een langdurige beperking is daarentegen hoger onder de CATI-respondenten (EU-SILC) dan onder de CAPI-respondenten (gezondheidsenquête).
Voor langdurige aandoeningen zien we het omgekeerde beeld. Geen verschil onder CAWI-respondenten tussen de onderzoeken, maar het percentage mensen met een langdurige aandoening is hoger onder CATI-respondenten dan onder CAPI-respondenten.
De kwaliteit en de beschikbaarheid van de telefoonnummers loopt de afgelopen jaren echter fors terug. In 2019 was de CATI-respons van EU-SILC nog bijna 26 procent terwijl dit in 2024 nog maar 13 procent was. In de Gezondheidsenquête was ruim 35 procent CAPI in 2019 en bijna 22 procent in 2024. Mogelijk kan dit een van de verklaringen zijn waarom de ervaren gezondheid verschilt tussen beide onderzoeken.
3.3.4 Verschil weging
Het weegmodel voor EU-SILC en de Gezondheidsenquête is niet gelijk. Zie paragrafen 2.2 en 2.3.
In tabel 3.3.4.1 staan de ongewogen resultaten weergeven voor EU-SILC en de Gezondheidsenquête naar achtergrondkenmerken. Het percentage mensen van 16 jaar of ouder dat de gezondheid als (zeer) goed beoordeelt is lager in EU-SILC dan in de Gezondheidsenquête. Dit is ook terug te zien in de ongewogen resultaten.
In EU-SILC hebben meer 16-plussers een langdurige beperking dan in de Gezondheidsenquête als de data niet worden gewogen. Na weging is er geen verschil meer in het percentage mensen met een langdurige beperking tussen EU-SILC en de gezondheidsenquête (zie vorige paragrafen). Ook het ongewogen percentage mensen met een langdurige aandoening is hoger in EU-SILC dan in de Gezondheidsenquête.
Hierbij kan ook de steekproeftrekking een rol spelen. Als er niet wordt gewogen lijken de respondenten in EU-SILC ongezonder dan in de Gezondheidsenquête, door de weging komen de resultaten meer in de buurt.
| EU-SILC | Gezondheidsenquête | Verschil in onderzoeken | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 95%-betrouwbaarheidsinterval | 95%-betrouwbaarheidsinterval | |||||||
| Geslacht | % | Ondergrens | Bovengrens | % | Ondergrens | Bovengrens | %-punten | |
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | Mannen | 66,0 | 64,8 | 67,2 | 75,1 | 73,7 | 76,4 | 9,1 |
| Vrouwen | 63,9 | 62,7 | 65,1 | 72,1 | 70,7 | 73,5 | 8,2 | |
| Totaal | 64,9 | 64,1 | 65,8 | 73,5 | 72,6 | 74,5 | 8,6 | |
| Langdurige beperking | Mannen | 35,6 | 34,4 | 36,8 | 31,0 | 29,5 | 32,5 | -4,6 |
| Vrouwen | 40,9 | 39,7 | 42,2 | 36,1 | 34,7 | 37,6 | -4,8 | |
| Totaal | 38,3 | 37,4 | 39,2 | 33,6 | 32,6 | 34,7 | -4,6 | |
| Langdurige aandoening | Mannen | 42,3 | 41,0 | 43,5 | 33,9 | 32,4 | 35,4 | -8,4 |
| Vrouwen | 45,5 | 44,3 | 46,8 | 38,7 | 37,2 | 40,2 | -6,8 | |
| Totaal | 43,9 | 43,0 | 44,8 | 36,4 | 35,3 | 37,5 | -7,5 | |
| Leeftijd | ||||||||
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | 16 tot 25 jaar | 80,4 | 77,2 | 83,6 | 85,6 | 83,2 | 87,9 | 5,2 |
| 25 tot 45 jaar | 78,3 | 76,6 | 79,9 | 81,7 | 80,1 | 83,3 | 3,4 | |
| 45 tot 65 jaar | 66,3 | 64,8 | 67,8 | 70,9 | 69,1 | 72,6 | 4,6 | |
| 65 tot 75 jaar | 60,9 | 59,2 | 62,7 | 66,6 | 64,1 | 69,1 | 5,7 | |
| 75 jaar of ouder | 50,3 | 48,2 | 52,3 | 59,7 | 56,5 | 62,8 | 9,4 | |
| Langdurige beperking | 16 tot 25 jaar | 15,7 | 12,7 | 18,7 | 15,0 | 12,7 | 17,4 | -0,7 |
| 25 tot 45 jaar | 22,7 | 21,0 | 24,4 | 20,7 | 19,1 | 22,4 | -2,0 | |
| 45 tot 65 jaar | 35,4 | 33,9 | 36,9 | 36,2 | 34,4 | 38,1 | 0,8 | |
| 65 tot 75 jaar | 45,1 | 43,3 | 46,9 | 47,2 | 44,6 | 49,9 | 2,1 | |
| 75 jaar of ouder | 55,8 | 53,8 | 57,8 | 55,8 | 52,6 | 59,0 | 0,0 | |
| Langdurige aandoening | 16 tot 25 jaar | 18,5 | 15,4 | 21,7 | 13,1 | 10,9 | 15,4 | -5,4 |
| 25 tot 45 jaar | 28,0 | 26,2 | 29,8 | 24,8 | 23,0 | 26,6 | -3,2 | |
| 45 tot 65 jaar | 42,8 | 41,2 | 44,4 | 41,7 | 39,8 | 43,6 | -1,1 | |
| 65 tot 75 jaar | 53,6 | 51,8 | 55,5 | 50,2 | 47,5 | 52,9 | -3,5 | |
| 75 jaar of ouder | 56,4 | 54,4 | 58,4 | 52,1 | 48,9 | 55,3 | -4,3 | |
| Huishoudinkomen, gestandaardiseerd | ||||||||
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | Eerste kwintiel (laagste inkomens) | 48,5 | 46,1 | 50,9 | 56,5 | 53,3 | 59,6 | 7,9 |
| Tweede kwintiel | 55,4 | 53,4 | 57,4 | 65,1 | 62,5 | 67,7 | 9,7 | |
| Derde kwintiel | 65,0 | 63,2 | 66,8 | 71,9 | 69,7 | 74,1 | 6,9 | |
| Vierde kwintiel | 70,2 | 68,5 | 71,9 | 76,2 | 74,3 | 78,1 | 6,0 | |
| Vijfde kwintiel (hoogste inkomens) | 77,8 | 76,3 | 79,4 | 84,7 | 83,2 | 86,2 | 6,9 | |
| Onbekend | 76,0 | 67,4 | 84,7 | . | ||||
| Langdurige beperking | Eerste kwintiel (laagste inkomens) | 53,8 | 51,4 | 56,2 | 47,6 | 44,4 | 50,8 | -6,2 |
| Tweede kwintiel | 48,3 | 46,3 | 50,4 | 43,8 | 41,1 | 46,5 | -4,5 | |
| Derde kwintiel | 39,8 | 37,9 | 41,7 | 36,2 | 33,8 | 38,5 | -3,6 | |
| Vierde kwintiel | 31,8 | 30,1 | 33,6 | 29,7 | 27,7 | 31,7 | -2,1 | |
| Vijfde kwintiel (hoogste inkomens) | 25,7 | 24,1 | 27,4 | 24,0 | 22,2 | 25,8 | -1,7 | |
| Onbekend | 15,6 | 8,2 | 23,0 | . | ||||
| Langdurige aandoening | Eerste kwintiel (laagste inkomens) | 54,7 | 52,3 | 57,1 | 45,9 | 42,7 | 49,1 | -8,8 |
| Tweede kwintiel | 50,2 | 48,1 | 52,2 | 43,7 | 41,0 | 46,5 | -6,4 | |
| Derde kwintiel | 44,7 | 42,8 | 46,6 | 38,1 | 35,7 | 40,5 | -6,6 | |
| Vierde kwintiel | 40,4 | 38,5 | 42,2 | 34,3 | 32,2 | 36,4 | -6,1 | |
| Vijfde kwintiel (hoogste inkomens) | 34,9 | 33,1 | 36,7 | 29,0 | 27,1 | 31,0 | -5,8 | |
| Onbekend | 24,0 | 15,3 | 32,7 | . | ||||
| Onderwijsniveau | ||||||||
| (Zeer) goede ervaren gezondheid | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 50,4 | 48,5 | 52,4 | 59,5 | 57,2 | 61,8 | 9,1 |
| havo, vwo, mbo2-4 | 64,0 | 62,6 | 65,5 | 74,1 | 72,5 | 75,7 | 10,1 | |
| hbo, wo | 73,0 | 71,8 | 74,2 | 81,4 | 80,1 | 82,8 | 8,4 | |
| Onbekend | 43,0 | 33,1 | 52,9 | 53,8 | 44,7 | 62,9 | 10,8 | |
| Langdurige beperking | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 51,0 | 49,0 | 53,0 | 48,1 | 45,8 | 50,5 | -2,8 |
| havo, vwo, mbo2-4 | 40,2 | 38,7 | 41,7 | 33,1 | 31,4 | 34,8 | -7,1 | |
| hbo, wo | 30,6 | 29,3 | 31,9 | 26,0 | 24,5 | 27,6 | -4,6 | |
| Onbekend | 52,4 | 41,5 | 63,3 | 39,0 | 30,1 | 47,9 | -13,4 | |
| Langdurige aandoening | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 51,3 | 49,3 | 53,3 | 46,0 | 43,6 | 48,3 | -5,4 |
| havo, vwo, mbo2-4 | 45,8 | 44,3 | 47,3 | 36,1 | 34,4 | 37,9 | -9,7 | |
| hbo, wo | 38,7 | 37,3 | 40,0 | 31,4 | 29,8 | 33,1 | -7,2 | |
| Onbekend | 55,4 | 45,1 | 65,8 | 35,3 | 26,6 | 44,0 | -20,1 | |
4. Conclusies
Het percentage mensen (van 16 jaar of ouder) met een (zeer) goede ervaren gezondheid is in 2024 hoger in de Gezondheidsenquête dan in EU-SILC. Het percentage mensen met een langdurige beperking en aandoening verschilt niet tussen beide onderzoeken. Bij dit verschil in ervaren gezondheid spelen mogelijk het steekproefdesign, de oversampling en de weging een rol.
Daarnaast zijn er nog andere mogelijke verklaringen voor de verschillen tussen beide onderzoeken. De aanschrijfbrieven van de onderzoeken verschillen, waardoor wellicht andere mensen besluiten mee te doen. Ook worden de gezondheidsvragen in een andere context gesteld, is de mode-verhouding tussen beide onderzoeken verschillend en speelt mogelijk ook de steeds beperktere beschikbaarheid en de slechtere kwaliteit van telefoonnummers een rol. In de toekomst zal CATI overigens volledig vervallen in de eerste peiling van EU-SILC en waarschijnlijk deels vervangen worden door CAPI. Het zou kunnen dat de verschillen in uitkomsten van beide onderzoeken dan kleiner worden.
Het verschil in onderzoeksdesign (een roterend panelonderzoek versus een cross-sectioneel onderzoek met jaarlijks een nieuwe steekproef) en de leeftijd van de respondenten (iets minder jongeren in EU-SILC) lijken niet of nauwelijks van invloed te zijn op de verschillen in uitkomsten tussen EU-SILC en de Gezondheidsenquête.
Referenties
Health variables in SILC - methodology - Statistics Explained (europa.eu)
Methodology - Health - Eurostat (europa.eu)
Gezondheidsenquête vanaf 2014 (cbs.nl)
Bevolking; hoogstbehaald onderwijsniveau en onderwijsrichting