Uitgaven binnen het energiesysteem

Over deze publicatie

Om meer inzicht te krijgen in de kosten en financiering van de energietransitie is het programmaplan Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK) opgesteld door de kenniscoalitie energietransitie (KCET). De KCET is een consortium van kennisinstellingen van TNO, CBS, PBL, CPB en RVO. Het EIK-programma wordt gefinancierd door het ministerie van KGG. Onderdeel van dit werkprogramma is om een eerste overkoepelend beeld te geven van de uitgaven in het energiesysteem op basis van macro-economische gegevens.

De resultaten van een eerste verkennende studie zijn weergegeven in de tabellenset ‘Uitgaven binnen het energiesysteem’. De tabellenset bevat de uitgaven aan verschillende energiedragers (o.a. elektriciteit, aardgas, motorbrandstoffen) door verschillende sectoren en huishoudens, en energiegerelateerde investeringen, zoals investeringen in zonnepanelen, warmtepompen en de netwerken, over verslagperiode 2019-2023. Dit document bevat de technische toelichting behorende bij de tabellenset. Hierin worden onder andere de gebruikte methode, scope en definities toegelicht.

1. Introductie

1.1 Programma Energietranstie Integraal Kostenbeeld (EIK)

Bij het ministerie van KGG is er behoefte om meer inzicht te krijgen in de kosten en financiering van de energietransitie. Gegevens en analyses over de kosten en financiering van de energietransitie zijn van belang om een integraal kostenbeeld van het energiesysteem te krijgen. Het ministerie heeft in 2025 het interne project INKTVIS (Investeringen, KosTen & Verdeling energIeSysteem) opgestart, en heeft de kenniscoalitie energietransitie (KCET) gevraagd om hieraan bij te dragen. De KCET is een consortium van kennisinstellingen van TNO, CBS, PBL, CPB en RVO.

De KCET heeft een meerjarig programmaplan opgesteld, het Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK), met als doel om vanaf 2026 bij te dragen aan het inzichtelijker maken van de consequenties van energietransitiebeleid voor de samenleving. Het programmaplan is uitgewerkt aan de hand van 10 verschillende werkpakketten. 

Een van de doelen van het eerste werkpakket (WP1) is om een overkoepelend beeld te geven van de kosten in het energiesysteem op basis van macro-economische gegevens. Dit beeld wordt samengesteld op basis van gegevens uit onder andere de nationale rekeningen, de overheidsstatistieken en andere economische statistieken van het CBS. Hiermee wordt zicht verkregen op de realisaties in recente jaren, die weer als ijkpunt kunnen dienen voor projecties/scenario’s naar de toekomst. 

Momenteel wordt er vanuit WP1 gewerkt aan een notitie over de ‘Kostenbegrippen en scope van het energiesysteem’, wat zal dienen als uitgangspunt voor alle werkpakketten binnen EIK. In deze notitie zullen de gehanteerde scope, definities, classificaties en kostenbegrippen uitgebreider worden toegelicht. Deze notitie volgt medio 2026. 

De termen kosten en uitgaven worden vaak door elkaar gebruikt, maar zijn in principe verschillend. Dit wordt in hoofdstuk 2 verder toegelicht. Deze technische toelichting richt zich met name op uitgaven, namelijk a) energie-uitgaven (lopende kosten, bv uitgaven van huishoudens, bedrijven en de overheid aan benzine of verwarming) en/of b) energie gerelateerde investeringen. 

Deze technische toelichting hoort bij de gepubliceerde tabellenset ‘Uitgaven binnen het energiesysteem’, dit is een eerste verkenning van de uitgaven binnen het energiesysteem. Omdat deze eerste verkenning van de uitgaven en kosten in het energiesysteem is uitgevoerd voordat de precieze scope en definities zijn vastgesteld binnen EIK, zullen de tabellenset en deze technische toelichting in de toekomst worden herzien om beter aan te sluiten bij de gehanteerde scope en definities in EIK. Daarnaast zal de tabellenset worden uitgebreid met nieuwe variabelen en langere tijdreeksen.

1.2 Uitgaven binnen het energiesysteem

De gepubliceerde tabellensets geven een eerste macro-economische plaatje van de Nederlandse energiehuishouding en geven ook inzicht in de verdeling van energie gerelateerde kosten en uitgaven over verschillende actoren/sectoren, zie figuur 1. Vanuit een nationaal perspectief zijn er in de energietransitie vier belangrijke actorgroepen te onderscheiden, namelijk huishoudens, bedrijven, de overheid en het buitenland. Deze actorgroepen zijn verder uit te splitsen, bijvoorbeeld bedrijven naar verschillende bedrijfstakken.

In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitgaven van de verschillende actoren. Echter, uitgaven van de ene actor zijn veelal weer baten voor de ander. Hierdoor zitten in de totale uitgaven dubbeltellingen. Bijvoorbeeld, bedrijven betalen belasting aan de overheid en de overheid geeft subsidies aan bedrijven. Beide geldstromen rapporteren we als uitgaven van de een aan de ander, maar vindt er enkel een herverdeling plaats.

Met het totale kostenplaatje van de Nederlandse energiehuishouding en de verdeling van deze kosten- en inkomstenstromen voor verschillende actorgroepen wordt de basis gelegd voor het doorrekenen van verschillende scenario’s. Met het eindproduct van WP1 is het mogelijk om jaarlijks de ontwikkeling in de gerealiseerde kosten weer te geven, maar ook om dit in perspectief te plaatsen door te kijken hoe de totale kosten zich hebben ontwikkeld in de tijd. Deze tijdreeksen geven (nieuwe) inzichten in de doorwerking van de energietransitie op de verdeling van uitgaven over verschillende actoren.

Energiegerelateerde uitgaven en inkomsten door verschillende actorenEnergiegerelateerde uitgaven en inkomsten door verschillende actoren Consumenten Bedrijven Overheid Consumenten Bedrijven Overheid ¹Energielevering/ onderhoud/ investeringen Bron: PBL Energiel./onderh./ inv Belastingen Energ./onderh./ inv Belastingen Import Subsidies Subsidies Export Energiegerelateerde uitgaven en inkomsten door verschillende actoren
Energiegerelateerde uitgaven en inkomsten door verschillende actoren
Uitgaven Soort stroom Inkomsten
Consumentenuitgaven Energielevering/ onderhoud/ investeringen Bedrijfsinkomsten in Nederland
Consumentenuitgaven Belastingen Overheidsinkomsten in Nederland
Bedrijfsuitgaven Energielevering/ onderhoud/ investeringen Bedrijfsinkomsten in Nederland
Bedrijfsuitgaven Belastingen Overheidsinkomsten in Nederland
Bedrijfsuitgaven Nederlandse import Buitenlandse inkomsten van Nederland
Overheidsuitgaven Subsidies Bedrijfsinkomsten in Nederland
Overheidsuitgaven Subsidies Consumenteninkomsten
Buitenlandse uitgaven Nederlandse export Bedrijfsinkomsten in Nederland

Het voorliggende technische rapport beschrijft de databronnen, methoden en resultaten van de eerste, voorlopige CBS tabellenset op basis van bestaande statistieken en aanvullende bronnen. In de eerste plaats zijn de data gebaseerd op de gegevens van de Nationale rekeningen, die zijn gebaseerd op de internationale richtlijnen van het SNA (UN, 2008). Hierdoor zijn de energie gerelateerde data uit dit rapport direct vergelijkbaar met de macro-economische indicatoren uit de Nationale rekeningen, zoals het bbp, totale investeringen etc.

De tabellen bevatten onderliggende data voor verschillende kostenvariabelen:

  • Investeringen in energie (conventionele en hernieuwbare energie, netwerken en energiebesparing);
  • Energie uitgaven, verbijzonderd naar type energieproduct;
  • Energie gerelateerde belastingen, verbijzonderd naar soort;
 

2. Scope en definities

Dit project richt zich op de uitgaven van de Nederlandse maatschappij die gerelateerd zijn aan de energievoorziening. Er zijn verschillende uitgaven of kosten van energie waarnaar gekeken kan worden:

  • Energie als product (bv. aardgas, elektriciteit, benzine, et cetera). 
  • Energie gerelateerde producten (bv. zonnepanelen, Cv-ketels, et cetera).
  • Energie gerelateerde diensten (bv. installatie zonnepanelen, isolatie, et cetera).
  • Energie gerelateerde overdrachten (bv. de energiebelasting, de SDE)

Bijvoorbeeld, de uitgaven aan energie door huishoudens zijn vaak gerelateerd aan specifieke energieproducten, zoals de consumptie van elektriciteit, aardgas of benzine. Bij investeringen in energie wordt er juist gekeken naar de energie gerelateerde producten en diensten. Bij de installatie van zonnepanelen worden de kosten van het product zelf (de zonnepanelen) en de bijbehorende (installatie)dienst in kaart gebracht. In deze studie worden de energie gerelateerde diensten nog niet meegenomen, maar de overige categorieën wel. 

Analoog aan de ‘energie gerelateerde activiteiten1)’ kan er bij het in kaart brengen van de kosten onderscheid gemaakt worden tussen:

  • Hernieuwbare/duurzame energiebronnen
  • Conventionele energiebronnen
  • Energiebesparing
  • Netwerken/infrastructuur
  • Overige energie gerelateerde activiteiten  (bv. energieopslag, waterstof en CO2 afvang en opslag).

De uitgaven gerelateerd aan energie worden gedefinieerd op basis van de nationale rekeningen (CBS), wat weer is gebaseerd op de internationale richtlijnen volgens de European System of Accounts (ESA 2010) (Europese Commissie, 2013). De nationale rekeningen vormen dus de uitgangspositie voor het samenstellen van de benodigde kostenvariabelen.

Uitgaven versus kosten

Uitgaven en kosten worden vaak als synoniemen van elkaar gebruikt. Toch zit er een wezenlijk verschil tussen beide begrippen. Uitgaven zijn de daadwerkelijke betalingen die een bedrijf of een huishouden doet. In de boekhouding moeten uitgaven worden geboekt op het tijdstip dat ze daadwerkelijk plaatsvinden. Kosten daarentegen dienen te worden geboekt in de periode waarop de kosten betrekking hebben, en dat kan verschillen met het moment dat je daadwerkelijk de uitgave doet. Het verschil doet zich met name voor bij het registreren van investeringen. De uitgaven gerelateerd aan investeringen worden geboekt wanneer daadwerkelijk voor de investering wordt betaalt. Je boekt op dat moment echter niet direct het bedrag als kosten. Deze worden bepaald aan de hand van de afschrijvingen die afgeboekt worden over de levensduur van de investering. Op het moment dat iets wordt aangeschaft en direct wordt gebruikt, dan zijn de kosten gelijk aan de uitgaven. Vaak zijn de uitgaven dus gelijk aan de kosten. In dit rapport ligt in eerste instantie de focus op uitgaven, in een eventueel vervolg kunnen aan de hand van de kapitaalgoederenvoorraad van energie gerelateerde investeringen de afschrijvingen worden bepaald om de energie kosten nader te berekenen.

3. Investeringen in energie

Dit hoofdstuk geeft de technische toelichting op de tabel met betrekking tot de investeringen ten behoeve van de energiehuishouding (Tabel 4. Investeringen). De tabel omvat de investeringen in de totale Nederlandse economie, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen huishoudens en een aantal groepen bedrijfstakken die relevant zijn voor de energietransitie.

Bij het samenstellen van de investeringen in energie wordt onderscheid gemaakt tussen investeringen ten behoeve van:

  1. de productie van hernieuwbare energie;
  2. de productie van conventionele energie;
  3. de energienetwerken (bv. het elektriciteits- en gasnet);
  4. energiebesparing;
  5. mobiliteit.

Op termijn zou mogelijk ook onderscheid gemaakt kunnen worden naar investeringen in de opslag van energie, zoals investeringen in batterijen. Hier zijn nu geen cijfers over beschikbaar.

Bij investeringen ten behoeve van de productie van energie wordt onderscheid gemaakt tussen investeringen in conventionele energie en in hernieuwbare energie. Daarnaast worden investeringen energienetwerken meegenomen. Onder energiebesparing worden onder andere isolatiewerkzaamheden meegenomen, maar ook overige energiebesparende technieken waarin wordt geïnvesteerd door bedrijven. Onder de investeringskosten in energiesystemen, zoals zonnepanelen, windmolens of een kolencentrale, vallen niet alleen de kosten van het energiesysteem zelf, maar ook de gerelateerde bouw en installatiekosten. Tot slot zijn investeringen meegenomen in CO2-efficiënte mobiliteit, waaronder o.a. elektrische auto’s, spoorvervoer en binnenvaart vallen.

Recentelijk heeft Eurostat  richtlijnen opgesteld om te bepalen welke investeringen gerekend worden tot de investeringen in het beperken van klimaatverandering. Deze richtlijnen zijn voor Nederland toepast en in 2025 gepubliceerd2). Deze vormen de basis voor de cijfers over investeringen in energie. De methode bouwt voort op de eerdere ramingen zoals die eerder zijn gepubliceerd als onderdeel van de Klimaat- en energieverkenning (KEV, 2019). In grote lijnen komen de benaderingen overeen. De methode is waar nodig verbeterd en uitgebreid. Zo zijn investeringen in mobiliteit toegevoegd als aparte categorie. En er is nu extra informatie toegevoegd over wie de investeringen doet en zijn de investeringen verbijzonderd naar verschillende bedrijfstakken en huishoudens. Aangezien de statistiek nog in ontwikkeling is en in gevallen gebaseerd op subsidie data kan het zo zijn dat de weergegeven investeringscijfers niet volledig zijn.

3.1 Algemene toelichting investeringscategorieën

Bij de investeringen gaat het om investeringen in de bestaande energie-infrastructuur en in de energietransitie. Om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, zal onze manier van produceren en consumeren van energie drastisch moeten veranderen. Er zal een transitie moeten worden gemaakt naar CO2-neutrale productie en consumptie. Investeringen spelen een belangrijke rol in de klimaat- en energietransitie.

Het CBS heeft op basis van internationale richtlijnen gewerkt aan het opstellen van nieuwe statistieken over klimaatgerelateerde investeringen3). Klimaatgerelateerde investeringen zijn investeringen die erop gericht zijn de gevolgen van klimaatverandering te beperken door de uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer te voorkomen of te verminderen, en de opname en vastlegging van broeikasgassen vanuit de atmosfeer te vergroten. Van sommige investeringen, zoals windmolens en zonnepanelen, is duidelijk dat zij bijdragen aan het terugdringen van broeikasgasemissies, maar voor andere soorten investeringen is dat niet meteen helder. Eurostat  heeft richtlijnen opgesteld om te bepalen welke categorieën in Europees verband wel en niet tot klimaatgerelateerde investeringen worden gerekend.

Deze richtlijnen zijn ook toegepast bij het samenstellen van de cijfers voor Nederland die de basis vormen voor de investeringen in energie. In het onderstaande tabel in een overzicht gegeven van welke categorieën en subcategorieën zijn meegenomen in de investeringen in energie. De subcategorieën met bron ‘CCM’ (Climate Change Mitigation) zijn afkomstig van de statistiek over klimaatgerelateerde investeringen. Daar zijn vervolgens investeringen in productie en gebruik van fossiele energie aan toegevoegd (bron ‘x’ in de tabel). Onder de tabel wordt per categorie kort een toelichting gegeven welke investeringen er onder vallen.

Tabel 3.1.1
CategorieSubcategorieBron
Hernieuwbare energieBiobrandstoffen, groen gas, houtketels/kachelsCCM
WarmtepompenCCM
Waterstof en geothermieCCM
WindenergieCCM
Zonne-energieCCM
Conventionele energieCV-ketels x
Productie van energie
uit conventionele bronnen
(aardgas, aardolie, kernenergie)
x
EnergiebespraringEnergiebesparingCCM
NetwerkenElektriciteitsnetwerkCCM
Gasnetwerkenx
WarmtenetwerkCCM
Waterstofnetwerk en smart grids & opslagCCM
MobiliteitElektrische en hybride personenauto'sCCM
Fietsen en elektrische fietsenCCM
Goederenvervoer over binnenwaterCCM
Goederenvervoer per treinCCM
Havens en overslagCCM
Infrastructuur binnenwaterCCM
Infrastructuur spoorCCM
LaadpalenCCM
Openbaar vervoerCCM
Overig elektrisch wegvervoerCCM

Hernieuwbare energie

Hernieuwbare energie is energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit zijn wind, zon, bodem, buitenluchtwarmte, waterkracht en biomassa. Het gaat met name om investeringen in kapitaalgoederen die de productiecapaciteit vergroten voor het produceren van hernieuwbare elektriciteit en/of warmte. Bekende voorbeelden zijn zonnepanelen, windmolens en warmtepompen. Verder zijn investeringen in geothermie, groen gas, houtkachels en biomassaketels, biobrandstoffeninstallaties en groene waterstof meegenomen onder overige hernieuwbare energie. Een deel van de productie van hernieuwbare energie uit biomassa vindt plaats door bij- en meestook van biomassa in bestaande elektriciteitscentrales en afvalverbrandingsinstallaties. Investeringen gerelateerd aan deze activiteiten zijn in deze publicatie vooralsnog buiten beschouwing gelaten.

Conventionele energie

Een groot deel van de investeringen in conventionele energie wordt bepaald op basis van de investeringen door drie bedrijfstakken, namelijk ‘winning van aardolie en aardgas (SBI 06)’, ‘vervaardiging van cokesovenproducten en aardolieverwerking (SBI 19)’ en ‘productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht (SBI 35)’. De investeringen uit de twee eerstgenoemde bedrijfstakken (SBI 06 en 19) worden volledig meegenomen als energie gerelateerde investeringen. De investeringen uit de laatstgenoemde bedrijfstak (SBI 35) worden gesplitst in conventionele energie, hernieuwbare energie en distributie van energie (i.e. netwerken). Naast de investeringen door deze drie bedrijfstakken worden ook investeringen in cv-ketels en radiatoren als aparte subcategorie meegenomen bij de investeringen in conventionele energie.

Netwerken

Energienetwerken voor elektriciteit, gas, warmte en waterstof vallen binnen de scope. Elektrificatie van processen en systemen, zoals bij vervoer en verwarming, is een belangrijke manier om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de klimaatdoelen te halen. De uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnetwerk is een voorwaarde voor de verdere elektrificatie van de samenleving. Dit is nodig om bijvoorbeeld de groei van het aantal laadpalen voor elektrisch vervoer en zonnepanelen te kunnen faciliteren.

Bij warmtenetwerken wordt gebruik gemaakt van restwarmte van de industrie en afvalverbranding om bijvoorbeeld woningen te verwarmen. De warmtebron is hierbij vaak nog wel fossiel, bijvoorbeeld warmte afkomstig uit de chemische industrie of staalindustrie. Wel maken warmtenetwerken het benutten van duurzame alternatieven mogelijk, zoals warmte uit geothermie en biomassa.

Voor de industrie is niet alleen elektrificatie maar ook het gebruik van waterstof als energiedrager belangrijk. Investeringen in het waterstofnetwerk zijn daarom ook opgenomen in dit thema. Tenslotte vallen ook energieopslag en investeringen in smart grids onder dit thema.

Energiebesparing

Onder energiebesparing vallen investeringen in energie-efficiëntie. Deze investeringen zorgen ervoor dat er minder energie nodig is voor hetzelfde resultaat. Hier gaat het om investeringen voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van woningen, gebouwen en productieprocessen. Investeringen in energie-efficiëntie van vervoer vallen onder de categorie mobiliteit.

Het belangrijkste deel van de investeringen in energiebesparing gaat het om isolatiemaatregelen voor het verbeteren van de energieprestatie van woningen en gebouwen. Het betreft de materiaal- en installatiekosten voor het aanbrengen van isolatiemateriaal en/of het plaatsen van HR-glas voor zowel nieuwbouw als renovatie van bestaande bouw.

Daarnaast gaat het om investeringen in allerlei technische voorzieningen voor het verbeteren van de energie-efficiëntie of warmte-efficiëntie van het productieproces van bedrijven. Dit kan bijvoorbeeld gaan om automatische meet- en regelapparatuur, energiezuinigere apparatuur of het aanbrengen van LED-verlichting. Ook technische oplossingen die energieverspilling tegengaan in het productieproces van bedrijven vallen hieronder, bijvoorbeeld het verminderen van warmte- of koellast mogelijk maken van of warmtehergebruik. Bij warmte-efficiëntie gaat het om specifieke investeringen van bedrijven in het energiezuiniger maken van het koelen of verwarmen van binnenlucht. Het gaat voornamelijk om koude- of warmteterugwinningssystemen uit ventilatielucht. Daarnaast vallen bijvoorbeeld energie-efficiënte koelsystemen hieronder, zoals koel- en/of vriesinstallaties met uitsluitend CO2 als koudemiddel.

Mobiliteit

Bij de categorie mobiliteit gaat het om allerlei investeringen die gericht zijn om mobiliteit CO2-neutraal of CO2-efficiënter te maken. In de eerste plaats zijn dit investeringen gericht op de overstap van fossiele brandstoffen naar duurzame alternatieven. Bij vervoer gaat het hier om de omslag van traditionele benzine- of dieselvoertuigen naar volledig elektrische of hybride voertuigen. Ook investeringen in de benodigde laadpaalinfrastructuur worden meegenomen. Daarnaast zijn ook andere vormen van transport belangrijk als het gaat om het verminderen van de CO2-uitstoot. Zo stoten openbaar vervoer en goederenvervoer per spoor en water minder emissies uit per passagier of ton-kilometer dan traditioneel vervoer over de weg. In de Europese richtlijnen wordt openbaar vervoer en goederenvervoer over spoor en water expliciet benoemd om mee te nemen onder klimaatgerelateerde investeringen. Hierbij worden zowel investeringen in voertuigen (bussen, treinen, binnenvaartschepen etc.) als infrastructuur meegenomen (railinfrastructuur, havens, vaarwegen). Tot slot is de aanschaf van fietsen meegenomen, inclusief elektrische fietsen. 

3.2 Bronnen en methode

In de uitwerking van de investeringen in energie vormt de CBS-publicatie ‘Investeringen in activiteiten ter beperking van klimaatverandering’ de basis (CBS, 2025)3). Hierin is volgens internationale richtlijnen een uitwerking gemaakt van welke investeringen gerekend worden tot de investeringen in het beperken van klimaatverandering.

Voor het meten van de investeringen is zo goed mogelijk aangesloten bij definities zoals deze gehanteerd worden bij de Nationale rekeningen. Het gaat om investeringen in bruto vaste activa, dat zijn uitgaven aan productiemiddelen die langer dan een jaar worden gebruikt in het productieproces, zoals gebouwen, machines en apparatuur, en vervoermiddelen. Hier vallen ook uitgaven aan groot onderhoud onder, maar investeringen in grond en tweedehands artikelen worden niet meegenomen. Waar wijken we in deze meting af van de gebruikelijke definities van de Nationale rekeningen?

  • Binnen de Nationale rekeningen kunnen huishoudens (exclusief zelfstandigen) alleen investeringen doen in woningen. De aanschaf van duurzame consumptiegoederen, zoals bijvoorbeeld een personenauto, valt onder de ‘consumptieve bestedingen’. Echter in de context van klimaatgerelateerde investeringen is in de Europese richtlijnen expliciet opgenomen dat huishoudens een belangrijke rol spelen in het tegengaan van klimaatverandering. De aanschaf van een elektrische personenauto of een warmtepomp wordt daarom wel meegenomen in de meting van de investeringen in energie.
  • Investeringen in software zijn niet meegenomen, omdat die niet goed geraamd konden worden in de ontwikkelde methodologie van de klimaatgerelateerde investeringen.
  • Normaliter worden zelfstandigen geschaard onder de sector huishoudens. In deze statistiek zijn zij geschaard onder bedrijven.

De belangrijkste databronnen die gebruikt zijn in het meten van de investeringen zijn:

Nationale Rekeningen

De Nationale rekeningen bevatten informatie over de totale investeringen per bedrijfstak. De totale investeringen door energiegerelateerde bedrijfstakken ((SBI) 06, 19 en 35) worden hieruit afgeleid. Op basis van de onderliggende brongegevens uit de investeringsstatistiek op bedrijfsniveau is vervolgens binnen SBI 35 een uitsplitsing gemaakt naar hernieuwbare energie, conventionele energie en netwerken.

Daarnaast is op basis van de aanbod- en gebruiktabellen van de Nationale Rekeningen  het verbruik van de goederengroep ‘CV-ketels en radiatoren’ als bron gebruikt voor het ramen van een deel van de investeringen in conventionele energie.

Investeringsstatistiek

Voor de meeste categorieën is deze statistiek leidend. In deze statistiek zijn de jaarlijkse investeringen van bedrijven in vaste activa opgenomen, met een onderscheid tussen nieuw en tweedehands. Ook geeft deze statistiek inzicht in investeringen in onderhanden werk.

Energiestatistieken

Investeringsdata voor hernieuwbare energie worden geraamd op basis van fysieke gegevens (bijgeplaatst vermogen) uit de energiestatistieken voor zonne-energie, windenergie, warmtepompen, houtkachels en biomassaketels van bedrijven.

Vervoersstatistieken

Aantallen nieuw aangeschafte elektrische voertuigen en informatie over de gemiddelde prijs zijn gebruikt voor het bepalen van investeringen in elektrisch vervoer over de weg. Gebruikmakend van de vervoersstatistieken is een verdeelsleutel opgesteld tussen elektrische en niet elektrische nieuw geregistreerde voertuigen.

Overheidsstatistieken

Voor investeringen van de overheid in infrastructurele projecten is gebruik van financiële informatie van de centrale overheid uit de Rijksdatabase.

Subsidieregelingen m.b.t. hernieuwbare energie en energie-efficiëntie

Voor investeringsbedragen van bedrijven in hernieuwbare energie (groen gas, geothermie), en energiebesparing (o.a. energie-efficiëntie, warmtenetwerken, waterstof, smart grids, en biobrandstoffen) is gebruik gemaakt van informatie van verschillende subsidieregelingen afkomstig van RvO (SDE+, EIA). Verdeling van deze investeringen naar bedrijfstak zijn gebaseerd op een verdeelsleutel vanuit de subsidie data.

Prijsinformatie m.b.t. investeringskosten in hernieuwbare energie

Per investeringscategorie in hernieuwbare energie zijn op basis van de jaarlijkse PBL-rapportage ‘Eindadvies basisbedragen SDE+’ (2021) de investeringskosten van bedrijven vastgesteld. De investeringskosten van huishoudens voor zonnepanelen en warmtepompen zijn gebaseerd op informatie van Milieucentraal

Marktinformatie bouwinstallatiebranche

Gedetailleerde marktinformatie over de materiaal- en installatiekosten en de toepassing van isolatiemateriaal en dubbel glas door de bouwinstallatiebranche uit verschillende bronnen (ECN, Builtsight).

4. Uitgaven in energie

  • Tabel 1 Uitgaven naar type energiedrager, 2023 (mln euro, excl. btw).
  • Tabel 2 Uitgaven energie verbijzonderd naar belastingen en heffingen, 2023 (mln euro, excl btw).
  • Tabel 3 Uitgaven naar type energiedrager en belastingsoort, 2021-2023 (mln euro, excl. btw).

Deze paragraaf geeft de technische toelichting op de tabellen met uitgaven naar energieproducten (de energiemix), naar soort energie gerelateerde belasting. De tabellen omvatten de sector huishoudens en zijn verbijzonderd naar bedrijfstakken volgens een groepering die relevant is voor de energietransitie. Deze groepering is gekozen om de tabellen overzichtelijk te houden, een gedetailleerdere uitsplitsing naar bedrijfstakken is mogelijk, onder voorbehoud van geheimhouding en datakwaliteit.

4.1 Bronnen en definities

Brondata

Nationale Rekeningen (NR), 2021-2023. De cijfers zijn gebaseerd op de NR-revisie 2021.

Voor de verdeling van de emissierechten over de bedrijfstakken is gebruik gemaakt van openbare jaarlijkse gegevens van de Nederlandse emissie-autoriteit (Nea) over de uitstoot en de toegewezen gratis emissierechten per vergunninghouder (periode 2005-2023). Deze zijn gekoppeld aan bedrijfstakken via het ABR (Algemeen Bedrijven Register) van het CBS. Op basis daarvan heeft een actualisatie en verbetering plaatsgevonden van de cijfers over het verbruik van emissierechten in de Nationale Rekeningen.

Energiebelasting (en ODE) wordt geheven op het verbruik van aardgas en elektriciteit. Op de energierekening staat ook de “vermindering op energiebelasting”. Deze vermindering op energiebelasting wordt sinds de NR revisie 2021 niet meer geregistreerd als belastingitem maar als inkomensoverdracht (huishoudens) of subsidie (bedrijven), en als zodanig niet meer apart terug te vinden in de NR cijfers. Voor de kosten van de energietransitie is echter van belang om de daadwerkelijk betaalde (ofwel netto) bedragen in kaart te brengen. Er is daarom een inschatting gemaakt van de vermindering op energiebelasting voor bedrijfstakken en huishoudens in de betreffende periode. De basis van deze schatting is de grondslag van de vermindering: het aantal elektriciteitsaansluitingen. Het grootste deel van de vermindering gaat naar huishoudens (90 procent), de rest komt bij bedrijven terecht. De vermindering wordt in de gepresenteerde cijfers overigens niet verdeeld over aardgas en elektriciteit.

Verbruik

De uitgaven aan energie bestaan uit de kosten van inkopen van energiedragers. Hierin zijn inbegrepen: inkoop van energiedragers tegen basisprijzen; net- en loondiensten energie; energiegerelateerde belastingen, heffingen en accijnzen; emissierechten; (handels- en vervoers)marges en invoerrechten. Ook bepaalde kosten van investeringen en voorraadvorming zijn meegenomen en naar inzicht verdeeld over de bedrijfstakken en huishoudens.5) In Tabel 2 met belastingen en heffingen zijn cijfers voor de vermindering op energiebelasting en de impact ervan op totale kosten toegevoegd (laatste vier kolommen). Alle energiekosten zijn exclusief btw weergegeven.

Sectoren

  • Huishoudens = consumptie ingezetenen (directe en indirecte binnenlandse bestedingen, en import, i.e. inkopen motorbrandstoffen door huishoudens in het buitenland).
  • Bedrijven = SBI sectie A t/m N (landbouw, industrie en commerciële diensten)
  • Energiesector = SBI B06 (aardgas/oliewinning), C19 (aardolieproductenindustrie) en D35 (productie/handel en distributie energie)
  • Maakindustrie (excl. aardolieproducten) = SBI C industrie exclusief C19 (aardolieproductenindustrie)
  • Landbouw en overige nijverheid (excl. olie/gaswinning) = SBI A (landbouw), B (winningdelfstoffen) excl. B06, E (water en afval) en F (bouwnijverheid)
  • Commerciële diensten = SBI G t/m N (handel, vervoer, horeca, ICT, financiële instellingen, zakelijke diensten)
  • Niet-commerciële diensten = SBI sectie O t/m S (openbaar bestuur, onderwijs, zorg en overige (semi)publieke diensten)

4.2 Energieproducten, netdiensten en emissierechten

Tabel 1 toont het verbruik van energieproducten. Hieronder zitten alle NR goederengroepen gerelateerd aan energie: energiedragers, netdiensten en emissierechten. De kosten voor net- en loondiensten energie en emissierechten zijn in de NR niet op te splitsen naar energiedrager; daarom staan deze posten in aparte kolommen in de tabel.

Energiedragers

De laatste kolom in onderstaande tabel geeft aan welke energiedragers huishoudens verbruiken, in de regel verbruiken niet-commerciële diensten dezelfde energiedragers. Bedrijven verbruiken energie uit alle getoonde goederengroepen.

Tabel 4.1
Energiedrager in Tabel 1Betreft NR goederengroep Verbruik door huishoudens
Kolen en koolproductenSteen-/bruinkool
Cokesovenproducten
Hoogovengas
AardoliegrondstoffenAardolie ruw
Aardgascondensaat
MotorbrandstoffenBenzinex
Jetfuel
Bunker. Jetfuel
Dieselx
Bunker. Diesel
Stookolie
Bunker. stookolie
Autogas (lpg)x
Overige aardolieproductenNafta's
Gasolie grondst.
Gasolie verwarming
Petroleumx
Smeeroliex
Vloeib.PropaanButaanx
Overige gassen
Briket&ov.aardolieprx
Loondnst aardoliepr.
AardgasAardgasx
ElektriciteitElektriciteitx
WarmteStoom/Ww/Stadsverw.x
Net- en loondnst energieNetdienstenx
Loondnst energie
EmissierechtenEmissierechten

Net- en loondiensten

De net- en loondiensten voor energievoorziening zijn gerelateerd aan energiedragers gas, elektriciteit en warmte.

Emissierechten

De emissierechten zijn het saldo van ingeleverde rechten en gratis rechten. Bedrijven die deelnemen aan het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) moeten voor elke ton CO2 die zij uitstoten een emissierecht inleveren, om daarmee de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Sinds 2011 heeft de overheid inkomsten in verband met veilingen van emissierechten, maar het ETS bestaat al langer. De afgelopen jaren zijn de veilinginkomsten van de overheid sterk toegenomen. In fase 3 van ETS (2013-2020) kregen bedrijven beduidend minder gratis rechten en hebben zij meer rechten moeten inkopen op de veiling. In 2019 is de marktstabiliteitsreserve (MSR) in werking getreden om het aantal emissierechten in omloop te stabiliseren. De prijs van emissierechten is derhalve flink toegenomen. Fase 4 (2021-2030) van het ETS richt zich op het behalen van het EU-doel van een 55% reductie in emissies tegen 2030 ten opzichte van 1990-niveaus. Er vindt een versnelde afbouw plaats van de emissieplafonds in ETS en verhoogd gebruik van veilingen. De uitgifte van gratis emissierechten wordt afgebouwd tot 0 procent in 2034. Ook vallen meer sectoren en activiteiten onder het ETS.

De totalen van emissierechten sluiten aan bij de overheidscijfers in de NR. Internationaal is afgesproken dat emissierechten als een niet-productgebonden belasting wordt geregistreerd. Het verbruik van emissierechten per bedrijfstak wordt afgeleid aan de hand van het aantal ingeleverde rechten. De lopende (en grensoverschrijdende) handel in emissierechten en de eventuele winsten of verliezen die daarmee worden geboekt, zijn niet bekend en blijven buiten beschouwing. Het kan dus heel goed voorkomen dat in de NR wordt geregistreerd dat een bedrijfstak een belasting betaalt terwijl in feite geld verdiend wordt aan de verkoop van gratis ontvangen emissierechten. In totaal ontvangen bedrijven iets minder dan de helft van de emissierechten gratis. Vanaf fase 3 van ETS (2013-2020) ontvangen energiebedrijven geen gratis emissierechten meer, maar de industrie nog wel ter compensatie van het koolstofweglekrisico. Dit om te voorkomen dat een bedrijf productie verplaatst naar buiten de EU vanwege de kosten van EU ETS. Op termijn verdwijnen de gratis emissierechten ook voor de industrie.

De cijfers van het verbruik van emissierechten per bedrijfstak in Tabel 1 (en zo ook in Tabellen 2 en 3) wijken af van de NR. Om beter recht te doen aan de werkelijke kosten voor bedrijven zijn namelijk in een voorlopige herijking ook de gratis rechten meegenomen. Hierdoor blijken bepaalde bedrijfstakken eigenlijk meer kosten te hebben moeten maken voor emissierechten (zoals energiebedrijven), en andere juist minder. In de ‘Overige maakindustrie (excl. aardolieproducten)’ is daarbij zelfs sprake van negatieve kosten doordat er meer gratis rechten zijn toegewezen ten opzichte van de gerealiseerde CO2 uitstoot. De totaalcijfers sluiten aan op de veilinginkomsten van de overheid. Handelsinkomsten en ook eventuele btw op emissierechten zijn niet meegenomen.

4.3 Productgebonden belastingen

Tabel 2 toont belastingen en heffingen gerelateerd aan energie uit de NR. Daarnaast staan er gegevens in over de netdiensten en emissierechten, en (separaat) de vermindering op energiebelasting. Deze zijn niet te verbijzonderen naar energiedrager. De kolom ‘Verbruik’  is gelijk aan het totaal minus de net- en loondiensten, belastingen en emissierechten. Verbruik omvat de inkopen tegen basisprijzen, incl. (handels- en vervoers)marges en invoerrechten. Marges en invoerrechten zijn ten hoogste 5% van het totaal uitgaven. Voor de overzichtelijkheid zijn deze meegenomen in de kolom 'verbruik' in plaats van ze apart te zetten.

Op de data voor huishoudens uit de Input-Output Tabellen wordt een correctie uitgevoerd voor de belastingen op de export van aardgas, elektriciteit, benzine en diesel: de energiebelasting, ODE en accijnzen. Dit gebeurt omdat het totaal aan belastingen en heffingen altijd overeen moet komen met de officiële statistiek voor overheidsinkomsten. Verder is er voor de bedrijvensector ook een correctie gemaakt voor brandstoffenbelastingen in 2022. Deze correcties worden ook gemaakt voor de tabel “Milieubelastingen en -heffingen” op Statline, de open database van het CBS (zie https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/86107NED/table?dl=CA498)

Energiebelasting en ODE

Heffing op aardgas, elektriciteit en andere verwarmingsbrandstoffen (huisbrandolie, petroleum, lpg voor zover niet gebruikt voor het aandrijven van motorrijtuigen en pleziervaartuigen). Ook de Opslag Duurzame Energie (ODE), een heffing op het verbruik van aardgas en elektriciteit, zit erbij inbegrepen.

Accijns en brandstoffenbelasting

Accijns is de belasting op verbruik van benzine en overige brandstoffen. De brandstoffenbelasting is een heffing voor de aflevering of het gebruik van kolen. Die belasting is grotendeels verdwenen na de invoering van de Europese richtlijn Energiebelastingen per 1 januari 2004. Alleen voor kolen, waar een wetswijziging binnen een korte termijn niet mogelijk was, bleef de brandstoffenbelasting voorlopig bestaan, maar is nu nagenoeg nul.

De laatste kolom in onderstaande tabel geeft aan wat huishoudens betalen aan belastingen, in de regel betalen niet-commerciële diensten dezelfde belastingen. Bedrijven betalen belastingen voor alle getoonde goederengroepen.

Tabel 4.2
Belasting in Tabel 2Betreft NR goederengroepBelasting voor huishoudens
Energiebelasting/ODEAardgasx
Elektriciteitx
Accijns Benzinex
Dieselx
Gasolie verwarming
Petroleumx
Stookolie
Autogas (lpg)x
BrandstoffenbelastingSteen-/bruinkool

4.4 Kanttekeningen

Verbruik

In de NR is bij bedrijven geen onderscheid mogelijk tussen inkoop ten bate van eigen verbruik en inkoop van energiedragers als input in productie/verdere bewerking en handel (gebruik). Met name bij de aardolie-industrie en energiebedrijven is het grootste deel van inkoop van energiedragers bestemd voor verdere bewerking of omzetting in productie. In de tabellen is wel onderscheid gemaakt naar aardoliegrondstoffen, motorbrandstoffen en overige aardolieproducten. Daarnaast is het zo dat een klein deel van de zelf geproduceerde energiedragers verbruikt wordt binnen de bedrijfstakken zelf. Ook dit kan niet rechtstreeks uit de NR cijfers afgeleid worden.

Niet-energetische producten

Met de NR cijfers voor energiedragers is het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen energetisch en niet-energetisch gebruik binnen een bepaalde goederengroep. Briketten bijvoorbeeld kunnen gezien worden als energetisch product, maar overige aardolieproducten zoals bitumen voor asfaltering van wegen niet. Deze twee producten vallen echter binnen één goederengroep in de NR, en een goederengroep is niet opsplitsbaar.

Hernieuwbare energie

Daarnaast zijn in de NR beperkt gegevens beschikbaar over 'hernieuwbare' energiedragers, zoals biomassa en biobrandstoffen. Dit moet in de toekomst nader worden uitgezocht. Ook speelt de vraag bij elektriciteit en warmte hoe deze zijn gegenereerd, maar dit wordt niet gemeten in de NR. De huidige fysieke energiegegevens van het CBS meten dit wel, zoals de energiebalans.

Belastingen en emissierechten

Verder moet benadrukt worden dat in de NR cijfers voor de verdeling van de vermindering op energiebelasting en de emissierechten over de bedrijfstakken niet af te leiden zijn (de vermindering) of niet de werkelijke kosten representeren (emissierechten). Daarom zijn er buiten de NR om schattingen gemaakt van deze posten, om de werkelijke netto kosten in kaart te kunnen krijgen. Het totaal aan emissierechten en totaal aan vermindering op energiebelastingen zijn wel te herleiden naar de NR databronnen. Tot slot is de verdeling van de (belasting)tarieven naar verbruiker vastgesteld op basis van (gereviseerde) niveaus van peiljaar 2021. De tarieven in de jaren daarna worden verdeeld naar rato van het jaar ervoor. Daarom is voorzichtigheid geboden bij interpretatie van de ontwikkeling van de tarieven over de jaren heen.

Subsidies

De door gebruikers (bedrijven en huishoudens) daadwerkelijk ontvangen energie gerelateerde productgebonden subsidies zijn niet voorhanden in de input-output tabellen (IOT), in tegenstelling tot de betaalde (productgebonden) belastingen en accijnzen. De NR heeft gegevens over een specifieke subsidie op elektriciteit. Dit is subsidie op duurzame energie, ofwel de regelingen MEP, SDE en SDE+, en SDE++, vooral voor windparken. Deze subsidie wordt echter alleen door producenten ontvangen, niet door gebruikers van elektriciteit (bedrijven of huishoudens). Door de SDE regeling zijn elektriciteitsproducenten wel in staat om tegen een lagere prijs groene stroom te leveren aan hun klanten, wat zich dan uit in de inkoopkosten van deze klanten. De gebruikers van energie ontvangen zeer waarschijnlijk wel energiegerelateerde niet-productgebonden energiesubsidies, maar dit is niet af te leiden uit de NR. Bij het CBS (Milieurekeningen en Energiestatistieken) zijn verschillende statistieken in ontwikkeling over milieusubsidies waaronder energie-gerelateerde subsidies.

5. Conclusie

Deze technische toelichting met bijbehorende tabellenset bevat de eerste voorlopige resultaten van werkpakket 1 van het programma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK). In dit onderzoek is een eerste stap gezet om inzicht te krijgen in het kostenplaatje van de Nederlandse energiehuishouding, waarbij veel aandacht is uitgegaan naar de verdeling van de uitgaven en kosten tussen de verschillende actoren. Dit onderzoek toont dat een groot deel van dit kostenplaatje reeds inzichtelijk gemaakt kan worden op basis van de macro-economische statistieken van het CBS, maar ook dat bepaalde aspecten nog niet volledig in beeld zijn en dat uitgebreider onderzoek nodig is om de kwaliteit en granulariteit van de data verder te verbeteren.

Een belangrijke stap is om de realisaties (CBS) en de modelberekeningen voor prognoses en beleidsanalyses (PBL en TNO) goed op elkaar aan te laten sluiten. Onder andere daarom wordt in werkpakket 1 gelijktijdig gewerkt aan een notitie over de ‘Kosten en scope van het energiesysteem’. In deze notitie zullen de gehanteerde scope, definities, classificaties en kostenbegrippen uitgebreider worden uitgewerkt. Ook zal de databehoefte verder moeten worden gespecificeerd en zal worden onderzocht of de realisaties hier op aan kunnen sluiten.

Het CBS zal in 2026 verder werken aan bovengenoemde punten. Centraal hierin staan het uitbreiden van de huidige dataset met ontbrekende gegevens en langere tijdreeksen, het verbeteren van de kwaliteit en de granulariteit van de gegevens en het verbeteren van de aansluiting op de modelberekeningen om zo goed mogelijk te voorzien in de beleidsbehoeften.

Referenties

European Commission (2013), European system of accounts, ESA 2010, Luxembourg: Eurostat.

Lensink, S. & K. Schoots (red.) (2021), Eindadvies basisbedragen SDE++ 2021, Den Haag: PBL.

Schoots, K. & P. Hammingh (2019), Klimaat- en Energieverkenning 2019, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.