CBS brengt mobiliteit van Nederlanders in kaart

29-5-2015 12:00 / Auteur: Masja de Ree
Het onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OViN) levert een schat aan informatie over wanneer, hoe én waarom inwoners van Nederland zich verplaatsen van A naar B. De data worden gebruikt om landelijk beleid te maken en toetsen. Dankzij de mogelijkheid ‘meerwerk’ aan te vragen, kunnen regio’s en provincies ook op lokaal niveau gebruik maken van het OViN.

Praktijk

Het OViN is een relatief groot onderzoek met 35 000 respondenten. Zij houden hun verplaatsingen gedurende één dag bij. Met die gegevens legt CBS, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, het verplaatsingspatroon van de bewoners van Nederland vast. Op basis van het OViN wordt beleid gemaakt. Het speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol in de discussie hoe we de files kunnen verminderen. Heeft het effect dat die snelweg verbreed is? En leidt al het geld dat we investeren in openbaar vervoer tot meer reizigers in de trein, bus of tram?’

Lokale resultaten vergelijken

In de komende drie jaar voert CBS een aantal veranderingen door in het OViN. Zo is de wijze waarop het meerwerk wordt uitgevoerd aangepast. Partijen die dat willen, bijvoorbeeld regio’s en provincies, kunnen vragen om meerwerk. Tegen betaling neemt CBS dan extra respondenten op uit een bepaald gebied. Op die manier ontstaan gedetailleerdere regionale cijfers. Maico Hoksbergen, accountmanager van CBS: ‘De aanpassing die we doorvoeren, maakt het mogelijk dat regio’s hun cijfers over mobiliteit beter kunnen vergelijken met andere regio’s en de landelijke cijfers. Dat is voor de gebruikers heel belangrijk. We komen hiermee tegemoet aan hun behoeften.’

Hoe kunnen we de files verminderen? Heeft het effect dat die snelweg verbreed is?

Nieuwe werkwijze

De veranderingen hebben voor sommige gebruikers ook een minpuntje. CBS en Rijkswaterstaat hebben besloten dat voortaan alleen een landelijke steekproef wordt getrokken en niet zoals vroeger nog een aparte steekproef voor de acht provincies met de minste inwoners. Hoksbergen: ‘Door de nieuwe werkwijze zou dat lastiger zijn en bovendien stelt Rijkswaterstaat dat het OViN in de eerste plaats een onderzoek over de verplaatsingen in heel Nederland moet zijn.’ Het gevolg voor minder bevolkte provincies is echter dat uit hun regio minder respondenten in het onderzoek vertegenwoordigd zijn. Daardoor kunnen zij op lokaal niveau minder met de cijfers. Hoksbergen: ‘Dat is op te lossen door meerwerk aan te vragen. Dankzij onze nieuwe werkwijze is dat goedkoper geworden. Bovendien stimuleren we geïnteresseerden om consortia te vormen en gezamenlijk een beroep op ons te doen. Dat scheelt aanzienlijk in de kosten.’

Gebruiker denkt mee

In februari van dit jaar organiseerde CBS samen met DANS (Data Archiving and Networked Services) en het ministerie van Infrastructuur en Milieu een symposium. Daar werden de aankomende veranderingen in het OViN nader toegelicht. Hoksbergen: ‘Er waren zo’n negentig aanwezigen, afkomstig van gemeentes, provincies, vervoersbedrijven, onderzoeksbureaus en universiteiten. We wilden échte interactie met de zaal en hun mening over onze plannen weten. Dat werkte.’

Heeft u interesse in de mogelijkheden voor meerwerk bij het OViN? Stuur dan een mail naar Maico Hoksbergen: m.hoksbergen@cbs.nl