Kerngegevens sectoren; nationale rekeningen

Kerngegevens sectoren; nationale rekeningen

Perioden Totaal binnenlandse sectoren Bruto binnenlands product marktprijzen (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Verbruik van vaste activa (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Exploitatieoverschot en gemengd inkomen (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Nationaal inkomen (bruto) (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Beschikbaar nationaal inkomen (bruto) (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Nationale besparingen (bruto) (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Investeringen (bruto) (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Nationaal vorderingensaldo (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Saldo kredieten aan private sector (% bbp) Totaal binnenlandse sectoren Krediet aan private sector, ultimo stand (% bbp) Totaal binnenlandse sectoren Arbeidsvolume werkzame personen (1000 arbeidsjaren) Niet-financiële vennootschappen Bruto toegevoegde waarde (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Exploitatieoverschot (bruto) (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Brutowinst vóór belasting (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Winst van buitenlandse dochters (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Winstquote (% toegevoegde waarde) Niet-financiële vennootschappen Investeringsquote (% toegevoegde waarde) Niet-financiële vennootschappen Arbeidsvolume werknemers (1000 arbeidsjaren) Financiële instellingen Bruto toegevoegde waarde (mln euro) Financiële instellingen Bruto winst vóór belasting (mln euro) Financiële instellingen Winst van buitenlandse dochters (mln euro) Financiële instellingen Financieel vermogen (mln euro) Financiële instellingen Ontvangen inkomen uit vermogen (% totaal vorderingen) Financiële instellingen Betaald inkomen uit vermogen (% totaal schulden) Financiële instellingen Liquiditeit ratio monetaire instellingen (%) Financiële instellingen Financiële activa pensioenfondsen (mln euro) Financiële instellingen Arbeidsvolume werknemers (1000 arbeidsjaren) Overheid geconsolideerd Totaal inkomsten (% bbp) Overheid geconsolideerd Belasting- en premieontvangsten (% bbp) Overheid geconsolideerd Totaal uitgaven (% bbp) Overheid geconsolideerd Overheidsschuld (EMU) (% bbp) Overheid geconsolideerd Overheidssaldo (EMU) (% bbp) Overheid geconsolideerd Arbeidsvolume werknemers (1000 arbeidsjaren) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Exploitatieoverschot en gemengd inkomen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Gemengd inkomen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Beschikbaar inkomen (bruto) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Reëel beschikbaar inkomen (netto) (% volumemutaties) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Alternatief beschikbaar inkomen (bruto) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Consumptieve bestedingen (bruto) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Vrije / individuele besparingen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Spaarquote (% beschikbaar inkomen) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Investeringsquote (% beschikbaar inkomen) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Spaartegoeden en overige deposito's (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Verzekerings- en pensioenregelingen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Voorzieningen pensioenverzekeringen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Woninghypotheken (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Saldo opgenomen en afgeloste hypotheken (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Arbeidsvolume werknemers (1000 arbeidsjaren) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Arbeidsvolume zelfstandigen (1000 arbeidsjaren) Buitenland Aandeel uitvoeroverschot in bbp (% bbp) Buitenland Uitvoeroverschot (mln euro) Buitenland Saldo primaire inkomens buitenland (mln euro) Buitenland Saldo inkomensoverdrachten buitenland (mln euro) Buitenland Saldo kapitaaloverdrachten buitenland (mln euro) Buitenland Saldo lopende rekening (mln euro) Buitenland Extern vermogen (mln euro) Buitenland Extern vermogen; marktwaarde (mln euro)
2021 1e kwartaal* 203.160 36.087 89.844 209.750 207.454 73.554 45.605 27.913 -0,9 236,2 . 116.533 51.015 69.706 17.739 43,8 19,6 . 11.575 10.053 3.873 -1.061 0,9 0,5 27,6 1.862.226 . 44,1 39,3 49,1 55,1 -5,1 . 26.212 20.292 100.678 1,6 135.688 81.629 19.049 23,0 13,8 404.992 1.987.684 1.797.573 758.587 6.648 . . 11,6 23.586 6.590 -2.227 -13 27.949 812.781 897.943
2021 2e kwartaal* 220.430 36.460 86.104 225.712 223.677 76.249 48.850 27.943 2,6 231,5 . 127.365 46.646 69.302 18.749 36,6 18,4 . 10.930 9.927 3.313 42.255 1,0 0,6 28,1 1.926.147 . 44,0 39,1 47,5 54,1 -3,5 . 27.672 21.496 125.091 3,1 164.556 90.657 34.434 31,5 11,9 412.211 2.000.090 1.809.912 767.128 8.542 . . 10,9 24.087 5.282 -1.970 35 27.399 841.691 941.315
2021 3e kwartaal* 217.899 36.831 99.224 222.931 221.299 71.560 45.930 25.708 2,9 227,7 . 127.082 58.406 78.038 17.997 46,0 15,3 . 10.442 9.150 2.667 15.380 1,0 0,6 28,8 1.915.793 . 43,8 38,8 46,9 52,2 -3,1 . 28.747 22.424 106.654 2,8 144.662 94.792 11.862 16,4 12,7 410.479 2.002.704 1.812.146 777.751 10.621 . . 10,2 22.173 5.032 -1.575 -39 25.630 755.212 899.768
2021 4e kwartaal* 229.098 37.336 98.845 226.110 225.377 71.559 47.075 24.510 9,6 223,7 . 131.185 57.727 82.148 21.887 44,0 17,9 . 10.881 11.298 3.208 97.543 1,1 0,6 27,3 1.963.984 . 43,8 38,8 46,1 51,7 -2,2 . 29.065 22.629 112.906 2,3 153.009 93.832 19.074 20,9 12,7 408.758 2.005.746 1.814.645 785.477 7.718 . . 12,3 28.132 -2.988 -660 26 24.484 812.567 970.450
2021* 870.587 146.714 374.017 884.503 877.807 292.922 187.460 106.074 9,6 223,7 7.859 502.165 213.794 299.194 76.372 42,6 17,7 4.941 43.828 40.428 13.061 97.543 1,1 0,6 27,3 1.963.984 190 43,8 38,8 46,1 51,7 -2,2 1.019 111.696 86.841 445.329 2,3 597.915 360.910 84.419 23,3 12,7 408.758 2.005.746 1.814.645 785.477 33.529 392 1.317 11,3 97.978 13.916 -6.432 9 105.462 812.567 970.450
2022 1e kwartaal* 226.933 39.413 99.701 229.877 228.080 76.250 48.714 27.313 8,9 219,7 . 132.722 57.685 85.094 25.537 43,5 17,9 . 11.354 11.025 3.220 193.031 1,2 0,7 28,8 1.868.476 . 43,3 38,4 44,7 50,0 -1,4 . 29.430 22.399 107.840 3,0 146.604 95.210 12.630 16,8 14,2 418.039 1.833.531 1.648.212 793.965 8.490 . . 11,6 26.336 2.944 -1.744 -247 27.536 849.772 975.252
2022 2e kwartaal* 241.615 39.576 96.236 235.105 234.321 72.524 56.653 111.040 8,1 218,0 . 141.888 53.416 81.738 26.283 37,6 18,7 . 10.251 12.430 3.362 263.861 1,2 0,8 27,0 1.730.115 . 43,6 38,5 43,8 50,0 -0,2 . 31.298 23.122 133.819 2,2 175.518 101.641 32.178 27,9 12,5 426.913 1.604.574 1.428.672 804.429 10.456 . . 9,6 23.098 -6.510 -717 -157 15.871 834.521 931.035
2022 3e kwartaal* 238.450 39.817 111.387 242.299 240.677 76.330 51.244 29.857 12,3 220,0 . 140.539 66.324 91.683 25.410 47,2 15,3 . 10.332 10.643 2.266 285.170 1,3 0,8 28,1 1.685.434 . 43,4 38,0 43,7 48,2 -0,3 . 32.664 23.738 117.946 2,0 158.169 105.368 12.578 14,7 12,8 428.109 1.511.607 1.339.898 810.999 6.560 . . 9,6 22.792 3.849 -1.555 44 25.086 793.348 883.204
2022 4e kwartaal* 251.551 40.285 108.063 242.342 240.619 67.286 46.912 26.839 6,9 210,1 . 142.951 60.427 85.833 23.236 42,3 18,0 . 11.525 12.838 3.122 173.495 1,4 0,9 24,7 1.670.300 . 43,4 38,0 43,5 50,1 -0,1 . 34.798 24.778 126.440 2,0 169.075 108.854 17.586 17,1 12,7 435.574 1.599.217 1.432.427 813.300 2.314 . . 12,4 31.227 -9.209 -1.644 -402 20.374 720.697 808.979
2022* 958.549 159.091 415.387 949.623 943.697 292.390 203.523 195.049 6,9 210,1 8.145 558.100 237.852 344.348 100.466 42,6 17,5 5.107 43.462 46.936 11.970 173.495 1,4 0,9 24,7 1.670.300 194 43,4 38,0 43,5 50,1 -0,1 1.044 128.190 94.037 486.045 2,0 649.366 411.073 74.972 19,4 13,0 435.574 1.599.217 1.432.427 813.300 27.820 411 1.389 10,8 103.453 -8.926 -5.660 -762 88.867 720.697 808.979
2023 1e kwartaal* 249.539 41.911 112.768 249.895 248.287 77.072 49.948 26.911 4,9 200,6 . 145.576 62.809 77.695 15.428 43,1 18,9 . 12.865 12.633 3.261 189.706 1,6 1,1 26,5 1.700.219 . 43,3 37,6 43,3 48,3 -0,1 . 35.872 25.241 123.801 1,7 165.285 110.551 13.250 14,4 13,8 441.967 1.619.568 1.451.761 816.639 3.345 . . 11,3 28.300 356 -1.532 -311 27.124 674.789 779.669
2023 2e kwartaal* 262.449 42.098 105.295 259.902 258.392 80.961 57.718 23.001 2,7 196,9 . 152.129 55.326 75.308 15.021 36,4 19,1 . 12.708 16.345 3.796 211.561 1,9 1,4 25,3 1.710.190 . 43,3 38,1 43,5 46,9 -0,2 . 35.945 25.126 148.085 1,4 192.832 112.447 35.638 27,3 12,0 453.947 1.615.412 1.447.701 819.943 3.303 . . 10,4 27.209 -2.547 -1.419 -242 23.243 686.335 781.741
2023 3e kwartaal* 254.701 42.366 117.105 260.774 259.151 81.493 49.273 32.037 -0,4 196,0 . 147.343 66.361 91.233 20.414 45,0 15,5 . 12.056 14.576 3.034 287.989 2,1 1,6 25,4 1.701.951 . 43,4 38,5 43,3 45,9 0,1 . 36.680 25.248 128.821 1,0 172.824 113.228 15.593 15,3 12,3 458.297 1.504.235 1.339.115 823.353 3.410 . . 10,9 27.685 6.073 -1.538 -339 32.220 694.704 783.693
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat kerncijfers over de economische sectoren. Dit betreft o.a. de brutowinst voor belastingen voor de sector niet-financiële vennootschappen en financiële instellingen, het beschikbaar inkomen voor de sector huishoudens en het nationaal inkomen voor de totale economie.

Deze kerncijfers worden samengesteld voor de totale economie en voor de hoofdsectoren van de economie: niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, huishoudens inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en het buitenland.

Gegevens beschikbaar vanaf:
Jaargegevens vanaf 1995.
Kwartaalgegevens vanaf het eerste kwartaal 1999.

Status van de cijfers:
De gegevens van 1995 tot en met 2020 zijn definitief. Gegevens van 2021, 2022 en 2023 hebben de status voorlopig.

Wijzigingen per 22 december 2023:
Cijfers over het derde kwartaal van 2023 zijn toegevoegd.
Daarnaast zijn cijfers over het eerste kwartaal van 2023 aangepast. Cijfers over 2021 en 2022 zijn aangepast als gevolg van actuele informatie over de overheidsfinanciën. De aanpassingen werken door in meerdere transacties en saldi. De bijstellingen in 2021 zijn in de nationale rekeningen tijdelijk anders verwerkt dan in de overheidsrekeningen. De nationale rekeningen sluiten weer aan op de overheidsrekeningen per 24 juni 2024.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Jaarcijfers:
De eerste jaarcijfers komen beschikbaar 85 dagen na afloop van het verslagjaar als som van de cijfers van de vier kwartalen van het betreffende jaar. Vervolgens worden na 6 en 18 maanden respectievelijk de voorlopige en definitieve jaarramingen gepubliceerd. Hiernaast worden bij de sectorrekeningen de financiële rekeningen en balansen voor alle verslagperioden jaarlijks gereviseerd. De cijfers komen jaarlijks in juni beschikbaar op StatLine, de elektronische database van het CBS. Daarnaast worden de cijfers jaarlijks in juli in ‘de Nationale rekeningen tabellenset' gepubliceerd.
Kwartaalcijfers:
85 dagen na afloop van een verslagkwartaal komt de eerste kwartaalraming beschikbaar. Mocht daarna nog nieuwe kwartaalinformatie beschikbaar komen, dan kan in september het eerste, en in december het tweede kwartaal nog worden herzien. In maart kunnen de eerste drie kwartalen nog worden bijgesteld. Als in juni nieuwe jaarcijfers beschikbaar komen, dan worden de kwartaalcijfers opnieuw herzien zodat ze aansluiten op die jaarcijfers.
Hiernaast kunnen er tussentijdse actualisaties plaatsvinden om eind maart en eind september de meest actuele gegevens over de overheid aan de Europese Commissie te verstrekken. De gegevens over de kwartalen worden aangesloten op de bijgestelde jaarcijfers.

Toelichting onderwerpen

Totaal binnenlandse sectoren
De totale economie is gedefinieerd als het geheel van binnenlandse institutionele instellingen en huishoudens. Zij bestaat uit niet-financiële bedrijven, financiële instellingen, overheid, huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. de huishoudens.
Bruto binnenlands product marktprijzen
Het bruto binnenlands product (bbp) is een maat voor de omvang van de economie. De verandering van het volume van het bbp in een bepaalde tijdsperiode is een maat voor de groei (of krimp) van de economie. Het bruto binnenlands product tegen marktprijzen is het eindresultaat van de productieve activiteiten van ingezeten productie-eenheden. Het kan op drie manieren worden gedefinieerd:
- vanuit het oogpunt van de productie: het bbp is de som van de bruto toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren of bedrijfstakken en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend). Het is eveneens de sluitpost van de productierekening van de totale economie;
- vanuit het oogpunt van de bestedingen: het bbp is de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezeten institutionele eenheden (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten;
- vanuit het oogpunt van het inkomen: het bbp is de som van de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie (beloning van werknemers, belastingen op productie en invoer exclusief subsidies, bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen van de totale economie).
Door het bbp te verminderen met het verbruik van vaste activa, wordt het netto binnenlands product (nbp) tegen marktprijzen verkregen.
Verbruik van vaste activa
De waardevermindering van vaste activa (productiemiddelen) in eigendom als gevolg van normale slijtage en economische veroudering. Ook wel afschrijvingen genoemd.

Bij het berekenen van het verbruik van vaste activa wordt gebruik gemaakt van de PIM methode (perpetual inventory method). Deze methode gaat uit van de waarde van de aan het begin van een jaar aanwezige kapitaalgoederenvoorraad, die op vervangingswaarde wordt gebracht door te corrigeren voor de prijsveranderingen van vergelijkbare kapitaalgoederen in het verslagjaar. Hieraan worden de investeringen in vaste activa van dat jaar toegevoegd en vervolgens wordt de waarde van de buiten gebruik gestelde activa erop in mindering gebracht. Aldus wordt de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad aan het eind van het jaar verkregen. Vervolgens wordt via een afschrijvingspercentage de afschrijvingen bepaald. De als hierboven beschreven afschrijvingen behoeven niet overeen te stemmen met de bedrijfseconomische afschrijvingen die zijn vastgesteld op basis van historische kostprijs of fiscale levensduur.
Exploitatieoverschot en gemengd inkomen
Exploitatieoverschot en gemengd inkomen (bruto)
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten de afschrijvingen worden bekostigd.
Nationaal inkomen (bruto)
Het totaal van de door ingezeten institutionele eenheden ontvangen primaire inkomens: beloning van werknemers, netto-exploitatieoverschot / netto gemengd inkomen, het saldo van ontvangen en betaald inkomen uit vermogen en de belastingen op productie en invoer minus subsidies. Inkomens uit vermogen die van de ene binnenlandse sector naar de andere gaan, vallen in dit inkomensbegrip tegen elkaar weg. Het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) is gelijk aan het bbp minus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden aan niet-ingezeten eenheden betalen plus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen. De afdrachten van lidstaten aan de Europese Unie is voor een groot deel gebaseerd op het bruto nationaal inkomen.

Het begrip nationaal inkomen is geen productie-, maar een inkomensbegrip; het is daarom relevanter indien het netto wordt uitgedrukt, dat wil zeggen na aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa).

Beschikbaar nationaal inkomen (bruto)
De som van de netto beschikbare inkomens van de institutionele sectoren. Het netto nationaal beschikbaar inkomen is gelijk aan het netto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) minus de inkomensoverdrachten (belastingen op inkomen, vermogen enz., sociale premies, sociale uitkeringen en overige inkomensoverdrachten) die aan niet-ingezeten eenheden worden betaald, plus de inkomensoverdrachten die ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen. Doorgaans wordt het netto-begrip gebruikt, dat wil zeggen: na aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa).
Nationale besparingen (bruto)
Het gedeelte van het nationaal beschikbaar inkomen dat niet voor consumptieve bestedingen is gebruikt. De nationale besparingen zijn de som van de besparingen van alle institutionele sectoren. Doorgaans wordt voor de nationale besparingen het netto-begrip gebruikt, dat wil zeggen: na aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa).
Investeringen (bruto)
Uitgaven aan productiemiddelen die langer dan één jaar worden ingezet tijdens een productieproces. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een gebouw, woning, vervoermiddel of een machine. Dit in tegenstelling tot goederen of diensten die tijdens het productieproces worden opgebruikt, zoals ijzererts, het intermediair verbruik. Vaste activa kunnen in de loop der jaren in waarde verminderen door slijtage of omdat bijvoorbeeld de techniek veroudert (economische veroudering). Dit wordt verbruik van vaste activa genoemd (ook wel afschrijvingen genoemd). Bij bruto-investeringen zijn deze niet afgehaald van de waarde van de investeringen, bij netto-investeringen is dit wel het geval.

De volgende investeringsgoederen worden onderscheiden: bouwwerken, vervoermiddelen, machines en installaties, telecommunicatieapparatuur , wapensystemen (inbegrepen bij machines), computers, software, onderzoek en ontwikkeling, in cultuur gebrachte activa (bv. vee en bomen), exploratie en evaluatie van minerale reserves, kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa en intellectuele-eigendommen.
Nationaal vorderingensaldo
Het nationaal vorderingensaldo is het saldo van middelen en bestedingen op de lopende rekening en de kapitaalrekening van de gezamenlijke binnenlandse sectoren. In de financiële rekening van Nederland geeft het saldo aan voor welk bedrag nieuwe leningen zijn aangegaan met het buitenland en/of financiële activa zijn verkocht (bij een tekort) of voor welk bedrag schulden zijn afgelost aan het buitenland en/of financiële activa zijn gekocht (bij een overschot). Het vorderingensaldo is dan ook in theorie gelijk aan de mutatie van de saldo van vorderingen en schulden ten opzichte van het buitenland. In praktijk bestaat er echter een statistisch verschil tussen die twee.
Saldo kredieten aan private sector
De particuliere kredietstroom geeft weer hoeveel de schulden van de sectoren huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële bedrijven zijn toegenomen (of afgenomen), waarbij prijsveranderingen van obligaties en geldmarktpapier niet worden meegerekend. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.
De particuliere kredietstroom is een indicator op het Macro Economisch Scoreboard en als zodanig onderdeel van de Macro economisch Imbalances Procedure (MIP). In dat kader wordt de particuliere kredietstroom berekend als percentage van het bbp. De interpretatie hiervan is:
Een hoge kredietstroom aan de private sector, bestaande uit de niet-financiële vennootschappen, de huishoudens en de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, vergroot de kwetsbaarheid van de betrokken sectoren voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden en inflatie. Ook sterke prijsveranderingen in financiële en niet-financiële activa kunnen hun oorsprong hebben in hoge kredietverlening aan de private sector.
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 14 %.
Krediet aan private sector, ultimo stand
De schuld van de private sector omvat de totale schulden van de sectoren huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële bedrijven. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.
De schuld van de private sector is een indicator op het Macro Economisch Scoreboard en als zodanig onderdeel van de Macro Economic Imbalances Procedure. In dat kader wordt de schuld van de private sector berekend als percentage van het bbp. De interpretatie hiervan is:
Een hoge schuldpositie vergroot de kwetsbaarheid van de private sector voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden of inflatie. Een gedeelte van de uitstaande schuld moet periodiek geherfinancierd worden. Een stijging van de rente kan er toe leiden dat kredietnemers voor hogere periodieke rentelasten komen te staan. Een verslechtering van de conjunctuur kan banken er toe bewegen strengere eisen te stellen m.b.t. onderpand. Dit kan ertoe leiden dat huishoudens minder hypotheek kunnen krijgen met potentiële gevolgen voor de ontwikkelingen op de woningmarkt en in de bouwsector.
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 133 %.
Arbeidsvolume werkzame personen
De hoeveelheid arbeid die in een bepaalde periode is ingezet. Het arbeidsvolume kan worden uitgedrukt in banen, arbeidsjaren of gewerkte uren.
Werkzame personen zijn alle personen die een baan hebben bij een in Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in Nederland. Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week, ook als zij arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de beloning aan de registratie door fiscus en sociale zekerheidsautoriteiten wordt onttrokken ('zwarte arbeid'); of tijdelijk geen arbeid verrichten maar wel doorbetaald krijgen (bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet); of als zij tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen. Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen. Werknemers zijn personen die in een bepaalde periode arbeid verrichten voor loon of salaris, in geld of in natura. Zelfstandigen zijn personen die een inkomen ontvangen door voor eigen rekening of risico arbeid te verrichten in het bedrijf of het beroep dat zij zelfstandig uitoefenen. Ook meewerkende gezinsleden worden tot zelfstandigen gerekend, tenzij zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan.
Niet-financiële vennootschappen
De sector niet-financiële vennootschappen bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten.

Onder deze sector vallen:
- alle vennootschappen (nv's, bv's, cv's, vof's) en coöperatieve verenigingen die niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Ook grote zelfstandig opererende (niet-financiële) ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid worden tot de niet-financiële vennootschappen gerekend. Voorbeelden van deze zogenoemde quasi-vennootschappen zijn grote familiebedrijven;
- alle instellingen zonder winstoogmerk (stichtingen en verenigingen) die voor de markt produceren en niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Voorbeelden zijn bejaardentehuizen, ziekenhuizen en woningcorporaties. Minimaal 50 procent van de productiekosten dient door de verkoop gedekt te worden anders wordt de betreffende instelling gerekend tot de sector overheid of de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens;
- overheidsbedrijven (vennootschappen die geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de overheid) zoals de Nederlandse Spoorwegen.

Bruto toegevoegde waarde
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de 'productiewaarde' of 'output') minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt, het 'intermediair verbruik'. 'Basisprijzen' wil zeggen de prijzen zijn die door producenten zijn ervaren: per bedrijfstak zijn de productgebonden belastingen er namelijk vanaf getrokken en de productgebonden subsidies erbij opgeteld.
Exploitatieoverschot (bruto)
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten de afschrijvingen worden bekostigd.
Brutowinst vóór belasting
Winst waarover nog vennootschapsbelasting betaald moet worden. De brutowinst vóór belasting van de niet-financiële vennootschappen wordt als volgt berekend:
Bruto exploitatieoverschot
plus ontvangen inkomen uit vermogen (rente, dividenden, etc.)
minus betaalde rente
minus betaald inkomen uit grond en minerale reserves
Winst van buitenlandse dochters
Winst van buitenlandse dochters van niet-financiële vennootschappen. De winst betreft zowel de uitgekeerde winst in de vorm van dividend als de ingehouden winsten.
Winstquote
De winstquote wordt bepaald door het bruto exploitatieoverschot te delen door de bruto toegevoegde waarde. Deze winstgevendheid-indicator geeft het aandeel in de toegevoegde waarde van de beloning voor het ingezette kapitaal tijdens het productieproces. Het is het complement van het aandeel van arbeidskosten (plus netto belastingen op productie) in de toegevoegde waarde. Het bruto exploitatieoverschot is een benadering van de operationele winst voor afschrijving.
Investeringsquote
Bruto investeringen in vaste activa zijn uitgaven voor geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt, zoals gebouwen, woningen, machines, vervoermiddelen en dergelijke. De investeringsquote geeft het aandeel van de investeringen in vaste activa ten opzichte van de toegevoegde waarde gemaakt tijdens het productieproces.
Arbeidsvolume werknemers
De hoeveelheid arbeid die door werknemers is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren of gewerkte uren.
Financiële instellingen
De sector financiële instellingen bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van financiële diensten. de sector financiële instellingen bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van financiële diensten. Tot dergelijke institutionele eenheden behoren alle vennootschappen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met:
- financiële intermediatie (financiële intermediairs), en/of
- financiële hulpdiensten (financiële hulpbedrijven).
Onder financiële intermediatie wordt verstaan de activiteit waarbij een institutionele eenheid door het verrichten van transacties op de financiële markt voor eigen rekening financiële activa verwerft en verplichtingen aangaat. De activa en passiva van financiële intermediairs worden in het proces van financiële intermediatie getransformeerd of herverpakt wat betreft bijvoorbeeld looptijd, omvang, risico et cetera.
Financiële hulpdiensten zijn diensten die verband houden met financiële intermediatie, maar die zelf geen financiële intermediatie betreffen.
Bruto toegevoegde waarde
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de 'productiewaarde' of 'output') minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt, het 'intermediair verbruik'. 'Basisprijzen' wil zeggen de prijzen zijn die door producenten zijn ervaren: per bedrijfstak zijn de productgebonden belastingen er namelijk vanaf getrokken en de productgebonden subsidies erbij opgeteld.
Bruto winst vóór belasting
Winst waarover nog vennootschapsbelasting betaald moet worden. De brutowinst vóór belasting van de financiële instellingen is exclusief financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (BFI's, CFI's) en wordt als volgt berekend:
bruto exploitatieoverschot
plus ontvangen inkomen uit vermogen (rente, dividenden, etc.)
minus betaalde rente
minus inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders
minus betaald inkomen uit grond en minerale reserves
Winst van buitenlandse dochters
Winst van buitenlandse dochters van financiële instellingen is exclusief financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband . De winst betreft zowel het uigekeerde winst in de vorm van dividend als de ingehouden winsten.
Financieel vermogen
Het financieel vermogen is het saldo van vorderingen en schulden. De vorderingen bestaan vooral uit banktegoeden, effecten en uitgeleend geld. De schulden zijn vooral geleend geld.
Heeft een sector meer vorderingen dan schulden dan spreken we van een positief financieel vermogen. Als er meer schulden zijn dan vorderingen dan is het financieel vermogen negatief en spreken we van een nettoschuld.

Ontvangen inkomen uit vermogen
Het ontvangen inkomen uit vermogen van financiële instellingen exclusief financiële instellingen en kredietverstrekkers in concernverband, bestaat uit rente, dividend, inkomen onttrokken aan quasi's en inkomen uit grond en minerale reserves. De verhouding tussen het ontvangen inkomen uit vermogen en de totale vorderingen is een maat voor de opbrengsten van de vorderingen.
Betaald inkomen uit vermogen
Het betaald inkomen uit vermogen van financiële instellingen exclusief financiële instellingen en kredietverstrekkers in concernverband, bestaat uit rente, dividend, inkomen onttrokken aan quasi's en inkomen uit grond en minerale reserves. De verhouding tussen betaald inkomen uit vermogen en de totale schulden is een maat voor kosten van de schulden.
Liquiditeit ratio monetaire instellingen
De liquiditeitsratio van monetaire financiële instellingen is een maat voor de mate van liquiditeit. Deze wordt berekend als de verhouding van de liquide middelen en de totale vorderingen.
Financiële activa pensioenfondsen
Financiële activa zijn in geld uitgedrukte vorderingen op derden. Het betreft hier de financiële activa van pensioenfondsen, welke voor het merendeel uit beleggingen bestaan.
Arbeidsvolume werknemers
De hoeveelheid arbeid die door werknemers is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren of gewerkte uren.
Overheid geconsolideerd
De overheid bestaat ten eerste uit eenheden die uitvoerende, wetgevende en rechterlijke bevoegdheden op nationaal of regionaal niveau hebben. Zij hebben daarmee de bevoegdheid belastingen en andere verplichte heffingen op te leggen en wetten vast te stellen die het gedrag van economische eenheden beïnvloeden. Het gaat hierbij in Nederland om het rijk, gemeenten, provincies, waterschappen en dergelijke. Daarnaast worden die instellingen tot de overheid gerekend die gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de eerder genoemde eenheden, én daarbij niet voor de markt produceren. Van niet-marktproductie is sprake als de verkoopopbrengsten structureel minder zijn dan 50 procent van de productiekosten. Dergelijke entiteiten zijn vaak opgericht voor specifieke taken, zoals de aanleg van wegen of de niet-marktproductie van diensten op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs of onderzoek. Op deze wijze worden onder meer ook ProRail en de Open Universiteit tot de overheid gerekend. Nederlandse overheidsinstellingen die werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades, behoren ook tot de Nederlandse overheid. Omgekeerd worden buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en het Internationaal gerechtshof, daar niet toe gerekend.

Niet tot de sector overheid behoren bijvoorbeeld De Nederlandsche Bank (DNB), de NS, ziekenhuizen en energiebedrijven, maar ook sommige Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) als het Kadaster. Zij worden wel in min of meerdere mate gecontroleerd door de overheid. Hun diensten en goederen worden echter (grotendeels) gefinancierd via tarieven, waardoor er sprake is van marktproductie. De sector overheid bestaat uit drie subsectoren: centrale overheid, lokale overheid en sociale zekerheidsfondsen.

De belangrijkste economische functies van de overheid zijn:
- het verschaffen van goederen en diensten aan de gemeenschap, hetzij voor collectieve consumptie, zoals bij openbaar bestuur, defensie en wetshandhaving, hetzij voor individuele consumptie, zoals bij onderwijs, gezondheidszorg, recreatie en culturele voorzieningen, en de financiering hiervan uit belastingmiddelen en andere inkomsten;
- het herverdelen van inkomen en vermogen door middel van overdrachten, zoals door belastingen en sociale uitkeringen;
- het verrichten van andere vormen van niet-marktproductie.
Totaal inkomsten
Totale inkomsten van de overheid. Tot de inkomsten behoren belastingen, premies wettelijke sociale verzekering, marktproductie, inkomen uit vermogen, overige inkomsten niet elders gespecificeerd (investeringen in eigen beheer, betalingen voor niet-marktoutput, niet-productgebonden subsidies, toegerekende sociale premies, overige inkomensoverdrachten, kapitaaloverdrachten). Verkopen van investeringsgoederen en gronden zijn onder de uitgaven opgenomen met een minteken.
De totale inkomsten van de overheid per kwartaal in procenten van het bbp is een voortschrijdend jaartotaal. Het wordt berekend als de totale inkomsten van de overheid voor het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen, gedeeld door de het bbp in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen. Het cijfer voor het vierde kwartaal is gelijk aan het jaarcijfer.
Belasting- en premieontvangsten
Het totaal van belastingen en wettelijke sociale premies die de overheid ontvangt.
Belastingen zijn verplichte betalingen aan de overheid zonder dat hier een direct aanwijsbare individuele tegenprestatie tegenover staat, die door de nationale overheid of door de instellingen van de Europese Unie worden opgelegd.
De belastingen worden onderverdeeld in:
- belastingen op productie en invoer;
- belastingen op inkomen en vermogen;
- vermogensheffingen.
Premies zijn betalingen die door huishoudens worden betaald aan wettelijke sociale verzekeringsinstellingen, verzekeringsmaatschappijen of pensioenfondsen met sociale verzekeringsregelingen ter financiering van de sociale uitkeringen.
De belasting- en premieontvangsten van de overheid per kwartaal in procenten van het bbp is een voortschrijdend jaartotaal. Het wordt berekend als de belasting- en premieontvangsten van de overheid voor het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen, gedeeld door de het bbp in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen. Het cijfer voor het vierde kwartaal is gelijk aan het jaarcijfer.
Totaal uitgaven
Totale uitgaven van de overheid. Tot de uitgaven behoren de beloning van werknemers, intermediair verbruik, investeringen, uitkeringen wettelijke sociale verzekering, uitkeringen sociale voorziening, subsidies, inkomen uit vermogen, overige uitgaven niet elders gespecificeerd (niet-productgebonden belastingen op productie, uitkeringen rechtstreeks door werkgevers, overige inkomensoverdrachten, kapitaaloverdrachten, saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa).
Afschrijvingen worden niet gerekend tot de uitgaven, investeringen wel.
De totale uitgaven van de overheid per kwartaal in procenten van het bbp is een voortschrijdend jaartotaal. Het wordt berekend als de totale uitgaven van de overheid voor het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen, gedeeld door de het bbp in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen. Het cijfer voor het vierde kwartaal is gelijk aan het jaarcijfer.
Overheidsschuld (EMU)
De geconsolideerde schuld van de overheid, exclusief de transitorische schuld en de schuld op de titel financiële derivaten, uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Geconsolideerd wil zeggen dat schulden tussen overheden onderling niet meetellen in de schuld van de overheid. De schuldtitels zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. De overheidsschuld als percentage van het bbp heet ook wel de schuldquote.

Door het verschil in waarderingsgrondslag is de som van de schuldtitels van de overheidsschuld (nominaal) niet gelijk aan de som van de schuldtitels in de nationale rekeningen (marktwaarde). De schuld bestaat uit de titels: deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen. De overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd) is één van de onderdelen van het Groei- en Stabiliteitspact. EMU staat voor Economische en Monetaire Unie. Het bbp is het eindresultaat van de productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is gelijk aan de toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle bedrijfsklassen samen, aangevuld met enkele transacties die niet naar bedrijfsklassen worden verdeeld.

De overheidsschuld per kwartaal in procenten van het bbp is een voortschrijdend jaartotaal. Het wordt berekend als de overheidsschuld aan het eind van het verslagkwartaal, gedeeld door de het bbp in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen. Het cijfer voor het vierde kwartaal is gelijk aan het jaarcijfer.
Overheidssaldo (EMU)
Het saldo van uitgaven en inkomsten van de overheid, uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Dit is gelijk aan het vorderingensaldo van de sector overheid in de nationale rekeningen.

Het overheidssaldo (ook wel EMU-saldo genoemd) is één van de onderdelen van het Groei- en Stabiliteitspact. Een positief getal betekent een overschot en een negatief getal een tekort.
Het bbp is het eindresultaat van de productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is gelijk aan de toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle bedrijfsklassen samen, aangevuld met enkele transacties die niet naar bedrijfsklassen worden verdeeld.

Het overheidssaldo per kwartaal in procenten van het bbp is een voortschrijdend jaartotaal. Het wordt berekend als de som van het overheidssaldo in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen, gedeeld door de som van het bbp in het verslagkwartaal plus de drie voorafgaande kwartalen. Het cijfer voor het vierde kwartaal is gelijk aan het jaarcijfer.

Arbeidsvolume werknemers
De hoeveelheid arbeid die door werknemers is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren of gewerkte uren.
Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish.
Huishoudens inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van de huishoudens (IZWh).
De sector huishoudens bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen. Tot de sector huishoudens behoren alle natuurlijke personen die langer dan een jaar in Nederland verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot de Nederlandse huishoudens gerekend. Huishoudens omvatten niet alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende personen, maar ook personen in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen, gevangenissen en internaten. Indien de tot de huishoudens gerekende personen een eigen bedrijf hebben, wordt dit bedrijf ook tot de huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de zelfstandigen (eenmanszaken). Grote, zelfstandig opererende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) behoren echter tot de (niet-financiële of financiële) vennootschappen.
De sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (IZWh) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen. Voorbeelden zijn religieuze instellingen, liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen op het gebied van cultuur, sport en recreatie.
Exploitatieoverschot en gemengd inkomen
Exploitatieoverschot en gemengd inkomen (bruto)
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten de afschrijvingen worden bekostigd.
Gemengd inkomen
Het gemengd inkomen bestaat voornamelijk uit het inkomen van zelfstandigen (ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid). Dit inkomen uit zelfstandige activiteit heeft kenmerken van loon en kenmerken van winst omdat werkzaamheden in de hoedanigheid van ondernemer zijn uitgevoerd. Ook valt onder het gemengd inkomen het inkomen uit verhuur van woningen en het inkomen dat verdiend wordt in de grijze en illegale economie.
Beschikbaar inkomen (bruto)
Het beschikbaar inkomen geeft aan over welk inkomen een sector kan beschikken na herverdeling van het primaire inkomen door al dan niet verplichte inkomensoverdrachten tussen de sectoren (belastingen op inkomen en vermogen, sociale premies en uitkeringen en overige inkomensoverdrachten).
Reëel beschikbaar inkomen (netto)
Het beschikbaar inkomen geeft aan over welk inkomen een sector kan beschikken na herverdeling van het primaire inkomen door al dan niet verplichte inkomensoverdrachten tussen de sectoren (belastingen op inkomen en vermogen, sociale premies en uitkeringen en overige inkomensoverdrachten). Primair inkomen is gedefinieerd als inkomen uit de beloning van werknemers, rente, dividenden, belastingen en subsidies op productie en invoer. Het secundair of beschikbaar inkomen wordt besteed aan consumptie en vrije besparingen.

Het reëel beschikbaar inkomen is het beschikbaar inkomen na correctie voor inflatie. De inflatie is de prijsmutatie van de consumptieve uitgaven van huishoudens (inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens).

De procentuele mutatie van het reëel beschikbaar inkomen wordt berekend op basis van voortschrijdende jaartotalen. Het reëel beschikbaar inkomen van een verslagkwartaal plus dat van de drie voorafgaande kwartalen wordt gedeeld door de som van de vier overeenkomstige kwartaalcijfers een jaar eerder. De mutatie voor het vierde kwartaal is daarmee gelijk aan de mutatie voor het jaar.


Alternatief beschikbaar inkomen (bruto)
Het alternatief beschikbaar inkomen is het beschikbaar inkomen van huishoudens aangevuld met de bestedingen van overheid en de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens aan sociale overdrachten in natura. Deze variabele vergemakkelijkt vergelijkingen in de tijd en in internationaal verband aangezien er sprake is van verschillen en wijzigingen in de economische en sociale omstandigheden.
Consumptieve bestedingen (bruto)
Uitgaven aan goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften. De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan, maar het gaat altijd om uitgaven door ingezeten institutionele eenheden, dat wil zeggen in Nederland gevestigde huishoudens en overheidsinstanties. Consumptieve bestedingen worden gedaan door huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, en de overheid. Ondernemingen consumeren niet: kosten aan goederen en diensten die ondernemingen maken ten behoeve van hun productie vallen hier niet onder, maar onder intermediair verbruik of investeringen. De overheid is een speciaal geval. Ook de overheid kent intermediair verbruik, naar analogie van ondernemingen. Maar de productie die de overheid levert en waar niet rechtstreeks voor wordt betaald, niet-markt-output (veiligheid bijvoorbeeld), valt onder de overheidsconsumptie. Het heet dat de overheid 'haar eigen productie consumeert'. Binnen de nationale rekeningen moet alles wat wordt geproduceerd namelijk ook worden afgenomen. Dat de consumptie van de overheidsproductie bij de overheid zelf is neergelegd, is een conventie. Daarnaast bevat de overheidsconsumptie ook door de overheid verstrekte sociale uitkeringen in natura zoals basiszorg (gefinancierd uit AWBZ en de Zorgverzekeringswet) en huurtoeslag.
Vrije / individuele besparingen
Het deel van het beschikbaar (nationaal) inkomen dat niet gebruikt wordt voor de (nationale) consumptieve bestedingen. De som van de vrije besparingen en het saldo van ontvangen kapitaaloverdrachten is beschikbaar voor investeringen, beleggingen in financiële activa of het aflossen van schulden.
Spaarquote
De spaarquote wordt berekend door het bruto beschikbaar inkomen, gecorrigeerd voor de mutatie pensioenvoorziening, minus de consumptieve bestedingen te delen door het bruto beschikbaar inkomen gecorrigeerd voor de mutatie pensioenvoorziening.
Investeringsquote
Bij de huishoudens bepalen woningen het grootste deel van de investeringen. Het overige deel wordt gevormd door machines, vervoermiddelen en dergelijke van zelfstandigen en van instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.
Consumptiegoederen, zoals personenauto's, maken geen deel uit van de investeringen maar worden beschouwd als consumptieve bestedingen. De investeringsquote wordt bepaald door de bruto investeringen in vaste activa te delen door het bruto beschikbaar inkomen gecorrigeerd voor de mutatie pensioenvoorziening.

Spaartegoeden en overige deposito's
Dit zijn alle spaartegoeden van particulieren en deposito's (in euro's en in vreemde valuta) bij binnen- en buitenlandse banken waarover niet onmiddellijk en volledig kan worden beschikt.
Verzekerings- en pensioenregelingen
Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen zijn in zes subcategorieën onderverdeeld:
technische voorzieningen schadeverzekering
- levensverzekerings- en lijfrenterechten
- pensioenrechten
- aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders
- rechten op niet-pensioenuitkeringen
- voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties-
Voorzieningen pensioenverzekeringen
Pensioenvoorzieningen zijn vorderingen van huishoudens op ingezeten pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen, die betrekking hebben op de pensioenverzekering van werknemers of zelfstandigen.
De veranderingen in pensioenvoorzieningen zijn als volgt opgebouwd:
werkelijke pensioenpremies (bruto)
min: vergoeding van verzekeringsdiensten (= consumptie)
plus: aanvulling uit beleggingsinkomen
= pensioenpremies
min: pensioenuitkeringen
plus: toegerekende kapitaaloverdrachten
= veranderingen in pensioenvoorzieningen
Woninghypotheken
Totaal van de hypothecaire leningen. Dit zijn langlopende leningen met als onderpand de woning die door de particulier zelf voor bewoning wordt gebruikt. Het betreft hier de waarde van de woninghypotheken aan het einde van de betreffende periode.
Saldo opgenomen en afgeloste hypotheken
Dit is het saldo van de opgenomen en afgeloste hypothecaire leningen in een periode. Het betreft langlopende leningen met als onderpand de woning die door de particulier zelf voor bewoning wordt gebruikt.
Arbeidsvolume werknemers
De hoeveelheid arbeid die door werknemers is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren of gewerkte uren.
Arbeidsvolume zelfstandigen
De hoeveelheid arbeid uitgevoerd door zelfstandigen die in een bepaalde periode is ingezet. Zelfstandigen zijn personen die arbeid verrichten voor eigen rekening of risico in een eigen bedrijf of praktijk, of in het bedrijf of de praktijk van een gezinslid, of in een zelfstandig uitgeoefend beroep.
Buitenland
Onder de sector buitenland wordt een groep eenheden verstaan die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat niet-ingezeten eenheden, voor zover deze transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De buitenlandrekeningen geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland. De instellingen van de EU en internationale organisaties behoren ook hiertoe.
Het buitenland is geen sector waarvoor een volledig rekeningenstelsel moet worden samengesteld, maar wordt gemakshalve als sector behandeld. Sectoren worden verkregen door opsplitsing van de totale economie in homogene groepen van ingezeten institutionele eenheden die wat hun economisch gedrag, doelstellingen en functies betreft, bepaalde overeenkomsten vertonen. Dit geldt niet voor de sector buitenland: onder deze sector vallen de transacties en overige stromen van niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens en overheid enerzijds met niet-ingezeten institutionele eenheden anderzijds, alsmede andere economische betrekkingen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, bijvoorbeeld vorderingen van ingezetenen op niet-ingezetenen.
Aandeel uitvoeroverschot in bbp
Het saldo van de uitvoer en de invoer uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product.
Uitvoeroverschot
Het saldo van de uitvoer en de invoer.
Saldo primaire inkomens buitenland
Het verschil tussen de uit het buitenland ontvangen en de aan het buitenland betaalde beloning van werknemers, belastingen en subsidies op productie en invoer en inkomen uit vermogen.
Saldo inkomensoverdrachten buitenland
Het verschil tussen de uit het buitenland ontvangen en de aan het buitenland betaalde belasting op inkomen en vermogen, sociale premies, sociale uitkeringen (in geld), overige inkomensoverdrachten en correctie voor mutaties in pensioenrechten.
Saldo kapitaaloverdrachten buitenland
Het verschil tussen de uit het buitenland ontvangen en de aan het buitenland betaalde kapitaaloverdrachten. Kapitaaloverdrachten zijn transacties, of in geld of in natura, waarbij het eigendom van de activa (geen voorraden of geld) wordt overgedragen van de ene institutionele sector naar een andere sector. De ontvangst van een kapitaaloverdracht is over het algemeen bedoeld om investeringen in vaste activa, of andere langetermijnuitgaven, van de ontvanger te financieren.
Saldo lopende rekening
Het overschot (indien negatief) of het tekort (indien positief) van de totale economie op zijn lopende transacties (handel in goederen en diensten, primair inkomen, inkomensoverdrachten) met het buitenland. Het saldo van de lopende transacties met het buitenland vormt de sluitpost van de rekening voor inkomenstransacties met het buitenland en is opgebouwd uit drie onderdelen:
- het uitvoeroverschot, dat is het bedrag waarmee de uitvoer de invoer overtreft
- het saldo uit het buitenland ontvangen primaire inkomens. De primaire inkomens omvatten belastingen op productie en invoer, subsidies, beloning van werknemers en inkomen uit vermogen, zoals rente en dividend
- het saldo uit het buitenland ontvangen inkomensoverdrachten. De inkomensoverdrachten omvatten de dividendbelasting, de uitkeringen sociale verzekering en de overige inkomensoverdrachten.

Het saldo van de lopende transacties met het buitenland is tevens gelijk aan de netto nationale besparingen minus de netto investeringen in vaste activa (inclusief de veranderingen in voorraden).
Extern vermogen
Het netto extern vermogen is het saldo van het financiële vermogensbezit in het buitenland en het buitenlands financiële vermogensbezit in Nederland.

Extern vermogen; marktwaarde
Het extern vermogen is het saldo van het financiële vermogensbezit in het buitenland en het buitenlands financiële vermogensbezit in Nederland. De marktwaardecorrectie corrigeert de waarde van de buitenlandse kapitaaldeelnemingen van beursgenoteerde moederondernemingen op basis van hun beurswaarde.