Macro-economisch scorebord

Macro-economisch scorebord

Perioden Saldo lop. rek. (% bbp, driejarengem.) (%) Netto extern vermogen als % bbp (%) Reële effectieve wisselkoers Reële wisselkoers, % 3-jaarsmutatie (%) Reële effectieve wisselkoers Reële wisselkoers, index (%) Exportmarktaandeel als % mondiale export Aandeel wereldhandel, % 5-jaarsmutatie (%) Exportmarktaandeel als % mondiale export Aandeel wereldhandel, % (%) Nom. arbeidskosten per eenheid product Arbeidskost. per eenh. pr.,% 3-jaarsmut. (%) Nom. arbeidskosten per eenheid product Arbeidskosten per eenheid product, index (%) Reële huizenprijsindex (%) Kredietstroom private sector Kredietstroom private sector als % bbp (%) Kredietstroom private sector Kredietstroom huishoudens als % bbp (%) Kredietstroom private sector Kredietstroom niet-fin.vennootsch.(%bbp) (%) Schuld private sector Schuld private sector als % bbp (%) Schuld private sector Schuld huishoudens als % bbp (%) Schuld private sector Schuld niet-fin.vennootschappen als %bbp (%) Overheidsschuld (EMU-schuld) als % bbp (%) Werkloosheid; 3-jaars gemiddelde (%) Totale passiva financiële sector (%) Bruto arbeidsparticipatie Br. arbeidspart. (15-64 jr), 3-jaars-mut (%) Bruto arbeidsparticipatie Bruto arbeidsparticipatie (15-64 jaar) (%) Langdurige werkloosheid,3-jaarsmut,%punt (%) Jeugdwerkloosheid Jeugdwerkloosheid, 3-jaarsmut. in %-punt (%) Jeugdwerkloosheid Jeugdwerkloosheid, % beroepsbevolking (%)
2010* 5,8 10,7 -1,5 100,0 -8,0 3,2 7,6 100,0 -3,3 2,8 3,4 -0,6 244,4 118,0 126,4 59,3 4,3 5,4 1,1 77,9 -0,3 1,7 11,1
2011* 7,0 19,8 -2,4 99,7 -8,4 3,1 5,3 101,2 -4,0 8,2 1,7 6,5 247,2 117,5 129,8 61,7 4,8 10,3 0,1 78,1 0,3 1,4 10,0
2012* 8,6 26,1 -6,0 97,9 -12,8 3,0 2,7 104,0 -7,9 6,1 0,7 5,5 252,1 117,4 134,7 66,3 5,3 6,0 0,8 79,0 0,7 1,5 11,7
2013* 9,5 30,7 0,5 100,5 -11,3 3,1 4,8 104,8 -7,9 9,7 -1,4 11,1 257,7 114,6 143,1 67,7 6,0 -1,6 1,5 79,4 1,1 2,1 13,2
2014* 9,4 44,5 0,7 100,4 -11,0 3,1 3,7 104,9 -0,1 4,3 -0,6 4,9 267,2 112,8 154,4 67,9 6,8 8,0 1,0 79,0 1,5 2,7 12,7
2015* 8,1 48,9 -0,9 97,0 -6,7 3,0 -0,4 103,6 3,4 0,0 0,9 -0,9 262,8 110,6 152,2 64,7 7,2 4,0 0,6 79,6 1,4 -0,4 11,3
2016* 7,5 61,2 -2,3 98,2 -2,9 3,0 -0,3 104,5 4,5 3,9 1,2 2,7 259,3 108,9 150,4 61,9 6,8 7,4 0,3 79,7 0,4 -2,4 10,8
2017* 8,4 59,8 -1,8 98,6 2,1 3,1 0,2 105,1 6,1 4,0 1,5 2,5 250,4 107,2 143,2 56,9 5,9 0,5 0,7 79,8 -0,9 -3,8 8,9
2018* 9,9 71,9 3,2 100,1 2,6 3,1 3,7 107,4 7,1 5,6 1,5 4,1 244,2 103,7 140,5 52,4 4,9 -2,9 0,6 80,3 -1,6 -4,1 7,2
2019 3e kwartaal* 10,5 93,8 2,6 100,6 -0,4 3,1 5,3 109,7 5,4 2,0 1,2 0,8 238,1 101,1 137,0 49,3 4,2 5,9 1,2 80,8 -1,5 -4,4 6,7
2019 4e kwartaal* 10,5 90,0 2,4 100,6 0,2 3,1 5,9 110,6 4,8 0,0 1,2 -1,2 234,0 100,3 133,7 48,7 4,1 6,1 1,2 80,9 -1,5 -4,1 6,8
2019* 10,5 90,0 2,4 100,5 0,2 3,1 5,9 110,7 4,8 0,0 1,2 -1,2 234,0 100,3 133,7 48,7 4,0 6,1 1,2 80,9 -1,8 -4,1 6,7
2020 1e kwartaal* 10,2 100,7 2,5 100,5 2,2 3,1 7,2 111,9 4,5 1,2 1,4 -0,2 235,1 99,8 135,3 49,5 3,8 2,4 1,3 81,0 -1,4 -3,6 6,8
2020 2e kwartaal* 10,1 102,6 3,0 100,9 4,2 3,1 10,9 115,9 4,4 -2,2 1,3 -3,4 239,8 102,1 137,7 55,2 3,9 4,4 1,2 80,9 . -0,4 9,5
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat de indicatoren van het Macroeconomic Imbalance Procedure (MIP) scoreboard. Daarnaast zijn er enkele aanvullende indicatoren opgenomen.
Om bestaande en potentiële onevenwichtigheden en macro-economische risico's binnen de landen van de Europese Unie tijdig te signaleren heeft de Europese Commissie een scorebord met veertien indicatoren opgesteld. Het scorebord maakt onderdeel uit van de Macroeconomic Imbalance Procedure (MIP). Deze tabel bevat voor deze veertien indicatoren de kwartaal- en jaarcijfers voor Nederland. De veertien indicatoren van het macro-economisch scorebord zijn:
- Saldo op de lopende rekening als percentage van het bbp, driejarengemiddelde
- Netto extern vermogen als percentage van het bbp
- Reële effectieve wisselkoers, procentuele mutatie ten opzichte van drie jaar eerder
- Exportmarktaandeel in de wereldhandel, procentuele mutatie ten opzichte van vijf jaar eerder
- Nominale arbeidskosten per eenheid product, procentuele mutatie ten opzichte van drie jaar eerder
- Reële huizenprijsindex, procentuele mutatie ten opzichte van een jaar eerder
- Kredietstroom private sector als percentage van het bbp
- Schuld private sector als percentage van het bbp
- Overheidsschuld als percentage van het bbp
- Werkloosheidspercentage, driejarengemiddelde
- Totale passiva van de financiële sector, procentuele mutatie ten opzichte van een jaar eerder
- Bruto arbeidsparticipatie als percentage van de totale bevolking van 15-64 jaar, mutatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder
- Langdurige werkloosheid, percentage van de beroepsbevolking van 15-74 jaar, mutatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder
- Jeugdwerkloosheid, percentage van de beroepsbevolking van 15-24 jaar, mutatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder.

De aanvullende indicatoren in deze tabel zijn:
- Reële effectieve wisselkoers, index
- Exportmarktaandeel in de wereldhandel, percentage
- Nominale arbeidskosten per eenheid product, index
- Kredietstroom huishoudens (incl. instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens) als percentage van het bbp
- Kredietstroom niet-financiële vennootschappen als percentage van het bbp
- Schuld huishoudens (incl. instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens) als percentage van het bbp
- Schuld niet-financiële vennootschappen als percentage van het bbp
- Bruto arbeidsparticipatie als percentage van de totale bevolking van 15-64 jaar
- Jeugdwerkloosheid, percentage van de beroepsbevolking van 15-24 jaar.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1e kwartaal 2006.

Status van de cijfers:
Alle jaar- en kwartaalcijfers hebben een voorlopig karakter.

Wijzigingen per 2 oktober 2020:
Van alle indicatoren met uitzondering van de langdurige werkeloosheid, is het cijfer over het tweede kwartaal van 2020 toegevoegd.
Daarnaast zijn de cijfers over het eerste kwartaal van 2020 geactualiseerd.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Binnen 120 dagen na afloop van elk verslagkwartaal wordt een eerste raming van dat kwartaal gepubliceerd. Mocht daarna nog nieuwe kwartaalinformatie beschikbaar komen, dan kan in oktober het eerste, en in januari het tweede kwartaal nog worden herzien. Bij de publicatie van het vierde kwartaal in april worden de kwartaalcijfers van de drie voorafgaande kwartalen bijgesteld. Hiermee worden voor het eerst de gegevens van een jaar vastgesteld. Bij de publicatie van het eerste kwartaal in juli worden de jaar- en kwartaalcijfers van de laatste drie jaar herzien.

Toelichting onderwerpen

Saldo lop. rek. (% bbp, driejarengem.)
Saldo lopende rekening als % van het bruto binnenlands product (bbp) - 3-jaars voortschrijdend gemiddelde.

Het saldo van de lopende rekening is opgebouwd uit drie onderdelen:

- het handelssaldo, de waarde van de uitvoer van goederen en diensten minus de waarde van de invoer van goederen en diensten;
- het saldo van de aan het buitenland betaalde en uit het buitenland ontvangen primaire inkomens. De primaire inkomens omvatten belastingen en subsidies op productie en invoer, beloning van werknemers en inkomen uit vermogen, zoals rente en dividend;
- het saldo van de aan het buitenland betaalde en uit het buitenland ontvangen inkomensoverdrachten. De inkomensoverdrachten omvatten onder andere de dividendbelasting, de premies en uitkeringen sociale verzekering en de overige inkomensoverdrachten.

Bronnen:
Het saldo van de lopende rekening is gebaseerd op de betalingsbalans zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank (DNB).
Het bbp wordt samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van de haar beschikbare bronnen.

Berekening van de scorebord indicator:
Het saldo van de lopende rekening wordt berekend als percentage van het bbp. Vervolgens wordt een 3-jaars voortschrijdend gemiddelde berekend.

Interpretatie van de indicator:
Een overschot op de lopende rekening betekent in de meeste gevallen dat een economie een positief handelssaldo heeft en dus meer exporteert dan importeert. Een positief handelssaldo draagt bij aan de economische groei en kan het gevolg zijn van een sterke internationale concurrentiepositie.

Meestal gaat een overschot op de lopende rekening gepaard met een netto kapitaaluitstroom zodat de netto externe vermogenspositie van de economie verbetert. Andersom zal een langdurig tekort op de lopende rekening gepaard gaan met een netto kapitaalinstroom. Hiermee kan de economie kwetsbaar worden voor de sentimenten van buitenlandse investeerders.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als ondergrens - 4 % en als bovengrens + 6 %.
Netto extern vermogen als % bbp
Netto extern vermogen als % van het bruto binnenlands product (bbp).

Het saldo extern vermogen is de waarde van de financiële bezittingen en vorderingen van Nederlandse burgers, bedrijven en overheid in het buitenland verminderd met de financiële bezittingen en vorderingen van niet-ingezetenen in Nederland. Het saldo extern vermogen kan worden opgesplitst in:
- het saldo directe investeringen;
- het saldo effecten;
- het saldo financiële derivaten;
- de officiële reserves;
- het saldo overig financieel verkeer.

Bronnen:
Het netto extern vermogen is gebaseerd op de betalingsbalans zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank (DNB). Het bbp wordt samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van de haar beschikbare bronnen.

Berekening van de scorebord indicator:
Het netto extern vermogen wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Het netto externe vermogen geeft inzicht in de vermogenspositie van een land. Als het externe vermogen negatief is dan is een land schuldplichtig ten opzichte van het buitenland. Een hoog negatief extern vermogen betekent dat een land gevoelig is voor ontwikkelingen op de internationale kapitaalmarkten. De samenstelling van de bezittingen en de schulden is daarbij wel van kritisch belang. Als Nederlandse aandelenbeleggers slechter presteren in het buitenland dan buitenlandse aandelenbeleggers in Nederland dan daalt weliswaar het netto Nederlandse externe vermogen maar dit leidt niet tot een toename van de Nederlandse kwetsbaarheid. Dat is wel het geval als het netto externe vermogen daalt omdat meer in het buitenland wordt geleend.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als ondergrens - 35%.
Reële effectieve wisselkoers
De reële effectieve wisselkoers is gedefinieerd als de (nominale) effectieve wisselkoers gecorrigeerd voor inflatieverschillen.



De nominale effectieve wisselkoers is de met handelsgewichten gewogen wisselkoers van een munteenheid ten opzichte van een aantal voor die economie belangrijke andere valuta's. Voor het scorebord wordt de effectieve wisselkoers met 42 handelspartners berekend.
Reële wisselkoers, % 3-jaarsmutatie
Reële effectieve wisselkoers (42 handelspartners) - 3-jaars mutatie (%).

De reële effectieve wisselkoers is gedefinieerd als de (nominale) effectieve wisselkoers gecorrigeerd voor inflatieverschillen.

De nominale effectieve wisselkoers is de met handelsgewichten gewogen wisselkoers van een munteenheid ten opzichte van een aantal voor die economie belangrijke andere valuta's. Voor het scorebord wordt de effectieve wisselkoers met 42 handelspartners berekend.

Bronnen:
De reële effectieve wisselkoers is gebaseerd op de gegevens en berekeningen van de Europese Commissie (DG ECFIN) en wordt gepubliceerd door Eurostat. Op de website van Eurostat is meer informatie te vinden ten aanzien van de berekening van de reële effectieve wisselkoers.

Berekening van de scorebord indicator:
Voor het scorebord wordt de reële effectieve wisselkoers voor Nederland met 42 handelspartners als uitgangspunt genomen (bron: Eurostat). Hiervan wordt vervolgens de procentuele mutatie berekend ten opzichte van 3 jaar eerder.

Interpretatie van de indicator:
De reële effectieve wisselkoers geeft zowel de relatieve prijsontwikkeling als de ontwikkeling van de wisselkoers weer. Een negatieve mutatie duidt op een verbetering van de prijsconcurrentiepositie en een positieve mutatie op een verslechtering.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als ondergrens - 5 % en als bovengrens + 5 % voor Eurogroep landen. Voor niet-Eurogroep landen worden grenzen van - 11 % en + 11 % gehanteerd.
Reële wisselkoers, index
Reële effectieve wisselkoers (42 handelspartners) - index.

De reële effectieve wisselkoers is gedefinieerd als de (nominale) effectieve wisselkoers gecorrigeerd voor inflatieverschillen.

De nominale effectieve wisselkoers is de met handelsgewichten gewogen wisselkoers van een munteenheid ten opzichte van een aantal voor die economie belangrijke andere valuta's. Voor het scorebord wordt de effectieve wisselkoers met 42 handelspartners berekend.

Bronnen:
De reële effectieve wisselkoers is gebaseerd op de gegevens en berekeningen van de Europese Commissie (DG ECFIN) en wordt gepubliceerd door Eurostat. Op de website van Eurostat is meer informatie te vinden ten aanzien van de berekening van de reële effectieve wisselkoers.

Berekening van de scorebord indicator:
Voor het scorebord wordt de reële effectieve wisselkoers voor Nederland met 42 handelspartners als uitgangspunt genomen (bron: Eurostat). Op de website van Eurostat is meer informatie te vinden ten aanzien van de berekening van de reële effectieve wisselkoers.

Interpretatie van de indicator:
De reële effectieve wisselkoers geeft zowel de relatieve prijsontwikkeling als de ontwikkeling van de wisselkoers weer. Een afname duidt op een verbetering van de prijsconcurrentiepositie en een toename op een verslechtering.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie kijkt naar de mutatie ten opzichte van drie jaar eerder, en hanteert voor de indicator als ondergrens - 5 % en als bovengrens + 5 % voor Eurogroep landen. Voor niet-Eurogroep landen worden grenzen van - 11 % en + 11 % gehanteerd.
Exportmarktaandeel als % mondiale export
Het exportmarktaandeel is gedefinieerd als de waarde van de uitvoer van goederen en diensten als percentage van de waarde van de mondiale export.
Aandeel wereldhandel, % 5-jaarsmutatie
Exportmarktaandeel als % van de mondiale export - 5-jaars mutatie (%).

Het exportmarktaandeel is gedefinieerd als de waarde van de uitvoer van goederen en diensten van Nederland als percentage van de waarde van de mondiale export.

De waarde van de uitvoer van goederen en diensten van Nederland is gebaseerd op de betalingsbalans zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank (DNB).

Bronnen:
De waarde van de mondiale export is gebaseerd op gegevens van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). De gegevens van het IMF zijn alleen op jaarbasis beschikbaar. Voor de kwartalen wordt voor de mondiale export een interpolatie gemaakt op basis van de volume- en de prijsindices (in dollars) wereldexport uit de wereldhandelsmonitor van het CPB. Tevens wordt er gebruik gemaakt van data van De Nederlandsche Bank over de euro-dollarkoers.

Berekening van de scorebord indicator:
De uitvoer van goederen en diensten wordt berekend als percentage van de mondiale export. Hiervan wordt de procentuele mutatie berekend ten opzichte van vijf jaar eerder.

Interpretatie van de indicator:
De export van goederen of diensten is een bron van inkomsten voor een land. Veranderingen in het exportmarktaandeel in de mondiale export duidt op een relatieve verandering in de concurrentiepositie van een land op de wereldmarkt.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als ondergrens - 6 %.
Aandeel wereldhandel, %
Exportmarktaandeel als % van de mondiale export - percentage.

Het exportmarktaandeel is gedefinieerd als de waarde van de uitvoer van goederen en diensten van Nederland als percentage van de waarde van de mondiale export.

De waarde van de uitvoer van goederen en diensten van Nederland is gebaseerd op de betalingsbalans zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank (DNB).

Bronnen:
De waarde van de mondiale export is gebaseerd op gegevens van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). De gegevens van het IMF zijn alleen op jaarbasis beschikbaar. Voor de kwartalen wordt voor de mondiale export een interpolatie gemaakt op basis van de volume- en de prijsindices (in dollars) wereldexport uit de wereldhandelsmonitor van het CPB. Tevens wordt er gebruik gemaakt van data van De Nederlandsche Bank over de euro-dollarkoers.

Berekening van de scorebord indicator:
De uitvoer van goederen en diensten wordt berekend als percentage van de mondiale export.

Interpretatie van de indicator:
De export van goederen of diensten is een bron van inkomsten voor een land. Veranderingen in het exportmarktaandeel in de mondiale export duidt op een relatieve verandering in de concurrentiepositie van een land op de wereldmarkt.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie kijkt naar de mutatie ten opzichte van vijf jaar eerder, en hanteert voor de indicator als ondergrens - 6 %.
Nom. arbeidskosten per eenheid product
De verhouding tussen de nominale arbeidskosten per werknemer en de arbeidsproductiviteit.
Arbeidskost. per eenh. pr.,% 3-jaarsmut.
Nominale arbeidskosten per eenheid product - 3-jaars mutatie (%).

De nominale arbeidskosten per eenheid product is de verhouding tussen de beloning per werknemer en de arbeidsproductiviteit. De beloning per werknemer wordt berekend als de totale beloning van werknemers gedeeld door het aantal werknemers. De totale beloning van werknemers is gelijk aan de lonen en de sociale premies ten laste van de werkgevers. De arbeidsproductiviteit wordt berekend als het bruto binnenlands product (prijsniveau 2010) gedeeld door het aantal werkzame personen.

De methode van Eurostat voor het berekenen van de arbeidskosten per eenheid product sluit niet helemaal aan bij het begrip 'arbeidskosten'. De arbeidskosten omvatten niet alleen de beloning van werknemers, maar ook kosten die samenhangen met het in dienst hebben van personeel, waaronder opleidingskosten en een aantal overige kosten. Tevens zijn hierin de loonkostensubsidies in mindering gebracht. In deze tabel wordt het cijfer volgens de definitie van Eurostat en de Europese Commissie weergegeven.

Naast de arbeidskosten per eenheid product maakt het CBS ook op kwartaalbasis cijfers over de loonkosten per eenheid product in de tabel 'Loonkosten per eenheid product; nationale rekeningen'. De loonkosten bestaan uit de beloning van werknemers plus eindheffingen minus loonkostensubsidies.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De nominale arbeidskosten per eenheid product worden berekend op basis van de beschikbare gegevens: beloning van werknemers, bruto binnenlands product (prijsniveau 2010), aantal werknemers en aantal werkzame personen. Hiervan wordt de mutatie ten opzichte van drie jaar eerder berekend.

Interpretatie van de indicator:
Een toename betekent dat de arbeidskosten sneller stijgen dan de arbeidsproductiviteit en dit kan op termijn negatief zijn voor de concurrentiepositie.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 9 % voor Eurogroep landen en + 12 % voor niet-Eurogroep landen.
Arbeidskosten per eenheid product, index
Nominale arbeidskosten per eenheid product - index.

De nominale arbeidskosten per eenheid product is de verhouding tussen de beloning per werknemer en de arbeidsproductiviteit. De beloning per werknemer wordt berekend als de totale beloning van werknemers gedeeld door het aantal werknemers. De totale beloning van werknemers is gelijk aan de lonen en de sociale premies ten laste van de werkgevers. De arbeidsproductiviteit wordt berekend als het bruto binnenlands product (prijsniveau 2010) gedeeld door het aantal werkzame personen.

De methode van Eurostat voor het berekenen van de arbeidskosten per eenheid product sluit niet helemaal aan bij het begrip 'arbeidskosten'. De arbeidskosten omvatten niet alleen de beloning van werknemers, maar ook kosten die samenhangen met het in dienst hebben van personeel, waaronder opleidingskosten en een aantal overige kosten. Tevens zijn hierin de loonkostensubsidies in mindering gebracht. In deze tabel wordt het cijfer volgens de definitie van Eurostat en de Europese Commissie weergegeven.

Naast de arbeidskosten per eenheid product maakt het CBS ook op kwartaalbasis een tabel met de loonkosten per eenheid product in de tabel 'Loonkosten per eenheid product; nationale rekeningen'. De loonkosten bestaan uit de beloning van werknemers plus eindheffingen minus loonkostensubsidies.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De nominale arbeidskosten per eenheid product worden berekend op basis van de beschikbare gegevens: beloning van werknemers, bruto binnenlands product (prijsniveau 2010), aantal werknemers en aantal werkzame personen. Hiervan wordt een index bepaald (2010=100).

Interpretatie van de indicator:
Een positieve mutatie betekent dat de arbeidskosten sneller stijgen dan de arbeidsproductiviteit en dit kan op termijn negatief zijn voor de concurrentiepositie.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie kijkt naar de mutatie ten opzichte van drie jaar eerder en hanteert voor de indicator als bovengrens + 9 % voor Eurogroep landen en + 12 % voor niet-Eurogroep landen.
Reële huizenprijsindex
Reële huizenprijsindex - jaarmutatie (%).

De reële huizenprijsindex is de huizenprijsindex gedefleerd met de prijsindex van de consumptie van huishoudens.

De huizenprijsindex geeft de gemiddelde prijsontwikkeling weer van alle koopwoningen, zowel bestaande woningen als nieuwbouwwoningen, die bestemd zijn voor permanente bewoning door een particulier.

De prijsindex van de consumptie van huishoudens geeft de gemiddelde prijsontwikkeling weer van de consumptieve uitgaven door huishoudens (inclusief Instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens). Deze prijsindex is vergelijkbaar met, maar niet identiek aan de consumentenprijsindex (CPI).

Bronnen:
De huizenprijsindex wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De hier gebruikte huizenprijsindex wordt door het CBS nog niet gepubliceerd. Wel publiceert het CBS de prijsindex van bestaande koopwoningen op kwartaalbasis. Op de website van Eurostat is meer informatie met betrekking tot de huizenprijsindex te vinden.

De prijsindex van de consumptie van huishoudens wordt ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De huizenprijsindex wordt gedeeld door de prijsindex van de consumptie van huishoudens. Vervolgens wordt hiervan de procentuele mutatie ten opzichte van een jaar eerder berekend.

Interpretatie van de indicator:
De indicator vergelijkt de huizenprijsontwikkeling met de ontwikkeling van de gemiddelde consumptieprijs voor huishoudens. Een positieve mutatie betekent dat de huizenprijzen sterker stijgen dan de consumptieprijzen. Op termijn kan dit wijzen op een prijsbubbel op de huizenmarkt.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 6 %.
Kredietstroom private sector
De kredietstroom van de private sector geeft weer hoeveel de schulden van huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële vennootschappen zijn toegenomen of afgenomen, waarde toe- of afnames als gevolg van prijsmutaties niet zijn meegeteld. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.
Kredietstroom private sector als % bbp
Kredietstroom private sector als % van het bruto binnenlands product (bbp).

De particuliere kredietstroom geeft weer hoeveel de schulden van de sectoren huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële bedrijven zijn toegenomen (of afgenomen), waarbij prijsveranderingen van obligaties en geldmarktpapier niet worden meegerekend. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De particuliere kredietstroom wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge kredietstroom aan de private sector, bestaande uit de niet-financiële vennootschappen, de huishoudens en de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, vergroot de kwetsbaarheid van de betrokken sectoren voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden en inflatie. Ook sterke prijsveranderingen in financiële en niet-financiële activa kunnen hun oorsprong hebben in hoge kredietverlening aan de private sector.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 14 %.
Kredietstroom huishoudens als % bbp
Kredietstroom huishoudens als % van het bruto binnenlands product (bbp).

De kredietstroom huishoudens (inclusief instellingen zonder winstoogmerk) geeft weer hoeveel de schulden van de sectoren huishoudens en instellingen zijn toegenomen (of afgenomen). Voor de schulden worden alleen leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De kredietstroom huishoudens wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge kredietstroom aan de huishoudens en de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, vergroot de kwetsbaarheid van de betrokken sectoren voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden en inflatie. Ook sterke prijsveranderingen in financiële en niet-financiële activa, zoals huizen, kunnen hun oorsprong hebben in hoge kredietverlening aan de huishoudens.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert alleen een bovengrens voor kredietstroom aan de totale private sector (m.a.w. behalve huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ook niet-financiële vennootschappen). De bovengrens is +14 %.
Kredietstroom niet-fin.vennootsch.(%bbp)
Kredietstroom niet-financiële vennootschappen als % van het bruto binnenlands product (bbp).

De kredietstroom niet-financiële vennootschappen geeft weer hoeveel de schulden van de sector niet-financiële vennootschappen zijn toegenomen (of afgenomen), waarbij prijsmutaties van schuldbewijzen niet worden meegerekend. Voor de schulden worden leningen en schuldbewijzen (obligaties en geldmarktpapier) meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De kredietstroom niet-financiële vennootschappen wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge kredietstroom aan de niet-financiële vennootschappen vergroot de kwetsbaarheid van deze sector voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden en inflatie. Ook sterke prijsveranderingen in financiële en niet-financiële activa, kunnen hun oorsprong hebben in hoge kredietverlening aan de huishoudens. Anderzijds kan een groei van de kredietverlening aan niet-financiële vennootschappen wel leiden tot groeiende investeringen.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert alleen een bovengrens voor kredietstroom aan de totale private sector (m.a.w. behalve niet-financiële vennootschappen ook huishoudens en instellingen zonder winstoormerk). De bovengrens is +14 %.
Schuld private sector
De schuld van de private sector omvat de schulden van de sectoren huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële vennootschappen. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.
Schuld private sector als % bbp
Schuld private sector als % van het bruto binnenlands product (bbp).

De schuld van de private sector omvat de totale schulden van de sectoren huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en niet-financiële bedrijven. Voor de schulden worden alleen effecten (exclusief aandelen en derivaten) en leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De schuld van de private sector wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge schuldpositie vergroot de kwetsbaarheid van de private sector voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden of inflatie. Een gedeelte van de uitstaande schuld moet periodiek geherfinancierd worden. Een stijging van de rente kan er toe leiden dat kredietnemers voor hogere periodieke rentelasten komen te staan. Een verslechtering van de conjunctuur kan banken er toe bewegen strengere eisen te stellen m.b.t. onderpand. Dit kan ertoe leiden dat huishoudens minder hypotheek kunnen krijgen met potentiële gevolgen voor de ontwikkelingen op de woningmarkt en in de bouwsector.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 133 %.
Schuld huishoudens als % bbp
Schuld huishoudens als % van het bruto binnenlands product (bbp).

Deze indicator omvat de totale schulden van de sectoren huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk. Voor de schulden worden alleen leningen meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De schuld van de huishoudens (incl. instellingen zonder winstoogmerk) wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge schuldpositie vergroot de kwetsbaarheid van de huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden of inflatie. Een gedeelte van de uitstaande schuld moet periodiek geherfinancierd worden. Een stijging van de rente kan er toe leiden dat kredietnemers voor hogere periodieke rentelasten komen te staan. Een verslechtering van de conjunctuur kan banken er toe bewegen strengere eisen te stellen m.b.t. onderpand. Dit kan ertoe leiden dat huishoudens minder hypotheek kunnen krijgen met potentiële gevolgen voor de ontwikkelingen op de woningmarkt en in de bouwsector.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert alleen een bovengrens voor de schuld van de totale particuliere sector (m.a.w. behalve huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ook niet-financiële vennootschappen). Deze bovengrens bedraagt + 133 %.
Schuld niet-fin.vennootschappen als %bbp
Schuld niet-financiële vennootschappen als % van het bruto binnenlands product (bbp).

Deze indicator omvat de totale schulden van de sector niet-financiële instellingen. Voor de schulden worden alleen leningen en schuldbewijzen (obligaties en geldmarktpapier) meegerekend. De schulden zijn geconsolideerd: dit betekent dat de schulden binnen dezelfde sector niet worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De schuld van de niet-financiële vennootschappen wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge schuldpositie vergroot de kwetsbaarheid van de niet-financiële vennootschappen voor veranderingen in de conjunctuur, rentestanden of inflatie. Een gedeelte van de uitstaande schuld moet periodiek geherfinancierd worden. Een stijging van de rente kan er toe leiden dat kredietnemers voor hogere periodieke rentelasten komen te staan. Een verslechtering van de conjunctuur kan banken er toe bewegen strengere eisen te stellen m.b.t. onderpand.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert alleen een bovengrens voor de schuld van de totale particuliere sector (m.a.w. behalve huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ook niet-financiële vennootschappen). Deze bovengrens bedraagt + 133 %.
Overheidsschuld (EMU-schuld) als % bbp
Overheidsschuld (EMU-schuld) als % van het bruto binnenlands product (bbp).

De geconsolideerde schuld van de overheid (gewaardeerd tegen de nominale waarde) exclusief de transitorische schuld en de schuld op de financiële derivaten, uitgedrukt als percentage van het bbp. Voor de overheid is de overheidsschuld geconsolideerd. Dit wil zeggen dat schulden en vorderingen tussen overheden onderling niet meetellen in de schuld van de totale overheid. Door het verschil in waarderingsgrondslag is de som van de schuldtitels van de overheidsschuld (nominaal) niet gelijk aan de som van de schuldtitels in de nationale rekeningen (marktwaarde). De schuld bestaat uit de financiële instrumenten: chartaal geld, kortlopende waardepapieren, obligaties, kortlopende leningen en langlopende leningen. De overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd) is één van de onderdelen van het Groei- en Stabiliteitspact. EMU staat voor Economische en Monetaire Unie.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De overheidsschuld wordt berekend als percentage van het bbp.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge overheidsschuld vermindert de bewegingsruimte van de overheid. Het betekent dat de overheid jaarlijks een groot gedeelte van haar inkomsten kwijt is aan rentebetalingen en dat de overheid mogelijk niet in staat is contra-cyclisch beleid te voeren of om in geval van een financiële crisis garanties te verstrekken aan financiële instellingen.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 60 %.
Werkloosheid; 3-jaars gemiddelde
Werkloosheidspercentage (internationale definitie) - 3-jaars voortschrijdend gemiddelde.

Het werkloosheidspercentage wordt gedefinieerd als de werkloze beroepsbevolking als percentage van de totale beroepsbevolking.

Hier wordt de internationale definitie (ILO-definitie) van werkloosheid gebruikt. Deze omvat alle personen tussen 15 en 75 jaar zonder betaald werk die actief op zoek zijn naar werk en daar voor ook beschikbaar zijn.

Volgens de nationale definitie is iemand werkloos als hij tussen 15 en 65 jaar oud is, zonder werk ( of met werk voor minder dan 12 uur per week) die actief op zoek is naar werk voor 12 uur of meer per week en daarvoor ook beschikbaar is.

Bronnen:
De gegevens zijn bepaald door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Het CBS publiceert het werkloosheidspercentage voor Nederland op maandbasis, zowel volgens de internationale als de nationale definitie.

Berekening van de scorebord indicator:
Het werkloosheidspercentage op maandbasis wordt als uitgangspunt genomen. Op basis hiervan wordt een 3-jaars voortschrijdend gemiddelde berekend.

Interpretatie van de indicator:
De werkloosheid is naast de economische groei en de inflatie één van de belangrijkste macro-economische indicatoren. Een stijging van de werkloosheid betekent behalve een sociaal probleem, ook dat de uitgaven van de overheid aan sociale uitkeringen stijgen en dat de belastinginkomsten dalen. Verder heeft een stijging van de werkloosheid negatieve gevolgen voor de consumptie. Een hoge en persistente werkloosheid kan duiden op een gebrek aan aanpassingsvermogen van een economie.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 10 %.
Totale passiva financiële sector
Totale passiva financiële sector - jaarmutatie (%).

Deze indicator geeft het totaal van alle financiële verplichtingen van de financiële sector weer. Hieronder vallen onder meer deposito's, leningen, obligaties, aandelen, verzekeringstechnische reserves. De schuld is niet-geconsolideerd: dit betekent dat schulden van financiële instellingen onderling worden meegerekend.

Bronnen:
De gegevens zijn ontleend aan de Nationale Rekeningen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord indicator:
De totale schuld van de financiële sector wordt berekend. Vervolgens wordt hiervan de procentuele mutatie berekend ten opzichte van een jaar eerder.

Interpretatie van de indicator:
De omvang van de schuld van de financiële sector is een teken van de mate van blootstelling aan potentiële schokken in de financiële of reële economie. Een verandering in de schuld van de financiële sector duidt op een verandering in de kwetsbaarheid voor veranderingen in de conjunctuur, rente of inflatie.

Grenswaarde(n):
De Europese Commissie hanteert voor de indicator als bovengrens + 16,5 %.
Bruto arbeidsparticipatie
Br. arbeidspart. (15-64 jr), 3-jaars-mut
Bruto arbeidsparticipatie (15-64 jaar), mutatie in procentpunten ten opzichte van 3 jaar eerder.

Deze indicator betreft de mutatie van de bruto arbeidsparticipatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder. De bruto arbeidsparticipatie wordt gedefinieerd als de beroepsbevolking van 15 tot en met 64 jaar als percentage van de totale bevolking in die leeftijdscategorie. De beroepsbevolking is de som van de werkloze en de werkzame beroepsbevolking. Het gaat dus zowel om mensen van 15 tot en met 64 jaar zonder betaald werk die wel actief op zoek zijn naar werk als om werkzame personen. Iemand wordt beschouwd als werkzaam persoon als hij per week één uur of meer betaald werk verricht. Iemand wordt beschouwd als werkloos als diegene geen betaald werk verricht, maar wel actief op zoek is naar werk van één uur per week of meer en daarvoor ook beschikbaar is.

Bronnen:
De gegevens zijn bepaald door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord-indicator:
De bruto arbeidsparticipatie wordt elk kwartaal bepaald. Vervolgens wordt een voortschrijdend vierkwartaalsgemiddelde berekend. Hetzelfde wordt gedaan voor drie jaar eerder. Tot slot wordt de verandering in procentpunten van deze twee vierkwartaalsgemiddelden berekend en gepubliceerd.

Interpretatie van de indicator:
De bruto arbeidsparticipatie geeft aan welk percentage van de bevolking zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. Een positieve mutatie betekent dan ook dat meer personen zich zijn gaan aanbieden op de arbeidsmarkt, en een negatieve dat minder mensen zich op de arbeidsmarkt begeven.

Grenswaarden:
De Europese Commissie heeft alleen een ondergrens bepaald, van -0,2 procentpunt.
Bruto arbeidsparticipatie (15-64 jaar)
De bruto arbeidsparticipatie wordt gedefinieerd als de beroepsbevolking van 15 tot en met 64 jaar als percentage van de totale bevolking in die leeftijdscategorie. De beroepsbevolking is de som van de werkloze en de werkzame beroepsbevolking. Het gaat dus zowel om mensen van 15 tot en met 64 jaar zonder betaald werk die wel actief op zoek zijn naar werk als om werkzame personen. Iemand wordt beschouwd als werkzaam persoon als hij per week één uur of meer betaald werk verricht. Iemand wordt beschouwd als werkloos als diegene geen betaald werk verricht, maar wel actief op zoek is naar werk van één uur per week of meer en daarvoor ook beschikbaar is.

Bronnen:
De gegevens zijn bepaald door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekening van de scorebord-indicator:
De bruto arbeidsparticipatie wordt elk kwartaal bepaald. Vervolgens wordt een voortschrijdend vierkwartaalsgemiddelde berekend.

Interpretatie van de indicator:
De bruto arbeidsparticipatie geeft aan welk percentage van de bevolking zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. Een positieve mutatie betekent dan ook dat meer personen zich zijn gaan aanbieden op de arbeidsmarkt, en een negatieve dat minder mensen zich op de arbeidsmarkt begeven.
Langdurige werkloosheid,3-jaarsmut,%punt
Langdurige werkloosheid (% van beroepsbevolking 15-74 jaar), mutatie in procentpunten ten opzichte van 3 jaar eerder.

Deze indicator geeft de mutatie van het langdurig werkloosheidspercentage in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder weer. Het langdurig werkloosheidspercentage wordt gedefinieerd als het percentage van de beroepsbevolking van 15 tot en met 74 jaar dat werkloos is en al een jaar of langer op zoek is naar werk. De beroepsbevolking is de som van de werkloze en de werkzame beroepsbevolking. Iemand wordt beschouwd als werkzaam persoon als hij per week één uur of meer betaald werk verricht. Iemand wordt beschouwd als werkloos als diegene geen betaald werk verricht, maar wel actief op zoek is naar werk van één uur per week of meer en daarvoor ook beschikbaar is.

Overigens definieert de Europese Commissie de langdurige werkloosheid ietwat anders dan het CBS in de tabel "Werkloze beroepsbevolking, werkloosheidsduur en persoonskenmerken". Dit komt doordat Eurostat alle werklozen die 12 maanden of langer op zoek zijn naar een baan meetelt, onafhankelijk van het moment waarop zij hun laatste baan verloren. In de tabel "Werkloze beroepsbevolking, werkloosheidsduur en persoonskenmerken" gaat het om het aantal mensen dat al daadwerkelijk 12 maanden of meer werkloos is. In deze tabel wordt het cijfer volgens de definitie van Eurostat en de Europese Commissie weergegeven.

Bronnen:
De gegevens worden samengesteld door Eurostat, gebaseerd op dataleveringen van het CBS.

Berekening van de scorebord-indicator:
De langdurige werkloosheid wordt eens per jaar bepaald. Er zijn derhalve alleen jaarcijfers beschikbaar. De langdurige werkloosheid wordt bepaald door het aantal langdurig werklozen te delen door de totale beroepsbevolking. Vervolgens wordt hiervan de mutatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder berekend.

Interpretatie van de indicator:
De langdurige werkloosheid geeft aan hoe groot de groep mensen is die al lange tijd geen baan kan vinden. Een hoge langdurige werkloosheid wijst op aanhoudende onevenwichtigheden tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Een toename van de langdurige werkloosheid geeft een indicatie dat deze onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt groter worden.

Grenswaarden:
De Europese Commissie hanteert voor de indicator een bovengrens van 0,5 procentpunt.
Jeugdwerkloosheid
Jeugdwerkloosheid, 3-jaarsmut. in %-punt
Jeugdwerkloosheid, percentage van de beroepsbevolking van 15-24 jaar, mutaties in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder.

Deze indicator geeft de mutatie van de jeugdwerkloosheid als percentage van de beroepsbevolking ten opzichte van drie jaar eerder weer, uitgedrukt in procentpunten. De jeugdwerkloosheid als percentage van de beroepsbevolking wordt gedefinieerd als het aantal werkloze personen van 15 tot en met 24 jaar oud gedeeld door de totale beroepsbevolking in die leeftijdscategorie. De beroepsbevolking is de som van de werkloze en de werkzame beroepsbevolking. Iemand wordt beschouwd als werkzaam persoon als hij per week één uur of meer betaald werk verricht. Iemand wordt beschouwd als werkloos als diegene geen betaald werk verricht, maar wel actief op zoek is naar werk van één uur per week of meer en daarvoor ook beschikbaar is.

Bronnen:
De cijfers worden samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Berekening van de scorebord-indicator:
De jeugdwerkloosheid wordt op kwartaalbasis bepaald. Daarbij wordt het aantal werklozen van 15 tot en met 24 jaar gedeeld door de beroepsbevolking in die leeftijdscategorie. Vervolgens wordt het vierkwartaalsgemiddelde bepaald. Vervolgens wordt de mutatie in procentpunten ten opzichte van drie jaar eerder berekend.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge jeugdwerkloosheid is een indicatie dat jongeren moeilijk aan werk kunnen komen. Doorgaans stijgt de werkloosheid onder jongeren in tijden van laagconjunctuur eerder dan de werkloosheid in andere leeftijdscategorieën. Een stijgende werkloosheid onder jongeren is doorgaans een indicatie dat de vraag op de arbeidsmarkt afneemt.

Grenswaarden:
De Europese Commissie heeft een bovengrens bepaald van 2,0 procentpunt.
Jeugdwerkloosheid, % beroepsbevolking
De jeugdwerkloosheid als percentage van de beroepsbevolking wordt gedefinieerd als het aantal werkloze personen van 15 tot en met 24 jaar oud gedeeld door de totale beroepsbevolking in die leeftijdscategorie. De beroepsbevolking is de som van de werkloze en de werkzame beroepsbevolking. Iemand wordt beschouwd als werkzaam persoon als hij per week één uur of meer betaald werk verricht. Iemand wordt beschouwd als werkloos als diegene geen betaald werk verricht, maar wel actief op zoek is naar werk van één uur per week of meer en daarvoor ook beschikbaar is.

Bronnen:
De cijfers worden samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Berekening van de scorebord-indicator:
De jeugdwerkloosheid wordt op kwartaalbasis bepaald. Daarbij wordt het aantal werklozen van 15 tot en met 24 jaar gedeeld door de beroepsbevolking in die leeftijdscategorie. Vervolgens wordt het vierkwartaalsgemiddelde bepaald.

Interpretatie van de indicator:
Een hoge jeugdwerkloosheid is een indicatie dat jongeren moeilijk aan werk kunnen komen. Doorgaans stijgt de werkloosheid onder jongeren in tijden van laagconjunctuur eerder dan de werkloosheid in andere leeftijdscategorieën. Een stijgende werkloosheid onder jongeren is doorgaans een indicatie dat de vraag op de arbeidsmarkt afneemt.