Sociaaleconomische positie

Mensen met Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond halen hun inkomstenbron minder vaak uit werk dan migranten uit nieuwe EU-landen. Hierbij speelt de leeftijdssamenstelling een grote rol. De nettoarbeidsparticipatie ligt gemiddeld het hoogst onder mensen met een nieuwe-EU achtergrond, hoger dan mensen met een Nederlandse achtergrond. Voor bijna alle migratieachtergronden geldt dat de inkomens sinds 2014 verder zijn gestegen en daardoor inmiddels boven het niveau van 2011 staan.

Migranten uit nieuwe EU-landen steeds vaker werkzaam

Vooral mensen met een Poolse migratieachtergrond lijken qua inkomstenbron sterk op personen met een Nederlandse achtergrond. Meer dan driekwart van de Poolse migranten had in 2016 als voornaamste inkomstenbron loon uit werk of winst uit een eigen bedrijf; 10 procent leefde vooral van een uitkering.

Ook Bulgaren en Roemenen zijn steeds vaker werkzaam, maar zij hebben relatief vaak geen eigen inkomen; vrouwen vaker dan mannen. Dat heeft vermoedelijk te maken met betaald werk voor een buitenlandse (onder)aannemer (zie kader), maar wellicht hebben ze ook relatief vaak periodes zonder werk en nog geen recht op een sociale uitkering of een partner die wel inkomen heeft.
Binnen de vier grootste niet-westerse migrantengroepen in Nederland (personen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond) zien we een relatief kleinere werkzame populatie dan onder de migranten uit nieuwe EU-landen. Dat komt omdat de leeftijdssamenstelling in die nieuwe EU-groepen anders (jonger) is en de migratie korter geleden plaatsvond en vaker met arbeid als migratiereden.

Onder vluchtelingen is werk meestal niet de belangrijkste inkomstenbron. Migranten uit Afghanistan en Iran hebben in 2016 echter relatief gezien nog het vaakst een eigen inkomen. Deze migranten wonen vaak ook al geruime tijd in Nederland. Mensen uit Syrië en Eritrea die vooral in 2014–2016 arriveerden, staan nog maar aan het prille begin van economische zelfredzaamheid en hadden minder vaak een eigen inkomen.

Sociaaleconomische positie van mannen (20 tot 65 jaar), 2016
 Zonder inkomenUitkeringsontvangerPensioenontvanger(school)kind of studentWerkzaam
Nederlands1113581
Pools670284
Bulgaars1850671
Roemeens1750671
Overig nieuwe EU1371673
Overig westers7132573
Turks5241566
Marokkaans5320558
Surinaams4221666
Antilliaans42311261
Afghaans52801354
Eritrees383059
Irakees6410845
Iraans7331753
Somalisch5540834
Syrisch3780416
Overig niet-westers11171863

Sociaaleconomische positie van vrouwen (20 tot 65 jaar), 2016
 Zonder inkomenUitkeringsontvangerPensioenontvanger(school)kind of studentWerkzaam
Nederlands8124571
Pools12131272
Bulgaars28130554
Roemeens2281564
Overig nieuwe EU17112664
Overig westers14143563
Turks17312743
Marokkaans20322739
Surinaams5252761
Antilliaans42611653
Afghaans153811530
Eritrees584056
Irakees124911126
Iraans143311042
Somalisch6711913
Syrisch6780411
Overig niet-westers22182851

Arbeidsparticipatie van personen met Marokkaanse, Surinaamse of Turkse achtergrond stijgt weer

Personen met een niet-westerse achtergrond hebben minder vaak werk dan personen met een Nederlandse of nieuwe-EU achtergrond. In 2017 had respectievelijk 69 procent van de personen met nieuwe-EU en 68 procent van de personen met een Nederlandse achtergrond betaald werk, tegenover 57 procent van de personen met een niet-westerse achtergrond. Van deze laatstgenoemde groep hadden personen met een Surinaamse achtergrond het vaakst een betaalde baan (62 procent) en personen met een Marokkaanse achtergrond het minst vaak (54 procent).

Gedurende de recente economische crisis nam de participatie bij personen met een niet-westerse achtergrond relatief veel af. Vooral personen met een Antilliaanse achtergrond hadden in 2017 een aanzienlijk lagere arbeidsparticipatie dan in 2008. In de laatste jaren is de nettoarbeidsparticipatie gestegen, al is die toename niet bij alle groepen even sterk. Bij personen met een Antilliaanse achtergrond was de nettoarbeidsparticipatie in 2017 nog bijna net zo hoog als in 2014.

Nettoarbeidsparticipatie naar achtergrond (% 15-75-jarige bevolking)
catNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaansNieuwe EU
200365,952,345,861,657,763,1
200465,550,446,661,158,862,8
200565,850,649,061,559,159,9
200666,651,649,063,160,361,5
200768,155,954,064,462,765,0
200869,058,954,668,064,866,8
200968,959,454,164,959,964,4
201068,355,453,061,460,464,5
201168,058,755,363,357,566,4
201267,957,251,761,261,467,7
201367,153,552,660,458,367,9
201466,553,050,860,255,666,1
201567,154,149,560,357,064,8
201667,456,954,459,056,568,7
201768,358,154,262,055,369,3

In 2014 ingezette inkomensstijging zet door

In 2014 stegen de inkomens van personen van bijna alle achtergronden voor het eerst weer sinds de economische crisis en deze stijging zette in de jaren daarna door. De economische crisis zorgde na 2008 voor een sterke toename van de werkloosheid en een daling van het gemiddelde inkomen voor alle herkomstgroepen, met het jaar 2013 als dieptepunt. Voor bijna alle groepen zijn de inkomens inmiddels boven het niveau van 2011.

Het inkomen van de groep migranten uit de nieuwe EU-landen was sinds de crisis het hardst gedaald. Het gemiddelde inkomen van personen met een Poolse herkomst (22,9 duizend euro) was in 2016 vergelijkbaar met dat van personen met een niet-westerse achtergrond, ondanks het feit dat Polen veel vaker betaald werk hadden. Van de personen uit de nieuwe EU-landen hadden mensen met een Bulgaarse achtergrond in 2016 de laagste welvaart (19,3 duizend euro).

Vluchtelingengroepen minst welvarend

Personen uit vluchtelingengroepen hebben de laagste inkomens. Dit geldt het sterkst voor personen met een Syrische achtergrond; bij hen bedraagt het gemiddelde inkomen met 14,3 duizend euro minder dan de helft van dat van personen met een Nederlandse achtergrond. Zij zijn het kortst in Nederland van alle vluchtelingengroepen en het vaakst (nog) bijstandsafhankelijk. De inkomens van personen met een Iraanse achtergrond zijn met gemiddeld 22,8 duizend euro het hoogst binnen de vluchtelingengroepen.

Qua welvaartsontwikkeling wijken de recent gearriveerde vluchtelingen af: Syriërs en Eritreeërs, relatief grote groepen vluchtelingen, zien hun welvaart na 2011 nog steeds verder dalen. Dit hangt samen met het feit dat veel statushouders herenigd werden met familieleden (vaak vrouw en kinderen). Meestal hebben statushouders, en zeker hun later gearriveerde partners, nog geen betaald werk. Door gezinshereniging daalt hun inkomen, omdat het met meer gezinsleden gedeeld moet worden.

Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, personen tussen 20 en 65 jaar naar achtergrond (1 000 euro (in prijzen van 2016))
Achtergrond201620132011
Nederlands32,130,131,1
Westers29,828,129,4
Nieuwe EU23,321,723,4
Polen22,921,222,8
Bulgarije19,317,318,4
Roemenië25,824,425,2
Overig nieuwe EU25,323,626,0
Overig westers31,129,030,2
Niet-westers22,820,921,7
Turkije22,520,020,7
Marokko20,518,619,4
Suriname25,823,924,9
(voormalige) Nederlandse Antillen, Aruba22,921,122,2
Afghanistan19,016,617,1
Eritrea13,114,214,9
Irak18,516,116,6
Iran22,820,621,2
Somalië14,913,714,1
Syrië14,316,717,9
Overig niet-westers24,422,122,8