Ouderen beginnen pas op latere leeftijd te vereenzamen

30-5-2012 09:30

Een belangrijke indicator van sociale samenhang is de mate waarin mensen contacten onderhouden met familie, vrienden en buren. Ouderen (65-plus) zijn in dit opzicht een risicogroep: door het wegvallen van werk en de verminderde eigen mobiliteit ligt vereenzaming op de loer.

Individualisering en mobiliteit

Die zorg is wel geuit. Door moderne processen van individualisering en informatisering, en door de toegenomen mobiliteit zouden sociale contacten afnemen. Door kleinere families en grotere woonafstanden tussen familieleden zouden familiecontacten minder frequent en minder persoonlijk worden. Een goed buren- en vriendennetwerk is dan belangrijker.
Anno 2012 lijkt van een toenemende ‘vervreemding’ geen sprake: familiecontacten van 65-jarigen zijn en blijven intensief en eroderen niet, integendeel: de sociale contacten nemen eerder toe dan af. Pas vanaf 75 jaar nemen de contacten af: het percentage 75-plussers zonder wekelijkse contacten loopt dan iets op.
Er is sprake van uitruil: wie veel contact heeft met familie, heeft dat minder met vrienden, en wie veel contacten met vrienden heeft, ziet minder vaak familie en vrienden.

Ouderen veel contact met familie

De percentages mensen die wekelijks contact hebben met familie, op wat voor manier ook: een ontmoeting, schriftelijk of telefonisch contact, variëren met de leeftijd. Het percentage is hoog voor ouderen (65 tot 75 jaar, 89 procent), laag voor jongeren (12 tot 25 jaar, 78 procent). Daarentegen hebben bijna alle jongeren wekelijks contact met vrienden. Het feit dat veel van deze jongeren naar school gaan is één verklaring. Daarnaast zien zij elkaar vaak op openbare plaatsen om te spelen of bij te praten.
De leeftijden 65 tot 75 jaar hebben minder vaak contact met vrienden: het percentage dat zelden of nooit contact heeft met vrienden stijgt met de leeftijd en is met 17 procent het hoogst onder de alleroudsten. 

Buurtkenmerken

Overigens hebben naast leeftijd ook andere factoren invloed op de frequentie van de contacten: het hebben van werk, de samenstelling van het huishouden, de stedelijkheid van de woonomgeving en specifieke buurtkenmerken (percentage lage inkomens, laagopgeleiden of personen met een uitkering). Over het algemeen hebben stadsbewoners minder contact met familie en buren dan plattelandsbewoners, en ongeveer even vaak met vrienden. In buurten met een hoog percentage laagopgeleiden of waar relatief veel mensen wonen met een uitkering worden minder sociale contacten onderhouden dan in buurten met lagere percentages laagopgeleiden en uitkeringsontvangers.

Sociale contacten, 2009

Sociale contacten, 2009