Wijzigingen in de berekeningswijze van de standaardfactoren, 1998-2001

Hieronder volgen voor elk van de jaren 1998-2001 de wijzigingen in de berekeningswijze van de standaardfactoren.

1998

De in 1998 doorgevoerde wijzigingen zijn beschreven in Van Eerdt, 1999.

1999

  • Het Bureau Heffingen van het Ministerie van LNV beschikt vanaf 1998 over de mineralengehalten van het mengvoer van de bedrijven die een mineralenboekhouding moeten bijhouden in het kader van MINAS (Mineralenaangiftesysteem). Vanaf 1999 zijn deze cijfers gebruikt in plaats van de gemiddelde gehalten in de krachtvoedergrondstoffen voor de productie van mengvoer. De methode van interpolatie en validatie is niet veranderd. De kaliumgehalten zijn in 1999 nog wel berekend op basis van de gemeten gehalten in de krachtvoedergrondstoffen die in het boekjaar 1998/’99 beschikbaar waren (LEI, 2002). In 2000 zijn bij gebrek aan gegevens over de verdeling van de grondstoffen over de diersoorten dezelfde kaliumgehalten gebruikt als in 1999.
  • De vaste kengetallen (kengetallen die niet jaarlijks geactualiseerd worden) zijn aangepast aan de voorstellen van de Commissie Tamminga (Tamminga et al., 2000). Uitgaande van de WUM-cijfers van 1998 en eerder heeft deze commissie een schatting gemaakt van de gemiddelde stikstofuitscheiding in 2003 om hiermee de forfaitaire stikstoffactoren te kunnen berekenen die gebruikt worden voor het stelstel van mestafzetovereenkomsten (MAO-stelsel). Alle vaste kengetallen zijn, indien nodig, door de commissie opnieuw geactualiseerd. Het CBS heeft deze kengetallen zoveel mogelijk overgenomen wanneer ze bijdroegen aan de doelstelling van de Werkgroep Uniformering berekeningswijze Mest- en mineralencijfers (WUM): een nauwkeurige monitoring van de jaarlijkse uitscheiding van mest en mineralen in Nederland.
  • De Commissie Tamminga heeft voor een groot aantal diercategorieën nieuwe stikstofgehalten in levende dieren en dierlijke producten vastgesteld. De Werkgroep Uniformering berekeningswijze Mest- en mineralencijfers (WUM) heeft de bijbehorende fosfor- en kaliumgehalten aangepast op basis van berekeningen van Jongbloed (2001).
  • Voor 1998 ging de Werkgroep Uniformering berekeningswijze Mest- en mineralencijfers (WUM) uit van zoogkoeien die op hetzelfde type grasland worden gehouden als het melkvee. Tamminga et al. (2000) gaan voor de berekening van de stikstofuitscheiding in 2003 uit van zoogkoeien die extensief worden gehouden op half-natuurlijke graslanden. Op basis van Landbouwtellingsgegevens van 2000 heeft de WUM vastgesteld dat circa 50 procent van de zoogkoeien op half-natuurlijke graslanden worden gehouden en de overige 50 procent op bedrijven met gewoon grasland. Voor 1999 en 2000 is een gewogen gemiddelde berekend van de uitscheiding op basis van de uitgangspunten van Heeres-van der Tol (2001) en Tamminga et al. (2000).
  • Tamminga et al. (2000) maakt onderscheid in graskwaliteit tussen melk- en kalfkoeien enerzijds en jongvee, schapen en geiten anderzijds. Omdat de jaarlijkse monitoring van het Bedrijfslaboratorium voor Grond en Gewasonderzoek (BLGG) dit onderscheid niet kan maken, gaat de Werkgroep Uniformering berekeningswijze Mest- en mineralencijfers (WUM) voor haar berekeningen uit van de nationaal gemiddelde waarden voor mineralen en voederwaarde.
  • In navolging van Tamminga et al. (2000) is de uitscheiding van mannelijk jongvee voor de fokkerij, jonger dan 1 jaar, geheel aan de stalperiode toegerekend. De meeste van deze dieren worden gehouden op instellingen voor kunstmatige inseminatie (KI-stations). Voor leghennen is rekening gehouden met een hogere mestproductie van scharrelhennen. Het percentage scharrelhennen was bedroeg 20% in zowel 1999 als 2000.

2000

  • In 2000 is de duur van de weideperiode verkort met 15 dagen tot 165 dagen en de stalperiode verlengd tot 200 dagen. Dit is gedaan op grond van informatie van de Dienst Landbouwvoorlichting. Het feit dat de stalperiode langer is geworden heeft een aantal oorzaken. Sinds 1998 moeten de veehouders een heffing betalen voor elke kilogram stikstof- en fosfaatverlies boven de verliesnorm. Wanneer de dieren op stal staan is een betere sturing van de mineralenverliezen mogelijk. Bovendien was er in 1999 en 2000 een ruime voorraad geconserveerd ruwvoer voor handen. Als laatste reden kan worden genoemd de vergroting en extensivering van de bedrijven. Hierdoor neemt de afstand tussen de stal en de weide toe en daarmee de benodigde arbeid voor het in- en uitscharen van de koeien. Het is simpelweg goedkoper om de koeien langer op stal te houden.
  • In 2000 is ook de mestproductiefactor van melk- en kalfkoeien aangepast. Tot en met 1999 werd gewerkt met een cijfer dat was gebaseerd op informatie uit het begin van de jaren negentig (WUM, 1994a). De voor 2000 vastgestelde hoeveelheden zijn bijna 9 procent hoger. Sinds 1992 is met de toegenomen melkproductie per koe de voeropname gestegen. Een verdere, beperkte toename is het gevolg van een grotere lozing van afvalwater in de mestkelder als gevolg van het Lozingenbesluit. Voor de nieuwe berekening van de mesthoeveelheid is uitgegaan van 10 liter afvalwater per koe per dag. Evenals voor 1992 (WUM,1994a) zijn twee berekeningen gemaakt: 

- uitgaande van de verteringscoëfficienten van de droge stof (in 2000 voor een koe die 7500 liter melk per jaar geeft), en

- uitgaande van kengetallen over de mestproductie per koe per dag naar beweidingssysteem en voederrantsoen (PR, 2000).

De vastgestelde mesthoeveelheden voor 1992 zijn gebaseerd op methode 2. Ook voor 2000 is uitgegaan van deze methode. Uitgaande van een goede vertering en een droge-stofgehalte van 7,5 procent in de weideperiode geeft de berekening van de mesthoeveelheid volgens methode 1 ongeveer hetzelfde resultaat. De berekeningen laten geen significant verschil zien tussen de NW- en ZO-regio.

  • Tot slot zijn twee voor de vastlegging per koe benodigde kengetallen geactualiseerd: de gemiddelde leeftijd bij afvoer en het aantal kalveren per koe. Omdat beide kengetallen hoger zijn geworden, is het aantal kalveren per koe ongeveer gelijk gebleven en daarmee de vastlegging. De gebruikte kengetallen zijn gemiddelden uit het I&R bestand (Nederlands Rundvee Syndicaat) over de periode 1990-1999 van koeien die aan de melkcontrôle deelnemen (PV, 2001).

2001*

Het effect van de ziekte Mond- en KlauwZeer (MKZ) is ingerekend in de cijfers van de mest- en mineralenproductie. Het aantal geruimde runderen, varkens, schapen en geiten is naar rato van het aantal MKZ-uitbraken verdeeld over de MKZ-gemeenten (LNV, 2001). De verminderde omvang van de veestapel is berekend op basis van het aantal ruimingen en de duur van de vervoersverboden (B&A-groep, 2002; de Bont & Wisman, 2001).

Referenties

B&A-groep, 2002. MKZ 2001; de evaluatie van een crisis – eindrapport. B&A-groep, Den Haag.

Bont, C.J.A.M. de, en J.H. Wisman, 2001. MKZ ; gevolgen voor het inkomen van veehouderijen (tot en met juni 2001). LEI-Notitie 8 juni 2001. Landbouw Economisch Instituut, Den Haag.

BLGG, 2001. www.blgg.nl Bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek, Oosterbeek.

Eerdt, M.M. van, 1999. Mestproductie en mineralenuitscheiding, 1998. Kwartaalbericht Milieustatistieken, 1999/4, p. 27-31. CBS, Voorburg / Heerlen.

Heeres-van der Tol, J.J., 2001. Vaste kengetallen rundvee, schapen en geiten herzien. Intern rapport 455. Praktijkonderzoek Veehouderij, Lelystad.

Jongbloed, A. (2001). Persoonlijke mededeling

LEI, 2002. Bedrijfsuitkomsten in de landbouw (BUL). Boekjaar 1999/’00. Deeladministraties vleeskuikens en leghennen, mondelinge mededeling A. Wisman, Den Haag, Landbouw-Economisch Instituut.

LNV, 2001. Dossier MKZ (www.minlnv.nl/infomart/dossiers/mkz). Ministerie van LNV, Den Haag.

PR, 2000. Kwantitatieve Informatie Veehouderij 2000-2001. Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden, Lelystad.

PV, 2001. Persoonlijke mededeling Wijbrand Ouweltjes. Praktijkonderzoek voor de Veehouderij, Lelystad.

Tamminga, S., A.W. Jongbloed, M.M. van Eerdt, H.F.M. Aarts, F. Mandersloot, N.J.P. Hoogervorst en H. Westhoek, 2000. De forfaitaire excretie van stikstof door landbouwhuisdieren. Rapport ID Lelystad 00-2040R.

WUM, 1994a. Uniformering berekening mest en mineralen. Standaardcijfers rundvee, schapen en geiten, 1990 t/m 1992. Werkgroep Uniformering berekening mest- en mineralencijfers (redactie M.M. van Eerdt). CBS, IKC-Veehouderij, LAMI, LEI-DLO, RIVM en SLM.