Verdeling: Samenleving
Samenleving gaat over sociale relaties en maatschappelijke participatie. Sociale netwerken geven ondersteuning en dragen bij aan de kwaliteit van leven. Het gaat ook om een samenleving waaraan iedereen kan deelnemen en waarin mensen kunnen vertrouwen op elkaar en op de overheid en andere instituties.
De verschillen tussen bevolkingsgroepen worden gemeten met deelname aan vrijwilligerswerk, vertrouwen in anderen en vertrouwen in instituties, belangrijke aspecten van sociale cohesie. Vertrouwen is van belang voor mensen afzonderlijk, maar ook voor de samenleving. Voor het individu draagt vertrouwen bij aan een hoger welbevinden: het is prettiger om omgeven te worden door mensen en instellingen die men vertrouwt. Voor de samenleving betekent vertrouwen vaak dat mensen meer geneigd zijn samen te werken en anderen te helpen. Dat laatste kan onder meer afgelezen worden aan een hogere deelname aan vrijwilligerswerk, tegelijkertijd een belangrijke graadmeter voor de participatie en het welzijn van mensen.
Voor meer informatie over participatie en vertrouwen in de Nederlandse samenleving, zie Schmeets (2018) en Schmeets en Exel, (2020) en Schmeets (2026).
- Mensen rond of net na de pensioenleeftijd doen het vaakst vrijwilligerswerk. Migranten doen dat juist het minst vaak.
- Hbo’ers en universitair opgeleiden hebben veruit het vaakst vertrouwen in anderen. Zij hebben ook meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties. Mensen die geboren zijn buiten Europa hebben het minst vaak vertrouwen in anderen, maar wel meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties. Mensen met basisonderwijs of een vmbo-, havo-, vwo of mbo-diploma hebben relatief weinig vertrouwen in anderen en in instituties.
Vrijwilligerswerk
In 2025 zei 47,0 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder in het voorafgaande jaar ten minste één keer vrijwilligerswerk voor een organisatie of vereniging te hebben gedaan. Dit is niet significant veranderd ten opzichte van 2019.
Mannen en vrouwen verschillen niet significant van elkaar in het doen van vrijwilligerswerk. Wel ontwikkelde het aandeel mannen dat vrijwilligerswerk heeft gedaan zich tussen 2019 en 2025 relatief gunstig, met een stijging van 1,9 procentpunt.
Mensen van 65 tot 75 jaar doen met 54,7 procent meer dan gemiddeld aan vrijwilligerswerk. Dit geldt ook voor mensen van 35 tot 45 jaar (52,5 procent). Mensen van 25 tot 35 jaar doen dit juist minder dan gemiddeld (38,7 procent), net als mensen van 75 jaar of ouder (43,2 procent). Echter, als ermee rekening wordt gehouden dat de samenstelling van leeftijdsgroepen verschilt naar geslacht, onderwijsniveau en herkomst, dan wijkt het aandeel vrijwilligers bij de 75-plussers niet langer af van het gemiddelde.
Ten opzichte van 2019 was er bij mensen van 65 jaar of ouder een gunstigere ontwikkeling te zien dan gemiddeld. Bij mensen van 65 tot 75 jaar was er een toename van 7,0 procentpunt en bij de 75-plussers was er een stijging van 11,5 procentpunt ten opzichte van 2019. Bij andere leeftijdsgroepen was er een relatief ongunstige ontwikkeling in het aandeel vrijwilligers ten opzichte van 2019. Zo was er een daling van 3,6 procentpunt voor de 25- tot 35-jarigen en een daling van 4,6 procentpunt voor de 45- tot 55-jarigen.
Hbo’ers en universitair geschoolden doen met 55,3 procent vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk. Mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma doen dat juist minder dan gemiddeld (39,0 procent). Wel was er bij hen een relatief gunstige ontwikkeling, met een toename van 4,3 procentpunt tussen 2019 en 2025. Bij mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma ontwikkelde het vrijwilligerswerk zich juist wat ongunstiger dan gemiddeld, met een daling van 2,0 procentpunt ten opzichte van 2019.
Mensen die in Nederland zijn geboren en hun ouders ook, doen met 50,9 procent vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk. Migranten en de tweede generatie met een herkomst van buiten Europa doen dit minder vaak dan gemiddeld. Maar die laatste groep wijkt na standaardisatie niet meer af van het gemiddelde.
Vertrouwen in andere mensen
Van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder had in 2025 63,3 procent vertrouwen in de medemens, de rest vond dat je in de omgang met anderen niet voorzichtig genoeg kan zijn. Het aandeel mensen dat aangeeft vertrouwen te hebben in anderen was in 2025 niet significant anders dan in 2019.
Vrouwen hebben iets minder dan gemiddeld vertrouwen in anderen (61,7 procent), mannen juist iets meer dan gemiddeld (65,0 procent).
Zowel 75-plussers (58,3 procent) als jongeren van 15 tot 25 jaar (59,8 procent) hebben minder dan gemiddeld vertrouwen in de medemens. Echter, na standaardisatie blijken deze leeftijdsgroepen niet meer te verschillen van het gemiddelde. De leeftijdsgroep tussen 25 en 35 jaar heeft dan juist ondergemiddeld vertrouwen in andere mensen. Vóór de standaardisatie was dat nog gemiddeld. Ten opzichte van 2019 ontwikkelde het vertrouwen in de medemens zich bij de leeftijdsgroep van 35 tot 45 jaar relatief ongunstig, met een daling van 4,5 procentpunt. Bij 65-plussers ontwikkelde het vertrouwen zich juist relatief gunstig, met bij mensen van 65 tot 75 jaar een stijging van 9,0 procentpunt en bij mensen van 75 jaar of ouder een stijging van 6,7 procentpunt.
Mensen met een hbo- of universitaire opleiding of daarmee vergelijkbaar hebben met 81,4 procent bovengemiddeld vaak vertrouwen in de medemens. Mensen met vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar (43,8 procent) en mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma (60,4 procent) hebben dit vertrouwen juist minder dan gemiddeld.
Mensen met een Nederlandse herkomst hebben relatief vaak vertrouwen in anderen (68,4 procent). Migranten en de tweede generatie met een herkomst buiten Europa hebben minder dan gemiddeld vertrouwen in de medemens. Bij mensen met een Nederlandse herkomst en de tweede generatie met een Europese herkomst, ontwikkelde het vertrouwen in de medemens zich relatief gunstig ten opzichte van 2019, met een stijging van respectievelijk 3,7 en 10,7 procentpunt. Bij migranten van buiten Europa ontwikkelde het aandeel mensen met vertrouwen in andere mensen zich sinds 2019 juist relatief ongunstig, met een daling van 7,4 procentpunt.
Vertrouwen in instituties
Bij het vertrouwen in instituties gaat het om hoeveel mensen vertrouwen hebben in de politie, rechters en de Tweede Kamer. Gemiddeld had 60,6 procent van de 15 plussers in 2025 vertrouwen in deze drie instituties. Dit is niet het percentage dat in alle drie de instituties vertrouwen heeft, maar het gemiddelde over de drie instituties. Het vertrouwen in de politie en in rechters was met respectievelijk 78,4 procent en 78,2 procent het hoogste. Het vertrouwen in de Tweede Kamer was met 24,6 procent duidelijk lager. Ten opzichte van 2019 is het vertrouwen in politie, rechters en de Tweede kamer gedaald met 2,5 procentpunt.
Vrouwen hebben met 61,9 procent iets meer vertrouwen in instituties dan gemiddeld. Mannen hebben juist iets minder dan gemiddeld vertrouwen in instituties (59,4 procent). Bij hen daalde het vertrouwen in deze instituties ten opzichte van 2019, met 3,7 procentpunt, ook meer dan gemiddeld. Vrouwen toonden een minder grote daling dan gemiddeld, met 1,1 procentpunt.
Oudere mensen hebben minder vertrouwen in instituties dan jongeren: in de leeftijdsgroepen vanaf 65 jaar lag het vertrouwen in instituties onder het gemiddelde. De jongere leeftijdsgroepen tot 35 jaar hadden juist meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties en bij 35- tot 45-jarigen is het institutioneel vertrouwen gemiddeld. Hoewel 15- tot 45- jarigen een (boven)gemiddeld vertrouwen in instituties tonen, daalde het vertrouwen bij deze leeftijdsgroep relatief sterk tussen 2019 en 2025. Bij 55-plussers ontwikkelde het vertrouwen in instituties zich relatief gunstig en nam het vertrouwen juist toe. Desondanks bleef bij 65-plussers het vertrouwen in 2025 ondergemiddeld. Dit heeft te maken met de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en herkomst in elk van de leeftijdsgroepen. Na standaardisatie blijkt het vertrouwen in instituties voor de meeste leeftijdsgroepen niet meer af te wijken van het gemiddelde. Alleen 15- tot 25-jarigen hebben dan nog relatief vaak vertrouwen in instituties.
Hbo’ers en universitair geschoolden hebben met 67,7 procent bovengemiddeld vaak vertrouwen in instituties. Mensen met een ander onderwijsniveau hebben minder vaak vertrouwen in instituties. Mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar kenden ten opzichte van 2019 een relatief gunstige ontwikkeling; het vertrouwen steeg met 0,7 procentpunt. Bij hbo’ers en universitair geschoolden was er juist een afname van 6,4 procentpunt.
Mensen van de tweede generatie met een herkomst van buiten Europa hebben met 54,5 procent minder vertrouwen in instituties dan gemiddeld. In 2019 was het vertrouwen in instituties bij deze groep nog wel gemiddeld. Sindsdien is dit vertrouwen bij hen sterk gedaald, met 8,2 procentpunt. Andere herkomstgroepen hadden in 2025 een gemiddeld vertrouwen. Echter, na standaardisatie hebben migranten van buiten Europa significant meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties. Bij mensen van de tweede generatie uit Europa steeg het vertrouwen ten opzichte van 2019 met 4,9 procentpunt.