Methodebeschrijving

Met een simulatie is met jaargegevens van het Integrale Inkomens- en Vermogenssysteem (IIVS) 2018 onderzocht in hoeverre een fictieve inkomensdaling van zelfstandigen kan worden opgevangen met de resterende beschikbare financiële middelen van het huishouden waartoe de zelfstandige behoort. Per zelfstandige is gesimuleerd hoeveel maanden het duurt alvorens de financiële middelen van het bijbehorende huishouden onder een gestelde ondergrens zakken.

Populatie

De populatie omvat de zelfstandigen in particuliere huishoudens met inkomen per 1 januari 2018. Van hen en van het bijbehorende huishouden zijn alle gegevens beschikbaar van het jaarinkomen 2018 en van het vermogen van het huishouden op peildatum 1-1-2018. Een particulier huishouden bestaat uit één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften. Zelfstandigen zijn personen waarbij het inkomen uit werkzaamheden als zelfstandige de voornaamste inkomensbron is.

Een zelfstandige is een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht
- in een eigen bedrijf of praktijk (zelfstandig ondernemer),
- als directeur-grootaandeelhouder (dga),
- in het bedrijf of de praktijk van een gezinslid (meewerkend gezinslid), of
- als overige zelfstandige.

Begrippen en afleidingen

De algeheel beschikbare financiële middelen over 2018 betreffen enerzijds een inkomensbuffer en anderzijds een vermogensbuffer. Het vermogen op de peildatum 1-1-2018 is daarbij als indicatief verondersteld voor heel 2018.

De eventueel aanwezige inkomensbuffer bestaat uit andere bruto-inkomensbronnen van de zelfstandige zelf (bijvoorbeeld een neveninkomen als werknemer of een inkomen uit pensioen) en het eventuele bruto-inkomen van de andere leden van het huishouden.
Het bruto huishoudensinkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, inkomen uit vermogen, uitkering inkomensverzekeringen, uitkering sociale voorzieningen, ontvangen gebonden overdrachten en ontvangen inkomensoverdrachten.

De eventuele vermogensbuffer is het vrij opneembare vermogen van het bijbehorende huishouden. Het betreft de in beginsel direct beschikbare liquide middelen, te weten het geld op lopende rekeningen en spaarrekeningen, en de aandelen. Bezittingen in de vorm van onroerend en roerend goed zijn niet meegeteld.

Het jaarinkomen van zelfstandigen bestaat uit de winst uit onderneming van de zelfstandig ondernemer, het resultaat uit overige werkzaamheden van de overige zelfstandigen en het loon dat een dga ontvangt. Deze inkomens zijn bruto. Een inkomensderving van een maand is gelijk gesteld aan een twaalfde deel van het jaarinkomen. Negatieve jaarinkomens van zelfstandigen zijn op nul gezet. Indien de resterende financiële middelen van het bijbehorende huishouden niet boven de drempel uitkomen geldt dat deze zelfstandige al van meet af aan onder het kritische inkomensniveau vertoeft. Voor een huishouden met meerdere zelfstandigen geldt dat de inkomensderving de som is van alle dervingen van zelfstandigeninkomens binnen een huishouden. 

De gestelde ondergrens voor een alleenstaande is het bruto minimumjaarloon. Dit is berekend als het gemiddelde van het geldende wettelijke minimumloon op 1 januari en 1 juli 2018, voor een 21-jarige, inclusief vakantiegeld en werkgeverslasten en komt neer op een bedrag van 25.332,19 euro. De berekening van dit zogeheten superbruto minimumloon staat hieronder weergegeven. De term superbruto duidt aan dat het gaat om het reguliere bruto minimumloon plus de door de werkgever betaalde premies inkomensverzekeringen.

Tabel 1 - Berekening van superbruto minimumloon, 2018
A+B+D+E+FMinimumloon inclusief werkgeverslasten (superbruto) € 25.332,19
ABruto minimumloon inclusief vakantiegeld (grondslag pensioenpremie) € 20.555,86
Franchise, pensioen-premie, sector markt [gemiddeld] € 13.076,00
Marginale pensioenpremie werkgever, sector markt [gemiddeld] 0,1271
BBerekende pensioenpremie werkgever: € 950,69
Marginale pensioenpremie werknemer, sector markt [gemiddeld] 0,0591
CBerekende pensioenpremie werknemer: € 442,06
A-CHeffingenloon (grondslag werknemersverzekeringen en ZVW) € 20.113,80
Marginale premie AWF, werkgever0,0285
Marginale premie sectorfonds werkloosheid, werkgever [gemiddeld]0,0128
Marginale Aof-premie: WAO/WIA-basispremie, werkgever0,0677
Marginale Whk-premie: WGA- en de Ziektewetrekenpremie, werkgever [gemiddeld]0,0122
Marginale inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, werkgever0,069
DBerekende werkloosheidspremie werkgever: € 830,70
EBerekende arbeidsongeschiktheidspremie werkgever: € 1.607,09
FBerekende zvw-premie werkgever: € 1.387,85

Tabel 2 - Berekening minimumloon per jaar
PeriodePer maandVakantiegeldTotaal
Minimumloon per januari 2018€1.578,00€ 126,24€1.704,24
Minimumloon per juli 2018€1.594,20€ 127,54€1.721,74
Minimum jaarloon 2018€19.033,20€1.522,66€20.555,86

Voor een zelfstandige in een meerpersoonshuishouden is het grensbedrag op het niveau van het desbetreffende huishouden gebracht door vermenigvuldiging met de bijbehorende equivalentiefactor. In de CBS equivalentiefactoren komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding (zie Materiële welvaart in Nederland 2020). Met behulp van de equivalentiefactoren kunnen alle inkomens worden herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Omgekeerd kan het inkomen van een eenpersoonshuishouden natuurlijk ook vergelijkbaar worden gemaakt met het inkomen van een meerpersoonshuishouden van een bepaalde grootte en samenstelling door te vermenigvuldigen met de bijbehorende equivalentiefactor. Van dit omgekeerde principe is bij de bepaling van de ondergrens van meerpersoonshuishoudens gebruik gemaakt. Het minimumloonbedrag is vermenigvuldigd met de equivalentiefactor die hoort bij het type meerspersoonshuishouden waarvan de zelfstandige deel uitmaakt; een meerpersoonshuishouden heeft daarmee een hogere minimumgrens dan een eenpersoonshuishouden.

In de simulatie van maandelijks opvolgende inkomensderving wordt verondersteld dat het uitgavenpatroon meteen wordt aangepast als waren de uitgaven op het niveau van de bijbehorende ondergrens.

Alle inkomens zijn bruto bedragen. Eventuele veranderingen als gevolg van de inkomensderving zoals recht op toeslagen, aftrekposten of in een ander belastingtarief terechtkomen, zijn niet van toepassing.

Berekening

Het aantal maanden dat het duurt eer een huishouden onder de gestelde grens zakt is in twee stappen berekend. In de eerste stap wordt het bruto jaarinkomen van het huishouden berekend dat resteert na het wegvallen van het zelfstandigeninkomen. Om op een maandbedrag uit te komen wordt het resterende jaarbedrag gedeeld door 12. Dit is het maandelijkse huishoudensinkomen minus derving. Als dit maandbedrag groter is dan het maandbedrag van de bijbehorende drempel komt het huishouden bij het wegvallen van het zelfstandigeninkomen het hele jaar niet in de problemen. Is het bedrag kleiner dan de bijbehorende drempel dan wordt het verschil berekend tussen dit maandbedrag en het maandbedrag van de kritische drempel. Dit is het maandelijkse tekort. Vervolgens wordt in de tweede stap de eventueel beschikbare vermogensbuffer gedeeld door dit maandelijkse tekort. Dit resulteert in het aantal maanden waarmee het gederfde inkomen kan worden opgevangen. Bij een uitkomst van 12 maanden zijn er geen kritische problemen met het huishoudensinkomen als gevolg van de inkomensderving van de zelfstandige(n) binnen dat huishouden.

Tabel 3 - Berekening duur buffer
.EenpersoonshuishoudenPaar met 1 minderjarig kind
Equivalentiefactor huishouden11,67
.JaarMaandJaarMaand
Bruto huishoudensinkomen€ 25.658€ 2.138€ 45.924€ 3.827
Zelfstandigeninkomen van het huishouden€ 20.928€ 1.744€ 33.229€ 2.769
Maandelijks huishoudensinkomen minus derving.€ 394.€ 1.058
Ondergrens huishouden (minimale uitgaven)1)€ 25.332€ 2.111€ 42.304€ 3.525
Tekort per maand€ 1.717€ 2.467
Vrij opneembaar vermogen € 7.621€ 21.447
Duur buffer48
1) De ondergrens van het huishouden is gelijk aan de minimumloongrens vermenigvuldigd met de equivalentiefactor.

Simulatie en eigen inschattingen volgens enquêtering

Volgens een eerdere CBS-enquête zei in 2019 een vijfde van de zelfstandig ondernemers dat hun huishouden niet langer dan 3 maanden financieel rond kan komen als het inkomen uit hun bedrijf zou wegvallen (Inschatting financiële buffer). De onderhavige simulatie op alle zelfstandigen laat zien dat na 3 maanden inkomensderving een vergelijkbaar aandeel, 19 procent, onder minimumloonniveau geraakt. Andere periodevergelijkingen tussen simulatie en enquête zijn evenwel lastig.

Terug naar artikel