Ongelijkheid in welvaart stabiel

© Hollandse Hoogte
De netto-inkomensverschillen tussen Nederlandse huishoudens zijn sinds 2001 klein en vrijwel stabiel. De economische crisis had geen vat op de ontwikkeling van de inkomensongelijkheid. Wel steeg de ongelijkheid in vermogen als gevolg van de ingestorte woningmarkt, maar door het aantrekken van de huizenprijzen nam die in 2014 niet verder toe. Dat meldt CBS in de publicatie Welvaart in Nederland 2016.

In de laatste vijftien jaar nam alleen in 2007 de ongelijkheid in inkomen licht toe. Dat kwam door een fiscale maatregel die het voor directeuren-grootaandeelhouders aantrekkelijk maakte zichzelf in dat jaar veel dividend uit te keren. Nederland behoort, samen met onder meer Scandinavische lidstaten, al jaren tot de EU-lidstaten met de meest gelijke inkomensverdelingen.

Inkomensongelijkheid van huishoudens

Inkomensongelijkheid bij jongeren toegenomen door crisis

De inkomensverschillen onder jonge hoofdkostwinners namen tussen 2011 en 2014 toe. Jongeren gingen vanwege de verslechterde kansen op de arbeidsmarkt langer doorleren, waardoor steeds meer lage inkomens tegenover steeds minder hoge inkomens kwamen te staan. Bij zelfstandigen nam de ongelijkheid tijdens de crisis juist af. Deze groep groeide toen flink in omvang en het gemiddeld inkomen van de zelfstandigen aan de onderkant van de inkomensladder steeg, terwijl het aan de bovenkant daalde.

Stijging vermogensongelijkheid voorbij

Het vermogen is aanmerkelijk ongelijker verdeeld dan het inkomen. Begin 2014 was 86 procent van het vermogen in handen van de 20 procent meest vermogende huishoudens. Door de daling van de huizenprijzen steeg de vermogensongelijkheid gedurende de economische crisis. Eigenwoningbezitters met een hoge hypotheekschuld en senioren van wie het vermogen overwegend bestaat uit de (afbetaalde) eigen woning werden relatief zwaarder getroffen door de instortende woningmarkt dan huishoudens met een hoger vermogen, die vaak ook spaartegoeden of effecten hebben.
Doordat de woningmarkt in 2014 weer aantrok, kwam er een eind aan de toename in de vermogensongelijkheid. Als de waarde van de eigen woning en de bijbehorende hypotheekschuld buiten beschouwing worden gelaten, is de vermogensongelijkheid tussen 2006 en 2014 vrijwel gelijk gebleven.

Vermogensongelijkheid van huishoudens

Welvaartsongelijkheid het grootst bij jong en oud

Ook de welvaartsongelijkheid volgens een nieuwe welvaartsmaat is van 2006 tot 2014 vrijwel ongewijzigd gebleven. Deze welvaartsmaat is gebaseerd op een combinatie van inkomen en een deel van het vermogen dat groter is naarmate de levensverwachting van de hoofdkostwinner van het huishouden korter is. Bij de jongere en middelbare leeftijdsgroepen is het inkomen de dominerende factor in de welvaart, vanaf het vijftigste levensjaar begint het vermogen een steeds grotere rol te spelen. De welvaartsongelijkheid is in de jongste leeftijdsgroep met een hoofdkostwinner tot 25 jaar daarom groot, zoals dat ook bij de inkomensongelijkheid het geval was.

Maar ook bij 65-plussers, die betrekkelijk weinig verschillen in inkomen, is de welvaartsongelijkheid relatief groot. Dit heeft te maken met het eigenwoningbezit van 65-plussers. Bij de huurders met veelal een relatief gering inkomen en weinig vermogen is sprake van lage welvaart, terwijl de eigenwoningbezitters met vooral een betrekkelijk hoog vermogen in hogere welvaart leven. Onder 65-plussers zijn ongeveer net zo veel huurders als eigenwoningbezitters.