Auteur(s): Christian Fang, Kirsten van Houdt, Maaike van der Vleuten

Ouderkoppels van gelijk geslacht

Over deze publicatie

Hoeveel gezinnen met twee moeders of twee vaders en een of meer thuiswonende kinderen zijn er? Hoe zien deze gezinnen eruit, hoe zijn zij verspreid over Nederland en wat is hun sociaaleconomische positie? Dit artikel brengt ouderkoppels van gelijk geslacht in kaart op basis van registergegevens, en plaatst de cijfers in context door deze te vergelijken met vader-moederkoppels.

Ouderkoppels van gelijk geslacht:
─ Zijn voornamelijk twee-moederkoppels (90 procent) en in minderheid twee-vaderkoppels (10 procent);
─ Nemen toe in aantal tussen 1995 en 2024, van 1 300 naar 9 800;
─ Hebben gemiddeld minder kinderen dan vader-moederkoppels;
─ Hebben een relatief groot leeftijdsverschil;
─ Wonen relatief weinig in Zeeland of Fryslân;
─ Hebben relatief vaak een hbo- of wo-diploma (alleen twee-moederkoppels, twee-vaderkoppels niet);
─ Hebben een relatief laag huishoudensinkomen (alleen twee-moederkoppels, twee-vaderkoppels niet).

1. Inleiding

Gezinsvormen worden steeds diverser (Reczek, 2020; Rault, 2023). Het gezin met een vader en een moeder is niet langer vanzelfsprekend. Steeds meer kinderen groeien op in andere gezinsvormen, zoals met twee vaders of twee moeders. In vergelijking met moeder-vaderkoppels is deze groep relatief klein, maar hun aantal nam de afgelopen decennia toe (Rault, 2023). Ook hun zichtbaarheid in de samenleving werd groter, mede door toenemende aandacht voor gender- en seksuele diversiteit (Kennis, 2024). Toch weten we nog relatief weinig over deze gezinnen. 

Bestaande studies naar twee-vader- en twee-moederkoppels zijn overwegend kwalitatief, al is de afgelopen jaren ook steeds meer kwantitatief onderzoek naar ouderschap onder koppels van gelijk geslacht verschenen. De nadruk ligt daarbij op de dynamieken en ervaringen van het gezin, zoals de taakverdeling voor en tijdens het ouderschap (Jaspers & Verbakel, 2013; Van der Vleuten et al., 2021), ervaringen met acceptatie of stigmatisering in de omgeving (Leal et al., 2021) en de ontwikkeling en uitkomsten van de kinderen (Bos et al.,2005; Mazrekaj et al.,2022). Daarnaast is de bestaande literatuur sterk gericht op vrouwenkoppels met kinderen. 

Wat grotendeels ontbreekt, is een landelijk en systematisch beeld van de omvang en kenmerken van deze ouderkoppels. Dit artikel brengt gezinnen van ouderkoppels van gelijk geslacht in Nederland in beeld aan de hand van registerdata, met aandacht voor hun aantal en ontwikkeling, regionale spreiding en demografische en sociaaleconomische kenmerken. 

1.1 Achtergrond

Voor koppels van gelijk geslacht is ouderschap minder vanzelfsprekend dan voor man-vrouwkoppels. De weg naar ouderschap is dan ook vaak complexer en duurder. 

Een groot aandeel van de vrouwenkoppels met een kinderwens kiest voor een zaaddonor, die geen juridische ouder is van het kind, en waarbij een van de partners het kind draagt (Geerts, 2026). Voor mannenkoppels is het gebruik van een donor complexer en kostbaarder omdat er naast een donoreicel een draagmoeder nodig is. Commercieel draagmoederschap is verboden in Nederland, en de administratieve en financiële barrières voor een kind van een buitenlandse draagmoeder zijn hoog (Malmquist & Höjerström, 2020).

Zowel vrouwenkoppels als mannenkoppels kunnen daarnaast kiezen voor gedeeld ouderschap met een andere ouder, bijvoorbeeld wanneer een mannenkoppel en een vrouwenkoppel samen een kind krijgen (zogenaamd meerouderschap; Kazyak et al., 2018; Malmquist & Spånberg Ekholm, 2019). In Nederland kan een kind echter maximaal twee juridische ouders hebben, wat betekent dat niet alle ouders als ouder geregistreerd kunnen worden.  

Tot voor kort was interlandelijke adoptie een andere mogelijke route naar ouderschap voor koppels van gelijk geslacht, zij het vanuit een beperkt aantal landen. Inmiddels wordt interlandelijke adoptie volledig afgebouwd: sinds 2024 worden er geen nieuwe procedures meer gestart. Bovendien kwam adoptie door koppels van gelijk geslacht relatief weinig voor, onder meer omdat veel landen van herkomst adoptie door deze koppels niet toestaan (Moberg & Van der Vleuten, 2023; Malmquist & Spånberg Ekholm, 2020). Koppels van gelijk geslacht kunnen ook pleegouders worden, maar pleegzorg is vaak tijdelijk van aard en in de meeste gevallen is er geen sprake van juridisch ouderschap (Malmquist & Spånberg Ekholm, 2019).

Ten slotte zijn er kinderen die opgroeien met twee ouders van gelijk geslacht maar geboren zijn in een eerdere man-vrouw relatie van een van de ouders, vooral onder oudere cohorten (Gates, 2015; Boertien et al., 2024).

1.2 Onderzoeksvragen

Het is duidelijk dat er voor koppels van gelijk geslacht met een kinderwens meer hordes te nemen zijn dan voor man-vrouwkoppels, met name voor mannenkoppels. De weg naar ouderschap vergt vaak meer financiële middelen, een ondersteunend sociaal netwerk en kennis van de mogelijkheden. Hierdoor vormen ouderkoppels van gelijk geslacht mogelijk een selecte groep van relatief welvarende personen die relatief vaak een hbo- of wo-onderwijsniveau hebben, vooral de vaderkoppels (Machado & Jaspers, 2023; Evertsson et al., 2025; Van der Vleuten et al., 2025). Dit artikel brengt daarom zowel de omvang als de sociaaleconomische kenmerken van ouderkoppels van gelijk geslacht in kaart.

In dit artikel worden de volgende vragen beantwoord:

  1. Hoeveel ouderkoppels van gelijk geslacht telde Nederland van 1995 tot en met 2024?
  2. Hoe zien de gezinnen van ouderkoppels van gelijk geslacht eruit?
  3. Wat zijn de sociaaleconomische kenmerken van ouderkoppels van gelijk geslacht?

Het gaat in dit artikel om ouderkoppels met thuiswonende kinderen jonger dan 25 jaar. Ter referentie worden er ook cijfers over vader-moederkoppels getoond.

2. Data en methode

2.1 Data

Voor dit onderzoek zijn gegevens uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) (Bakker et al., 2014) van het CBS gebruikt. In deze bestanden zijn verschillende registers, zoals de Basisregistratie Personen (BRP) en de Polisadministratie, samengevoegd. Ze bevatten informatie over demografische kenmerken (leeftijd en geslacht), huishoudens (huishoudenssamenstelling en plaats in het huishouden) en sociaaleconomische positie (opleiding en werk).

Registerdata bieden tijdreeksen van partner- en ouder-kindrelaties, evenals sociaaleconomische kenmerken van beide partners. De kracht van deze data is dat zij de volledige in Nederland geregistreerde bevolking bestrijken. Daardoor bieden zij een unieke mogelijkheid om grote aantallen koppels te identificeren. Ook relatief kleine groepen, zoals ouderkoppels van gelijk geslacht, kunnen hierdoor systematisch in kaart worden gebracht.

Een belangrijk nadeel van registerdata in deze context is dat ouders en kinderen alleen gekoppeld kunnen worden op basis van juridisch ouderschap en een gedeeld huishouden. Alternatieve gezinsvormen, zoals meerouderschap waarbij zowel de juridische moeder als de juridische vader een koppel vormt met iemand van hetzelfde geslacht, kunnen daardoor niet als zodanig worden geïdentificeerd. Kinderen kunnen namelijk maar op één adres staan ingeschreven en maar twee juridische ouders hebben. 

Daarnaast is de categorisering van gezinnen gebaseerd op geregistreerde kenmerken (zoals belastingaangiften, leeftijd en juridisch ouderschap). Er is niet aan mensen gevraagd wat hun onderlinge relatie is. Ook bevatten de registers geen informatie over seksuele oriëntatie. Koppels van gelijk geslacht worden geïdentificeerd op basis van het in de BRP geregistreerde geslacht.

2.2 Definitie en identificatie van ouderkoppels

Er zijn verschillende manieren om een ouderkoppel te definiëren. In studies naar vader-moederkoppels ligt het voor de hand om naar gedeeld juridisch ouderschap te kijken. De moeder wordt namelijk automatisch juridisch ouder en haar man of geregistreerde partner automatisch ook. Als er geen sprake is van een huwelijk of geregistreerd partnerschap, kan de vader het kind (voor of na geboorte) relatief makkelijk erkennen.

Voor ouderkoppels van gelijk geslacht is juridisch ouderschap vaak minder vanzelfsprekend omdat het voor niet-biologische ouders niet eenvoudig is om juridisch ouderschap te verkrijgen. Bij vrouw-vrouwkoppels die met behulp van een zaaddonor een kind krijgen, wordt de geboortemoeder automatisch juridische ouder. Tot 2014 moest de niet-geboortemoeder een adoptieprocedure doorlopen. Met ingang van de Wet Lesbisch Ouderschap (2014) is dit eenvoudiger geworden: de niet-biologische moeder wordt automatisch de andere juridische ouder wanneer de moeders gehuwd of geregistreerd partners zijn, of kan het kind al voor de geboorte erkennen. 

Voor man-mankoppels die met behulp van een draagmoeder een kind krijgen, wordt de draagmoeder bij de geboorte in eerste instantie juridisch ouder. Als zij gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, wordt ook haar partner automatisch juridisch ouder. Als de draagmoeder ongehuwd is, kan een van de vaders het kind erkennen. Als zij gehuwd is, moeten de wensouders eerst via de rechter het juridisch ouderschap laten wijzigen. In alle gevallen is voor het juridisch ouderschap van de tweede vader een gerechtelijke procedure nodig, wat draagmoederschap juridisch complex maakt.

Ouderkoppels die een kind adopteren worden in principe beide juridische ouder, maar hiervoor moet eerst de volledige adoptieprocedure worden doorlopen.

Ruimere definitie

Een afbakening die uitsluitend is gebaseerd op gedeeld juridisch ouderschap leidt ertoe dat een deel van de ouderkoppels van gelijk geslacht buiten beeld blijft. Daarom is in dit artikel gekozen voor een ruimere definitie: twee personen, geïdentificeerd als samenwonend koppel (zie kader) met ten minste één thuiswonend kind jonger dan 25 jaar, dat juridisch kind is van een of beide samenwonende partners. Deze definitie omvat zowel kinderen die geadopteerd of geboren zijn binnen het huidige koppel als kinderen die geboren zijn binnen een eerdere relatie van een van de partners (zogenaamde stiefkinderen). 

Met deze definitie wordt, in vergelijking met gedeeld juridisch ouderschap, een grotere kans op onjuiste toewijzing geaccepteerd. Mogelijk zullen er ouderkoppels met thuiswonende kinderen zijn die een andere relatie tot elkaar hebben dan wordt aangenomen, zoals een alleenstaande moeder met een inwonende vriendin die niet haar partner is. Tegelijkertijd doet deze ruimere definitie meer recht aan de minder geïnstitutionaliseerde aard van ouderschap onder koppels van gelijk geslacht en laat deze meer ruimte voor diversiteit in gezinsvormen. 

De definitie op basis van juridisch ouderschap geeft duidelijk een conservatievere schatting van het aantal ouderkoppels van gelijk geslacht dan de ruimere definitie. In 1995 worden er bijna driemaal zoveel koppels als ouderkoppel geïdentificeerd op basis van samenwonend met een thuiswonend kind dan op basis van gedeeld juridisch ouderschap. Dit verschil neemt geleidelijk af met de jaren, tot 1,5 keer zo veel in 2024.

2.2.1 Ouderkoppels1) van gelijk geslacht, definitie
JaarGedeeld juridisch ouderschap (x 1 000)Samenwonend met kind (x 1 000)
19950,51,4
19960,61,5
19970,71,7
19980,81,8
19990,82,0
20000,92,2
20011,02,4
20021,12,7
20031,22,9
20041,43,3
20051,53,6
20061,74,1
20071,84,5
20081,95,0
20092,15,1
20102,45,5
20112,66,0
20122,86,4
20133,06,6
20143,37,5
20153,67,9
20163,87,9
20174,18,1
20184,48,1
20194,68,1
20204,98,3
20215,28,7
20225,79,0
20236,09,4
20246,49,8
1) Ouderkoppels met kind jonger dan 25 jaar

De leeftijdsgrens van 25 jaar is gekozen om enerzijds voldoende observaties te hebben en anderzijds de kans op misidentificatie te beperken. Bij een lagere leeftijdsgrens wordt het aantal ouderkoppels (met name twee-vaderkoppels) te klein om betrouwbaar te kunnen tonen. Bij een hogere leeftijdsgrens wordt de kans groot dat een – mogelijk later gevormd – koppel niet samen zorg heeft gedragen voor de opvoeding van het kind. Bovendien is de gemiddelde leeftijd waarop jongeren uit huis gaan (in 2024) 24 jaar (CBS, 2026). 

Om context te geven aan de verschillende kenmerken van ouderkoppels van gelijk geslacht worden ook cijfers getoond over vader-moederkoppels, waar mogelijk en relevant. Deze koppels worden onderscheiden op basis van dezelfde definitie: twee personen (man en vrouw, in dit geval), geïdentificeerd als samenwonend koppel met ten minste één thuiswonend kind jonger dan 25 jaar, dat juridisch kind is van een of beide samenwonende partners. 

3. Resultaten

3.1 Hoeveel ouderkoppels van gelijk geslacht zijn er?

6 keer zoveel ouderkoppels van gelijk geslacht als in 1995

In 2024 waren er bijna 9 duizend twee-moederkoppels met een thuiswonend kind jonger dan 25 jaar, waarbij ten minste één van de partners juridisch ouder is van het kind. Dat is meer dan 6 keer zoveel als in 1995. Er is sprake van een vrijwel continue stijging over de gehele periode.

Er waren in 2024 bijna duizend twee-vaderkoppels, in 1995 waren het er 150. De relatieve stijging is vergelijkbaar met de stijging van het aantal twee-moederkoppels: ook bijna 6 keer zoveel. De absolute stijging van twee-vaderkoppels is wel flink kleiner. 

De verhouding tussen twee-moederkoppels en twee-vaderkoppels is min of meer stabiel over de tijd. Twee-moederkoppels vormen bijna 90 procent van alle ouderkoppels van gelijk geslacht.

3.1.1 Samenwonende koppels met thuiswonend kind jonger dan 25 jaar
JaarTwee-vaderkoppels (x 1 000)Twee-moederkoppels (x 1 000)
19950,11,2
19960,21,3
19970,21,5
19980,21,6
19990,21,8
20000,21,9
20010,22,1
20020,32,4
20030,32,6
20040,42,9
20050,43,2
20060,43,6
20070,53,9
20080,64,4
20090,64,5
20100,74,8
20110,75,3
20120,85,6
20130,95,8
20141,06,4
20151,16,9
20161,06,8
20171,17,0
20181,07,1
20190,97,2
20200,97,4
20210,97,8
20220,98,1
20231,08,5
20241,08,8

Het aantal man-vrouwkoppels met een thuiswonend kind jonger dan 25 jaar, waarbij ten minste een van de partners juridisch ouder van het kind is, is flink groter. In 2024 waren dat er ongeveer 1,8 miljoen. Ouderkoppels van gelijk geslacht vormen daarmee slechts 0,5 procent van alle ouderkoppels. Daarnaast valt op dat het aantal ouderkoppels van gelijk geslacht is toegenomen terwijl het aantal vader-moederkoppels juist is afgenomen, met ruim 100 duizend. 

Fryslân en Zeeland kleinste aandeel ouderkoppels van gelijk geslacht

Ouderkoppels van gelijk geslacht vormen in elke regio in Nederland een kleine minderheid (0,8 procent van alle ouderkoppels of minder). Er zijn wel regionale verschillen. In regio’s met grote steden is het aandeel wat hoger dan in meer perifere regio’s.

Naar verhouding wonen de meeste ouderkoppels van gelijk geslacht in de COROP-regio’s Agglomeratie Haarlem, Arnhem/Nijmegen en Groot-Amsterdam. In deze regio’s was in 2024 tussen de 0,7 en 0,8 procent van alle samenwonende koppels met een thuiswonend kind jonger dan 25 jaar, waarvan ten minste één van de twee partners de juridische ouder is, een koppel van gelijk geslacht. In de regio’s Zuidwest-Friesland, Zuidoost-Friesland en Overig Zeeland woonden juist relatief weinig ouderkoppels van gelijk geslacht (0,3 procent).

3.1.2 Ouderkoppels van gelijk geslacht, 2024
COROPPercentage ouderkoppels van gelijk geslacht (%)
Oost-Groningen0,5
Delfzijl en omgeving0,6
Overig Groningen0,7
Noord-Friesland0,4
Zuidwest-Friesland0,3
Zuidoost-Friesland0,3
Noord-Drenthe0,7
Zuidoost-Drenthe0,5
Zuidwest-Drenthe0,4
Noord-Overijssel0,5
Zuidwest-Overijssel0,7
Twente0,4
Veluwe0,4
Achterhoek0,4
Arnhem/Nijmegen0,8
Zuidwest-Gelderland0,4
Utrecht0,6
Kop van Noord-Holland0,5
Alkmaar en omgeving0,5
IJmond0,6
Agglomeratie Haarlem0,8
Zaanstreek0,5
Groot-Amsterdam0,7
Het Gooi en Vechtstreek0,6
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek0,6
Agglomeratie 's-Gravenhage0,6
Delft en Westland0,5
Oost-Zuid-Holland0,4
Groot-Rijnmond0,5
Zuidoost-Zuid-Holland0,5
Zeeuwsch-Vlaanderen0,4
Overig Zeeland0,3
West-Noord-Brabant0,6
Midden-Noord-Brabant0,6
Noordoost-Noord-Brabant0,5
Zuidoost-Noord-Brabant0,5
Noord-Limburg0,4
Midden-Limburg0,4
Zuid-Limburg0,6
Flevoland0,5

3.2 Hoe zien de gezinnen van ouderkoppels van gelijk geslacht eruit?

Twee-vaderkoppels hebben kleinste gezinnen

In 2024 hadden twee-moederkoppels gemiddeld 1,6 thuiswonende kinderen jonger dan 25 jaar. Twee-vaderkoppels hadden gemiddeld minder kinderen: 1,4. Vader-moederkoppels hadden gemiddeld meer thuiswonende kinderen: 1,8. Het gemiddelde aantal thuiswonende kinderen is min of meer stabiel over de tijd, voor alle typen koppels. 

3.2.1 Gemiddeld aantal thuiswonende kinderen jonger dan 25 jaar
JaarVader-moederkoppels (Gemiddeld aantal)Twee-vaderkoppels (Gemiddeld aantal)Twee-moederkoppels (Gemiddeld aantal)
19951,91,31,6
19961,91,41,6
19971,91,51,6
19981,91,41,7
19991,91,41,6
20001,91,41,7
20011,91,41,7
20021,91,41,7
20031,91,41,7
20041,91,41,7
20051,91,41,6
20061,91,31,6
20071,91,41,6
20081,91,41,6
20091,91,41,6
20101,91,41,6
20111,91,41,6
20121,91,41,6
20131,91,41,6
20141,91,41,6
20151,91,41,6
20161,91,41,6
20171,91,41,6
20181,91,41,6
20191,91,41,6
20201,91,41,6
20211,91,41,6
20221,91,41,6
20231,91,41,6
20241,91,41,6

Steeds vaker getrouwd

In 2024 was twee derde van de twee-moederkoppels getrouwd of had een geregistreerd partnerschap, tegenover iets meer dan een derde van de twee-vaderkoppels. Dat is voor beide groepen een flinke toename ten opzichte van 1998, het eerste jaar waarin het geregistreerd partnerschap mogelijk was voor alle koppels. Toen ging het nog om slechts circa 15 procent van de koppels van gelijk geslacht.

Bij twee-moederkoppels is het aandeel dat getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft sinds 1998 elk jaar toegenomen. Bij twee-vaderkoppels is er – afgezien van een kleine stijging na de introductie van het geregistreerd partnerschap in 1998 – pas sinds 2017 een stijging.

Het aandeel vader-moederkoppels dat getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, is over de gehele periode hoger, maar het verschil is kleiner geworden. Dat komt niet alleen doordat het aandeel getrouwden/geregistreerd partners onder ouderkoppels van gelijk geslacht is toegenomen, maar ook doordat dit aandeel onder vader-moederkoppels is gedaald: van 94 procent in 1998 naar 76 procent in 2024.

3.2.2 Getrouwd of geregistreerd partnerschap
JaarVader-moederkoppels (%)Twee-vaderkoppels (%)Twee-moederkoppels (%)
199893,713,017,5
199992,920,627,7
200092,222,331,8
200191,421,934,9
200290,422,437,6
200389,522,742,0
200488,721,645,2
200587,720,146,3
200686,722,045,3
200785,720,646,7
200884,718,245,8
200983,817,549,0
201083,018,550,8
201182,319,050,9
201281,516,851,9
201380,818,652,8
201479,917,750,9
201579,016,750,8
201678,418,353,8
201777,918,055,7
201877,422,158,5
201977,124,761,2
202076,827,262,5
202176,328,863,0
202275,831,164,7
202375,833,465,8
202475,735,166,8

Om een beeld te krijgen van de verschillen in leeftijdsopbouw tussen typen koppels, is gekeken naar twee kenmerken: de gemiddelde leeftijd van de jongste partner bij de geboorte van het oudste kind en het leeftijdsverschil tussen de ouders. Daarbij is alleen gekeken naar het oudste kind waarvan beiden juridisch ouder zijn. Koppels waarbij maar één partner juridisch ouder is, zijn buiten beschouwing gelaten. 

Relatief oud bij geboorte oudste kind

In 2024 was de jongste partner in een twee-vaderkoppel gemiddeld 34,1 jaar oud bij de geboorte van het oudste kind. Dat is ouder dan de jongste partner in een twee-moederkoppel (32,1). In 1995 was dat andersom: toen was de gemiddelde leeftijd bij de geboorte van het oudste kind juist lager in twee-vader koppels. 

Voor zowel twee-vader- als twee-moederkoppels is de gemiddelde leeftijd van de jongste partner bij de geboorte van het oudste kind toegenomen. De stijging was het grootst bij twee-vaderkoppels, met een toename van meer dan 8 jaar. Bij twee-moederkoppels nam de gemiddelde leeftijd toe tot 2006, waarna deze stabiliseerde.

De trend voor twee-moederkoppels loopt min of meer parallel aan de trend voor vader-moederkoppels. Wel is de gemiddelde leeftijd van de jongste partner bij de geboorte van het oudste kind over de gehele periode tussen de 2 en 3 jaar hoger bij twee-moederkoppels.

Tussen 1995 en 2005 was de gemiddelde leeftijd van de jongste partner vergelijkbaar in twee-vaderkoppels en vader-moederkoppels. Na de stijging van het gemiddelde voor twee-vaderkoppels ligt deze een stuk hoger dan voor vader-moederkoppels in 2024 (34,1 tegenover 29,2).

3.2.3 Leeftijd jongste partner bij geboorte oudste kind1)
JaarVader-moederkoppels (leeftijd)Twee-vaderkoppels (leeftijd)Twee-moederkoppels (leeftijd)
199525,824,829,1
199626,025,329,3
199726,225,729,9
199826,326,430,3
199926,526,630,6
200026,726,531,0
200126,926,431,3
200227,127,531,7
200327,228,531,9
200427,429,032,1
200527,629,132,3
200627,729,932,4
200727,930,732,5
200828,031,632,6
200928,131,932,5
201028,231,732,6
201128,331,832,6
201228,432,332,6
201328,532,732,6
201428,632,932,5
201528,733,132,4
201628,833,232,4
201728,833,432,4
201828,933,632,3
201929,033,732,3
202029,033,832,2
202129,133,832,2
202229,233,932,2
202329,234,032,1
202429,234,132,1
1) het gaat om het oudste kind van wie beide partners juridisch ouder zijn

Meer dan 10 jaar leeftijdsverschil in twee-vaderkoppels

In ouderkoppels van gelijk geslacht is het gemiddelde leeftijdsverschil tussen de partners relatief groot, met name in twee-vaderkoppels. In 2024 was het leeftijdsverschil tussen de partners in twee-vaderkoppels 10,6 jaar en in twee-moederkoppels 6,4 jaar. Voor vader-moederkoppels was het gemiddelde leeftijdsverschil 3,7 jaar. 

Tussen de 1995 en 2010 steeg het gemiddelde leeftijdsverschil in ouderkoppels van gelijk geslacht, waarna het rond 2017 weer afnam. Dat geldt niet voor vader-moederkoppels, waar het gemiddelde leeftijdsverschil min of meer stabiel bleef.

Het grotere leeftijdsverschil binnen twee-moeder- en vooral twee-vaderkoppels, in combinatie met de hogere leeftijd van de jongste partner bij de geboorte van het oudste kind, betekent dat de oudste partner binnen deze ouderkoppels aanzienlijk ouder is dan in vader-moederkoppels. 

3.2.4 Leeftijdsverschil partners
JaarVader-moederkoppels (jaren)Twee-vaderkoppels (jaren)Twee-moederkoppels (jaren)
19953,310,06,1
19963,310,76,3
19973,310,16,3
19983,310,86,3
19993,411,16,3
20003,411,16,3
20013,410,46,5
20023,411,06,6
20033,510,86,8
20043,511,36,8
20053,512,06,9
20063,512,07,4
20073,612,37,5
20083,612,68,0
20093,613,17,6
20103,613,17,7
20113,612,98,1
20123,613,28,1
20133,713,08,0
20143,713,08,3
20153,713,28,4
20163,713,18,1
20173,713,27,9
20183,713,07,6
20193,712,47,4
20203,711,77,1
20213,711,27,0
20223,711,06,7
20233,710,86,6
20243,710,66,4

3.3 Wat zijn de sociaaleconomische kenmerken van ouderkoppels van gelijk geslacht?

In twee-moederkoppels relatief vaak beide partners hbo- of wo-diploma

In 2024 hadden in 34 procent van de twee-moederkoppels beide partners een hbo- of wo-diploma. Dat aandeel is kleiner bij twee-vaderkoppels: 19 procent. Voor beide geldt dat het aandeel – in lijn met algemene onderwijsexpansie in Nederland – sinds 1999 (de eerste betrouwbare meting) sterk is gestegen. Toch bleef het aandeel twee-moederkoppels waarin beide partners een hbo- of wo-diploma hebben over de gehele periode een stuk hoger dan bij twee-vaderkoppels.

Ook in vergelijking met vader-moederkoppels is het aandeel twee-moederkoppels waarin beide partners een hbo- of wo-diploma hebben over de gehele periode een stuk hoger. In 2024 was het verschil 12 procentpunten.

Twee-vaderkoppels hebben juist wat minder vaak dan vader-moederkoppels beiden een hbo-of wo-diploma. Dat verschil is wel kleiner (3 procentpunten in 2024). 

3.3.1 Beide partners hebben hbo- of wo-diploma
jaarVader-moederkoppels (%)Twee-vaderkoppels (%)Twee-moederkoppels (%)
19991,60,95,7
20001,91,36,1
20012,21,26,8
20022,61,47,7
20033,12,28,3
20043,72,39,1
20054,22,310,1
20065,42,311,7
20076,03,112,4
20086,63,513,0
20097,33,714,6
20108,14,315,7
20118,94,616,5
20129,84,717,2
201312,68,521,6
201413,77,421,8
201514,68,422,4
201615,79,424,6
201716,810,125,8
201818,011,427,5
201918,913,829,5
202019,915,630,3
202120,717,331,3
202221,518,432,5
202322,319,734,3
202422,919,634,9

Mannen in twee-vaderkoppels minst vaak hbo- of wo-diploma

Omdat vrouwen over het algemeen vaker een hbo-of wo-diploma behalen dan mannen, is het inzichtelijk niet alleen koppels te vergelijken, maar ook individuele partners in verschillende typen koppels. In 2024 had 31 procent van de mannen in een twee-vaderkoppel een hbo- of wo-diploma. Het aandeel vrouwen in twee-moederkoppels met een hbo- of wo-diploma is een stuk hoger: 50 procent. 

In vader-moederkoppels is er nauwelijks verschil tussen mannen en vrouwen: in 2024 had 35 procent van de mannen en 39 procent van de vrouwen een hbo- of wo-diploma. Over de gehele periode hadden vrouwen in twee-moederkoppels duidelijk vaker een hbo-of wo-diploma, en mannen in twee-vaderkoppels even vaak of wat minder vaak.
Voor alle groepen nam het aandeel met een hbo- of wo-diploma de afgelopen decennia sterk toe.

3.3.2 Hbo- of wo-diploma
jaarMannen in vader-moederkoppels (%)Vrouwen in vader-moederkoppels (%)Mannen in twee-vaderkoppels (%)Vrouwen in twee-moederkoppels (%)
19995,34,26,113,0
20005,94,85,913,9
20016,65,56,315,1
20027,46,45,816,4
20038,27,36,717,4
20049,18,47,118,8
200510,09,57,520,1
200612,711,78,422,4
200713,512,99,223,6
200814,414,09,524,0
200915,315,210,026,2
201016,416,511,027,3
201117,417,912,128,1
201218,619,312,129,2
201324,123,617,435,5
201425,325,018,335,5
201526,526,518,836,4
201627,728,219,838,7
201729,029,820,940,0
201830,531,322,441,8
201931,432,625,543,7
202032,434,026,144,7
202133,235,228,445,9
202233,936,429,747,5
202334,338,031,049,4
202434,738,931,449,8

Relatief weinig twee-moederkoppels met hoog huishoudensinkomen

In 2023 behoorde 25 procent van de twee-moederkoppels tot het hoogste huishoudensinkomenskwintiel, dat wil zeggen de 20 procent huishoudens bovenaan de inkomensverdeling in Nederland. Het aandeel is groter bij twee-vaderkoppels, waarvan 32 procent tot het bovenste kwintiel behoorde. Dat aandeel is vergelijkbaar met vader-moederkoppels. 

Voor alle typen ouderkoppels is het aandeel in het hoogste huishoudensinkomenskwintiel toegenomen ten opzichte van 2003 (het eerste jaar met betrouwbare metingen). Bij twee-vaderkoppels is er pas na 2015 een duidelijke stijging zichtbaar. In die periode overstijgt het aandeel twee-vaderkoppels in het hoogste kwintiel het aandeel twee-moederkoppels, en bereikt het in 2020 een niveau dat vergelijkbaar is met vader-moederkoppels.

3.3.3 Hoog huishoudensinkomen1)
JaarVader-moederkoppels (%)Twee-vaderkoppels (%)Twee-moederkoppels (%)
200321,218,317,3
200421,418,817,6
200521,619,817,6
200623,020,916,8
200723,718,816,7
200823,918,615,8
200924,119,417,4
201024,719,418,9
201124,716,018,5
201224,815,818,4
201325,318,619,5
201425,417,818,9
201525,917,520,1
201627,119,521,9
201727,822,222,3
201828,325,322,4
201928,627,323,3
202029,230,523,6
202129,631,923,5
202230,232,223,8
202331,132,425,3
1) hoogste inkomenskwintiel, cijfers worden getoond van 2003 t/m 2023 in verband met beschikbaarheid betrouwbare gegevens

Het huishoudensinkomen geeft een beeld van de welvaart van koppels, maar over het algemeen hebben mannen hogere inkomens dan vrouwen. Daarom is het inzichtelijk niet alleen koppels te vergelijken, maar ook de individuele mannen en vrouwen binnen verschillende typen koppels. Zo kan worden bekeken in hoeverre het persoonlijke inkomen van mannen en vrouwen bijdraagt binnen die typen koppels. 

Geen man-vrouw-inkomensverschillen bij ouderkoppels van gelijk geslacht

Vrouwen en mannen in ouderkoppels van gelijk geslacht hebben ongeveer even vaak een persoonlijk inkomen binnen het hoogste kwintiel: 33 procent in 2023. Bij vader-moederkoppels is dat anders: vrouwen hebben een stuk minder vaak een hoog inkomen (19 procent in 2023) terwijl mannen juist veel vaker een hoog inkomen hebben (54 procent in 2023). Met andere woorden: inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen zijn prominent bij vader-moederkoppels, maar niet bij ouderkoppels van gelijk geslacht.

Net als bij het huishoudinkomen nam het aandeel met een hoog persoonlijk inkomen tussen 2003 en 2023 toe voor alle groepen. Bij mannen in twee-vaderkoppels ging deze stijging vanaf 2015 iets sneller dan bij de rest.

3.3.4 Hoog persoonlijk inkomen1)
jaarMannen in vader-moederkoppels (%)Vrouwen in vader-moederkoppels (%)Mannen in twee-vaderkoppels (%)Vrouwen in twee-moederkoppels (%)
200351,15,419,122,8
200452,15,920,523,3
200552,16,420,323,5
200652,36,918,822,2
200752,67,417,722,7
200852,67,917,522,3
200952,48,518,224,3
201052,49,219,025,3
201155,210,419,826,7
201255,011,220,427,1
201354,811,922,328,1
201454,712,620,827,1
201554,813,321,927,6
201655,014,023,329,5
201755,314,624,129,8
201855,615,326,230,6
201955,515,828,231,5
202054,916,730,732,0
202155,017,432,231,9
202254,918,533,933,1
202354,119,333,433,5
1)hoogste inkomenskwintiel, cijfers worden getoond van 2003 t/m 2023 in verband met beschikbaarheid betrouwbare gegevens

4. Conclusie

Het aantal koppels van gelijk geslacht met kinderen is sterk toegenomen tussen 1995 en 2024, al vormen zij nog altijd een kleine minderheid van het totale aantal ouderkoppels in Nederland. Deze ontwikkeling past bij groeiende maatschappelijke acceptatie van lhb+-personen en veranderingen in wetgeving rond de toegang tot het ouderschap voor koppels van gelijk geslacht. Zowel het aantal twee-moederkoppels als het aantal twee-vaderkoppels is in deze periode ongeveer verzesvoudigd. In absolute zin blijft het aantal twee-vaderkoppels echter duidelijk kleiner dan het aantal twee-moederkoppels.

Ouderkoppels van gelijk geslacht verschillen op meerdere punten van vader-moederkoppels, onder meer in gezinsgrootte, leeftijd bij ouderschap, leeftijdsverschillen tussen partners, en sociaaleconomische kenmerken. Deze verschillen weerspiegelen algemene maatschappelijke en demografische patronen aangaande gender en seksualiteit, maar ook de vaak langere en complexere routes naar ouderschap voor koppels van gelijk geslacht, met name voor mannenkoppels.

Later en minder kinderen

De gezinskenmerken van ouderkoppels van gelijk geslacht verschillen op meerdere punten van die van vader-moederkoppels. Twee-vaderkoppels hebben gemiddeld het kleinste aantal thuiswonende kinderen, gevolgd door twee-moederkoppels. Daarnaast vindt ouderschap bij ouderkoppels van gelijk geslacht gemiddeld later in de levensloop plaats. Dit blijkt uit zowel de hogere leeftijd van de jongste partner bij ouderschap als uit de grotere leeftijdsverschillen tussen partners binnen deze koppels. De leeftijdsverschillen zijn daarbij het grootst bij twee-vaderkoppels, gevolgd door twee-moederkoppels. Dit patroon is ook in eerdere studies gevonden, hetzij minder uitgesproken (Van der Vleuten et al., 2025) 

Het kleinere gemiddelde aantal kinderen en het latere moment waarop het eerste kind geboren wordt, sluiten aan bij het beeld dat ouderschap voor koppels van gelijk geslacht, en in het bijzonder voor mannenkoppels, vaker gepaard gaat met langere en complexere trajecten. 

Verschillen in sociaaleconomische kenmerken

Ook de sociaaleconomische kenmerken van twee-moederkoppels passen bij het beeld dat de weg naar ouderschap gemiddeld meer vraagt, zoals meer kennis en financiële middelen, dan voor vader-moederkoppels. Zo hebben bij twee-moederkoppels vaker dan bij zowel twee-vaderkoppels als vader-moederkoppels beide partners een hbo- of wo-diploma. Ook hebben vrouwen in twee-moederkoppels vaker een persoonlijk inkomen in het hoogste inkomenskwintiel dan vrouwen in vader-moederkoppels. Dit sluit aan bij eerder onderzoek waaruit blijkt dat vrouwen in koppels van gelijk geslacht gemiddeld gunstigere sociaaleconomische kenmerken hebben dan vrouwen in vader-moederkoppels (Evertsson et al., 2025; Machado & Jaspers, 2023). 

Voor mannen in twee-vaderkoppels is het beeld anders. Zij hebben minder vaak een hbo- of wo-diploma dan mannen in vader-moederkoppels en vrouwen (in vader-moeder- of twee-moederkoppels). Ook hebben zij minder vaak een hoog persoonlijk inkomen dan mannen in vader-moederkoppels; ongeveer even vaak als vrouwen in twee-moederkoppels. Hun inkomenspositie ligt daarmee tussen die van mannen en vrouwen in vader-moederkoppels in. Dit wijkt af van ander onderzoek, waarin mannenkoppels juist vaker een hoog inkomen hebben (Evertsson & Malmquist, 2023). Wel is het aandeel twee-vaderkoppels met een hoog huishoudensinkomen in recente jaren relatief snel gestegen. 

Mogelijk hangt dit verschil met eerdere studies samen met de bredere definitie van ouderkoppels die in dit onderzoek wordt gebruikt. In veel studies ligt de nadruk op de gezamenlijke transitie naar ouderschap (Evertsson & Malmquist, 2023; Van der Vleuten et al., 2025; Malmquist & Spånberg Ekhol, 2020). De bredere definitie die hier gebruikt wordt omvat zowel ouders met jonge als wat oudere kinderen, en zowel koppels die samen een kind kregen als koppels met een (stief)kind uit een eerdere (man-vrouw)relatie. In deze bredere groep twee-vaderkoppels spelen sociaaleconomische hulpbronnen mogelijk een minder grote rol dan onder nieuwe twee-vaderkoppels die bijvoorbeeld samen met behulp van een draagmoeder een kind krijgen.

Gezinsdiversiteit in beeld

Registerdata zijn niet toereikend om de volledige diversiteit aan gezinsvormen in kaart te brengen. Gezinsvormen die juridisch ouderschap en gezamenlijke adresbewoning overstijgen en gezinsvormen met meer dan twee ouders blijven buiten beeld. Om zowel wetenschappelijke als beleidsmatige vraagstukken goed te kunnen beantwoorden, is het van belang om onderzoeksmethoden te blijven ontwikkelen om deze ouders en kinderen te bereiken.

Referenties

Bakker, B. F. M., J. van Rooijen en L. van Toor (2014). The system of social statistical datasets of Statistics Netherlands: an integral approach to the production of register-based social statistics. Journal of the International Association for Official Statistics, 30, 1-14.

Boertien, D., Cortina, C., & Lozano, M. (2024). Pathways and obstacles to parenthood among women in same-sex couples in Spain. Demographic Research, 50, 1039–1070. 

Bos, H. M. W., Balen, F. Van, & Boom, D. C. Van Den. (2005). Lesbian families and family functioning: an overview. Patient Education and Counseling, 59, 263–275. 

CBS (2026) Dashboard bevolking: Uit huis gaan. Geraadpleegd op 10 maart 2020.

Evertsson, M., & Malmquist, A. (2023). Division of Care and Leave Arrangements in Gay Father Families in Sweden. Sexuality Research and Social Policy, 20(1), 242–256.

Evertsson, M., Moberg, Y., & Van der Vleuten, M. (2025). Stimulating (in)equality? The earnings penalty in different-sex and female same-sex couples transitioning to parenthood in Denmark, Finland, Norway, and Sweden. American Journal of Sociology, 130(6), 1477–1525.

Gates, G. J. (2015). Marriage and family: LGBT individuals and same-sex couples. Future of Children, 25(2), 67–87.

Geerts, A. (2026). Making a family: Kinning and conception in lesbian families. Journal of Homosexuality, 73(2), 327–348.

Jaspers, E., & Verbakel, E. (2013). The division of paid labor in same-sex couples in The Netherlands. Sex Roles, 68(5–6), 335–348.

Kazyak, E., Woodell, B., Scherrer, K., & Finken, E. (2018). Law and family formation among LGBQ‐parent families. Family Court Review, 56(3), 364–373.

Kennis, M. (2024). Hoeveel LHBTQIA personen telt Nederland? Statistische Trends.

Leal, D., Gato, J., Coimbra, S., Freitas, D., & Tasker, F. (2021). Social support in the transition to parenthood among lesbian, gay, and bisexual persons: A systematic review. Sexuality Research and Social Policy, 18(4), 1165–1179.

Machado, W., & Jaspers, E. (2023). Money, birth, gender: Explaining unequal earnings trajectories following parenthood. Sociological Science, 429–453.

Malmquist, A., & Höjerström, S. (2020). Constructions of surrogates, egg donors, and mothers: Swedish gay fathers’ narratives. Feminism and Psychology, 30(4), 508–528.

Malmquist, A., & Spånberg Ekholm, A. (2020). Swedish gay men’s pursuit of fatherhood: Legal obstacles and strategies for coping with them. Lambda Nordica, 24(2–3), 53–80.

Mazrekaj, D., Fischer, M. M., & Bos, H. M. W. (2022). Behavioral outcomes of children with same-sex parents in The Netherlands. International Journal of Environmental Research and Public Health Article, 19(5922).

Rault, W. (2023). Same-sex unions in high-income countries: More widely recognized and more frequent. Population Societies, 1(607), 1–4.

Reczek, C. (2020). Sexual- and gender-minority families: A 2010 to 2020 decade in review. Journal of Marriage and Family, 82(1), 300–325.

Van der Vleuten, M., Jaspers, E., & Van der Lippe, T. (2021). Same-sex couples’ division of labor from a cross-national perspective. Journal of GLBT Family Studies, 17(2), 150–167.

Van der Vleuten, M., Moberg, Y., & Evertsson, E. (2025). Parental leave patterns among fathers in male same-sex couples in Denmark, Norway and Sweden [Paperpresentatie]. Registered-Based Fertility Group, Antwerpen, België.