Hoe vergaat het studenten in het leenstelsel?

2. Data en Methode

2.1 Data

De data gebruikt in dit onderzoek komt uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het CBS. Deze data bevat demografische gegevens, informatie over het inkomen van de ouders, de vooropleiding van de studenten, de huidige opleiding en hoogst behaalde opleiding.

De onderzoekspopulatie voor het wisselen van studie en behalen van het bachelordiploma bestaat uit hbo- en wo-studenten die tussen 2007 en 2015 zijn begonnen aan hun opleiding. De populatie is beperkt tot alle studenten die begonnen zijn met hun studie in het jaar dat ze hun havo- of vwo-diploma behaald hebben. Dit betekent dat bijvoorbeeld hbo-studenten die eerst een mbo-studie hebben afgerond niet tot de onderzoekspopulatie behoren. Ook de jongeren die na het behalen van hun havo- of vwo-diploma een tussenjaar namen blijven buiten beschouwing. De onderzoekspopulatie wordt onderzocht vier jaar na de start van hun studie. Op deze manier wordt duidelijk of deze studenten hun bachelordiploma binnen de nominale duur (en in het geval van wo eveneens binnen de nominale duur plus 1 jaar) hebben behaald. De cohorten 2007 tot 2014 zijn ingestroomd in de bacheloropleiding onder het oude studiefinancieringsstelsel, cohort 2015 doet mee in het leenstelsel. In totaal gaat het in de analyses om 339 479 hbo-studenten en 210 297 wo-studenten.

De populatie die gevolgd wordt tot en met de masteropleiding bestaat uit studenten die direct na het behalen van het vwo-diploma zijn doorgestroomd naar het wo en binnen drie jaar het wo-bachelordiploma hebben behaald. Deze populatie bestaat uit 64 804 studenten. Voor de analyses naar het behalen van het masterdiploma worden alleen degenen meegenomen die zijn ingestroomd in een eenjarige masteropleiding. Dit zijn 28 485 studenten. Dit is een vrij specifieke groep die vanuit het voortgezet onderwijs direct ging studeren, de bachelor binnen drie jaar behaalde en meteen doorstroomde naar een éénjarige master. In deze analyses komen studenten in de sociale- en geesteswetenschappen vaker voor omdat zij vaker een eenjarige master volgen dan studenten in de natuurwetenschappen. Dat is het geval in alle jaren en zal daarom niet de trend beïnvloeden.

Tabel 2. Datum waarop de uitkomsten gemeten worden per cohort
CohortenCohortenUitkomstenUitkomsten1)Uitkomsten
BacheloropleidingMasteropleiding Behalen wo bachelor Behalen masterdiploma
Start 2007Start 2010September 2010September 2011September 2011
Start 2008Start 2011September 2011September 2012September 2012
Start 2009Start 2012September 2012September 2013September 2013
Start 2010Start 2013September 2013September 2014September 2014
Start 2011Start 2014September 2014September 2015September 2015
Start 2012Start 2015September 2015September 2016September 2016
Start 2013Start 2016September 2016September 2017September 2017
Start 2014Start 2017September 2017September 2018September 2018
Start 2015Start 2018September 2018September 2019September 2019
1) Behalen hbo bachelor, wo bachelor, doorstromen master, wisselen van studie

2.2 Variabelen

De uitkomstenvariabelen in deze studie zijn 1. het wisselen van studie, 2. het behalen van bachelordiploma binnen de nominale duur van de studie, 3. het doorstromen van de bachelorstudie naar een eenjarige masteropleiding, en 4. het behalen van de masterdiploma. Het wisselen van studie en doorstromen naar een masteropleiding wordt gebaseerd op de in- en uitschrijvingen uit het SSB. Studenten zijn gewisseld van studie als zij binnen vier jaar na de start met een studie niet langer de opleiding volgen waarmee zij gestart zijn en in plaats daarvan (dus zonder bachelordiploma) een andere opleiding gestart is. Een student is doorgestroomd naar de master als de student ingeschreven staan bij een masteropleiding en het bachelordiploma hebben behaald.
Voor het behalen van het bachelordiploma en masterdiploma wordt gebruik gemaakt van informatie over de hoogst behaalde opleiding. Voor wo-studenten wordt zowel 3 jaar na de start van de wo-studie (nominale duur studie) en vier jaar na de start met de studie gekeken of zij een bachelordiploma hebben behaald. Voor hbo-studenten wordt enkel 4 jaar na de start van de hbo-studie (nominale duur studie) gekeken of zij een bachelordiploma hebben behaald. Voor wo-studenten die doorstromen na het behalen van de bachelor naar een eenjarige master wordt gekeken of ze binnen de nominale duur (1 jaar) het masterdiploma behalen.

Het jaar waarin studenten beginnen met studeren is de belangrijkste onafhankelijke variabele. De eerste acht diplomacohorten (cohorten 2007 tot en met 2014) studeerden tijdens hun bachelor binnen het oude studiefinancieringsstelsel. De laatste twee cohorten binnen het oude stelsel (2013 en 2014) vormden de zogenoemde boeggolf (Van den Berg en Van Gaalen, 2018). De boeggolf is de tijdelijke toename in de doorstroom van het voortgezet onderwijs naar het hoger onderwijs in 2013 en 2014. In die jaren nam de doorstroom toe omdat veel diplomeerden afzagen van een tussenjaar zodat ze binnen het oude studiefinancieringsstelsel konden studeren. Het cohort 2015 is het enige cohort dat tijdens de bachelor binnen het leenstelsel heeft gestudeerd. Voor de masteropleiding wordt er gekeken naar het cohort waarin het bachelordiploma behaald is. Alle cohorten die in 2015 of later het bachelordiploma behaalden, vallen binnen het leenstelsel wat betreft hun masteropleiding. Dit houdt in dat alle cohorten studenten die ingestroomd zijn in de bachelor vanaf 2012 te maken hebben met het leenstelsel tijdens hun masteropleiding. Alhoewel zij wel hun gehele bacheloropleiding een basisbeurs ontvingen, kregen zij geen basisbeurs gedurende hun masteropleiding.

De andere onafhankelijke variabele van belang is het welvaartsniveau van de ouders. De ouderlijke huishoudens zijn verdeeld over drie welvaartsniveaus, zogeheten tertielen. Deze tertielen zijn gebaseerd op de relatieve positie van het gestandaardiseerd jaarinkomen van het ouderlijk huishouden binnen de totale verdeling van alle particuliere huishoudens, en op de relatieve positie van het vermogen van het ouderlijk huishouden binnen de totale verdeling van alle particuliere huishoudens. Er worden drie gelijke groepen onderscheiden. De gemiddelde positie wat betreft inkomen en vermogen valt bij het eerste tertiel binnen de laagste 33,33 procent, bij het tweede tertiel tussen 33,33 en 66,66 procent en bij het derde tertiel tussen 66,66 en 100 procent van alle particuliere huishoudens. Deze tertielen worden bepaald in december van het jaar voorgaand aan de start van de studie.

Er wordt een aantal kenmerken van studenten meegenomen als controlevariabelen, zoals demografische kenmerken (geslacht, migratieachtergrond) en kenmerken van de prestaties in het voortgezet onderwijs (gemiddeld cijfer op het eindexamen). Tabel 3 (in de maatwerkpagina hierna) toont de beschrijvende statistieken voor deze variabelen.

2.3 Methode

Alle analyses worden apart gedaan voor hbo- en wo-studenten. De trends in de uitkomsten worden eerst weergegeven op basis van beschrijvende analyses. In deze analyses wordt per cohort het percentage studenten vermeld dat 1. binnen vier jaar gewisseld is van studie, 2. binnen drie jaar (wo) of vier jaar (hbo en wo) het bachelordiploma behaald heeft, 3. dat na het behalen van het wo bachelordiploma is doorgestroomd naar een wo master, 4. dat binnen 1 jaar een éénjarige masteropleiding succesvol heeft afgerond. Om te kijken of er een invloed van het leenstelsel is, wordt gekeken of de trend veranderd is in 2015, het jaar waarin het leenstelsel is ingevoerd. In deze beschrijvende analyses wordt het percentage berekend zonder rekening te houden met factoren die deze trends (eveneens) zouden kunnen beïnvloeden.

Vervolgens worden er linear probability modellen geschat. In deze modellen wordt getoetst of de uitkomsten voor studievoortgang significant anders zijn voor cohorten die onder het leenstelsel studeren dan voor eerdere cohorten. In deze analyses worden de controlevariabelen meegenomen. Bij alle analyses wordt in het eerste model gekeken naar het effect van cohort als er rekening wordt gehouden met alle controlevariabelen. In het tweede model worden aan dit model interacties tussen cohort en welvaartstertielen toegevoegd. Deze interacties maken duidelijk of het effect van cohort vergelijkbaar is voor studenten van verschillende sociaaleconomische achtergronden.