Auteur: Astrid Pleijers, Marijke Hartgers

De kenmerken van schoolverlaters en hun arbeidspositie vijf jaar later

Over deze publicatie

Dit artikel in de CBS-reeks Statistische Trends kijkt naar de groep schoolverlaters die in het studiejaar 2009/’10 het onderwijs verlieten en hoe het deze groep vijf jaar later vergaat op de arbeidsmarkt.
Het artikel geeft inzicht in het laatst gevolgde onderwijsniveau van de schoolverlaters, het al of niet behaald hebben van een diploma van het laatst gevolgde onderwijsniveau en het al of niet in bezit zijn van een startkwalificatie. Vervolgens is gekeken naar de arbeidspositie van voortijdig schoolverlaters (dus zonder startkwalificatie en jonger dan 23 jaar) en van de groep schoolverlaters die in het bezit zijn van een startkwalificatie en die tevens een diploma hebben behaald van de laatst gevolgde opleiding in 2009/’10. Welk deel van de schoolverlaters heeft werk en wat is de arbeidsduur en het uurloon van de werkenden? Ook het aandeel schoolverlaters dat weer is teruggekeerd in het onderwijs wordt getoond.

1. Inleiding

Het is de ambitie van de overheid dat Nederland tot de top van de kenniseconomieën in de wereld blijft behoren. Eén van haar streefdoelen is om het aanbod van opleidingen in Nederland zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de vraag van deelnemers en van de(toekomstige) arbeidsmarkt (Van Schoonhoven, 2016). Tegelijkertijd moet het aanbod opeen efficiënte manier worden georganiseerd. Wanneer deze verschillende aspecten met elkaar in balans zijn, is sprake van een macrodoelmatig onderwijsaanbod (Onderwijsraad 2012; Eimers & Keppels, 2014; Borghans & Heike, 2001). Belangrijke indicatoren voor een succesvol arbeidsmarktperspectief zijn het al dan niet hebben van betaald werk, werkzekerheid, werkomvang en honorering (Cörvers, De Hoon & Meng, 2014). Dit artikel sluit aan bij de lopende discussie over macrodoelmatigheid van het onderwijsaanbod.

Het CBS publiceert over de afzonderlijke groepen schoolverlaters (voortijdig schoolverlaters,mbo-schoolverlaters en schoolverlaters uit het hoger onderwijs) op StatLine (CBS StatLine),maar tot op heden ontbreekt een totaalbeeld van de gehele groep schoolverlaters, dat wil zeggen de voortijdig schoolverlaters en de uitstromers mét startkwalificatie vanuit havo,vwo, mbo, hbo en wo. Het is gebruikelijk om bij voortijdig schoolverlaters alleen de leeftijdsgroep jonger dan 23 jaar te beschouwen. Doel van dit artikel is om een overzicht te bieden van de totale groep schoolverlaters en een profiel te tonen van deze groep. Voor dit artikel zijn schoolverlaters van het studiejaar 2009/’10 genomen en is gekeken waar ze staan in 2015.

In dit artikel zijn de voortijdig schoolverlaters als aparte groep in beeld gebracht. De Nederlandse overheid streeft ernaar dat iedereen het onderwijs verlaat met een startkwalificatie: ten minste een mbo-diploma op niveau 2 of een havo- of vwo-diploma.Een startkwalificatie wordt gezien als het minimale onderwijsniveau dat nodig is om kans te maken op een duurzame positie op de arbeidsmarkt (Ministerie van OCW, 2018; 2014). Ondanks dit streven gingen in het schooljaar 2009/’10 van de 266 duizend schoolverlaters 40 duizend jongeren van 15 jaar tot 23 jaar zonder startkwalificatie van school.Daarentegen verlieten 200 duizend schoolverlaters van 15 jaar en ouder wel met een startkwalificatie het onderwijs. Van ruim 25 duizend schoolverlaters, grotendeels met een leeftijd van 23 jaar of ouder, is niet bekend of ze al dan niet een startkwalificatie hebben behaald. Voortijdig stoppen met de schoolcarrière vermindert de kansen op de arbeidsmarkt en gaat gepaard met zowel hoge private als maatschappelijke kosten(Ministerie van OCW, 2014; Meng, Coenen, Ramaekers & Büchner, 2009).

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) onderzoekt, onder meer samen met het CBS, de situatie van schoolverlaters anderhalf jaar na het behalen van het diploma. Inde rapportage Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt over het jaar 2016 (ROA,2017) concludeert ROA dat, samengaand met het aantrekken van de arbeidsmarkt sinds 2014,steeds meer gediplomeerden de weg naar werk weten te vinden. Ook steeg de beloning voor het werk, in de vorm van het brutoloon, licht in 2016. Bovendien waren voortijdig schoolverlaters ondanks hun minder goede kansen op de arbeidsmarkt over het algemeen tevreden met de functies die zij uitoefenen en schatten zij hun verdere carrièreverloop positief in. In tegenstelling tot het ROA onderzoek brengt dit artikel niet de arbeidspositie van schoolverlaters anderhalf jaar na schoolverlaten in kaart, maar vijf jaar na schoolverlaten.

De onderzoeksvragen die in dit artikel aan bod komen zijn: Hoeveel personen hebben in het studiejaar 2009/’10 het onderwijs verlaten? Wat zijn de kenmerken van deze groep? En hoe vergaat het deze schoolverlaters vijf jaar later op de arbeidsmarkt? Allereerst wordt de groep schoolverlaters uit het studiejaar 2009/’10 op het moment van schoolverlaten in kaart gebracht (paragraaf 2). Het artikel geeft inzicht in het laatst gevolgde onderwijsniveau van de schoolverlaters, het al of niet behaald hebben van een diploma van het laatst gevolgde onderwijsniveau en het al of niet in bezit zijn van een startkwalificatie. Daarnaast worden enkele achtergrondkenmerken van deze schoolverlaters getoond. Vervolgens wordt in paragraaf 3 ingegaan op de arbeidspositie vijf jaar na schoolverlaten van voortijdig schoolverlaters en van de groep schoolverlaters die in het bezit zijn van een startkwalificatie en die tevens een diploma hebben behaald van de laatst gevolgde opleiding in 2009/’10. Gekeken wordt naar het aandeel dat werk heeft en naar dienstverband, arbeidsduur en uurloon van de werkenden, maar ook het aandeel dat weer is teruggekeerd in het onderwijs wordt getoond. Om aan te sluiten bij de cijfers op StatLine zijn voor het mbo, hbo en wo alleen schoolverlaters uit het voltijdonderwijs meegerekend, inclusief de mbo-schoolverlaters uit de beroepsbegeleidende leerweg. Daarom zijn ook enkele andere groepen schoolverlaters weggelaten, waaronder het praktijkonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Daarnaast verschillen beide afleidingen op een paar punten. Meer informatie hierover is te vinden in de Technische toelichting.

2. Profiel schoolverlaters

Uit welk onderwijsniveau komen schoolverlaters?

In het schooljaar 2009/’10 verlieten 266 duizend personen van 15 jaar en ouder het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo beroepsbegeleidende leerweg) met of zonder een startkwalificatie. De grootste groep schoolverlaters (53 procent) kwam uit het middelbaar beroepsonderwijs. Ongeveer 142 duizend kwamen vanuit één van de mbo-niveaus. Binnen het mbo wordt onderscheid gemaakt naar vier niveaus. Van deze mbo-schoolverlaters vormen de niveau-4-studenten met 48 duizend de grootste groep. Vanuit mbo-3 en mbo-2 verlieten ongeveer evenveel schoolverlaters het onderwijs (41 duizend respectievelijk 42 duizend). Vanuit een mbo-entree-opleiding gingen 12 duizend studenten van school. Binnen het mbo wordt niet alleen onderscheid gemaakt in niveau, maar ook in leerweg. Mbo-studenten kunnen een beroepsopleidende leerweg (bol) volgen of een beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De student in een bbl-traject heeft een arbeidsovereenkomst met een werkgever en volgt daarnaast vaak een dag in de week les bij bijvoorbeeld een ROC. Een student in een bol-traject gaat naar school en loopt tijdens zijn opleiding één of meer stages bij een bedrijf of organisatie. Binnen de entree-opleiding en de niveaus 2 en 3 van het mbo vormen de bbl’ers de grootste groep schoolverlaters, terwijl niveau-4 schoolverlaters relatief het vaakst een bol-opleiding hebben verlaten. Ruim 62 duizend verlieten het onderwijs vanuit het hoger beroepsonderwijs en 35 duizend vanuit (de verschillende niveaus van) het wetenschappelijk onderwijs. Vanuit vmbo, havo en vwo stroomden 26 duizend leerlingen uit het onderwijs.

2.1 Schoolverlaters (15 jaar of ouder) naar niveau laatst gevolgde opleiding1), 2009/’10
Laatst gevolgde opleidingAantal schoolverlaters (x 1 000)
Hbo62,4
Mbo-4 bol31,3
Mbo-3 bbl24,7
Mbo-2 bbl24,5
Wo master23,8
Havo/vwo17
Mbo-4 bbl15,1
Mbo-3 bol14,7
Mbo-2 bol14,4
Wo bachelor10,8
Mbo-entreeopleiding bbl6,9
Vmbo6,7
Mbo-entreeopleiding bol3
Wo vervolgopleiding0,6
Vmbo/havo/vwo algemeen leerjaar0,4
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl)

Een deel van de schoolverlaters uit 2009/’10 heeft een startkwalificatie behaald van de opleiding die zij net verlieten (57 procent) of had deze al behaald in een eerder gevolgde opleiding (19 procent). In het schooljaar 2009/’10 verliet 15 procent van de schoolverlaters het onderwijs zonder startkwalificatie, terwijl zij op dat moment nog geen 23 jaar waren; zij hadden in eerdere jaren ook geen startkwalificatie behaald. Dit is de groep voortijdig schoolverlaters. Van de overige schoolverlaters (10 procent) is onbekend of zij een startkwalificatie bezaten op het moment dat zij het onderwijs verlieten. In het schooljaar 2009/’10 haalden zij een diploma vmbo of mbo-entreeopleiding (diploma’s die geen startkwalificatie geven) of geen diploma. Een groot deel van deze groep is 23 jaar of ouder.1)

2.2 Schoolverlaters (15 jaar of ouder), 2009/’101)
SchoolverlaterPercentage
Met startkwalificatie van laatstgevolgde opleiding56,6
Met eerder behaalde startkwalificatie18,7
Voortijdig schoolverlater jonger dan 23 jaar15,1
Overig, startkwalificatie onbekend9,6
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl)


In het vervolg van deze bijdrage wordt de groep van 26 duizend personen waarvan niet bekend is of zij vóór 2009/’10 wel dan geen startkwalificatie behaalden (’Overig, startkwalificatie onbekend’) buiten beschouwing gelaten. Deze paragraaf wordt vervolgd met een beschrijving van de groep met (bekende) startkwalificatie en de voortijdig schoolverlaters van 15 tot 23 jaar (240 duizend personen).Voortijdig schoolverlaters 

Schoolverlaters met startkwalificatie

Van 200 duizend personen is bekend dat zij een startkwalificatie bezaten op het moment van uitstroom uit het onderwijs. Drie op de vier van deze schoolverlaters behaalden in het jaar van uitstroom een diploma havo, vwo, mbo-2, -3,-4 of hoger onderwijs. Het overige deel had al eerder een startkwalificatie behaald. In figuur 2.3 is per gevolgde opleiding in 2009/’10 te zien welk percentage van de schoolverlaters met startkwalificatie een diploma behaald heeft van deze laatst gevolgde opleiding in 2009/’10. Hierbij moet worden bedacht dat schoolverlaters vanuit mbo, havo en vwo veelal nog geen startkwalificatie hadden voordat zij aan deze opleiding begonnen. De meeste schoolverlaters vanuit mbo, havo en vwo zonder diploma van deze laatst gevolgde opleidingen worden dan ook bij de groep voortijdig schoolverlaters geteld (zie figuur 2.4). In figuur 2.3 zijn alleen schoolverlaters van havo en vwo opgenomen die het diploma hebben behaald. Wat verder opvalt is dat schoolverlaters van mbo-niveaus 2 en 4 vaker het diploma hebben behaald dan schoolverlaters van mbo-3-opleidingen (bol en bbl). De laatstgenoemde schoolverlaters zijn vooral studenten die na het behalen van een mbo-2 diploma doorstroomden naar een mbo-3 opleiding en vervolgens die opleiding zonder diploma verlieten. Om te kunnen starten in een hbo- of wo-opleiding is een startkwalificatie vereist 2). Figuur 2.3 laat daarom vanuit deze onderwijssoorten wel de complete groep schoolverlaters zien. Studenten die het onderwijs verlieten vanuit een vervolg- of masteropleiding binnen het wo hadden bijna allemaal een diploma behaald van deze laatst gevolgde opleiding. Schoolverlaters vanuit het hbo en vanuit een wo-bacheloropleiding stopten relatief vaak met hun studie voordat zij daarvan een diploma behaalden, bijna 4 op de 10 hbo’ers en bijna 6 op de 10 wo-bachelors. Een gedeelte van hen keert overigens binnen vijf jaar weer terug in het onderwijs (zie paragraaf 3).

2.3 Schoolverlaters (15 jaar of ouder) met startkwalificatie en diploma van laatstgevolgde opleiding1), 2009/’10
OnderwijsniveauPercentage (%)
Wo vervolgopleiding94,5
Wo master93,6
Hbo62,9
Wo bachelor41,9
Havo/vwo100
Mbo-2 bol88,7
Mbo-2 bbl87,2
Mbo-4 bol83,2
Mbo-4 bbl80,4
Mbo-3 bbl72,1
Mbo-3 bol71,0
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl)

Voortijdig schoolverlaters (15 tot 23 jaar)

Van de schoolverlaters in 2009/’10 verlieten 40 duizend personen jonger dan 23 jaar het bekostigd onderwijs zonder een startkwalificatie. Onder deze groep voortijdig schoolverlaters is het grootste aandeel (32 procent) afkomstig uit de basisberoepsopleiding van het mbo (niveau 2); 13 duizend studenten hebben deze opleiding dus zonder diploma verlaten. Voor de overige mbo-opleidingen varieert dit aandeel van 12 procent voor de vakopleiding (mbo niveau 3) tot 17 procent voor de middenkader- of specialistenopleiding (mbo niveau 4). Onder de voortijdig schoolverlaters is 10 procent vanuit de entreeopleiding van het mbo gestroomd. Dat kan zowel met als zonder diploma zijn, want de entreeopleiding geeft ook met diploma nog geen startkwalificatie. Dat laatste geldt ook voor de schoolverlaters vanuit het vmbo; 16 procent van de totale groep voortijdig schoolverlaters. Onder de voortijdig schoolverlaters zijn relatief weinig scholieren die de havo (8 procent) of het vwo (3 procent) zonder diploma en dus zonder startkwalificatie hebben verlaten.

2.4 Niveau laatst gevolgde opleiding1) van voortijdig schoolverlaters (15 tot 23 jaar), 2009/’10
OnderwijsniveauPercentage (%)
Mbo-232,2
Mbo-417,8
Vmbo15,9
Mbo-312,6
Mbo-entreeopleiding9,7
Havo7,9
Vwo3,0
Algemeen leerjaar voortgezet onderwijs1,0
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl)

Kenmerken van de schoolverlaters uit 2009/’10

In 2009/’10 verlieten iets meer mannen dan vrouwen het voltijd bekostigd onderwijs 3). Van de 40 duizend voortijdig schoolverlaters in studiejaar 2009/’10 is het merendeel man (60 procent). Ook ander onderzoek toont aan dat jongens en mannen vaker dan meisjes en vrouwen het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten (Hartgers, Merens, Blokzijl & Traag, 2016; Jaarrapport integratie 2018; Hartgers et al, 2018). Onder de havo/vwo schoolverlaters met diploma is het percentage mannen veel lager: 47 procent. Uit eerder onderzoek van het CBS blijkt dat meisjes al jaren de overhand hebben op de havo en het vwo (CBS, 2018; Hartgers et al, 2018). Ook onder de schoolverlaters met startkwalificatie uit mbo-4, uit de bol-opleidingen van mbo-2/3 en uit het hoger onderwijs is het aandeel vrouwen hoger dan dat van mannen. Mannen stromen vaker dan vrouwen met een startkwalificatie uit de beroepsbegeleidende leerwegen (bbl) van mbo-2/3 (59 procent). Kenmerken van de schoolverlaters uit 2009/’10 In 2009/’10 verlieten iets meer mannen dan vrouwen het voltijd bekostigd onderwijs 3). Van de 40 duizend voortijdig schoolverlaters in studiejaar 2009/’10 is het merendeel man (60 procent). Ook ander onderzoek toont aan dat jongens en mannen vaker dan meisjes en vrouwen het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten (Hartgers, Merens, Blokzijl & Traag, 2016; Jaarrapport integratie 2018; Hartgers et al, 2018). Onder de havo/vwo schoolverlaters met diploma is het percentage mannen veel lager: 47 procent. Uit eerder onderzoek van het CBS blijkt dat meisjes al jaren de overhand hebben op de havo en het vwo (CBS, 2018; Hartgers et al, 2018). Ook onder de schoolverlaters met startkwalificatie uit mbo-4, uit de bol-opleidingen van mbo-2/3 en uit het hoger onderwijs is het aandeel vrouwen hoger dan dat van mannen. Mannen stromen vaker dan vrouwen met een startkwalificatie uit de beroepsbegeleidende leerwegen (bbl) van mbo-2/3 (59 procent).

Een klein deel van de schoolverlaters is nog geen 18 jaar. Voor kinderen tussen 5 en 16 jaar geldt de leerplicht, terwijl voor jongeren van 16 en 17 jaar een kwalificatieplicht geldt; zo lang zij geen startkwalificatie bezitten zijn ze verplicht (voltijd) onderwijs te volgen (Ministerie van OCW, 2018). Van de voortijdig schoolverlaters van 15 tot 23 jaar is iets meer dan een op de vijf jonger dan 18 jaar. Van de havo/vwo schoolverlaters (met diploma) is bijna iedereen jonger dan 23 jaar; bijna een kwart (vooral veel havisten) is zelfs nog geen 18 jaar. Zij hebben met deze opleiding een startkwalificatie en zijn dus niet meer kwalificatieplichtig. Van de totale groep schoolverlaters met startkwalificatie is 33 procent tussen 23 en 27 jaar en 21 procent is 27 jaar of ouder. Tot deze laatste groep behoren bijvoorbeeld werkenden die naast hun baan nog een opleiding deden, zoals in de beroepsbegeleidende leerweg van het mbo (mbo-bbl). Van de schoolverlaters met (bekende) startkwalificatie vanuit mbo2-4 is een kwart 27 jaar of ouder. Van de hbo/wo schoolverlaters is de helft (51 procent) 23 tot 27 jaar. Zie Bijlage 1 voor absolute aantallen schoolverlaters.

Tabel 2.5 Schoolverlaters naar niveau van de laatst gevolgde opleiding 1) naar geslacht en leeftijd (in %), 2009/'10
MannenVrouwen15 tot 18 jaar18 tot 23 jaar23 tot 27 jaar27 jaar of ouder
Voortijdig schoolverlaters59,640,421,478,6
Schoolverlaters met startkwalificatie2)48,651,41,744,832,920,6
Met startkwalificatie vanuit: Havo/vwo46,753,322,875,21,30,7
Met startkwalificatie vanuit: Mbo-2/352,647,41,254,415,628,7
Met startkwalificatie vanuit: bol (Mbo-2/3)40,359,73,280,812,33,6
Met startkwalificatie vanuit: bbl (Mbo-2/3)58,841,20,241,217,341,3
Met startkwalificatie vanuit: Mbo-443,556,50,059,820,120,1
Met startkwalificatie vanuit: bol (Mbo-4)42,857,20,079,917,03,1
Met startkwalificatie vanuit: bbl (Mbo-4)44,855,20,021,525,952,6
Met startkwalificatie vanuit:Hbo/wo48,451,60,030,151,118,7
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl), exclusief schoolverlaters waarvan niet bekend is of ze een startkwalificatie hebben behaald.
2) Inclusief 362 schoolverlaters die in 2009/'10 zijn uitgestroomd uit vmbo, mbo-1 of zonder diploma uit havo/vwo, maar eerder een startkwalificatie hebben behaald.


1) Het niet bekend zijn van het bezitten van een startkwalificatie van personen van 23 jaar en ouder heeft te maken met het tijdstip van invoering van de registraties op persoonsniveau in de verschillende onderwijssoorten. In het mbo is deze registratie vanaf 2005/’06 compleet en van het vo vanaf 2003/’04; het hoger onderwijs kent al vanaf 1983 (wo) en 1986 (hbo) een registratie op persoonsniveau. Dat wil zeggen dat van iemand die in 2009/’10 bijvoorbeeld een mbo-3-opleiding volgde en deze opleiding vervolgens zonder diploma verliet niet bekend is dat deze persoon in 2002/’03 een mbo-2-diploma haalde en dus al een startkwalificatie had.
2) Studenten met een diploma mbo-4 of havo/vwo kunnen naar het hbo. Studenten met een vwo diploma of hbo-propedeuse kunnen ook voor een studie aan een universiteit kiezen. Zonder juiste vooropleiding kunnen studenten die 21 jaar of ouder zijn (bij kunstopleidingen geldt geen minimale leeftijd) worden toegelaten tot hbo/wo na een toelatingsonderzoek (colloquium doctum). Als zij uitstromen zonder diploma van de laatst gevolgde opleiding in het ho, dan worden zij in deze publicatie beschouwd als schoolverlater met startkwalificatie. (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hoger-onderwijs/vraag-en-antwoord/met-welke-diploma-s-kan-ik-naar-de-universiteit-ofhogeschool)
3) Exclusief de groep waarvan niet bekend is of zij wel dan niet een startkwalificatie behaalden.

 

3. Doorstroom (voortijdig) schoolverlaters naar de arbeidsmarkt

Doorstroom naar de arbeidsmarkt

Na het verlaten van het onderwijs in 2009/’10 betreden veel schoolverlaters de arbeidsmarkt. Anderen kiezen ervoor om op een later moment toch nog een andere studie of een vervolgopleiding te gaan doen. Tabel 3.1 laat de situatie van schoolverlaters zien vijf jaar na uitstroom uit het onderwijs.

Van de 240 duizend schoolverlaters uit 2009/’10 zijn er bijna 142 duizend (59 procent) vijf jaar na uitstroom uit het onderwijs aan het werk en zijn in de tussenliggende periode niet voor kortere of langere tijd teruggekeerd in het onderwijs. Studenten die in 2009/’10 een wo-master of een wo-vervolgopleiding 4) verlieten, zijn vijf jaar later het vaakst aan het werk (81 procent). Ook schoolverlaters uit de beroepsbegeleidende leerweg (mbo-bbl) van mbo-4 zijn relatief vaak aan het werk (80 procent). Binnen het mbo is het aandeel werkenden onder de schoolverlaters uit de bbl groter dan dat van de bol. Dit geldt ongeacht het niveau (mbo-2, 3 en 4). Dat het aandeel schoolverlaters dat vijf jaar later werkt uit mbo-bbl groter is dan uit mbo-bol is niet zo verwonderlijk. Mbo-bbl’ers hebben namelijk al een leerovereenkomst bij een bedrijf waarbij waarschijnlijk in veel gevallen het dienstverband wordt voortgezet na het behalen van het diploma. Bovendien doen degenen die een dergelijke opleiding volgen op oudere leeftijd dit meestal vanuit het werk.

Van de voortijdig schoolverlaters is ruim een kwart een jaar na uitstroom uit het onderwijs al weer teruggekeerd in het onderwijs. Binnen vijf jaar na het voortijdig schoolverlaten is 46 procent terug (geweest) in het onderwijs. Bijna een op de drie voortijdig schoolverlaters keerde niet terug in het onderwijs en had vijf jaar later werk. Vanuit het mbo zijn de bol-studenten relatief vaker teruggekeerd in het onderwijs dan de bbl-studenten. Bol’ers zijn over het algemeen jonger dan bbl’ers. Bovendien zijn veel van de bbl’ers al herintreders in het onderwijs. Van de havo/vwo schoolverlaters keerde een ruime meerderheid (81 procent) tussen 2010 en 2015 terug in het onderwijs, om daar verder te studeren in met name het ho. Een deel van hen heeft voor een relatief korte periode het onderwijs verlaten, bijvoorbeeld voor een tussenjaar in het buitenland. Twee op de drie was een jaar na schoolverlaten alweer teruggekeerd in het onderwijs. Ook onder schoolverlaters vanuit een wo-bacheloropleiding is dat voor relatief veel personen het geval (33 procent). Van diegenen die in 2009/’10 het hbo of wo zonder diploma verlieten, keerden drie op de tien schoolverlaters binnen een jaar terug. Vanuit een wo-bachelor is binnen vijf jaar 43 procent teruggegaan naar het onderwijs. Overigens is van wo-schoolverlaters relatief vaak niet bekend waar ze na vijf jaar terecht zijn gekomen. Vanuit een wo-bachelor is bijvoorbeeld ruim 8 procent van de schoolverlaters uit 2009/’10 in 2015 niet meer in het Basisregister Persoonsgegevens (BRP) terug te vinden. Het gaat hier bijvoorbeeld om studenten die na hun studie in het buitenland verder zijn gaan studeren in een master of daar aan het werk zijn gegaan.

Tabel 3.1 Schoolverlaters 2009/'10 naar niveau van de laatst gevolgde opleiding 1) naar positie op de arbeidsmarkt, 5 jaar na uitstroom
TotaalWerkzaam (in %)Niet werkzaam (in %)Terug in onderwijs (in %)Onbekend (niet in BRP, in %)
Voortijdig schoolverlaters40.20031,019,645,83,6
Totaal met startkwalificatie2)200.05064,67,424,33,7
Havo/vwo12.21014,03,480,91,7
Mbo-2 bol6.86047,014,335,53,1
Mbo-2 bbl15.05070,710,317,01,9
Mbo-3 bol10.94058,613,625,32,5
Mbo-3 bbl20.38075,57,415,71,3
Mbo-4 bol24.12064,08,025,82,2
Mbo-4 bbl12.60080,25,613,01,2
Hbo62.40067,26,421,94,5
Wo bachelor10.80041,17,443,38,3
Wo master23.76081,05,56,17,4
Wo vervolgopleiding56081,24,78,65,5
Totaal240.25059,09,427,93,7
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl), exclusief schoolverlaters waarvan niet bekend is of ze een startkwalificatie hebben behaald.
2) Inclusief 362 schoolverlaters die in 2009/'10 zijn uitgestroomd uit vmbo, mbo-1 of zonder diploma uit havo/vwo, maar eerder een startkwalificatie hebben behaald.

Positie op de arbeidsmarkt

Schoolverlaters die in 2009/’10 uit een wo- of hbo-opleiding uitstroomden of uit mbo-4 bbl en niet weer terugkeerden in het onderwijs, hebben vijf jaar later het hoogste aandeel werkzame personen: de percentages variëren van 94 tot 95 procent. Daarbij hebben bbl’ers vaker werk dan bol’ers van vergelijkbaar niveau. Dit verschil is het grootst binnen mbo-2 en neemt af naarmate het mbo-niveau oploopt. Voortijdig schoolverlaters werken relatief gezien duidelijk minder vaak dan schoolverlaters met een diploma; 61 procent van de voortijdig schoolverlaters die uitgestroomd zijn in 2009/’10 en daarna niet weer terugkeerden in het onderwijs heeft vijf jaar later een baan.

3.2 Schoolverlaters 2009/’10, vijf jaar na schoolverlaten1)
OnderwijsniveauWerkzaam (%)Niet-werkzaam (%)
Wo vervolgopleiding95,24,8
Wo master94,55,5
Mbo-3 bbl94,25,8
Hbo93,86,2
Wo bachelor92,97,1
Mbo-4 bol90,99,1
Mbo-4 bbl89,910,1
Mbo-3 bol88,111,9
Mbo-2 bbl86,513,5
Havo/vwo80,719,3
Mbo-2 bol78,221,8
Voortijdig schoolverlater61,938,1
1) Vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl), exclusief degenen die binnen vijf jaar terugkeerden in onderwijs

Soort dienstverband

Schoolverlaters die in 2009/’10 een mbo-bbl opleiding verlieten, hebben vijf jaar later relatief het vaakst een vast contract bij een werkgever. Dit aandeel loopt op met het gevolgde niveau, van 61 procent voor bbl niveau 2 naar 74 procent bij niveau 4. Bbl’ers hebben al een (leer)contract bij een bedrijf wat een ingang biedt om een vaste aanstelling te kunnen bemachtigen bij de betreffende werkgever. Bovendien zijn vooral iets oudere bbl’ers vaak een opleiding gestart vanuit hun werk. Het is aannemelijk dat ze deze baan hebben behouden. Van de mbo-bbl’ers is 44 procent bij het verlaten van de opleiding 27 jaar of ouder. Onder mannelijke schoolverlaters uit een dergelijke opleiding op mbo-4 niveau werkt vijf jaar later 72 procent in een vaste positie; voor vrouwen is dat zelfs 76 procent. Voortijdig schoolverlaters hebben vijf jaar na schoolverlaten het minst vaak een baan met een vast contract: 30 procent. Wel hebben ze relatief vaak een flexibel contract (57 procent). Van de mannelijke voortijdig schoolverlaters uit 2009/’10 heeft vijf jaar later 29 procent een vaste aanstelling, onder vrouwen is dat iets hoger (32 procent).

3.3 Werkende (voortijdig) schoolverlaters uit 2009/’10 vijf jaar na uitstroom1)
 Werknemer vast (%)Werknemer flexibel (%)Zelfstandige (%)Werknemer en zelfstandige (%)
Mbo-4 bbl74,217,15,23,5
Wo vervolgopleiding6817,93,210,8
Mbo-3 bbl64,924,37,43,4
Mbo-2 bbl6129,66,72,7
Hbo55,828,49,46,4
Mbo-4 bol51,436,27,64,8
Wo master51,433,89,45,4
Wo bachelor50,632,211,85,4
Mbo-3 bol44,541,99,64
Havo/vwo36,149,88,95,2
Mbo-2 bol3159,86,42,8
Voortijdig schoolverlater30,156,610,52,8
1) Vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl), exclusief degenen die binnen vijf jaar terugkeerden in onderwijs

Schoolverlaters vanuit een wo vervolgopleiding zijn vijf jaar later ook relatief vaak aan het werk in een vast contract (68 procent). Daarnaast zijn zij iets vaker tegelijkertijd zowel werknemer als zelfstandige dan schoolverlaters uit de andere onderwijssoorten. Uit ander onderzoek van het CBS blijkt eveneens dat hoogopgeleide schoolverlaters later vaker een baan met een vaste aanstelling hebben dan laagopgeleide schoolverlaters (Hartgers, Wielinga-van der Pijl & Alejandro Perez, 2018). Zoals hiervoor genoemd vormen de mbo-bbl-schoolverlaters, die vaak ouder zijn dan schoolverlaters uit andere onderwijssoorten, hierop een uitzondering.

Bij de vrouwelijke schoolverlaters met een wo-masterdiploma die werkzaam zijn in 2015 valt op dat zij op dat moment relatief minder vaak een vast arbeidscontract hebben dan andere vrouwelijke schoolverlaters, zoals mbo-bbl’ers, hbo’ers en wo-bachelors. Ook is er onder wo-schoolverlaters (zowel wo master als wo vervolgopleiding) verschil tussen mannen en vrouwen in het aandeel dat een vaste aanstelling heeft. Van de mannen met een wo-masterdiploma die in 2009/’10 het onderwijs verlieten en in 2015 werkzaam waren, had 56 procent een vaste aanstelling, voor vrouwen lag dat percentage lager (48 procent).

Schoolverlaters uit mbo-bol hebben vijf jaar later naar verhouding vaak een flexibel arbeidscontract. Onder mannen is dit bijvoorbeeld voor 64 procent van de schoolverlaters uit mbo-2 het geval, onder vrouwen voor 54 procent.

Arbeidsduur

In het algemeen werken mannelijke voortijdig schoolverlaters en schoolverlaters die in 2009/’10 het onderwijs met startkwalificatie verlieten vijf jaar later vaker voltijds dan vrouwelijke (voortijdig) schoolverlaters. Nederland staat bekend om het hoge aandeel in deeltijd werkende vrouwen (Portegijs en Van den Brakel 2018; CBS, 2018; CBS, 2019). Schoolverlaters met een afgeronde wo master werken het vaakst voltijds. Negen op de tien mannen met een wo master werkt voltijds, en drie kwart van de vrouwen. Mannelijke werkenden uit mbo4-bbl werken vijf jaar na schoolverlaten bijna even vaak voltijds als mannen met een wo-masteropleiding (90 procent). Bij vrouwen hangt het al dan niet voltijds werken samen met het onderwijsniveau. Vrouwen met een hoog onderwijsniveau werken vijf jaar later naar verhouding vaker voltijds dan lager opgeleide vrouwen. Vooral werkende vrouwen vanuit mbo-opleidingen werken relatief veel vaker in deeltijd dan mannen. Vaak zijn dit deeltijdbanen van 20 tot 35 uur per week. In de zorgsector bijvoorbeeld, werken veel vrouwen in deeltijd (Dirven & Portegijs, 2016). Vanuit mbo3-bbl (bijvoorbeeld opleiding tot verzorgende) heeft 55 procent van hen een baan van 20 tot 35 uur per week. Van de mannen van dit niveau had 10 procent een dergelijke deeltijdbaan.

3.4 Arbeidsduur mannelijke (voortijdig) schoolverlaters uit 2009/'10 vijf jaar na uitstroom1)
%Minder dan 12 uur per week (%)12 tot 20 uur per week (%)20 tot 35 uur per week (%)35 uur en meer per week (%)
Wo master1,10,68,589,8
Mbo-4 bbl0,60,59,389,6
Mbo-3 bbl1,00,89,888,5
Hbo1,30,810,587,4
Wo bachelor1,21,213,384,4
Mbo-4 bol1,91,713,183,3
Mbo-2 bbl1,71,813,682,9
Mbo-3 bol3,22,117,377,4
Havo/vwo5,24,717,273,0
Mbo-2 bol4,44,020,671,0
Voortijdig schoolverlater6,95,325,862,0
1) Vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief bbl)

3.5 Arbeidsduur vrouwelijke (voortijdig) schoolverlaters uit 2009/'10 vijf jaar na uitstroom
soortMinder dan 12 uur per week (%)12 tot 20 uur per week (%)20 tot 35 uur per week (%)35 uur en meer per week (%)
Wo master1,61,621,175,6
Wo bachelor3,61,825,469,2
Hbo2,93,532,261,4
Havo/vwo8,66,930,753,8
Mbo-4 bol4,45,937,352,4
Mbo-4 bbl2,24,447,945,5
Mbo-3 bol7,111,047,234,8
Mbo-3 bbl3,47,555,034,2
Voortijdig schoolverlater13,812,641,632,0
Mbo-2 bbl5,510,853,030,8
Mbo-2 bol11,213,444,930,5
1) Vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief bbl)

Uurloon werknemers

De uurlonen van schoolverlaters die voltijd als werknemers zijn gaan werken zijn apart bekeken van degenen die in deeltijd werken. Deze groepen werknemers zijn namelijk verschillend van samenstelling. Omdat deeltijders nogal verschillen in het aantal uren dat ze wekelijks werken en in de werkzaamheden die ze uitvoeren, is er een grotere spreiding van de uurlonen in deze groep dan onder voltijders en vormen ze een diverse groep. De uurlonen van werknemers in voltijd zijn voor de meeste onderwijsniveaus hoger dan voor werknemers die in deeltijd werken (zie ook SCP/CBS, 2016). Een schoolverlater die in 2009/’10 een wo master heeft afgerond en voltijd werknemer is, verdient vijf jaar later 24,24 euro per uur. Voor in deeltijd werkende werknemers met een afgeronde wo master was het uurloon 22,07 euro. In het vervolg wordt ingegaan op de uurlonen van voltijds werkende mannen en vrouwen.

3.6 Mediaan uurloon voltijd werkende (voortijdig) schoolverlaters uit 2009/’10 vijf jaar na uitstroom1)
 Mannen (euro)Vrouwen (euro)
Wo master24,8323,67
Wo bachelor23,8122,08
Hbo19,9919,21
Mbo-4 bbl19,1919,73
Mbo-3 bbl16,3317,78
Mbo-2 bbl15,5714,76
Mbo-4 bol15,3415,51
Havo/vwo15,2414,12
Mbo-3 bol13,8814,18
Mbo-2 bol13,2712,33
Voortijdig schoolverlater12,7112,04
1) Vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief bbl)

Onder schoolverlaters die vijf jaar na het verlaten van het onderwijs voltijd werken ligt het gemiddeld uurloon voor veel onderwijssoorten iets hoger voor mannen dan voor vrouwen. Een uitzondering vormen schoolverlaters uit het mbo-niveaus 3 en 4, vooral de bbl’ers: hier verdienen vrouwen juist iets meer dan mannen. Vrouwelijke mbo-4 bbl schoolverlaters hebben zelfs een hoger mediaan uurloon dan vrouwelijke hbo’ers. Het verschil in uurloon tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers die voltijd werken is het grootst voor schoolverlaters uit het wo. Voortijdig schoolverlaters hebben een relatief laag uurloon vergeleken met mbo’ers met een startkwalificatie tot 23 jaar. Waar voortijdig schoolverlaters vijf jaar na schoolverlaten een mediaan uurloon van 12,53 euro verdienden, was dat voor mbo-2-bol schoolverlaters tot 23 jaar 13,20 euro. Mbo-afgestudeerden uit de bbl verdienden meer dan afgestudeerde mbo’ers uit de bol. Dit komt doordat de eerstgenoemde groep schoolverlaters vaak al aan het werk waren tijdens de opleiding en zij over het algemeen wat ouder zijn.

Het vergelijken van de uurlonen van schoolverlaters is niet eenvoudig, omdat zij vanuit opleidingen uitstromen met én een verschillend niveau én een verschillende nominale studieduur. Daarbij verschillen de groepen in leeftijd. Met name veel mbo-bbl’ers volgden vanuit werk een opleiding en zijn dus al wat ouder op het moment van schoolverlaten. Vergelijken we schoolverlaters binnen de leeftijdsgroep 23 tot en met 26 jaar, dan vallen veel van de verschillen op basis van leeftijd weg. We kunnen de groepen dan beter vergelijken, mede omdat er vanaf de leeftijd van 23 jaar geen jeugdloon meer bestaat. Binnen de leeftijdsgroep van 23 tot en met 26 jaar is ook te zien dat de vrouwelijke schoolverlaters met startkwalificatie uit mbo niveau 3 en 4 een iets hoger uurloon hebben dan mannelijke schoolverlaters uit mbo niveau 3 en 4. Vrouwelijke schoolverlaters uit mbo-4 bbl die voltijd werken verdienen bijvoorbeeld 18,69 euro per uur en mannen 17,26 euro. Mannelijke mbo’ers uit niveau 2 (zowel bol als bbl) verdienen echter weer iets meer dan de vrouwen die uit deze onderwijssoorten stroomden. Na een mbo 4-bol opleiding is het verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen het kleinst: mannen verdienen dan 15,63 euro per uur ten opzichte van 16,04 euro bij vrouwen.

4) Een wo-vervolgopleiding betrof in 2009/’10 bijvoorbeeld de beroepsfase van (dier-)geneeskunde, farmacie en accountancy.

4. Samenvatting en discussie

Het doel van dit artikel was om een overzicht te schetsen van de totale groep schoolverlaters die het onderwijs in studiejaar 2009/’10 verlieten en een profiel te schetsen van de arbeidspositie van deze schoolverlaters vijf jaar later (2015). In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat en suggesties voor vervolgonderzoekgegeven.

Vanuit het schooljaar 2009/’10 verlieten 266 duizend personen van 15 jaar of ouder het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl). Ruim de helft verliet het onderwijs vanuit het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Bijna vier op de tien kwamen vanuit het hoger onderwijs. Maar een klein aandeel (bijna één op de tien) kwam uit havo, vwo of vmbo.

Ten minste 200 duizend schoolverlaters (75 procent) bezaten een startkwalificatie, behaald in het schooljaar vanwaar zij uitstroomden of al eerder. Van de schoolverlaters had 15 procent (40 duizend) geen startkwalificatie en was nog geen 23 jaar. De overige 10 procent is veelal 23 jaar of ouder en behaalde zowel in 2009/’10 als in de vier jaren daarvoor geen startkwalificatie. Het is niet bekend of zij vóór 2005/’06 wellicht wel een startkwalificatie behaalden. De grootste groep voortijdig schoolverlaters kwam vanuit mbo-2 (32 procent), maar ook uit de overige drie mbo-niveaus verlieten relatief veelstudenten het onderwijs zonder startkwalificatie (elk tussen de 10 en 17 procent).Ongeveer 16 procent kwam vanuit het vmbo, met en zonder diploma.

Onder havo, vwo, mbo-4 en ho schoolverlaters hadden vrouwen de overhand, terwijl onder voortijdig schoolverlaters en mbo-2 en 3 bbl schoolverlaters het aandeel mannen groter was. Deze bevindingen komen overeen met eerder onderzoek van het CBS (zie Hartgers, Merens, Blokzijl & Traag, 2016; CBS, 2018). Het merendeel van de schoolverlaters was jonger dan 27 jaar. Toch was er ook een groep van 27 jaar of ouder; dat waren vooral werkenden die een bbl-opleiding in het mbo volgden.

In de periode tot vijf jaar na het verlaten van het onderwijs blijkt een deel van de schoolverlaters uit 2009/’10 toch weer te zijn teruggekeerd in het onderwijs. Van de schoolverlaters met een havo/vwo-diploma was dat zelfs 81 procent, waarvan twee derde binnen een jaar. Ondanks dat ze een startkwalificatie bezitten, zijn ze algemeen vormend opgeleid en nog niet voor een specifiek beroep en daarmee hebben ze lagere arbeidsmarktperspectieven dan schoolverlaters uit onderwijssoorten als mbo (niveau 2 ofhoger) en ho. Zij zijn, na bijvoorbeeld een tussenjaar in het buitenland, veelal doorgegaan op hbo of wo. Ook vanuit een wo-bacheloropleiding gingen veel schoolverlaters(43 procent) na een onderbreking van één of meerdere jaren toch verder met een (master-)studie. Van de mbo’ers met startkwalificatie keerden bol’ers relatief vaker dan bbl’ers terug in het onderwijs. De eerste groep is over het algemeen jonger, terwijl veel van de bbl’ers al herintreders waren. Van de schoolverlaters jonger dan 23 jaar zonder startkwalificatie(voortijdig schoolverlaters) keerde 46 procent binnen vijf jaar terug in het onderwijs, een kwart binnen één jaar.

De schoolverlaters die niet meer terugkeerden in het onderwijs waren vijf jaar na het verlaten van het onderwijs vaker werkzaam naarmate ze een hogere opleiding hadden afgerond (zie ook CBS/SCP, 2016; OCW-in-Cijfers/emancipatie). Uitzondering zijn de schoolverlaters met een mbo-4-diploma vanuit de bbl. Zij hadden met 94 procent ongeveer even vaak werk als de hbo- en wo-schoolverlaters. Veel van deze mbo-4-gediplomeerden zijn al wat ouder en volgden de opleiding vaak als onderdeel van het werk. De voortijdig schoolverlaters hadden met 61 procent het minst vaak betaald werk.

Het aandeel werkenden met een vast contract vijf jaar na schoolverlaten varieerde van 30 procent voor de voortijdig schoolverlaters tot 74 procent voor de mbo-4 gediplomeerden vanuit de bbl. Mbo’ers die vanuit de bbl kwamen hadden vaker een vastcontract dan mbo’ers die de bol deden. Jongere bbl’ers combineren leren met werken bijeen leerbedrijf en hebben een goede ingang op de arbeidsmarkt, terwijl voor de oudere bbl’ers geldt dat ze vaak vanuit werk met de opleiding begonnen.

Traditioneel werken in Nederland vrouwen veel vaker in deeltijd dan mannen (SCP/CBS,2018; CBS, 2018; CBS, 2019). Dit onderzoek naar schoolverlaters laat dit ook zien. Onder vrouwen lijkt te gelden: hoe hoger zij zijn opgeleid, hoe hoger het aandeel dat vijf jaar later voltijds (35 uur of meer per week) werkt. Dit hangt echter samen met de bedrijfstak waarin zij werken. Relatief veel vrouwen werken in de zorg en hebben daar een deeltijdbaan (zie bijv. SCP/CBS, 2016). Vaak gaat het om banen van 20 tot 35 uur per week.Mannen en vrouwen die een wo-master hebben afgerond werken vijf jaar later het vaakst voltijd (respectievelijk 90 procent en 76 procent).

Bij veel onderwijsniveaus hebben de voltijds werkende mannen vijf jaar na schoolverlaten een hoger (mediaan) uurloon dan de vrouwen die voltijd werken. Een uitzondering hierop vormen schoolverlaters uit de mbo-niveaus 3 en 4, vooral de bbl’ers. Hier verdienen vrouwen juist iets meer. Uit eerder onderzoek van het CBS (2016) blijkt dat er verschillen zijn tussen in voltijd en in deeltijd werkende jongeren. Jonge, in deeltijd werkende vrouwen van 15 tot 27 jaar verdienen meer dan hun mannelijke leeftijdgenoten.Bovendien is recent onderzoek gedaan naar de totale groep jonge werkenden. Ook hier bleek dat jonge vrouwen meer verdienen dan hun mannelijke collega’s (CBS, 2018c). Over het algemeen zijn de uurlonen hoger naarmate het behaalde onderwijsniveau hoger is. Daarbij zijn de uurlonen van de mbo-bbl’ers gemiddeld wat hoger dan van de mbo-bol’ers. Dit zal vooral te maken hebben met leeftijd en ervaring.

Op basis van de bevindingen van de gehele groep schoolverlaters uit studiejaar 2009/’10 volgen een aantal suggesties voor nadere verdieping in vervolgonderzoek. Om de bevindingen nader te kunnen duiden zou het in eerste instantie relevant zijn om in toekomstig onderzoek de onderwijsrichtingen van waaruit de schoolverlaters afkomstig zijn te betrekken. In deze bijdrage is de arbeidspositie van schoolverlaters naar onderwijsniveau beschreven, maar binnen deze onderwijsniveaus bestaan ook verschillen in de arbeidsmarktperspectieven van schoolverlaters tussen de onderwijsrichtingen. Daarbij zou eveneens vervolgonderzoek naar verhoging van het onderwijsniveau in detussenliggende periode (tussen moment van schoolverlaten en vijf jaar daarna) een waardevolle aanvulling kunnen zijn. Verder blijkt de groep die een bekostigde opleiding heeft gevolgd naast het werk, zoals bij een mbo-bbl opleiding, een bijzondere groep schoolverlaters die meer aandacht verdient. Hetzelfde geldt voor de groep wo-bachelors.Omdat een wo-bacheloropleiding relatief nieuw is, zou het interessant kunnen zijn om de arbeidsmarktperspectieven van deze groep te vergelijken met die van schoolverlaters uit wo-master en hbo-bacheloropleidingen. Verder zou het goed zijn om nog eens dieper in te zoomen op de verschillen in kenmerken en arbeidspositie tussen schoolverlaters van de bol en de bbl. Deze zijn in deze bijdrage alleen globaal beschreven, maar kunnen in veel meer detail worden bekeken. Ten slotte liggen er nog meer dan voldoende vragen rondom het uurloon van schoolverlaters en het verschil daarin tussen mannen en vrouwen. Waarom verdienen voltijds werkende vrouwelijke schoolverlaters (werknemers) die in 2009/’10 uitstroomden uit mbo 3 en 4 opleidingen vijf jaar later bijvoorbeeld meer dan mannelijke? Daarbij is het lastig uurlonen te vergelijken van groepen die verschillen in onderwijs- en beroepsniveau, sector en leeftijd.

5. Technische toelichting

Databron en onderzoekspopulatie

De cijfers zijn gebaseerd op een koppeling tussen de Basisregistratie Personen (BRP), de Eéncijferbestanden van het onderwijs (DUO/CBS) en het Stelsel Sociaal-statistische bestanden (SSB, CBS).

De onderzoekspopulatie in dit artikel bevat de totale groep schoolverlaters van 15 jaar en ouder uit het schooljaar 2009/’10 vanuit het voltijd bekostigd onderwijs (inclusief bbl); dat wil zeggen vanuit:
1. Voortgezet onderwijs (vo),
a. met uitzondering van leerlingen die in het basisjaar zaten in: Engelse Stroom (havo-niveau) en Internationaal baccalaureaat (vwo);
a. met uitzondering van leerlingen die praktijkonderwijs volgden;
a. inclusief de leerlingen die binnen het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo) een opleiding volgden (vmbo-t, havo, vwo).
2. Middelbaar beroepsonderwijs (mbo): bol-voltijd en bbl (excl. bol-deeltijd en extranei)
3. Hoger onderwijs (ho): hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo),exclusief internationale studenten.

De schoolverlaters uit de volgende onderwijssoorten worden niet meegerekend:
a. Engelse stroom (havo)
b. Internationaal baccalaureaat (vwo)
c. (Voortgezet) speciaal onderwijs
d. Praktijkonderwijs
e. Mbo bol-deeltijd
f. Mbo extranei
g. (basis-)educatie binnen de Volwasseneneducatie (ve)
h. Niet-bekostigd onderwijs (eveneens niet in de groep die terugkeert in het onderwijs)
 
Ad a en b: Van deze leerlingen weten we niet of zij van deze opleiding een diploma (en dus een startkwalificatie) hebben behaald.
Ad c: Het (voortgezet) speciaal onderwijs heeft een nogal diverse populatie qua mogelijkheden binnen het onderwijs. Een deel van hen is zonder meer in staat om ten minste een startkwalificatie te behalen, van een ander deel kan dit niet worden verwacht.
Ad d: In het praktijkonderwijs zitten leerlingen van wie over het algemeen niet wordt verwacht dat zij een vmbo-diploma kunnen halen, laat staan een startkwalificatie (Ministerie van OCW, 2018a, b).
Ad e en f: er is voor gekozen om alleen de schoolverlaters vanuit het voltijd onderwijs (inclusief bbl) mee te nemen.
Ad g: (basis-)educatie is overwegend deeltijd onderwijs en heeft niet de bedoeling op te leiden tot een startkwalificatie. Het gaat hierbij vooral om het aanleren van basisvaardigheden in rekenen en taal voor laaggeletterden en migranten(Nederlands als tweede taal, NT2).
Ad h: Het CBS gebruikt de registers van de door OCW erkende niet-bekostigde instellingen (nog) niet. De registratie van ingeschrevenen in dit register is nog in ontwikkeling.

Vergelijking van gepresenteerde en StatLine tabellen

Op StatLine staan ook cijfers over (voortijdig) schoolverlaters vanuit mbo en ho en hun positie op de arbeidsmarkt. De cijfers in deze publicatie en in de tabellen op StatLine komen niet geheel met elkaar overeen. Op StatLine zijn schoolverlaters van de mbo-entreeopleiding meegenomen in de mbo-tabellen en in de tabellen over voortijdig schoolverlaters. In deze bijdrage zijn de mbo-entreeopleiding schoolverlaters meegenomen in de groep voortijdig schoolverlaters omdat zij geen startkwalificatie hebben behaald. Bovendien zijn in de tabellen de internationale studenten uit het ho meegenomen en schoolverlaters die jonger dan 15 jaar waren op het moment van het verlaten van het onderwijs, terwijl deze in de voorliggende publicatie buiten beschouwing zijn gelaten. Tenslotte zijn er enkele schoolverlaters die vanuit twee onderwijssoorten de school verlieten,bijvoorbeeld het mbo en het hbo. Zij zijn in beide StatLinetabellen meegenomen, terwijl deze schoolverlaters in dit artikel slechts bij één schooltype zijn meegenomen.

Begrippen

Bekostigd onderwijs

Onderwijs dat bekostigd wordt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(OCW).

Positie op de arbeidsmarkt

In dit artikel worden de kenmerken van de positie op de arbeidsmarkt alleen weergegeven van personen die het bekostigd onderwijs hebben verlaten en sindsdien niet zijn teruggekeerd in het bekostigd onderwijs. Bovendien wordt dit alleen gegeven van personen die op het peilmoment stonden ingeschreven in de Basis Registratie Personen(BRP). De volgende kenmerken worden beschreven:
— Werkzaamheid – om te bepalen of een persoon werk als werknemer en/of zelfstandige heeft (gehad) in oktober van een jaar, maakt het CBS gebruik van de Polisadministratie en de Aangifte Inkomstenbelasting (IB). De Polisadministratie bevat gegevens over banen van werknemers en is gebaseerd op data uit de loonaangiften die het UWV van de Belastingdienst ontvangt. Hieruit wordt afgeleid of mensen in oktober werknemer of directeur-grootaandeelhouder waren in Nederland. Uit de aangifte Inkomstenbelasting(IB) van de Belastingdienst wordt afgeleid of mensen inkomsten hadden uit arbeid in het buitenland, overige arbeid of eigen onderneming. Deze registratie heeft betrekking op een heel jaar: als een persoon ergens in een jaar zelfstandige was, dan wordt deze automatisch in oktober van dat jaar als zelfstandige aangemerkt; hetzelfde geldt voorarbeid uit het buitenland en overige arbeid.
— Soort dienstverband – van werknemers is vastgesteld of ze een vast of een flexibel dienstverband hebben. Onder werknemers met een vast dienstverband worden voornamelijk gerekend: werknemers met een contract voor onbepaalde tijd en directeuren groot aandeelhouders (DGA’s). Werknemers met een flexibel contract zijn voornamelijk uitzendkrachten, oproepkrachten en werknemers met een contract voor bepaalde tijd. De afbakening van het soort dienstverband (vast-flexibel) in de Polisadministratie verschilt van de afbakening van het type arbeidsrelatie zoals dat op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB) gebeurt.
— Wekelijkse arbeidsduur – aantal uren dat iemand in een normale of gemiddelde week werkt.
— Mediaan uurloon – het mediane uurloon is gelijk aan het middelste uurloon indien de uurlonen van alle personen van laag naar hoog worden gerangschikt. Het mediane uurloon is in deze bijdrage bepaald voor schoolverlaters die vijf jaar na verlaten van het onderwijs werkzaam zijn als werknemer.
Enkele arbeidskenmerken (arbeidsduur en mediaan uurloon) zijn voor mannelijke en vrouwelijke schoolverlaters afzonderlijk gepresenteerd. Dit geldt echter niet voor de mannelijke en vrouwelijke schoolverlaters vanuit de wo-vervolgopleidingen, omdat deze groepen schoolverlaters te klein waren om betrouwbare uitspraken over te kunnen doen.

Schoolverlaters

Het begrip schoolverlaters wordt gedefinieerd als volgt: Personen die in een gegeven jaar het bekostigd onderwijs verlaten. In dit artikel worden de schoolverlaters van 15 jaar en ouder uit het school-/studiejaar 2009/’10 beschreven, dat zijn de personen die op 1 oktober 2009 met voltijd inschrijving (inclusief mbo-bbl) stonden ingeschreven in het bekostigd onderwijs, en op 1 oktober 2010 het bekostigd onderwijs hebben verlaten. Uitstromers uit het praktijkonderwijs en uit het speciaal onderwijs worden in dit artikel niet meegerekend.

Startkwalificatie

Diploma op minimaal havo, vwo of mbo niveau 2.

Voortijdig schoolverlaters

Personen tot 23 jaar die in een gegeven jaar het bekostigd onderwijs zonderstartkwalificatie verlaten hebben.

Literatuur

Borghans, L. & Heike, H. (2001). Bevordert de WEB de macrodoelmatigheid van het beroepsonderwijs? Pedagogische Studiën, 78, 364-381.

CBS StatLine, Jongeren: vsv (totale groep) 

CBS StatLine, Uitstromers mbo; arbeidskenmerken

CBS StatLine, Uitstromers ho; arbeidskenmerken

Centraal Bureau voor de Statistiek (2016, 11 mei). Bij jonge parttimers verdient vrouw meerdan man

Centraal Bureau voor de Statistiek (2018b, 5 oktober). 50 jaar Mammoetwet: bijna iedereengaat nu naar school.

Centraal Bureau voor de Statistiek (2018c, 22 november). Loonverschil tussen mannen envrouwen iets kleiner

Centraal Bureau voor de Statistiek (2018, 14 december). Emancipatiemonitor: economischepositie van vrouwen verbeterd

Centraal Bureau voor de Statistiek (2019, 19 januari). Verschil arbeidsdeelname mannen envrouwen weer kleiner. 

CBS (2018). Jaarrapport Integratie 2018. Den Haag/Heerlen/Bonaire: CBS. 

Cörvers, F. De Hoon, M., & Meng, C. (2014). Macrodoelmatigheid mbo: Inkadering arbeidsmarktperspectief; ROA rapport ROA-R-2014/1. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.

Dirven, H.J. & Portegijs, W. (2016). Hoofdstuk 4 Arbeid. In Emancipatiemonitor 2016. W. Portegijs en M. van den Brakel Den Haag: SCP/CBS. https://www.cbs.nl/nl-nl/ publicatie/2016/50/emancipatiemonitor-2016.

Eimers, T, & Keppels, E. (2014). De plicht tot verantwoordelijkheid: Nadere inkadering van de zorgplicht doelmatigheid. Nijmegen: KBA.

Hartgers, M., Merens, A., Blokzijl, R. & Traag, T. (2016). Hoofdstuk 3 Onderwijs. In Emancipatiemonitor 2016. W. Portegijs en M. van den Brakel: Den Haag: SCP/CBS. 

Hartgers, M., Wielenga-van der Pijl, L. en Alejandro Perez, S. (2018). Hoofdstuk 3. Meisjes vlijtig door het onderwijs en jongens een flitsende loopbaanstart? In: Emancipatiemonitor 2018. W. Portegijs en M. van den Brakel. Den Haag: SCP/CBS 

Meng, C., Coenen, J., Ramaekers, G. & Büchner, C. (2009). Zonder diploma: aanleiding,kansen en toekomstintenties. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt jaargang 3(3) 6-27. Geraadpleegd op 09-10-2018.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014). Kamerbrief startkwalificatie met perspectief, voor iedereen een passende plek, 06-03-2014. Brief van minister Bussemaker (OCW) aan de Tweede Kamer over aanpak van voortijdig schoolverlaten. Geraadpleegd op 25-10-2018.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018). Waarom moet ik een startkwalificatie hebben? Geraadpleegd op 07-12-2018.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hoe krijgt mijn kind praktijkonderwijs. Geraadpleegd op 07-12-2018:.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hoe zit praktijkonderwijs in elkaar. Geraadpleegd op 07-12-2018..

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Leerplicht en kwalificatieplicht. Geraadpleegd op 10-03-2019: 

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, CBS en DUO. Geraadpleegd op 10-03 2019.

Nederlands Jeugdinstituut. Om welke jongeren gaat het? Geraadpleegd op 09-10-2018.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2019, 4 februari). Emancipatie

Onderwijsraad (2012), Zicht op een macro doelmatig onderwijsaanbod, Advies aan de Tweede Kamer, juni. Den Haag.

Portegijs, W. en M. van den Brakel (2018). Emancipatiemonitor 2018. Den Haag: SCP/CBS.

Portegijs, W. en M. van den Brakel. (2016). Emancipatiemonitor 2016. Den Haag: SCP/CBS.

ROA (2017). Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2016, onderzoeksrapport ROA-R-2017/7. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. Geraadpleegd op 25-10-2018.

Schoonhoven, R. van (2016). Recht doen aan beroepsonderwijs. Oratie, 8 april 2016.Amsterdam: Vrije Universiteit.

Bijlage

Schoolverlaters naar niveau van de laatst gevolgde opleiding1), geslacht en leeftijd, 2009/'10
MannenVrouwen15 tot 18 jaar18 tot 23 jaar23 tot 27 jaar27 jaar of ouder
Voortijdig schoolverlaters2397016220861031580
Schoolverlaters met startkwalificatie2)971501029003490896206579041150
Met startkwalificatie vanuit:Havo/vwo570065002790918016090
Met startkwalificatie vanuit:Mbo-2/3280302521066028990832015280
waarvan bol718010630580143902200640
waarvan bbl20850145808014600612014640
Met startkwalificatie vanuit:Mbo-41598020750102198073707370
waarvan bol103301379010192704100740
waarvan bbl564069600271032606630
Met startkwalificatie vanuit:Hbo/wo471905033040293804986018250
1) Voltijd bekostigd onderwijs (inclusief mbo-bbl), exclusief schoolverlaters waarvan niet bekend is of ze een startkwalificatie hebben behaald.
2) Inclusief 362 schoolverlaters die in 2009/'10 zijn uitgestroomd uit vmbo, mbo1, of zonder diploma uit havo/vwo, maar eerder een startkwalificatie hebben behaald.