3. Resultaten
Sterven in de verschillende levensfasen
Baby’s
In 2024 overleden 547 kinderen tussen hun geboorte en hun eerste verjaardag. Dat is nog los van de 461 doodgeboren kinderen na een zwangerschapsduur van 24 weken of langer2). Twee derde van de overlijdens van baby’s zijn het gevolg van aandoeningen van de perinatale periode en 17 procent betreft aangeboren afwijkingen.
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Aandoeningen van de perinatale periode | 361 | 66,0 | 219,5 |
| Aangeboren afwijkingen | 93 | 17,0 | 56,5 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 19 | 3,5 | 11,6 |
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 15 | 2,7 | 9,1 |
| Infectieuze en parasitaire ziekten | 8 | 1,5 | 4,9 |
| Andere oorzaken | 20 | 3,7 | 12,2 |
| Onbekend | 31 | 5,7 | 18,8 |
| Totaal | 547 | 332,6 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
Kinderen en jongeren, 1 tot 20 jaar
Bij 35 procent van de 1 tot 20-jarigen die in 2024 overleden was sprake van een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Deze categorie is nader te specificeren in 91 ongevallen en 62 zelfdodingen. De ongevallen betreft 61 vervoersongevallen waarvan 54 wegverkeersongevallen. In 2024 overleden 72 jongeren aan nieuwvormingen.
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 166 | 35,1 | 4,7 |
| Nieuwvormingen | 72 | 15,2 | 2 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 36 | 7,6 | 1 |
| Aangeboren afwijkingen | 34 | 7,2 | 1 |
| Endocriene, voedings-, stofwisselingsziekten | 26 | 5,5 | 0,7 |
| Andere oorzaken | 87 | 18,4 | 2,4 |
| Onbekend | 52 | 11 | 1,5 |
| Totaal | 473 | 13,3 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
Jongvolwassenen, 20 tot 40 jaar
Ruim 43 procent van de jongvolwassenen tussen de 20 en 40 jaar die in 2024 overleden had een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Van de 899 gevallen was 501 keer sprake van zelfdoding, 330 keer betrof het een ongeval en 43 jongvolwassenen waren het slachtoffer van moord en doodslag.
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 899 | 43,2 | 19,1 |
| Nieuwvormingen | 371 | 17,8 | 7,9 |
| Ziekten van hart en vaatstelsel | 132 | 6,3 | 2,8 |
| Psychische stoornissen | 116 | 5,6 | 2,5 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 99 | 4,8 | 2,1 |
| Andere oorzaken | 239 | 11,5 | 5,1 |
| Onbekend | 223 | 10,7 | 4,7 |
| Totaal | 2.079 | 44,3 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
Het aantal overlijdens als gevolg van nieuwvormingen is bij deze leeftijdsgroep, met bijna 18 procent van de gevallen, de op een na meest voorkomende doodsoorzaak. De meest voorkomende nieuwvormingen daarbij zijn die van de borst, 58 gevallen, en 54 keer van het lymfatisch en bloedvormend weefsel.
Middelbare leeftijd, 40 tot 60 jaar
Nieuwvormingen zijn, met bijna 41 procent van de gevallen, verreweg de belangrijkste doodsoorzaak van overlijdens in 2024 in de leeftijdsklasse van 40 tot 60 jaar. Nader gespecificeerd gaat het dan voornamelijk om nieuwvormingen van luchtpijp (-vertakkingen) en long (912 gevallen), borst (537), darm (346) en alvleesklier (322).
Ruim 14 procent van de overledenen van middelbare leeftijd overleed aan hart- en vaatziekten. Daarvan zijn 389 gevallen aangemerkt als acuut hartinfarct. De niet-natuurlijke doodsoorzaken zijn bij deze leeftijdsgroep, in tegenstelling tot de jongere groepen, pas de derde belangrijkste doodsoorzaak. Van de 1 185 overlijdens met een niet-natuurlijke oorzaak betrof het onder andere 676 keer een zelfdoding, 436 keer een ongeval en 31 waren slachtoffers van moord of doodslag. Binnen de ongevallen werd de accidentele vergiftiging met 145 gevallen het meest gemeld.
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Nieuwvormingen | 4.489 | 40,8 | 96,9 |
| Ziekten van hart en vaatstelsel | 1.585 | 14,4 | 34,2 |
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 1.185 | 10,8 | 25,6 |
| Ziekten van de ademhalingsorganen | 514 | 4,7 | 11,1 |
| Ziekten van de spijsverteringsorganen | 448 | 4,1 | 9,7 |
| Psychische stoornissen | 411 | 3,7 | 8,9 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 411 | 3,7 | 8,9 |
| Andere oorzaken | 739 | 6,7 | 15,9 |
| Onbekend | 1.233 | 11,2 | 26,6 |
| Totaal | 11.015 | 237,7 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
Het aantal overlijdens als gevolg van nieuwvormingen neemt toe met de leeftijd. Er waren 336 overlijdens van 40 tot 45-jarigen in deze groep en 2 287 van 55-60 jaar, bijna 7 keer zoveel. Terwijl er 1,2 keer meer inwoners van 55 tot 60 waren dan 40 tot 45-jarigen.
| Leeftijd | Nieuwvormingen (aantal) | Ziekten van hart en vaatstelsel (aantal) | Niet-natuurlijke doodsoorzaken (aantal) | Ziekten van de ademhalingsorganen (aantal) |
|---|---|---|---|---|
| 40-45 | 336 | 133 | 234 | 19 |
| 45-50 | 561 | 202 | 259 | 61 |
| 50-55 | 1305 | 458 | 326 | 147 |
| 55-60 | 2287 | 792 | 366 | 287 |
| * voorlopige cijfers | ||||
Het aantal overlijdens als gevolg van hart- en vaatziekten neemt ook toe naarmate de leeftijd vordert, maar in veel minder sterke mate. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen bij de andere leeftijdsgroepen.
Senioren, 60 tot 80 jaar
Net als bij de overledenen van middelbare leeftijd overleed 40 procent van de groep tussen 60 en 80 jaar als gevolg van nieuwvormingen. Het grote verschil is dat het aantal overledenen met 25 duizend bijna 6 keer zo hoog is. Relatief gezien is het verschil in aantal per 100 000 inwoners in deze leeftijdsgroep zelfs meer dan 6 keer zo hoog. De meest voorkomende overlijdens als gevolg van de nieuwvormingen zijn van luchtpijp (-vertakkingen) en long (6 324 gevallen), gevolgd door alvleesklier (1 936) en het lymfatisch en bloedvormend weefsel (1 847).
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Nieuwvormingen | 25.094 | 39,7 | 630,7 |
| Ziekten van hart en vaatstelsel | 11.976 | 18,9 | 301 |
| Ziekten van de ademhalingsorganen | 6.019 | 9,5 | 151,3 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 3.501 | 5,5 | 88 |
| Psychische stoornissen | 2.608 | 4,1 | 65,6 |
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 2.436 | 3,9 | 61,2 |
| Andere oorzaken | 6.950 | 11 | 174,7 |
| Onbekend | 4.657 | 7,4 | 117,1 |
| Totaal | 63.241 | 1.589,60 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
Ondanks dat de top 5 van belangrijkste doodsoorzaken bestaat uit medische aandoeningen, overleden 2 436 mensen in deze leeftijdscategorie aan een niet-natuurlijke oorzaak. Dat zijn er meer dan alle overledenen met een niet-natuurlijke dood in alle voorgaande leeftijdsgroepen bij elkaar. In 2024 overleden 1 881 mensen tussen de 60 en 80 jaar aan een ongeval waarvan 1 331 aan een accidentele val en 189 in het wegverkeer. 491 mensen overleden door zelfdoding.
Ouderen, 80 jaar en ouder
In de oudste groep overledenen zijn ziekten van hart en vaatstelsel de meest voorkomende doodsoorzaak gevolgd door nieuwvormingen. In deze leeftijdsgroep overlijden ook relatief veel mensen aan psychische stoornissen waartoe ook dementie behoort.
| Aantal | % | Aantal per 100.000 | |
|---|---|---|---|
| Ziekten van hart en vaatstelsel | 24.380 | 25,7 | 2.706,80 |
| Nieuwvormingen | 17.442 | 18,4 | 1.936,50 |
| Psychische stoornissen | 11.611 | 12,2 | 1.289,10 |
| Ziekten van de ademhalingsorganen | 8.625 | 9,1 | 957,6 |
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 7.015 | 7,4 | 778,9 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 5.717 | 6 | 634,7 |
| Andere oorzaken | 18.444 | 19,5 | 2.047,80 |
| Onbekend | 7.293 | 7,7 | 809,7 |
| Totaal | 94.810 | 10.526,50 | |
| *Voorlopige cijfers | |||
De niet-natuurlijke doodsoorzaken vallen met 7 015 gevallen net binnen de top 5. Dit betreft voornamelijk ongevallen (6 857) waarvan 5 875 mensen overleden na een accidentele val.
1 op 3 mensen sterft thuis
Ruim 55 duizend mensen overleden thuis, dat is 32 procent van alle overlijdens in 2024. Bijna 49 duizend mensen overleden in een verpleeghuis (28 procent) en 35 duizend in een ziekenhuis (20 procent).
| Ziekenhuis (%) | Verpleeghuis (%) | Overige instellingen (%) | Thuis (%) | Elders (%) | Onbekend (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 34828 | 48570 | 19412 | 55303 | 3136 | 10916 |
| 0-jarigen | 384 | 0 | 0 | 37 | 2 | 124 |
| 1 tot 20 jaar | 198 | 4 | 12 | 137 | 79 | 43 |
| 20 tot 40 jaar | 501 | 26 | 81 | 884 | 401 | 186 |
| 40 tot 60 jaar | 2887 | 485 | 827 | 5119 | 655 | 1042 |
| 60 tot 80 jaar | 16630 | 10223 | 5780 | 24807 | 1206 | 4595 |
| 80 jaar en ouder | 14228 | 37832 | 12712 | 24319 | 793 | 4926 |
| * voorlopige cijfers | ||||||
Van de overleden baby’s stierf 70 procent in een ziekenhuis en 7 procent thuis. Opvallend is dat in 23 procent van de gevallen de plaats van overlijden bij hen ontbreekt. Ook de overlijdens van kinderen en jongeren vonden vaak plaats in een ziekenhuis, namelijk 42 procent.
Het relatief hoge aantal overlijdens elders van de 1 tot 20-jarigen en de 20 tot 40-jarigen hangt samen met het aantal overlijdens met een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Ongeveer 40 procent van deze overlijdens vindt elders plaats dan thuis, in een ziekenhuis of in een andere instelling.
Naarmate de leeftijd van de overledene vordert vindt een groter deel van de overlijdens plaats in een verpleeghuis. Het overgrote deel van alle mensen die overlijden als gevolg van psychische stoornissen, vaak ouderen met dementie, overlijdt in het verpleeghuis.
1 op 3 mensen overlijdt als alleenstaande
Met uitzondering van baby’s en jongeren overlijdt binnen elke leeftijdsgroep ongeveer een derde van de inwoners van Nederland als alleenstaande. In de categorie 40 tot 60 jaar en 60 tot 80 jaar was de overledene in de helft van de gevallen een partner in een paar, dat wil zeggen gehuwd of in een geregistreerd partnerschap al dan niet met kinderen. Bij de 80-plussers was het merendeel, 39 procent, lid van een institutioneel huishouden. Dit komt overeen met het aantal mensen dat in een verpleeghuis overleed.
| Thuiswonend kind (%) | Alleenstaande (%) | Partner in paar (%) | Ouder in eenouderhuishouden (%) | Lid van institutioneel huishouden (%) | Overig lid van een huishouden (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 1549 | 54764 | 60205 | 3756 | 47556 | 4150 |
| 0-jarigen | 348 | 0 | 0 | 0 | 3 | 11 |
| 1 tot 20 jaar | 426 | 16 | 3 | 0 | 21 | 7 |
| 20 tot 40 jaar | 432 | 777 | 586 | 58 | 192 | 34 |
| 40 tot 60 jaar | 282 | 3723 | 5296 | 683 | 879 | 152 |
| 60 tot 80 jaar | 61 | 20196 | 31594 | 1223 | 9077 | 1090 |
| 80 jaar en ouder | 0 | 30052 | 22726 | 1792 | 37384 | 2856 |
| * voorlopige cijfers | ||||||
13 procent sterft welvarend
In onderstaande figuur is het aantal overledenen weergegeven naar de kwintielgroep van het financieel welvaren van hun huishouden. De financiële welvaart van een huishouden is gebaseerd op zowel het gestandaardiseerd inkomen als het vermogen. Op grond van de optelling van inkomen en vermogen zijn (min of meer) alle particuliere huishoudens van Nederland gerangschikt van laag naar hoog en in 5 groepen van gelijke omvang verdeeld. De eerste groep bevat dan de 20 procent huishoudens met de laagste financiële welvaart, de vijfde groep bevat de 20 procent huishoudens met de hoogste financiële welvaart. De kwintielgroep is vastgesteld voor het jaar 2023 dus het jaar voorafgaand aan het overlijden. Vandaar dat de baby’s in het overzicht ontbreken. Ook voor institutionele huishoudens is de financiële welvaart niet bekend. Dat betreft ruim 50 duizend overledenen in 2024. In die gevallen is het welvaartspercentiel overgenomen van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden. Hierna bleef van 16 duizend overledenen het welvaartspercentiel onbekend (9,4 procent). Deze onbekenden zijn bij de analyse uitgesloten.
| 1 laagste (%) | 2 (%) | 3 (%) | 4 (%) | 5 hoogste (%) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 49017 | 43584 | 30455 | 25248 | 22458 |
| 1 tot 20 jaar | 102 | 81 | 83 | 73 | 87 |
| 20 tot 40 jaar | 752 | 361 | 329 | 297 | 229 |
| 40 tot 60 jaar | 3554 | 1834 | 1828 | 1821 | 1795 |
| 60 tot 80 jaar | 17191 | 15122 | 11747 | 9851 | 9038 |
| 80 jaar en ouder | 27418 | 26186 | 16468 | 13206 | 11309 |
| * voorlopige cijfers | |||||
Ruim 22 duizend mensen die in 2024 overleden behoorden tot de 20-procent meest welvarende huishoudens. Dat is 13 procent van alle overledenen. Bijna 29 procent van de overledenen behoorde tot het kwintiel met de laagste financiële welvaart.
Tenslotte is bekeken of mensen met een hogere financiële welvaart aan andere oorzaken overlijden dan mensen met een lagere welvaart. Mensen in het hoogste welvaartskwintiel overlijden veel vaker aan nieuwvormingen (33,8 procent) dan mensen in het laagste kwintiel (22,2 procent). Daartegen stierven verhoudingsgewijs meer mensen met een lage welvaart aan ziekten van de ademhalingsorganen dan mensen met een hoge welvaart.
| 1e laagste | 2e | 3e | 4e | 5e hoogste | |
|---|---|---|---|---|---|
| Nieuwvormingen | 22,2 | 25,9 | 30,8 | 32,1 | 33,8 |
| Ziekten van hart en vaatstelsel | 22,3 | 23,9 | 22,5 | 21,2 | 19,6 |
| Ziekten van de ademhalingsorganen | 10,8 | 9,7 | 8,4 | 7,1 | 5,9 |
| Psychische stoornissen | 10,1 | 8,4 | 7,4 | 8 | 8,2 |
| Niet-natuurlijke doodsoorzaken | 6,9 | 6,7 | 6,5 | 6,9 | 6,8 |
| Ziekten van zenuwstelsel en zintuigen | 5,2 | 4,7 | 5,7 | 6,6 | 7,7 |
| Ziekten van de spijsverteringsorganen | 3,7 | 3,5 | 2,9 | 2,6 | 2,4 |
| Infectieuze en parasitaire ziekten | 2,6 | 2,5 | 2,5 | 2,2 | 2 |
| Ziekten urinewegen en geslachtsorganen | 2,5 | 2,6 | 2,3 | 2 | 1,8 |
| Endocriene, voedings-, stofwisselingsziekten | 2,7 | 2,3 | 1,8 | 1,7 | 1,6 |
| Andere oorzaken | 2,7 | 2,4 | 2,2 | 2 | 2 |
| Onbekend | 8,4 | 7,5 | 7,1 | 7,6 | 8,2 |
| *Voorlopige cijfers | |||||