Auteur: Noortje Pouwels-Urlings

Herziening van de Vermogensstatistiek 2006

Over deze publicatie

Dit artikel beschrijft welke veranderingen in de Vermogensstatistiek met ingang van 2006 zijn doorgevoerd en welk effect dit heeft gehad op de uitkomsten.

Samenvatting

De herziening van de Vermogensstatistiek die voor de jaren vanaf 2006 is uitgevoerd, heeft belangrijke gevolgen voor de uitkomsten. Zo komt het doorsnee vermogen per huishouden over de jaren 2013-2019 gemiddeld 1200 euro hoger te liggen, over de jaren 2006-2012 was dit 1500 euro lager. De vermogensongelijkheid op basis van de herziene cijfers komt hoger uit dan voorheen. De herziening betreft verbeteringen in de waarneming van vermogensbestanddelen, waaronder het aanmerkelijk belang.

1. Inleiding

Statistieken worden regelmatig herzien. Aanleiding hiervoor is vaak het beschikbaar komen van aanvullende bronnen, wijzigingen in de bronnen en wensen tot verbetering in de methodiek. Gegevens van de Belastingdienst vormen de voornaamste gegevensbron voor de Vermogensstatistiek. Aanleiding voor de huidige herziening (met uitkomsten vanaf 2006) is vooral de beschikbaarheid van gegevens over aanmerkelijk belang (paragraaf 2.1), opgebouwde tegoeden in spaar- en beleggingshypotheken (paragraaf 2.2) en belasting-, toeslag- en zorgschulden (paragraaf 2.3). Daarnaast is de waarneming van diverse vermogensposten verbeterd (paragraaf 2.4 en 2.5). Dit artikel vat de voornaamste punten van de herziening samen. Paragraaf 3 beschrijft het verschil in vermogen tussen de oude en nieuwe reeks en de vergelijkbaarheid in de tijd. Tot slot laat paragraaf 4 zien wat het effect van de herziening is op de vermogensongelijkheid.

2. Verbeteringen in de vaststelling van het vermogen

2.1 Verbeterde waarneming aanmerkelijk belang

Door recent beschikbaar gekomen registraties van bedrijfsbelangen van de belastingdienst is de groep aanmerkelijkbelanghouders (ab-houder) flink uitgebreid, en hun totale waargenomen ondernemingsvermogen fors toegenomen. In de oude reeks is de waarneming beperkt tot directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) met loon uit het eigen bedrijf, nu omvatten de ab-houders alle personen met een door de fiscus geregistreerd bedrijfsbelang dat aanspraak kan maken op het ondernemingsvermogen of -winst. De waarde van het aanmerkelijk belang is vastgesteld op basis van het fiscale ondernemingsvermogen en de verdeling van het aandelenbezit over de verschillende ab-houders. Het onroerend goed in de vennootschap en eventuele deelnemingen worden hierbij gewaardeerd volgens de actuele waarde in het economische verkeer. Voor meer informatie over de verbeterde waarneming van het aanmerkelijk belang zie Menger, 2021.

Figuren 2.1.1 tot en met 2.1.3 tonen het gereviseerd aantal huishoudens met aanmerkelijk belang, en de som en de doorsnee waarde van dit vermogen, vergeleken met de oude reeks. In 2019 waren er 444 duizend huishoudens met aanmerkelijk belang, met in totaal 368 miljard euro aan aanmerkelijk belang. De doorsnee waarde hiervan bedroeg 118 duizend euro. De herziening heeft geleid tot een flinke toename van het aantal ab-houders en hun totale bedrijfsvermogen; het aantal ab-houders is 2,5 keer zo groot, en hun totale aanmerkelijk belang is twee derde hoger. De doorsnee waarde van het aanmerkelijk belang is fors gekrompen; de toegevoegde ab-houders bezitten over het algemeen minder bedrijfsvermogen dan de actieve DGA’s.

De verschillen in aanmerkelijk belang tussen de oude en nieuwe reeks zijn kleiner bij oudere jaren. Dit heeft te maken met een onvolledigere waarneming bij elke stap terug in de tijd.

2.1.1 Huishoudens met aanmerkelijk belang
 Oude reeks (x 1 000)Nieuwe reeks (x 1 000)
'06100,1280,8
'07124,3280,6
'08141,3289,8
'09154,9314,9
'10159,4336
'11153350,9
'12155,9365,2
'13156,5375,7
'14157,8390,9
'15157,7398,6
'16163,4403,1
'17159,1415,4
'18178,1421,6
'19175,3444,1

2.1.2 Totaal aanmerkelijk belang
 Oude reeks (mld euro)Nieuwe reeks (mld euro)
'0694,8155,3
'07107,9154,8
'08123,4154,8
'09145,7175,4
'10152,7205,6
'11150,5216,5
'12160,6228,3
'13156,8279,1
'14162,7274,7
'15162,8298,9
'16180,2299,6
'17190,4332,3
'18212,2361,8
'19221,4368,4

2.1.3 Doorsnee waarde aanmerkelijk belang
 Oude reeks (1 000 euro)Nieuwe reeks (1 000 euro)
'0621278,2
'07178,478,2
'08173,173,2
'09192,978,9
'1020479,5
'11221,277,6
'12232,979,5
'13244,486,6
'14257,374,7
'15258,881,5
'1627887
'17295,2101,8
'18308,3116,7
'19360118,4

2.2 Waarneming opgebouwd tegoed spaar- en beleggingshypotheken

In de oude reeks is de hypotheekschuld gelijk aan de openstaande fiscale hypotheekschuld, waarbij geen rekening is gehouden met eventueel opgebouwd vermogen gelieerd aan spaar- en beleggingshypotheken. Met het beschikbaar komen van de recente Residential Real Estate (RRE) wordt een deel van het opgebouwd vermogen waargenomen. De RRE is een kwartaalrapportage die De Nederlandsche Bank (DNB) onder mandaat van het CBS bij een tiental grootbanken uitvraagt (zie DNB). De RRE-dataset bevat gegevens over hypotheken op het niveau van de afzonderlijke leningdelen, zoals openstaande schuld, hypotheekvorm, looptijd, rentevoet en - waar relevant - een opgebouwd vermogen. De RRE omvat ongeveer driekwart van alle uitstaande hypotheekschulden. In deze dataset ontbreekt een uniek identificerend gegeven waardoor een directe één-op-één koppeling niet mogelijk is. Met behulp van combinaties van identificerende variabelen kon het overgrote deel van de opgebouwde vermogens op microniveau toch worden gelinkt aan huishoudens met een hypotheekschuld in de Vermogensstatistiek. 

De populatie over het opgebouwd spaartegoed in de jaren 2006 tot en met 2018, zijn de huishoudens met een spaar- of beleggingshypotheek in 2019. Voor deze huishoudens is het opgebouwd tegoed uit dat jaar met behulp van de oorspronkelijke hypotheekschuld, looptijd en huidige rente teruggelegd tot 2006. Bij het terugleggen is geen rekening gehouden met rentewijzigingen of extra stortingen in de spaarpolis gedurende die periode. Huishoudens die voor 2019 hun spaar- of beleggingshypotheek al hebben afgelost zijn niet opgenomen in deze cijfers. 

Het opgebouwde vermogen in spaar- en beleggingshypotheken is niet apart zichtbaar als vermogensbestanddeel, maar is verdisconteerd met de fiscale hypotheekschuld. 

In 2019 zijn er 680 duizend huishoudens met in totaal 31 miljard euro aan opgebouwd kapitaal in spaar- en beleggingshypotheken. Dit verlaagt de totale hypotheekschuld van deze huishoudens met 20 procent in dat jaar. Van de huishoudens met een spaarhypotheek in 2019 hadden 250 duizend huishoudens deze hypotheek ook al in 2006, toen bedroeg hun opgebouwd kapitaal pas 3,5 miljard euro.

2.2.1 Huishoudens met opgebouwd tegoed spaar- en beleggingshypotheken
Aantal huishoudens (x 1 000)Totaal spaartegoed (mld euro)Totaal hypotheekschuld (mld euro)Totaal hypotheekschuld min spaartegoed (mld euro)
2006250,53,443,239,9
2007287,64,152,948,8
2008328,15,264,459,2
2009367,66,376,269,9
2010413,67,688,480,8
2011478,29,2106,196,8
2012557,911,3127,0115,8
2013629,613,6144,2130,6
2014678,516,2154,8138,6
2015674,818,9152,9134,0
2016677,121,8153,3131,5
2017677,624,8153,8129,1
2018678,127,8154,6126,8
2019680,331,0154,9123,9

2.2.2 Huishoudens met hypotheekschuld
Aantal huishoudens (x 1 000)Totaal hypotheekschuld (mld euro)Totaal hypotheekschuld min spaartegoed (mld euro)
20063 255,4488,9485,6
20073 329,8532,2528,1
20083 411,5578,4573,3
20093 440,6613,9607,6
20103 475,2635,9628,3
20113 549,7657,7648,4
20123 616,6683,0671,7
20133 654,2692,9679,3
20143 647,3689,9673,7
20153 626,1685,4666,5
20163 670,0695,9674,1
20173 696,9708,2683,4
20183 725,2726,7698,9
20193 768,6746,9715,9

2.3 Waarneming belasting-, toeslag- en zorgschulden

Vanaf 2011 zijn belasting- en toeslagschulden beschikbaar gekomen. Vanaf 2014 is er ook informatie over zorgschulden beschikbaar van het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

  • Belastingschulden omvatten schulden ten aanzien van de inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting. Dit is exclusief schulden betreffende omzet- en loonbelasting van ondernemers (natuurlijke personen), deze zijn reeds meegeteld in het ondernemingsvermogen. Het gaat om 650 duizend huishoudens met 3,6 miljard aan belastingschulden in 2019.
  • Toeslagschulden omvatten kinderopvangtoeslag, huurtoeslag, zorgtoeslag en kindertoeslag. Het gaat in 2019 om 840 duizend huishoudens met ruim 1,2 miljard euro aan toeslagschulden.
  • Zorgschulden zijn bepaald voor personen die minimaal 6 maanden hun zorgverzekering niet hebben betaald en aangemeld zijn bij het CAK (wanbetalers), en voor personen met een betalingsregeling (GBT) of stabilisatieovereenkomst (SOVK). De berekende zorgschuld omvat de premieachterstand van minimaal 6 maanden plus het openstaand bedrag bij het CAK. Voor wanbetalers (en hun partner) wordt een premieachterstand van 6 maanden berekend, voor personen met een betalingsregeling of stabilisatieovereenkomst is deze niet vast te stellen. Informatie over openstaande bedragen bij de zorgverzekeraar zijn niet beschikbaar. In totaal wordt er voor bijna 220 duizend huishoudens ruim 1 miljard euro aan zorgschulden waargenomen.

Door het beschikbaar komen van de nieuwe bronnen, wordt er in totaal zo’n 6 miljard euro meer aan schulden waargenomen dan in de oude reeks. Het gaat om 1,3 miljoen huishoudens met belasting-, toeslag- en/of zorgschulden. Van deze huishoudens had ongeveer de helft al schulden in de oude reeks.

2.4 Geen imputatie overig onroerend goed

In de oude reeks is de waarde van het overig onroerend goed -dat wil zeggen onroerend goed anders dan de eigen woning- bepaald aan de hand van de vermogensbestanddelen uit box-3 van de belastingaangifte plus een WOZ-waarde voor degenen die geen box-3 aangifte hebben gedaan. Deze vermogenspost wordt in de nieuwe reeks alleen nog bepaald aan de hand van de belastingaangifte box-3. De reden hiervoor is dat de imputatie op basis van de WOZ-waarde van onvoldoende kwaliteit is en onder andere dubbeltellingen oplevert. Door niet langer te imputeren is bovendien aangesloten op de inkomsten uit overig onroerend goed, deze worden immers ook bepaald aan de hand van de vermogensbestanddelen uit box-3 van de aangifte. Door niet langer te imputeren wordt jaarlijks gemiddeld ruim 40 miljard euro minder dan voorheen aan overig onroerend goed waargenomen.

2.4.1 Overig onroerend goed
Oude reeksOude reeksOude reeksNieuwe reeksNieuwe reeksNieuwe reeks
Aantal huishoudens (x 1 000)Totaal bedrag (mld euro)Doorsnee bedrag (1 000 euro)Aantal huishoudens (x 1 000)Totaal bedrag (mld euro)Doorsnee bedrag (1 000 euro)
2006490,6122,7150,0342,381,1114,5
2007526,9137,2160,7350,485,8119,5
2008537,9149,4168,5366,498,5128,8
2009542,0156,0172,0380,7105,6134,5
2010551,8163,4175,0398,0116,6141,0
2011574,3168,6172,0410,1119,3138,9
2012570,8165,1167,0420,6120,0137,5
2013573,5160,9160,1430,0118,9133,8
2014607,7157,0143,0477,8118,8117,0
2015624,5156,1136,0501,5121,4113,2
2016635,3158,6134,0512,1125,4115,0
2017649,1164,2138,4514,3130,2117,0
2018674,8180,2149,6517,0138,9123,0
2019679,5185,4156,5514,3139,5126,0

2.5 Overige herziene vermogensposten

Naast de hierboven genoemde veranderingen, is nog een aantal wijzigingen te noemen die een betrekkelijk klein of geen effect op het vermogen hebben gehad.

  • De waarde van de eigen woning wordt in de nieuwe reeks vanaf 2011 gecorrigeerd voor erfpacht. Met behulp van de erfpachtbetalingen is de erfpacht nu berekend en in mindering gebracht op de waarde eigen woning. Het gaat in 2019 om een correctie bij 63 duizend huishoudens met een totaal bedrag van 1,2 miljard euro.
  • Ter beschikking gesteld vermogen wordt in de nieuwe reeks vanaf 2011 bij het vermogen (overige bezittingen) geteld. Het gaat bijvoorbeeld in 2019 om 49 duizend huishoudens met een totaal bedrag van 7,3 miljard euro.
  • Het ondernemingsvermogen van personen met winst uit medegerechtigheid en van overige zelfstandigen wordt in de nieuwe reeks tot het ondernemingsvermogen geteld. Het betreft in 2019 ruim 9 duizend huishoudens met een totaal ondernemingsvermogen van 0,3 miljard euro.
  • Het ondernemingsvermogen voor 2008 is herzien; er zijn 83 duizend huishoudens met 5,3 miljard euro aan ondernemingsvermogen toegevoegd.
  • In de nieuwe reeks zijn de cijfers over studieschulden aangepast. Vanaf 2017 worden de bronbestanden betreffende studieleningen van ex-studenten completer aangeleverd. De schuld van ex-studenten die nog niet zijn gestart met aflossen wordt nu direct waargenomen. Als gevolg hiervan neemt in 2019 het aantal huishoudens met een studieschuld met 14 duizend toe en de totale studieschuld met 1 miljard euro. In  2017 en 2018 gaat het om enkele tientallen huishoudens.
  • Voor de jaren 2006 t/m 2010 zijn er kleine verschillen in de vermogenscijfers tussen de oude en nieuwe reeks als gevolg van een andere wijze van publiceren.

3. Uitkomsten

3.1 Verschil in vermogen tussen oude en nieuwe reeks

De verbetering in de waarneming van de vermogensbestanddelen (paragraaf 2.1-2.5) leidt tot een hoger vermogen. In 2019 bedraagt het verschil in het vermogen ongeveer 132 miljard euro. Dit is bijna 9 procent meer dan volgens het oude cijfer. Dit verschil bestaat grotendeels uit aanmerkelijk belang.

In de periode 2006-2012 is het verschil in het vermogen tussen de oude en nieuwe reeks kleiner; zo kwam het vermogen in 2012 bijna 3 procent hoger uit, terwijl in de periode 2007-2009 het vermogen in de nieuwe reeks lager ligt. De toename van het aanmerkelijk belang in de periode tot en met 2011 wordt teniet gedaan door de afname van de waarde van het overig onroerend goed.

3.1.1 Verschilposten vermogen oude en nieuwe reeks, 2019 (mld euro)
Oude reeksNieuwe reeksVerschil
Vermogen1 537,51 669,1131,6
Bank- en spaartegoeden311,9311,90,0
Effecten131,7131,70,0
Eigen woning1 442,71 441,4-1,2
Overig onroerend goed185,4139,5-45,9
Ondernemingsvermogen75,275,50,3
Aanmerkelijk belang221,4368,4147,1
Overige bezittingen43,450,87,3
Hypotheekschuld746,9715,9-31,0
Studieschuld19,320,41,1
Overige schulden107,9113,85,9

3.1.2 Totaal vermogen van huishoudens
 Oude reeks (mld euro)Nieuwe reeks (mld euro)
'061124,11146,4
'071223,31222,9
'081318,31309,3
'091289,31274,9
'101239,31253
'111213,11240,3
'121141,61174,6
'131029,71123
'141042,91131,2
'151096,41214,3
'161167,21271,5
'171269,31404,9
'181415,21551,6
'191537,51669,1
 

3.2 Vergelijkbaarheid in de tijd

De huidige reeks geeft in de tijd vergelijkbare resultaten vanaf 2006. Bij vergelijking in de tijd moet verder rekening gehouden worden met enkele wijzigingen, waaronder: 

  • vanaf 2011 is een eerdere revisie doorgevoerd waardoor er veranderingen hebben plaats gevonden in de vaststelling van het vermogen en enkele indelingen (zie Bos et al, 2019).
  • vanaf 2011 is er completere informatie van bank- en spaartegoeden en effecten beschikbaar. Alle kleine tegoeden worden vanaf dat moment ook waargenomen. Hierdoor zijn er meer huishoudens met deze vermogensbestanddelen.
  • vanaf 2011 is er completere informatie van de schulden beschikbaar. Studieschulden, belasting- en toeslagschulden, en leningen bij banken worden vanaf dat moment volledig waargenomen. Studieschulden zijn de schulden volgens de Wet studiefinanciering (WSF). De andere schulden betreffen schulden voor consumptieve doeleinden, de financieringen van aandelen, obligaties of rechten op periodieke uitkeringen, financiering schulden voor de tweede woning of ander onroerend goed en rood staan. In de waarneming van schulden ontbreken creditcardschulden, betalingsachterstanden en de schulden bij (web)winkels. Vanaf 2014 worden ook zorgschulden waargenomen. Tot en met 2010 is de waarneming van de schulden onvolledig. Deze informatie was alleen beschikbaar voor huishoudens met belastbaar inkomen in box 3.
  • het opgebouwd tegoed in spaar- en beleggingshypotheken is onvollediger bij elk jaar terug in de tijd. Het is niet uitgesloten dat aanmerkelijk belang met elke stap terug in de tijd ook iets onvollediger wordt waargenomen. Voorzichtigheid is daarom geboden bij het interpreteren en duiden van trends. 

4. Effect van herziene methodiek op vermogensongelijkheid

Het verschil tussen het oude en het nieuwe vermogen (zie paragraaf 3.1) is bij de ene groep groter dan bij de andere. Zo treft het belangrijkste punt van de herziening, de verbetering van het aanmerkelijk belang, de groepen waarin deze sterker vertegenwoordigd zijn zoals de hogere vermogensklassen. De herziening leidt dan ook tot een hogere vermogensongelijkheid dan voorheen vastgesteld is. Op basis van het vermogen ligt de nieuwe Gini-coëfficiënt (bij volledige vermogensgelijkheid is de waarde hiervan 0; heeft één huishouden al het inkomen en de rest niets, dan is de waarde 1) gemiddeld over de periode 2011-2019 zo’n 0,012 punt hoger dan volgens de oude reeks.

4.1 Vermogensongelijkheid van huishoudens
Oude reeks (Gini-coëfficiënt)Nieuwe reeks (Gini-coëfficiënt)
20110,7670,777
20120,7830,791
20130,8040,818
20140,8060,818
20150,8000,814
20160,7970,808
20170,7870,800
20180,7750,789
20190,7580,772

De herziening van de Vermogensstatistiek leidt ook tot een hoger aandeel van de 10% meest vermogende huishoudens. Gemiddeld over de periode 2011-2019 gaat het om een opwaartse bijstelling met 3,8 procent. Het aandeel van de 1% meest vermogende huishoudens ligt ook boven dat van de oude reeks. De opwaartse bijstelling kan vooral toegeschreven worden aan de verbeterde meting van het aanmerkelijk belang, aangezien dit veelal vertegenwoordigd is in de hogere vermogensklassen.

4.2 Vermogensaandeel van meest vermogende huishoudens
 Top 10% (oude reeks) (Aandeel in totale vermogen (%))Top 10% (nieuwe reeks) (Aandeel in totale vermogen (%))Top 1% (oude reeks) (Aandeel in totale vermogen (%))Top 1% (nieuwe reeks) (Aandeel in totale vermogen (%))
'1160,562,423,625,6
'1263,465,225,327,2
'1368,17127,631,8
'1468,570,92831,9
'1567,169,827,431,8
'1666,268,427,330,8
'1764,166,926,330,4
'1862,365,125,429,3
'1959,862,723,727,2

Bijlage

De herziening van de Vermogensstatistiek heeft geleid tot een iets andere samenstelling van het vermogen. Belasting-, toeslag- en zorgschulden worden opgenomen onder overige schulden, het opgebouwd tegoed binnen spaar- en beleggingshypotheken wordt verrekend met de hypotheekschuld, het ter beschikking gesteld vermogen wordt bij overige bezittingen opgenomen en de winst uit medegerechtigdheid bij het ondernemingsvermogen. Deze bestanddelen zijn daarmee (net als vele andere detailposten) niet afzonderlijk zichtbaar in de gepubliceerde lijst van vermogensbestanddelen.

A.1 Samenstelling van het vermogen, 2019
Aantal huishoudens (x 1 000)Totaal bedrag (mld euro)Gemiddeld bedrag (1 000 euro)Doorsnee bedrag (1 000 euro)
Vermogen 7 823,9 1 669,1 52,0 213,3
Bezittingen 7 823,9 2 519,3 203,9 322,0
Financiele bezittingen 7 642,5 443,6 15,2 58,0
Bank- en spaartegoeden 7 640,8 311,9 13,9 40,8
Effecten 1 196,4 131,7 17,7 110,1
Onroerend goed 4 496,5 1 580,9 279,9 351,6
Eigen woning 4 443,4 1 441,4 276,6 324,4
Onroerend goed, overig 514,3 139,5 126,0 271,3
Ondernemingsvermogen 924,1 75,5 13,5 81,7
Aanmerkelijk belang 444,1 368,4 118,4 829,7
Overige bezittingen 395,8 50,8 41,3 128,3
Schulden 5 485,7 850,1 113,4 155,0
Hypotheekschuld eigen woning 3 768,6 715,9 10,0 190,0
Studieschuld 1 235,1 20,4 9,5 16,5
Schuld overig 2 734,3 113,8 1,7 41,6
Vermogen excl eigen woning7 823,9 943,6 120,6 14,6