Inwoners van Chinese herkomst
De sociaaleconomische positie van personen van Chinese herkomst in NederlandOver deze publicatie
Deze rapportage beschrijft hoe de groep personen van Chinese herkomst zich verhoudt tot het gemiddelde van de Nederlandse bevolking en personen van overige buitenlandse herkomst. De thema’s die hierbij aan bod komen zijn bevolking, onderwijs, arbeidsmarkt, inkomen en zorggebruik. Daarnaast wordt ook inzichtelijk gemaakt welke rol migratiemotief en verblijfsduur spelen bij sociaaleconomische verschillen tussen migranten van Buiten-Europese herkomst. De populatie betreft alle personen die op 1 januari 2024 staan ingeschreven bij een Nederlandse gemeente.
In de rapportage wordt onderscheid gemaakt tussen mensen met een herkomst buiten Nederland die in Nederland zijn geboren (tweede generatie) of in het buitenland zijn geboren (migranten).
Bekostigd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Inleiding en samenvatting
Hoe gaat het met de Chinese herkomstgroep in Nederland? Van de meeste herkomstgroepen – en dan met name voor de klassieke migratielanden en de Nieuwe-EU – zijn onder meer in openbare bronnen veel cijfers beschikbaar. Over personen van Chinese herkomst is deze kennis beperkt. Dit rapport brengt de demografie, de sociaaleconomische positie en het zorggebruik van deze groep in kaart op basis van registratiedata.
De aanleiding voor dit rapport is de uitbreiding van de Survey Samenleven in Nederland (SIN). In 2025 en 2026 voert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deze survey uit. Dit onderzoek heeft als doel om inzichtelijk te maken hoe mensen in Nederland samenleven in diversiteit (SCP, 2025). In de SIN wordt diversiteit vanuit verschillende dimensies benaderd. Eén van deze dimensies betreft herkomst: het land of de regio waar inwoners van Nederland zijn geboren, of waar hun ouders zijn geboren. Naast de in Nederland meer traditionele herkomstgroepen, wordt de nieuwste editie van de survey uitgebreid met enkele andere landen, waaronder de Chinese herkomstgroep.
De SIN richt zich vooral op vraagstukken binnen de sociaal-culturele dimensie, maar er bestaan beleidsvragen op sociaaleconomisch en demografisch gebied die alleen met behulp van registratiedata beantwoord kunnen worden, zoals de onderwijs- of arbeidsmarktpositie die de Chinese herkomstgroep inneemt. Daarom heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het CBS gevraagd om ter aanvulling op de SIN een beschrijving te geven van demografische en sociaaleconomische kenmerken van de groep mensen van Chinese herkomst in Nederland.
Inhoud
Dit rapport beschrijft de positie van mensen van Chinese herkomst in Nederland op gebied van demografie, onderwijs, werk, inkomen en zorggebruik en vergelijkt deze met het landelijk gemiddelde en personen van overige (buitenlandse) herkomst in Nederland. Deze publicatie richt zich op een beschrijving van de meest recente beschikbare gegevens en biedt een beschrijving van de situatie op dat moment, zonder inzicht te geven in ontwikkelingen over de tijd.
Bij de meeste figuren worden ongecorrigeerde verschillen getoond. Dit betekent dat in de figuren geen rekening is gehouden met verschillen tussen herkomstgroepen in samenstelling in bijvoorbeeld inkomen, geslacht, leeftijd of opleidingsniveau. Uit de Rapportage Integratie en Samenleven 2024 blijkt dat verschillen in de (sociaaleconomische) positie die verschillende herkomstgroepen innemen samen kan hangen met verschillen in achtergrondkenmerken. Daarom is in dit rapport voor de meeste indicatoren door middel van regressieanalyse ook gekeken in hoeverre de beschreven verschillen tussen herkomstgroepen blijven bestaan wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in de samenstelling van groepen. In de tekst wordt hierbij steeds aangegeven voor welke factoren is gecorrigeerd.
Naast beschrijvende analyses zijn er enkele decompositieanalyses (Kitagawa-Oaxaca-Blinder-decompositie) opgenomen om te bepalen in hoeverre verschillen tussen personen van Chinese herkomst en de rest van de bevolking in Nederland kunnen worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken. Meer uitleg over decompositieanalyses is te lezen in de Onderzoeksmethode van dit rapport.
Populatie
De populatie bestaat uit alle personen die op 1 januari 2024 als ingezetene geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen (BRP). Personen worden tot de groep van Chinese herkomst gerekend wanneer zij geboren zijn in China (migranten), of in Nederland zijn geboren en ten minste één van hun ouders in China is geboren (de tweede generatie). Wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren, is het geboorteland van de moeder bepalend. In Nederland geboren personen van wie de vader in China is geboren en de moeder in een ander land (behalve Nederland), worden in dit rapport niet tot de Chinese herkomstgroep gerekend.
Omdat Hongkong en Macau, twee speciale administratieve regio’s van China, officieel onderdeel uitmaken van de Volksrepubliek China en hier veel personen met de Chinese nationaliteit verblijven, worden inwoners van beide regio’s in dit rapport ook gerekend onder de bevolking van Chinese herkomst. De positie van de Chinese herkomstgroep wordt (waar mogelijk) vergeleken met die van alle andere niet-Chinese migranten en de overige niet-Chinese tweede generatie en met het gemiddelde van de gehele Nederlandse bevolking (inclusief mensen van Chinese herkomst).
Samenvatting
Bevolking
Op 1 januari 2024 woonden er 118 duizend personen van Chinese herkomst in Nederland. Dat komt neer op 0,7 procent van de totale Nederlandse bevolking. Van hen is 70 procent in China geboren, 30 procent is geboren in Nederland en heeft ten minste één in China geboren ouder. Chinese migranten zijn voornamelijk als gezins-, arbeids- of studiemigrant naar Nederland gekomen. Asielmigranten vormen slechts een klein deel (4 procent). De groep Chinese migranten laat een gevarieerd beeld zien omtrent de verblijfsduur. Ongeveer een derde woont 20 jaar of langer in Nederland, terwijl een bijna even groot deel de afgelopen 5 jaar naar Nederland is geïmmigreerd.
Ten opzichte van het gemiddelde van de Nederlandse bevolking is het aandeel vrouwen onder Chinese migranten relatief hoog (57 procent) en zijn Chinese migranten relatief jong. Daarnaast vormen zij vaak een eenpersoonshuishouden en krijgen vrouwen geboren in China gemiddeld later en minder kinderen. Van de samenwonende Chinese migranten heeft driekwart een partner uit dezelfde herkomstgroep. Dat is relatief vaak ten opzichte van andere migranten (57 procent).
De Chinese tweede generatie is gemiddeld jonger dan de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst: meer dan driekwart is jonger dan 30 jaar. Bij de samenwonende Chinese tweede generatie valt op dat zij net als Chinese migranten relatief vaak een partner van Chinese herkomst hebben (41 procent). Dat is tweemaal zo hoog als gemiddeld onder de tweede generatie van andere herkomstgroepen.
Onderwijs
De Chinese herkomstgroep presteert goed op school. Dat geldt voor zowel Chinese migranten, als de Chinese tweede generatie. Zo krijgen zij vaker havo/vwo-advies dan gemiddeld en volgen zij vaker havo of vwo in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs. Hierbij springen met name de schoolprestaties van de Chinese tweede generatie in het oog: 85 procent van hen krijg in groep 8 havo/vwo-advies en uiteindelijk volgt meer dan driekwart havo of vwo in leerjaar drie van het voortgezet onderwijs. Dat is een stuk vaker dan gemiddeld onder alle leerlingen. Ook onder leerlingen geboren in China liggen beide percentages hoger dan gemiddeld, maar is het verschil minder groot dan voor de tweede generatie.
Voor het aandeel havo/vwo-leerlingen is onderzocht in hoeverre het verschil kan worden toegeschreven aan verschillen in achtergrondkenmerken tussen leerlingen van Chinese herkomst en de rest van de leerlingen. Dit blijkt slechts voor een klein deel het geval. Na correctie blijft het overgrote deel van het verschil voor beide generaties onverklaard.
De schoolprestaties op de basis- en middelbare school resulteren ook in een relatief groot aandeel hbo- en wo-opgeleiden onder de Chinese tweede generatie. Zowel mannelijke als vrouwelijke studenten van Chinese herkomst kiezen relatief vaak voor studies in de richting Wiskunde, natuurkunde en informatica en minder vaak dan gemiddeld voor de richting Onderwijs. Het aandeel voortijdig schoolverlaters is onder de Chinese tweede generatie lager dan gemiddeld.
Werk en inkomen
De arbeidsmarktpositie van de Chinese herkomstgroep geeft een meer gevarieerd beeld. Over het algemeen is de arbeidsmarktpositie van Chinese migranten gunstiger dan die van andere migranten, maar wat ongunstiger dan die van de gemiddelde bevolking in Nederland. Zo ligt de nettoarbeidsparticipatie van Chinese migranten lager dan gemiddeld. Wanneer rekening wordt gehouden met onder andere hun relatief gunstige leeftijd, is het verschil met de gemiddelde bevolking na correctie nog wat groter.
Voor de Chinese migranten met werk geldt dat zij relatief vaak flexibel werk hebben en dat zij vaker dan gemiddeld voltijd werken. Ook dit is deels het gevolg van hun jonge gemiddelde leeftijd. Voor mannelijke Chinese migranten geldt dat zij een lager uurloon hebben dan gemiddeld, voor vrouwelijke Chinese migranten is dit ongeveer even hoog. Het inkomen van Chinese migranten is dan ook lager dan gemiddeld in Nederland. Het lagere uurloon hangt vooral samen met de bedrijfstak waarin Chinese migranten werken. Maar liefst 41 procent van hen werkt in de horeca, dat is 8 keer vaker dan gemiddeld.
Voor de Chinese tweede generatie is de nettoarbeidsparticipatie hoger dan gemiddeld, komt een flexibel dienstverband vaker voor en werken mannen minder vaak dan gemiddeld voltijd. Dit alles hangt samen met hun gemiddeld jonge leeftijd, ongeveer een derde van de Chinese tweede generatie van 15 jaar en ouder is nog schoolgaand. De verschillen met het gemiddelde van de bevolking vallen grotendeels weg als er rekening wordt gehouden met verschillen in leeftijd.
Net als bij Chinese migranten geldt voor de Chinese tweede generatie dat vooral mannen een lager uurloon hebben dan gemiddeld. Voor de tweede generatie is dit voor het grootste deel het gevolg van hun gemiddeld jongere leeftijd, al speelt ook hier een rol dat zij net als Chinese migranten gemiddeld vaak werkzaam zijn in de horeca. Het inkomen van mannen van de Chinese tweede generatie is ongeveer even hoog als gemiddeld, terwijl dit voor vrouwen hoger is dan het gemiddelde van de Nederlandse bevolking.
Zorggebruik
Voor mensen van Chinese herkomst worden minder zorgkosten gedeclareerd dan gemiddeld. Voor Chinese migranten geldt dit voor zowel de totale kosten uit de basisverzekering, als kosten voor geneesmiddelen en ggz. Daarnaast krijgen zij gemiddeld minder vaak antidepressiva en antipsychotica verstrekt. Deze lagere kosten en het lagere gebruik zijn ondanks de relatief lage inkomenspositie die Chinese migranten innemen. Wel krijgen oudere Chinese migranten vaker diabetesmiddelen verstrekt dan gemiddeld.
Ook de Chinese tweede generatie maakt minder zorgkosten dan gemiddeld, al is het verschil minder groot dan voor Chinese migranten. Dat kleinere verschil is vooral terug te zien bij de gedeclareerde ggz-kosten, die voor de Chinese tweede generatie nauwelijks afwijken van het gemiddelde. Net als bij Chinese migranten, krijgt de Chinese tweede generatie minder vaak dan gemiddeld in Nederland medicijnen voor antidepressiva en antipsychotica verstrekt. Ook krijgen jongeren van de Chinese tweede generatie minder vaak jeugdhulp dan gemiddeld.
Motief en verblijfsduur
Chinese migranten komen veel vaker als arbeids- of studiemigrant naar Nederland dan overige Buiten-Europese migranten. Dit is van invloed op de arbeidsmarktpositie van Chinese migranten als geheel. Zo is hun nettoarbeidsparticipatie hoger dan die van overige Buiten-Europese migranten, maar dit wordt grotendeels veroorzaakt door hun gunstige migratiemotief. Na correctie voor deze en andere kenmerken, is hun nettoarbeidsparticipatie juist lager dan die van overige Buiten-Europese migranten. Voor het gemiddeld uurloon geldt een vergelijkbare uitkomst. Het gemiddeld uurloon is lager onder Chinese migranten dan onder overige Buiten-Europese migranten. Na correctie is het uurloon van Chinese migranten nog lager en wordt het verschil dus groter.
Wanneer de migratiemotieven met elkaar worden vergeleken, valt op dat vooral Chinese asielmigranten een betere arbeidsmarktpositie hebben dan overige Buiten-Europese asielmigranten. Chinese asielmigranten hebben een hogere nettoarbeidsparticipatie en werken gemiddeld meer uur per week. Daarnaast zijn Chinese asielmigranten veel vaker zelfstandige dan overige Buiten-Europese asielmigranten. Ook Chinese studiemigranten hebben een gemiddeld betere arbeidsmarktpositie dan overige Buiten-Europese studiemigranten, maar het verschil is minder groot dan voor asielmigranten.
Chinese gezins- en arbeidsmigranten hebben een overwegend minder goede arbeidsmarktpositie dan overige Buiten-Europese gezins- en arbeidsmigranten. Voor Chinese arbeidsmigranten komt dat mogelijk omdat zij veel minder vaak als kennismigrant naar Nederland zijn gekomen.
Wat betreft de verblijfsduur in Nederland zijn behoudens het aandeel zelfstandigen geen noemenswaardige verschillen tussen Chinese en overige Buiten-Europese migranten. Verblijfsduur draagt ook nauwelijks bij aan de verklaring van verschillen in nettoarbeidsparticipatie en het uurloon tussen beide groepen.
Literatuur
CBS. (2025). Rapportage Integratie en Samenleven 2024.
SCP. (2025). Visiedocument onderzoek naar samenleven in Nederland (SIN).
1. Bevolking
In dit hoofdstuk wordt de demografie van personen van Chinese herkomst beschreven. Het gaat hierbij om personen die in China (inclusief Hongkong en Macau) zijn geboren en zich in Nederland hebben gevestigd (migranten) alsook om hun kinderen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). De beschrijving betreft personen die op 1 januari 2024 stonden ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Het eerste gedeelte van het hoofdstuk toont de aantallen, herkomstregio’s, migratiemotieven, verblijfsduur en spreiding over Nederland van deze herkomstgroep. Daarna wordt ingegaan op de samenstelling van deze groep betreffende leeftijd, geslacht en gezinssituatie en is er aandacht voor partnerrelaties, kindertal en de afstand tussen de woonplaatsen van kinderen en ouders. De cijfers worden getoond voor migranten en de tweede generatie apart. Waar mogelijk en relevant worden de cijfers vergeleken met personen van overige buitenlandse herkomst en met de totale Nederlandse bevolking.
Minder dan 0,7 procent van de Nederlandse bevolking van Chinese herkomst
De Nederlandse bevolking bestond op 1 januari 2024 uit 17,9 miljoen mensen. De meerderheid daarvan was van Nederlandse herkomst (72,1 procent). Slechts 0,7 procent van de bevolking was van Chinese herkomst, bestaande uit 118 duizend personen. De rest van de bevolking (27,2 procent) was van overige buitenlandse herkomst.
Van alle personen van Chinese herkomst is bijna 70 procent geboren in China. Zij vestigden zich op latere leeftijd in Nederland. De overige 30 procent is geboren in Nederland. De meerderheid van deze tweede generatie heeft twee ouders die zijn geboren in China. Een kwart van de tweede generatie heeft één ouder die geboren is in China en één ouder die geboren is in Nederland.
In vergelijking met de groep van overige buitenlandse herkomst is de tweede generatie in verhouding tot totale herkomstgroep relatief klein (30 tegenover 42 procent), en is het aandeel waarvan beide ouders in het buitenland zijn geboren relatief groot (75 tegenover 45 procent).
| Aantal personen | Aandeel in bevolking | Aandeel geboren in Nederland | waarvan 1 ouder geboren in buitenland | waarvan 2 ouders geboren in buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|
| x 1 000 | % | ||||
| Totale bevolking | 17 943 | 100,0 | 83,8 | 6,3 | 5,3 |
| Nederland | 12 941 | 72,1 | 100,0 | ||
| China | 118 | 0,7 | 30,2 | 7,7 | 22,5 |
| Buitenland (excl. China) | 4 883 | 27,2 | 42,0 | 23,1 | 18,9 |
Meeste Chinese migranten afkomstig uit Zhejiang
Van driekwart van de Chinese migranten is bekend in welke regio zij zijn geboren. De regio waar de meeste Chinese migranten zijn geboren is Zhejiang (16 procent), gevolgd door Hongkong (13 procent) en Guangdong (9 procent). Uit deze regio’s komen al langere tijd migranten naar Nederland (50 jaar of langer), terwijl migranten uit de meeste overige regio’s veelal recenter naar Nederland zijn gekomen. Van een kwart van de Chinese migranten is onbekend in welke regio zij zijn geboren.
| Aantal personen | % | |
|---|---|---|
| Totaal | 82 674 | 100 |
| Anhui | 1 205 | 1,5 |
| Beijing | 1 997 | 2,4 |
| Chongqing | 16 | <0,1 |
| Fujian | 3 211 | 3,9 |
| Gansu | 282 | 0,3 |
| Guangdong | 7 510 | 9,1 |
| Guangxi | 1 098 | 1,3 |
| Guizou | 270 | 0,3 |
| Hainan | 97 | 0,1 |
| Hebei | 605 | 0,7 |
| Heilongjiang | 641 | 0,8 |
| Henan | 722 | 0,9 |
| Hongkong | 10 935 | 13,2 |
| Hubei | 1 246 | 1,5 |
| Hunan | 2 258 | 2,7 |
| Jiangsu | 1 975 | 2,4 |
| Jiangxi | 1 482 | 1,8 |
| Jilin | 583 | 0,7 |
| Liaoning | 2 132 | 2,6 |
| Macau | 117 | 0,1 |
| Mongolia | 305 | 0,4 |
| Ningsia | 90 | 0,1 |
| Qinghai | 51 | 0,1 |
| Shaanxi | 816 | 1,0 |
| Shangdong | 1 699 | 2,1 |
| Shanghai | 2 828 | 3,4 |
| Shanxi | 425 | 0,5 |
| Sichuan | 1 836 | 2,2 |
| Taiwan | 125 | 0,2 |
| Tianjin | 503 | 0,6 |
| Tibet | 74 | 0,1 |
| Xinjiang | 1 413 | 1,7 |
| Yunnan | 481 | 0,6 |
| Zhejiang | 13 239 | 16,0 |
| onbekend | 20 407 | 24,7 |
| 1) Van op 1 januari 2024 in Nederland ingezeten personen van Chinese herkomst. | ||
Gezin belangrijkste motief voor Chinese migranten
Een kwart van de Chinese migranten heeft zich voor 1999 in Nederland gevestigd. Voor recentere migranten is een migratiemotief vastgesteld. Het meest voorkomende migratiemotief is gezinsvorming of -hereniging (23 procent). Daarna volgen studie (19 procent) en arbeid (17 procent). Een klein deel kwam naar Nederland voor asiel (4 procent).
Deze verdeling verschilt van overige Buiten-Europese migranten. Met name het aandeel migranten uit overige landen buiten Europa dat voor asiel kwam is een stuk groter (16 procent), terwijl het aandeel arbeids- en studiemigranten een stuk kleiner is (5 en 3 procent).
Er zijn geen migratiemotieven vastgesteld voor personen met een Nederlandse nationaliteit (6 procent) of een andere EU/EFTA-nationaliteit (2 procent). Het gaat daarbij om mensen geboren in China, die voor hun migratie een EU/EFTA-nationaliteit hebben verworden, bijvoorbeeld via hun ouders. Dit komt naar verhouding minder vaak voor onder migranten uit China dan uit overige landen buiten Europa (8 tegenover 13 procent).
| Herkomstregio | Asiel (%) | Gezin (%) | Arbeid (%) | Studie (%) | Overig/onbekend (%) | Nederlandse nationaliteit (%) | EU/EFTA-nationaliteit (%) | Voor 1999 (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| China | 3,8 | 22,7 | 16,9 | 18,8 | 4,7 | 5,9 | 1,7 | 25,5 |
| Overig Buiten-Europa | 16,4 | 18,0 | 5,1 | 3,4 | 5,0 | 9,2 | 3,4 | 39,4 |
Veel Chinese migranten arriveerden relatief recent
Van de Chinese migranten die op 1 januari 2024 in Nederland verbleven arriveerde bijna 30 procent in de afgelopen vijf jaar. Toch is er ook een aanzienlijk deel van de Chinese migranten dat al lange tijd in Nederland verblijft: een derde verblijft al 20 jaar of langer in Nederland.
In vergelijking met migranten uit overige landen buiten Europa arriveerde een relatief groot aandeel Chinese migranten in de afgelopen twintig jaar (66 procent tegenover 52 procent).
| Herkomstregio | China (%) | Overig Buiten-Europa (%) |
|---|---|---|
| 0 tot 5 jaar | 29,5 | 25,3 |
| 5 tot 10 jaar | 14,8 | 15,2 |
| 10 tot 15 jaar | 12,1 | 6,8 |
| 15 tot 20 jaar | 9,7 | 5,0 |
| 20 tot 25 jaar | 8,4 | 8,3 |
| 25 tot 30 jaar | 6,1 | 7,1 |
| 30 tot 35 jaar | 4,5 | 7,8 |
| 35 tot 40 jaar | 2,8 | 5,4 |
| 40 tot 45 jaar | 4,3 | 6,0 |
| 45 tot 50 jaar | 4,9 | 5,8 |
| 50 jaar of langer | 2,8 | 7,6 |
Personen van Chinese herkomst meest in Zuid-Holland en universiteitssteden
Op 1 januari 2024 woonde er in bijna elke Nederlandse gemeente personen van Chinese herkomst, maar hun spreiding over het land is niet gelijkmatig. Daarnaast verschilt de spreiding van Chinese migranten van de spreiding van de Chinese tweede generatie die in Nederland werd geboren.
Het valt op dat in universiteitssteden en omringende gemeentes naar verhouding veel Chinese migranten wonen. Chinese studiemigranten zoeken waarschijnlijk vaak een woning in de buurt van de universiteit waar zij studeren. In Wageningen wonen naar verhouding de meeste Chinese migranten (28 per duizend inwoners), gevolgd door Delft (20 per duizend inwoners), en Diemen en Amstelveen (beide 17 per duizend inwoners), waar veel studenten gehuisvest zijn die aan een Amsterdamse universiteit studeren. Deze steden bieden ook werkgelegenheid voor hoogopgeleide kennismigranten.
Naast de universiteitssteden wonen er in gemeentes in Zuid-Holland ook relatief veel Chinese migranten, zoals Capelle aan de IJssel (15 per duizend inwoners), Den Haag (11 per duizend inwoners), Pijnacker-Nootdorp (10 per duizend inwoners) en Rijswijk (9 per duizend inwoners).
Personen van Chinese herkomst die in Nederland zijn geboren wonen gelijkmatiger verspreid over Nederland dan Chinese migranten. Toch wonen ook zij relatief vaak in een Zuid-Hollandse gemeente, het vaakst in Capelle aan de IJssel (9 per duizend inwoners), gevolgd door Barendrecht en Pijnacker-Nootdorp (beide 7 per duizend inwoners).
| Gemeente | Totaal (per duizend inwoners) | Geboren in buitenland (per duizend inwoners) | Geboren in Nederland (per duizend inwoners) |
|---|---|---|---|
| Groningen | 11,0 | 9,0 | 2,1 |
| Almere | 10,9 | 6,9 | 4,0 |
| Stadskanaal | 2,9 | 1,8 | 1,1 |
| Veendam | 2,4 | 1,7 | 0,7 |
| Zeewolde | 4,2 | 2,9 | 1,3 |
| Achtkarspelen | 1,7 | 1,2 | 0,5 |
| Ameland | 0,3 | 0,3 | 0,4 |
| Harlingen | 1,4 | 1,0 | 0,8 |
| Heerenveen | 3,2 | 2,5 | 1,4 |
| Leeuwarden | 5,0 | 3,6 | 0,5 |
| Ooststellingwerf | 1,8 | 1,3 | 0,6 |
| Opsterland | 2,4 | 1,7 | 0,7 |
| Smallingerland | 2,5 | 1,8 | 1,0 |
| Terschelling | 2,2 | 1,2 | 0,8 |
| Weststellingwerf | 2,0 | 1,2 | 1,5 |
| Assen | 4,7 | 3,2 | 1,0 |
| Coevorden | 2,8 | 1,8 | 1,0 |
| Emmen | 3,4 | 2,4 | 0,9 |
| Hoogeveen | 2,8 | 1,9 | 0,8 |
| Meppel | 3,3 | 2,5 | 1,2 |
| Almelo | 3,7 | 2,5 | 0,8 |
| Borne | 2,8 | 2,0 | 0,5 |
| Dalfsen | 1,7 | 1,1 | 1,7 |
| Deventer | 5,1 | 3,4 | 1,7 |
| Enschede | 7,0 | 5,4 | 0,7 |
| Haaksbergen | 2,7 | 2,0 | 0,6 |
| Hardenberg | 2,0 | 1,4 | 0,5 |
| Hellendoorn | 2,9 | 2,3 | 1,6 |
| Hengelo (O.) | 4,9 | 3,3 | 1,2 |
| Kampen | 3,8 | 2,6 | 0,2 |
| Losser | 1,5 | 1,3 | 0,8 |
| Noordoostpolder | 2,8 | 2,0 | 0,8 |
| Oldenzaal | 3,3 | 2,4 | 0,7 |
| Ommen | 2,9 | 2,2 | 0,5 |
| Raalte | 2,1 | 1,6 | 0,2 |
| Staphorst | 1,7 | 1,5 | 0,5 |
| Tubbergen | 1,6 | 1,1 | 0,0 |
| Urk | 0,6 | 0,5 | 0,6 |
| Wierden | 2,2 | 1,6 | 1,9 |
| Zwolle | 5,7 | 3,9 | 0,2 |
| Aalten | 1,2 | 1,1 | 1,6 |
| Apeldoorn | 4,7 | 3,1 | 4,1 |
| Arnhem | 11,7 | 7,6 | 0,5 |
| Barneveld | 1,8 | 1,3 | 0,9 |
| Beuningen | 3,1 | 2,2 | 0,6 |
| Brummen | 1,8 | 1,2 | 0,3 |
| Buren | 1,6 | 1,3 | 1,3 |
| Culemborg | 4,2 | 2,9 | 0,9 |
| Doesburg | 2,9 | 2,0 | 0,9 |
| Doetinchem | 2,9 | 2,0 | 0,8 |
| Druten | 2,3 | 1,5 | 1,4 |
| Duiven | 4,7 | 3,3 | 1,5 |
| Ede | 5,0 | 3,5 | 1,3 |
| Elburg | 3,4 | 2,0 | 0,5 |
| Epe | 1,8 | 1,3 | 0,5 |
| Ermelo | 3,2 | 2,8 | 1,2 |
| Harderwijk | 3,1 | 1,9 | 1,1 |
| Hattem | 3,0 | 1,9 | 0,6 |
| Heerde | 2,3 | 1,8 | 0,9 |
| Heumen | 3,1 | 2,2 | 0,5 |
| Lochem | 1,8 | 1,4 | 0,6 |
| Maasdriel | 2,1 | 1,5 | 0,8 |
| Nijkerk | 2,3 | 1,5 | 2,3 |
| Nijmegen | 7,6 | 5,3 | 0,6 |
| Oldebroek | 2,0 | 1,4 | 0,9 |
| Putten | 2,6 | 1,8 | 1,1 |
| Renkum | 3,0 | 2,0 | 0,7 |
| Rheden | 2,6 | 1,9 | 3,8 |
| Rozendaal | 9,3 | 5,5 | 0,7 |
| Scherpenzeel | 2,1 | 1,5 | 1,3 |
| Tiel | 4,5 | 3,2 | 0,4 |
| Voorst | 1,2 | 0,8 | 2,9 |
| Wageningen | 30,9 | 27,9 | 1,3 |
| Westervoort | 4,2 | 2,8 | 0,6 |
| Winterswijk | 2,2 | 1,5 | 1,4 |
| Wijchen | 4,2 | 2,7 | 0,9 |
| Zaltbommel | 3,0 | 2,1 | 0,6 |
| Zevenaar | 2,0 | 1,4 | 1,1 |
| Zutphen | 3,7 | 2,6 | 0,6 |
| Nunspeet | 2,5 | 1,9 | 0,8 |
| Dronten | 2,7 | 1,9 | 2,3 |
| Amersfoort | 6,4 | 4,0 | 1,2 |
| Baarn | 3,2 | 2,0 | 1,6 |
| De Bilt | 4,8 | 3,3 | 1,6 |
| Bunnik | 5,1 | 3,5 | 0,3 |
| Bunschoten | 1,1 | 0,8 | 1,4 |
| Eemnes | 5,2 | 3,8 | 2,9 |
| Houten | 7,3 | 4,4 | 1,2 |
| Leusden | 3,5 | 2,3 | 1,1 |
| Lopik | 2,7 | 1,6 | 1,2 |
| Montfoort | 3,1 | 1,9 | 1,0 |
| Renswoude | 1,2 | 1,2 | 1,3 |
| Rhenen | 4,3 | 3,3 | 4,0 |
| Soest | 4,2 | 2,9 | 1,6 |
| Utrecht | 12,0 | 8,0 | 0,8 |
| Veenendaal | 4,6 | 3,0 | 0,5 |
| Woudenberg | 3,1 | 2,4 | 1,6 |
| Wijk bij Duurstede | 1,8 | 1,3 | 2,1 |
| IJsselstein | 4,6 | 3,0 | 3,2 |
| Zeist | 6,6 | 4,5 | 2,1 |
| Nieuwegein | 8,6 | 5,4 | 1,5 |
| Aalsmeer | 5,9 | 3,8 | 6,5 |
| Alkmaar | 4,4 | 2,9 | 3,1 |
| Amstelveen | 23,3 | 16,7 | 0,4 |
| Amsterdam | 13,0 | 9,8 | 1,8 |
| Bergen (NH.) | 2,3 | 1,9 | 1,6 |
| Beverwijk | 6,3 | 4,4 | 1,1 |
| Blaricum | 4,8 | 3,2 | 1,3 |
| Bloemendaal | 4,7 | 3,6 | 3,6 |
| Castricum | 4,3 | 2,9 | 0,5 |
| Diemen | 20,4 | 16,8 | 0,9 |
| Edam-Volendam | 2,1 | 1,7 | 1,8 |
| Enkhuizen | 2,7 | 1,8 | 3,5 |
| Haarlem | 5,6 | 3,8 | 1,6 |
| Haarlemmermeer | 10,2 | 6,7 | 1,6 |
| Heemskerk | 4,4 | 2,8 | 1,0 |
| Heemstede | 4,6 | 3,0 | 1,2 |
| Heiloo | 2,8 | 1,8 | 2,1 |
| Den Helder | 3,7 | 2,5 | 2,0 |
| Hilversum | 6,7 | 4,7 | 1,0 |
| Hoorn | 5,6 | 3,6 | 1,6 |
| Huizen | 2,7 | 1,7 | 2,0 |
| Landsmeer | 3,7 | 2,1 | 0,8 |
| Laren (NH.) | 4,6 | 2,6 | 1,8 |
| Medemblik | 2,0 | 1,2 | 0,6 |
| Oostzaan | 4,0 | 2,3 | 3,7 |
| Opmeer | 1,5 | 0,9 | 6,0 |
| Ouder-Amstel | 9,8 | 6,1 | 0,8 |
| Purmerend | 14,5 | 8,6 | 0,9 |
| Schagen | 2,5 | 1,7 | 1,9 |
| Texel | 2,6 | 1,7 | 2,7 |
| Uitgeest | 5,2 | 3,3 | 1,5 |
| Uithoorn | 8,8 | 6,1 | 1,2 |
| Velsen | 4,2 | 2,7 | 2,0 |
| Zandvoort | 3,1 | 1,9 | 0,7 |
| Zaanstad | 6,6 | 4,6 | 1,9 |
| Alblasserdam | 2,3 | 1,6 | 6,8 |
| Alphen aan den Rijn | 5,2 | 3,3 | 0,6 |
| Barendrecht | 14,3 | 7,5 | 8,8 |
| Drechterland | 2,0 | 1,3 | 3,8 |
| Capelle aan den IJssel | 24,2 | 15,4 | 2,0 |
| Delft | 23,8 | 20,0 | 1,0 |
| Dordrecht | 5,2 | 3,2 | 1,8 |
| Gorinchem | 3,1 | 2,1 | 4,1 |
| Gouda | 5,7 | 3,9 | 0,5 |
| 's-Gravenhage | 14,9 | 10,7 | 2,8 |
| Hardinxveld-Giessendam | 1,3 | 0,7 | 0,9 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 5,7 | 2,9 | 1,0 |
| Stede Broec | 3,5 | 2,6 | 0,9 |
| Hillegom | 3,1 | 2,1 | 1,1 |
| Katwijk | 3,0 | 2,0 | 2,6 |
| Krimpen aan den IJssel | 2,9 | 1,8 | 2,1 |
| Leiden | 14,0 | 11,4 | 1,2 |
| Leiderdorp | 6,5 | 4,4 | 1,0 |
| Lisse | 3,8 | 2,5 | 1,2 |
| Maassluis | 2,5 | 1,5 | 1,0 |
| Nieuwkoop | 2,6 | 1,4 | 2,5 |
| Noordwijk | 2,7 | 1,7 | 0,6 |
| Oegstgeest | 8,5 | 5,9 | 1,7 |
| Oudewater | 2,2 | 1,7 | 1,7 |
| Papendrecht | 3,8 | 2,1 | 5,5 |
| Ridderkerk | 4,8 | 3,1 | 4,7 |
| Rotterdam | 16,0 | 10,5 | 3,8 |
| Rijswijk (ZH.) | 13,8 | 9,1 | 1,5 |
| Schiedam | 11,5 | 7,7 | 3,9 |
| Sliedrecht | 4,3 | 2,8 | 1,5 |
| Albrandswaard | 7,5 | 3,6 | 1,8 |
| Vlaardingen | 4,4 | 2,9 | 1,7 |
| Voorschoten | 7,6 | 5,7 | 2,1 |
| Waddinxveen | 4,3 | 2,6 | 1,6 |
| Wassenaar | 9,7 | 7,6 | 3,5 |
| Woerden | 4,5 | 2,9 | 0,7 |
| Zoetermeer | 9,3 | 5,8 | 1,8 |
| Zoeterwoude | 3,4 | 2,7 | 1,0 |
| Zwijndrecht | 4,1 | 2,3 | 1,1 |
| Borsele | 2,8 | 1,8 | 0,4 |
| Goes | 3,8 | 2,7 | 0,4 |
| West Maas en Waal | 1,8 | 1,3 | 0,8 |
| Hulst | 2,3 | 1,9 | 1,3 |
| Kapelle | 2,8 | 2,0 | 0,5 |
| Middelburg (Z.) | 4,3 | 3,0 | 1,0 |
| Reimerswaal | 2,0 | 1,5 | 0,9 |
| Terneuzen | 3,1 | 2,1 | 0,3 |
| Tholen | 2,5 | 1,6 | 1,3 |
| Veere | 1,5 | 1,3 | 1,8 |
| Vlissingen | 3,6 | 2,3 | 0,8 |
| De Ronde Venen | 4,4 | 2,6 | 0,9 |
| Tytsjerksteradiel | 1,8 | 1,0 | 0,6 |
| Asten | 2,4 | 1,5 | 1,4 |
| Baarle-Nassau | 2,5 | 2,0 | 2,0 |
| Bergen op Zoom | 3,7 | 2,3 | 0,3 |
| Best | 6,1 | 4,1 | 1,3 |
| Boekel | 1,2 | 0,9 | 2,0 |
| Boxtel | 2,9 | 1,5 | 1,2 |
| Breda | 6,3 | 4,4 | 0,3 |
| Deurne | 3,0 | 1,9 | 0,9 |
| Pekela | 1,3 | 1,0 | 0,8 |
| Dongen | 2,7 | 1,8 | 4,5 |
| Eersel | 2,5 | 1,7 | 1,2 |
| Eindhoven | 17,6 | 13,1 | 1,0 |
| Etten-Leur | 3,6 | 2,4 | 1,0 |
| Geertruidenberg | 2,8 | 1,7 | 1,0 |
| Gilze en Rijen | 3,4 | 2,5 | 1,8 |
| Goirle | 2,1 | 1,1 | 1,7 |
| Helmond | 5,0 | 3,3 | 0,8 |
| 's-Hertogenbosch | 5,2 | 3,5 | 0,7 |
| Heusden | 2,5 | 1,7 | 0,8 |
| Hilvarenbeek | 1,8 | 1,1 | 1,5 |
| Loon op Zand | 2,3 | 1,5 | 0,8 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 3,8 | 2,3 | 0,6 |
| Oirschot | 2,0 | 1,2 | 1,6 |
| Oisterwijk | 1,4 | 0,8 | 1,1 |
| Oosterhout | 4,0 | 2,5 | 1,1 |
| Oss | 3,4 | 2,3 | 0,5 |
| Rucphen | 3,4 | 2,3 | 0,4 |
| Sint-Michielsgestel | 1,7 | 1,2 | 1,9 |
| Someren | 1,4 | 1,0 | 0,9 |
| Son en Breugel | 4,6 | 2,7 | 1,3 |
| Steenbergen | 3,1 | 2,2 | 2,1 |
| Waterland | 2,9 | 1,6 | 1,7 |
| Tilburg | 7,0 | 4,9 | 3,7 |
| Valkenswaard | 5,7 | 3,9 | 0,8 |
| Veldhoven | 10,5 | 6,8 | 2,4 |
| Vught | 2,8 | 1,9 | 1,0 |
| Waalre | 6,0 | 3,6 | 0,8 |
| Waalwijk | 3,5 | 2,5 | 0,7 |
| Woensdrecht | 2,7 | 1,8 | 0,8 |
| Zundert | 2,4 | 1,7 | 0,6 |
| Wormerland | 2,4 | 1,6 | 1,2 |
| Landgraaf | 2,3 | 1,7 | 0,7 |
| Beek (L.) | 4,1 | 2,8 | 0,6 |
| Beesel | 2,2 | 1,6 | 1,2 |
| Bergen (L.) | 1,9 | 1,3 | 0,6 |
| Brunssum | 3,6 | 2,4 | 1,7 |
| Gennep | 2,5 | 1,9 | 1,4 |
| Heerlen | 5,1 | 3,4 | 2,0 |
| Kerkrade | 4,5 | 3,2 | 1,2 |
| Maastricht | 12,0 | 10,0 | 1,2 |
| Meerssen | 3,4 | 2,3 | 0,7 |
| Mook en Middelaar | 2,9 | 1,7 | 2,7 |
| Nederweert | 2,4 | 1,7 | 0,2 |
| Roermond | 8,1 | 5,4 | 0,8 |
| Simpelveld | 1,4 | 1,2 | 0,2 |
| Stein (L.) | 2,3 | 1,5 | 1,5 |
| Vaals | 1,4 | 1,2 | 0,8 |
| Venlo | 4,8 | 3,3 | 1,4 |
| Venray | 2,4 | 1,6 | 1,4 |
| Voerendaal | 2,5 | 1,1 | 0,9 |
| Weert | 5,0 | 3,6 | 1,8 |
| Valkenburg aan de Geul | 3,3 | 2,5 | 0,7 |
| Lelystad | 5,4 | 3,6 | 0,3 |
| Horst aan de Maas | 2,4 | 1,7 | 1,5 |
| Oude IJsselstreek | 1,3 | 1,0 | 1,1 |
| Teylingen | 4,8 | 3,3 | 0,8 |
| Utrechtse Heuvelrug | 3,4 | 2,2 | 0,7 |
| Oost Gelre | 2,0 | 1,2 | 4,8 |
| Koggenland | 2,6 | 1,9 | 0,7 |
| Lansingerland | 9,8 | 5,0 | 1,4 |
| Leudal | 2,6 | 1,8 | 0,9 |
| Maasgouw | 3,4 | 2,0 | 0,9 |
| Gemert-Bakel | 2,4 | 1,6 | 1,2 |
| Halderberge | 2,9 | 2,0 | 0,7 |
| Heeze-Leende | 3,1 | 1,9 | 0,3 |
| Laarbeek | 1,7 | 1,0 | 0,3 |
| Reusel-De Mierden | 1,0 | 0,7 | 1,3 |
| Roerdalen | 1,7 | 1,3 | 0,7 |
| Roosendaal | 3,6 | 2,4 | 0,6 |
| Schouwen-Duiveland | 2,5 | 1,9 | 0,3 |
| Aa en Hunze | 1,6 | 1,0 | 0,2 |
| Borger-Odoorn | 1,8 | 1,5 | 0,9 |
| De Wolden | 1,3 | 1,1 | 0,7 |
| Noord-Beveland | 1,6 | 0,8 | 0,6 |
| Wijdemeren | 2,4 | 1,7 | 0,7 |
| Noordenveld | 2,6 | 2,1 | 0,3 |
| Twenterand | 1,9 | 1,2 | 0,8 |
| Westerveld | 1,9 | 1,5 | 0,8 |
| Lingewaard | 2,5 | 1,7 | 0,7 |
| Cranendonck | 2,6 | 1,8 | 0,6 |
| Steenwijkerland | 2,3 | 1,6 | 0,7 |
| Moerdijk | 2,0 | 1,4 | 0,4 |
| Echt-Susteren | 2,4 | 1,7 | 0,7 |
| Sluis | 1,5 | 1,1 | 0,9 |
| Drimmelen | 2,2 | 1,5 | 0,6 |
| Bernheze | 3,0 | 2,2 | 0,9 |
| Alphen-Chaam | 2,6 | 2,0 | 1,0 |
| Bergeijk | 2,1 | 1,2 | 0,3 |
| Bladel | 2,7 | 1,6 | 0,7 |
| Gulpen-Wittem | 1,4 | 1,1 | 0,6 |
| Tynaarlo | 1,8 | 1,2 | 1,4 |
| Midden-Drenthe | 1,5 | 0,9 | 0,7 |
| Overbetuwe | 3,8 | 2,4 | 0,2 |
| Hof van Twente | 2,5 | 1,7 | 0,7 |
| Neder-Betuwe | 0,7 | 0,5 | 1,9 |
| Rijssen-Holten | 2,4 | 1,7 | 0,4 |
| Geldrop-Mierlo | 5,4 | 3,5 | 0,3 |
| Olst-Wijhe | 1,3 | 1,0 | 0,8 |
| Dinkelland | 1,2 | 0,9 | 1,3 |
| Westland | 2,3 | 1,5 | 0,6 |
| Midden-Delfland | 4,4 | 3,1 | 0,4 |
| Berkelland | 1,9 | 1,3 | 1,3 |
| Bronckhorst | 1,3 | 0,9 | 1,4 |
| Sittard-Geleen | 4,8 | 3,4 | 0,7 |
| Kaag en Braassem | 3,8 | 2,4 | 2,0 |
| Dantumadiel | 2,0 | 1,3 | 0,8 |
| Zuidplas | 4,9 | 2,9 | 0,6 |
| Peel en Maas | 2,2 | 1,4 | 0,3 |
| Oldambt | 2,6 | 2,1 | 0,6 |
| Zwartewaterland | 1,2 | 0,9 | 1,0 |
| Súdwest-Fryslân | 2,3 | 1,7 | 0,3 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 3,1 | 2,2 | 1,8 |
| Eijsden-Margraten | 1,4 | 1,1 | 0,8 |
| Stichtse Vecht | 5,6 | 3,8 | 2,8 |
| Hollands Kroon | 2,2 | 1,5 | 0,5 |
| Leidschendam-Voorburg | 10,3 | 7,6 | 6,7 |
| Goeree-Overflakkee | 1,6 | 1,1 | 1,9 |
| Pijnacker-Nootdorp | 16,9 | 10,3 | 1,2 |
| Nissewaard | 5,3 | 3,4 | 0,4 |
| Krimpenerwaard | 3,7 | 2,5 | 1,8 |
| De Fryske Marren | 1,4 | 1,0 | 0,5 |
| Gooise Meren | 5,0 | 3,2 | 0,9 |
| Berg en Dal | 1,8 | 1,4 | 0,4 |
| Meierijstad | 2,8 | 1,9 | 0,6 |
| Waadhoeke | 1,9 | 1,5 | 0,8 |
| Westerwolde | 2,8 | 2,2 | 0,4 |
| Midden-Groningen | 2,4 | 1,6 | 0,4 |
| Beekdaelen | 1,9 | 1,5 | 0,5 |
| Montferland | 1,9 | 1,5 | 0,9 |
| Altena | 1,5 | 1,0 | 1,4 |
| West Betuwe | 2,3 | 1,5 | 1,0 |
| Vijfheerenlanden | 3,9 | 2,5 | 0,5 |
| Hoeksche Waard | 2,8 | 1,8 | 0,4 |
| Het Hogeland | 1,5 | 1,0 | 0,5 |
| Westerkwartier | 1,6 | 1,2 | 0,5 |
| Noardeast-Fryslân | 1,5 | 1,0 | 0,5 |
| Molenlanden | 1,7 | 1,3 | 1,4 |
| Eemsdelta | 2,1 | 1,5 | 0,8 |
| Dijk en Waard | 4,1 | 2,7 | 0,6 |
| Land van Cuijk | 2,5 | 1,8 | 1,1 |
| Maashorst | 2,2 | 1,6 | 0,0 |
| Voorne aan Zee | 3,1 | 1,9 | 0,0 |
| Schiermonnikoog | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Vlieland | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
Chinese migranten minder vaak genaturaliseerd dan andere migranten
Na een aaneengesloten verblijf (in het bezit van een geldige verblijfsvergunning) van tenminste vijf jaar mogen migranten de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturalisatie). In de meeste gevallen komt de eerdere nationaliteit dan te vervallen. Dat geldt ook voor de Chinese nationaliteit. Op 1 januari 2024 was 41 procent van de personen geboren in China die tenminste vijf jaar in Nederland verbleven en niet de Nederlandse nationaliteit hadden ten tijde van immigratie genaturaliseerd. Dat is 5 procentpunten minder dan het aandeel genaturaliseerden uit andere landen (46 procent).
In vergelijking met alleen migranten uit landen buiten Europa is het verschil nog groter: 16 procentpunten. Migranten die van buiten Europa komen laten zich vaker naturaliseren dan migranten van binnen Europa (57 procent tegenover 22 procent). Burgers van een land dat deel uitmaakt van de Europese Unie hebben immers ook zonder de Nederlandse nationaliteit geen verblijfsvergunning nodig om in Nederland te verblijven.
| Herkomstregio | Percentage (%) |
|---|---|
| Totaal | 45,4 |
| China | 40,7 |
| Buitenland (excl. China) | 45,6 |
| 1)Percentage berekend op basis van het aantal personen geboren in het buitenland, minstens 5 jaar in Nederland, zonder Nederlandse nationaliteit bij immigratie | |
Bijna 60 procent van de Chinese migranten tussen 18 en 45 jaar oud
Een groot deel van de Chinese migranten is tussen de 18 en 30 jaar (26 procent) en 31 en 45 jaar oud (32 procent). Dat is een groter deel dan in de totale Nederlandse bevolking. Daar vormen deze twee groepen samen slechts 35 procent van de bevolking. Chinese migranten zijn juist minder vaak jonger dan 18 jaar of ouder dan 65 jaar dan de totale bevolking. Voor overige migranten geldt ook dat de 18- tot 35-jarige groep relatief groot is, maar het verschil ten opzichte van de totale bevolking is kleiner dan voor Chinese migranten.
De Chinese tweede generatie is relatief jong, bijna 30 procent is jonger dan 18 jaar en nog geen 10 procent is ouder dan 45. Ook de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst is relatief jong, maar wel ouder dan de Chinese tweede generatie.
| Herkomstregio | Generatie | 0 tot 4 jaar (%) | 4 tot 12 jaar (%) | 12 tot 18 jaar (%) | 18 tot 30 jaar (%) | 30 tot 45 jaar (%) | 45 tot 65 jaar (%) | 65 jaar of ouder (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 3,8 | 8,0 | 6,5 | 15,5 | 19,0 | 26,5 | 20,5 | |
| Nederland | 3,8 | 7,7 | 6,3 | 13,9 | 16,6 | 27,7 | 24,0 | |
| China | Geboren in het buitenland | 0,3 | 2,6 | 4,0 | 26,0 | 31,5 | 24,6 | 10,9 |
| China | Geboren in Nederland | 8,7 | 21,1 | 13,5 | 24,4 | 22,5 | 8,0 | 1,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 0,8 | 4,2 | 4,0 | 18,3 | 29,6 | 30,3 | 12,7 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 8,5 | 15,4 | 11,3 | 21,5 | 19,1 | 14,5 | 9,7 |
Meer vrouwelijke Chinese migranten
Vrouwen vormen met 57 procent de meerderheid van de Chinese migranten. Ook onder migranten uit overige landen vormen vrouwen de meerderheid, maar daar is het aandeel kleiner (52 procent). Zowel de tweede generatie van Chinese als de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst bestaat ook uit iets meer vrouwen dan mannen (49 tegenover 51 procent). In de totale bevolking is het aandeel mannen en vrouwen bijna gelijk.
| Herkomstregio | Generatie | Mannen (%) | Vrouwen (%) |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 49,7 | 50,3 | |
| Nederland | 49,9 | 50,1 | |
| China | Geboren in het buitenland | 43,1 | 56,9 |
| China | Geboren in Nederland | 51,3 | 48,7 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 48,5 | 51,5 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 50,7 | 49,3 |
Chinese migranten wonen relatief vaak alleen
De meeste Chinese migranten wonen alleen in een eenpersoonshuishouden, gevolgd door de groep die een huishouden vormt met een partner en kinderen. Deze beide groepen zijn naar verhouding groter dan gemiddeld. Dat geldt voor zowel mannelijke als vrouwelijke Chinese migranten, al wonen de mannen wat vaker alleen dan de vrouwen (33 tegenover 29 procent). De groep die een huishouden vormt met een partner, zonder kinderen is wat kleiner dan gemiddeld onder zowel mannen als vrouwen. Ook het aandeel thuiswonende kinderen is relatief laag onder Chinese migranten, een logisch gevolg van het kleine aandeel minderjarigen in deze groep.
Chinese migranten en migranten uit overige landen hebben een vergelijkbare verhouding wat betreft plaats in het huishouden. Wel valt op dat vrouwelijke Chinese migranten minder vaak als alleenstaande met een kind wonen dan vrouwelijke migranten uit overige landen, en juist wat vaker alleen.
De Chinese tweede generatie bestaat voor circa 60 procent uit thuiswonende kinderen. Dat is bijna twee keer zoveel als gemiddeld en ook vaker dan de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst. Dat wordt verklaard door het grote aandeel kinderen en jongeren in deze groep.
| Herkomstregio | Percentage | Thuiswonend kind (% personen) | Alleenstaande (% personen) | Partner in paar zonder kinderen (% personen) | Partner in paar met kinderen (% personen) | Ouder in eenouderhuishouden (% personen) | Overig (% personen) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 28,1 | 18,3 | 26,5 | 22,6 | 1,4 | 3,2 | |
| Nederland | 27,5 | 16,4 | 29,3 | 22,8 | 1,4 | 2,5 | |
| China | Geboren in het buitenland | 12,5 | 32,5 | 22,3 | 27,1 | 1,3 | 4,4 |
| China | Geboren in Nederland | 63,3 | 12,4 | 8,1 | 12,6 | 0,4 | 3,1 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 13,1 | 29,9 | 22,3 | 27,2 | 1,6 | 5,9 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 51,1 | 14,6 | 14,4 | 15,3 | 0,9 | 3,7 |
| Herkomstregio | Generatie | Thuiswonend kind (% personen) | Alleenstaande (% personen) | Partner in paar zonder kinderen (% personen) | Partner in paar met kinderen (% personen) | Ouder in eenouderhuishouden (% personen) | Overig (% personen) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 24,0 | 18,9 | 25,7 | 22,6 | 5,5 | 3,2 | |
| Nederland | 23,5 | 18,5 | 28,2 | 22,4 | 4,4 | 3,0 | |
| China | Geboren in het buitenland | 11,3 | 28,9 | 23,8 | 27,6 | 5,0 | 3,4 |
| China | Geboren in Nederland | 57,9 | 11,1 | 9,7 | 16,0 | 2,3 | 3,0 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 10,6 | 24,2 | 23,0 | 27,9 | 10,0 | 4,3 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 46,8 | 13,5 | 14,1 | 16,3 | 6,0 | 3,3 |
Vaak partner binnen Chinese herkomstgroep
Driekwart van de samenwonende (gehuwde of ongehuwde) Chinese migranten heeft een partner van Chinese herkomst. Dat is relatief vaak. Van de samenwonende migranten van overige buitenlandse herkomst heeft 57 procent een partner met hetzelfde land van herkomst. De rest van de samenwonende Chinese migranten heeft een partner van Nederlandse herkomst (14 procent) of van overige buitenlandse herkomst (11 procent).
De Chinese tweede generatie heeft vaker een partner van Nederlandse herkomst (25 procent) dan Chinese migranten, al vormt ook daarvan de meerderheid een koppel met een partner van Chinese herkomst (41 procent). Dat is een stuk vaker dan de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst, waarvan 21 procent van de samenwonenden een partner met hetzelfde land van herkomst heeft.
| Herkomstregio | Generatie | Nederlandse herkomst (%) | Zelfde niet-Nederlandse herkomst (%) | Overige herkomst (%) |
|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 76,1 | 11,1 | 12,8 | |
| Nederland | 88,9 | 11,1 | ||
| China | Geboren in het buitenland | 13,7 | 75,3 | 11,0 |
| China | Geboren in Nederland | 33,9 | 41,1 | 24,9 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 24,6 | 56,7 | 18,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 61,8 | 21,4 | 16,8 |
Chinese migranten hebben minder kinderen
Het gemiddelde kindertal van 45- tot 65-jarige in China geboren vrouwen is 1,5. Dat is minder dan hun leeftijdsgenoten geboren in overige landen (inclusief Nederland), die gemiddeld 1,8 kind kregen. De Chinese tweede generatie is nog te jong om een vergelijkbare schatting van het kindertal te kunnen maken.
| Herkomstregio | Gemiddeld aantal kinderen (kinderen per vrouw) |
|---|---|
| Totaal | 1,8 |
| Nederland | 1,8 |
| China1) | 1,5 |
| Buitenland (excl. China)2) | 1,8 |
| 1)Geboren in China, te weinig waarnemingen van personen van Chinese herkomst geboren in Nederland 2)Geboren in het buitenland | |
Vrouwen van Chinese herkomstgroep ouder bij geboorte eerste kind
De gemiddelde leeftijd waarop vrouwelijke Chinese migranten hun eerste kind kregen is 27,1 jaar. Dat is vergelijkbaar met het gemiddelde van alle vrouwen in Nederland, maar een jaar ouder dan de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen geboren in overige landen hun eerste kind kregen.
Vrouwen van de Chinese tweede generatie kregen hun eerste kind een stuk ouder, met gemiddeld 30,2 jaar. Een belangrijke kanttekening is dat de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen de afgelopen decennia is gestegen, van 25,0 jaar bij eerste kinderen geboren in 1975 naar 30,4 jaar bij eerste kinderen geboren in 2024. Doordat de Chinese tweede generatie de jongste hier getoonde herkomstgroep vormt kregen zij gemiddeld recenter hun kind dan de groepen geboren in het buitenland, die ook meer oudere moeders bevatten. De tweede generatie van overige buitenlandse herkomst is ook betrekkelijk jong. Toch kregen deze vrouwen hun eerste kind gemiddeld wel drie jaar jonger dan moeders van de Chinese tweede generatie.
| Herkomstregio | Generatie | Gemiddelde leeftijd (jaar) |
|---|---|---|
| Totaal | 26,9 | |
| Nederland | 27,0 | |
| China | Geboren in het buitenland | 27,1 |
| China | Geboren in Nederland | 30,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 26,1 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 27,0 |
Uitwonende Chinese tweede generatie woont ver van ouders
Voor alle personen die in Nederland zijn geboren en van wie de vader of moeder in Nederland woont is de hemelsbrede afstand van het eigen woonadres tot het woonadres tot de vader/moeder berekend. De afstand tot de vader en de moeder wordt apart getoond omdat zij soms gescheiden of verweduwd zijn.
Een relatief groot deel (29 procent) van de Chinese tweede generatie woont in bij de ouders. Dat houdt verband met hun jonge gemiddelde leeftijd. De groep die niet bij ouders inwoont woont juist relatief vaak op afstand: 26 procent woont 30 kilometer of verder van de moeder, 28 procent 30 kilometer of verder van de vader. Dat is meer dan gemiddeld, en meer dan de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst. Ongeveer 16 procent woont op minder dan 3 kilometer afstand, ongeveer half zo vaak als gemiddeld in de totale bevolking.
| Herkomstregio | Woont met moeder (%) | Minder dan 3 km (%) | 3 tot 10 km (%) | 10 tot 30 km (%) | 30 km of meer (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 13,6 | 30,2 | 19,9 | 15,6 | 20,8 |
| Nederland | 12,0 | 31,0 | 20,1 | 15,8 | 21,2 |
| China | 28,9 | 16,4 | 14,8 | 14,4 | 25,5 |
| Buitenland (excl. China) | 23,4 | 25,2 | 19,1 | 14,2 | 18,0 |
| 1) Hemelsbrede afstand van het woonadres tot het woonadres van de moeder 2) Personen 21 jaar of ouder, geboren in Nederland, moeder woonachtig in Nederland | |||||
| herkomstgebied | Woont met vader (%) | Minder dan 3 km (%) | 3 tot 10 km (%) | 10 tot 30 km (%) | 30 km of meer (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 13,4 | 28,0 | 19,6 | 16,3 | 22,8 |
| Nederland | 12,1 | 28,7 | 19,7 | 16,5 | 23,1 |
| China | 27,2 | 15,4 | 14,5 | 14,9 | 28,0 |
| Buitenland (excl. China) | 21,4 | 23,5 | 19,1 | 15,3 | 20,8 |
| 1) Hemelsbrede afstand van het woonadres tot het woonadres van de vader 2) Personen 21 jaar of ouder, geboren in Nederland, vader woonachtig in Nederland | |||||
2. Onderwijs
Dit hoofdstuk beschrijft de onderwijspositie van personen van Chinese herkomst, en vergelijkt hun positie met het gemiddelde van de totale Nederlandse bevolking en met personen van overige buitenlandse herkomst. Waar mogelijk worden van de buitenlandse herkomstgroepen cijfers van zowel personen geboren in Nederland (de tweede generatie) als personen geboren in het buitenland (migranten) getoond. Er worden verschillende fasen van het onderwijs belicht: het schooladvies in groep 8 van het basisonderwijs, onderwijsniveau in leerjaar 3 in het voortgezet onderwijs, onderwijsrichting op het hbo en wo, en het verlaten van het mbo zonder startkwalificatie. Ook wordt het behaalde opleidingsniveau van de tweede generatie belicht. Dit hoofdstuk eindigt met een decompositieanalyse van het verschil in het aandeel leerlingen op havo of vwo tussen de Chinese herkomstgroep en de rest van de Nederlandse bevolking.
Leerlingen van Chinese herkomst krijgen vaak havo- of vwo-advies
In schooljaar 2022/’23 kreeg 61 procent van de groep-8-leerlingen een havo-of vwo-advies. Bij leerlingen van Chinese herkomst was dat aandeel een stuk hoger. Dat geldt met name voor leerlingen geboren in Nederland met ouders geboren in China (85 procent met havo- of vwo-advies) maar ook leerlingen geboren in China kregen vaker dan gemiddeld havo- of vwo-advies (71 procent).
Leerlingen van overige buitenlandse herkomst kregen juist minder vaak dan gemiddeld havo- of vwo-advies, met name de leerlingen geboren in het buitenland.
| Herkomstregio | Generatie | Percentage (% van groep-8-leerlingen) |
|---|---|---|
| Totaal | 61,0 | |
| Nederland | 63,2 | |
| China | Geboren in Nederland | 85,3 |
| China | Geboren in buitenland | 71,4 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 58,0 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 47,5 |
| 1)Incl. vmbo-gt/havo | ||
De kans op een havo- of vwo-advies hangt sterk samen met huishoudinkomen. Als er rekening mee wordt gehouden dat gezinnen van buitenlandse herkomst vaak een lager inkomen hebben dan gemiddeld valt het verschil tussen leerlingen van overige buitenlandse herkomst met het gemiddelde grotendeels weg. Dat geldt niet voor leerlingen van Chinese herkomst. De verschillen tussen de Chinese herkomstgroep en het gemiddelde staan los van verschillen in huishoudinkomen.
Driekwart Chinese tweede generatie op havo of vwo
In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs hebben de meeste leerlingen hun definitieve keuze voor de te volgen onderwijssoort gemaakt. In schooljaar 2023/’24 volgde 49 procent van de leerlingen in het derde leerjaar havo of vwo. Voor leerlingen van de Chinese tweede generatie is het aandeel op havo of vwo ruim anderhalf keer zo groot (76 procent). Dat geldt niet voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst, die juist minder vaak dan gemiddeld havo of vwo volgde.
Voor leerlingen geboren in China is het aandeel dat in het derde leerjaar havo of vwo volgde ook groter dan gemiddeld (60 procent), maar kleiner dan voor de tweede generatie. Leerlingen geboren in overige landen volgden juist minder vaak dan gemiddeld havo of vwo (45 procent).
| Herkomstregio | Generatie | Percentage (% van leerlingen in leerjaar 3 voortgezet onderwijs2)) |
|---|---|---|
| Totaal | 48,9 | |
| Nederland | 50,1 | |
| China | Geboren in Nederland | 75,8 |
| China | Geboren in buitenland | 59,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 45,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 45,3 |
| 1)Havo/vwo incl. algemeen leerjaar 3 2)Voortgezet onderwijs excl. praktijkonderwijs | ||
Verschillen in huishoudinkomen verklaren een groot deel van de verschillen tussen de groep van overige buitenlandse herkomst en het gemiddelde. Uit de decompositieanalyse (zie einde van dit hoofdstuk) blijkt dat de oververtegenwoordiging van leerlingen van Chinese herkomst op havo en vwo nauwelijks te verklaren is met de geanalyseerde kenmerken (o.a. gezinssituatie en huishoudinkomen).
Wiskunde, natuurkunde en informatica vaker gekozen door studenten van Chinese herkomst
De meest gekozen hbo- en wo-studierichting door mannen is Recht, administratie en zakelijke dienstverlening. Van alle mannelijke hbo- en wo-studenten die op 1 januari 2024 stonden ingeschreven volgde 32 procent een studie in deze richting. Daarna volgen de studierichting Wiskunde, natuurkunde en informatica (16 procent) en de studierichting Techniek, industrie en bouwkunde (15 procent).
Mannelijke hbo- en wo-studenten die in China zijn geboren kiezen juist het vaakst voor Wiskunde, natuurkunde en informatica (26 procent). Ook kiezen zij vaker dan gemiddeld onder mannelijke studenten voor Techniek, industrie en bouwkunde (25 procent). Verder valt op dat zij zelden voor de studierichting Onderwijs kiezen (4 procent).
Mannelijke hbo- en wo-studenten van de Chinese tweede generatie volgen ook vaker dan gemiddeld een studie in de richting Wiskunde, natuurkunde en informatica (28 procent). Ze kiezen juist minder vaak dan gemiddeld voor Onderwijs of een overige studierichting.
Ook voor mannelijke hbo- en wo-studenten van overige buitenlandse herkomst geldt dat zij wat vaker voor Wiskunde, natuurkunde en informatica kiezen en wat minder vaak voor Onderwijs. De verschillen ten opzichte van het gemiddelde zijn echter wat kleiner dan voor studenten van Chinese herkomst.
| Herkomstregio | Generatie | Gezondheidszorg en welzijn (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Journalistiek, gedrag en maatschappij (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Onderwijs (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Techniek, industrie en bouwkunde (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Wiskunde, natuurkunde en informatica (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) | Overig1) (% van mannelijke hbo- en wo-studenten) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 8,7 | 8,1 | 6,1 | 32,0 | 15,2 | 16,3 | 6,7 | |
| Nederland | 9,1 | 7,0 | 7,7 | 32,2 | 15,2 | 14,6 | 7,7 | |
| China | Geboren in Nederland | 8,7 | 6,2 | 1,3 | 32,5 | 16,0 | 28,2 | 2,2 |
| China | Geboren in buitenland | 2,6 | 12,2 | 0,7 | 22,8 | 24,7 | 26,3 | 3,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 11,7 | 6,5 | 4,5 | 35,2 | 12,2 | 19,0 | 4,9 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 4,9 | 13,3 | 1,7 | 29,2 | 17,4 | 19,8 | 4,7 |
| 1) Omvat de richtingen dienstverlening, landbouw, diergeneeskunde en -verzorging | ||||||||
Voor vrouwelijke hbo- en wo-studenten is de meest gekozen studierichting Gezondheid en welzijn (22 procent), al is de meest gekozen studierichting door mannen (Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening) bijna even populair (21 procent). Daarna volgen de richtingen Journalistiek, gedrag en maatschappij (16 procent) en Onderwijs (13 procent).
Onder vrouwelijke hbo- en wo-studenten die in China zijn geboren is de richting Journalistiek, gedrag en maatschappij een stuk populairder en wordt even vaak gekozen als Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening (beide 24 procent). Ook kiezen zij vaker dan gemiddeld onder vrouwelijke studenten voor studies in de richtingen Wiskunde, natuurkunde en informatica of Techniek, industrie en bouwkunde. Ze volgen juist minder vaak een studie in de richting Gezondheidszorg en welzijn of Onderwijs.
Ook vrouwelijke hbo- en wo-studenten van de Chinese tweede generatie volgen het vaakst de studierichting Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening (32 procent). Ze volgen ook (net als Chinese migranten) vaker dan gemiddeld een studie in de richting Wiskunde, natuurkunde en informatica (15 procent). Gezondheidszorg en welzijn is minder populair dan gemiddeld onder vrouwelijke studenten, maar wordt door de tweede generatie wel vaker gekozen dan door migranten. De Chinese tweede generatie kiest ook minder vaak dan gemiddeld voor Onderwijs of een overige studierichting.
Vrouwelijke hbo- en wo-studenten geboren in overige landen kiezen net als Chinese migranten relatief vaak voor Journalistiek, gedrag en maatschappij en Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening en juist weinig voor Gezondheidszorg en welzijn of Onderwijs. Wiskunde, natuurkunde en informatica wordt echter minder vaak gekozen dan door Chinese migranten. De verdeling over de studierichtingen van de vrouwelijke tweede generatie van Chinese herkomst wijkt meer af van het gemiddelde van Nederland dan de verdeling van de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst.
| Herkomstregio | Generatie | Gezondheidszorg en welzijn (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Journalistiek, gedrag en maatschappij (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Onderwijs (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Techniek, industrie en bouwkunde (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Wiskunde, natuurkunde en informatica (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) | Overig1) (% van vrouwelijke hbo- en wo-studenten) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 22,4 | 16,1 | 13,3 | 21,4 | 5,1 | 7,0 | 5,8 | |
| Nederland | 25,1 | 14,0 | 16,3 | 18,8 | 4,6 | 6,1 | 6,7 | |
| China | Geboren in Nederland | 19,6 | 10,3 | 3,6 | 31,8 | 7,6 | 14,7 | 3,7 |
| China | Geboren in buitenland | 9,2 | 23,6 | 3,5 | 23,8 | 10,4 | 14,5 | 4,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 27,0 | 12,0 | 12,8 | 27,3 | 4,1 | 6,0 | 3,5 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 10,3 | 26,6 | 4,5 | 24,6 | 6,9 | 9,9 | 4,5 |
| 1) Omvat de richtingen dienstverlening, landbouw, diergeneeskunde en -verzorging | ||||||||
Chinese tweede generatie verlaat minder vaak voortijdig mbo
Ieder jaar verlaat een deel van de mbo-studenten van 22 jaar of jonger zonder startkwalificatie het onderwijs. In 2022 ging het om 8 procent van de mannelijke en 6 procent van de vrouwelijke in Nederland geboren mbo-studenten. Mbo-studenten van Chinese herkomst verlaten minder vaak voortijdig het onderwijs dan gemiddeld. Dat geldt voor zowel mannen (7 procent) als vrouwen (5 procent). Omdat slechts een klein deel van de Chinese tweede generatie een mbo-opleiding start gaat het om een klein aantal voortijdig schoolverlaters: ruim 50 mbo-studenten. Mbo-studenten van overige buitenlandse herkomst verlaten juist vaker dan gemiddeld voortijdig het onderwijs, met name onder mannen is het verschil ten opzichte van het gemiddelde aanzienlijk (13 procent ten opzichte van 8 procent gemiddeld).
| Herkomstgebied | Mannen (% mbo-studenten 22 jaar of jonger) | Vrouwen (% mbo-studenten 22 jaar of jonger) |
|---|---|---|
| Totaal | 8,0 | 5,5 |
| Nederland | 6,8 | 5,2 |
| China | 6,5 | 4,8 |
| Buitenland (excl. China) | 12,6 | 6,6 |
| 1) Mbo-studenten inclusief extranei | ||
Het verschil in het aandeel voortijdig schoolverlaters tussen de Chinese tweede generatie en het gemiddelde hangt niet samen met verschillen in huishoudinkomen, voor mannen noch voor vrouwen. Voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst speelt huishoudinkomen wel een rol: verschillen in huishoudinkomen verklaren een deel van het verschil onder mannen en het volledige verschil onder vrouwen.
Chinese tweede generatie heeft relatief vaak een hbo- of wo-diploma
Van alle 25- tot 45-jarigen die in Nederland zijn geboren heeft 43 procent van de mannen en 53 procent van de vrouwen een hbo- of wo-diploma. Dat aandeel is circa 20 procentpunten groter onder personen van Chinese herkomst, voor zowel mannen (61 procent) als vrouwen (73 procent). Zowel het aandeel met een havo-, vwo- of mbo2-4-diploma of met basisonderwijs, een vmbo- of mbo1-diploma is onder de Chinese tweede generatie kleiner dan gemiddeld.
Onder personen van overige buitenlandse herkomst is het aandeel met een hbo- of wo-diploma juist kleiner dan gemiddeld, en het aandeel met een havo-, vwo- of mbo2-4-diploma of met basisonderwijs, een vmbo- of mbo1-diploma juist groter. Dit hangt voor een deel samen met het feit dat deze groep gemiddeld een lager huishoudinkomen heeft. Verschillen in huishoudinkomen spelen geen rol bij de verschillen van de Chinese tweede generatie ten opzichte van het gemiddelde.
| Herkomstregio | Geslacht | Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (% van 25- tot 45-jarigen) | Havo, vwo, mbo2-4 (% van 25- tot 45-jarigen) | Hbo, wo (% van 25- tot 45-jarigen) |
|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking (25-45 jaar) | Mannen | 11,8 | 45,1 | 43,1 |
| Totale bevolking (25-45 jaar) | Vrouwen | 8,3 | 39,2 | 52,5 |
| Nederland | Mannen | 10,5 | 44,8 | 44,6 |
| Nederland | Vrouwen | 7,8 | 38,4 | 53,8 |
| China | Mannen | 7,0 | 32,0 | 61,0 |
| China | Vrouwen | 4,2 | 23,1 | 72,7 |
| Buitenland (excl. China) | Mannen | 18,5 | 46,9 | 34,5 |
| Buitenland (excl. China) | Vrouwen | 11,0 | 43,8 | 45,2 |
| 1)Excl. onderwijsvolgenden | ||||
Verschillen in aandeel leerlingen op havo of vwo onderzocht
Leerlingen van Chinese herkomst volgen vaker havo of vwo in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs dan gemiddeld. De vraag is in hoeverre dit kan worden toegeschreven aan verschillen in achtergrondkenmerken tussen leerlingen van Chinese herkomst en de rest van de leerlingen. Aan de hand van decompositieanalyse (Kitigawa-Oaxaca-Blinder-decompositie) kan worden vastgesteld of verschillen in kenmerken een rol spelen, en zo ja, hoe groot het aandeel van het verschil is dat elk kenmerk verklaart. Voor beide generaties (leerlingen geboren in China en leerlingen geboren in Nederland met een of beide ouder(s) geboren in China) is een aparte decompositieanalyse uitgevoerd waarin zij vergeleken werden met de rest van de leerlingen. In de analyse is gekeken naar de rol van geslacht (man, vrouw), huishoudinkomen (kwintielgroepen 1, 2, 3, 4, 5, onbekend), gezinsstructuur (woont met beide ouders of niet), leeftijd van de moeder bij geboorte van de leerling (jonger dan 25 jaar, 25-34 jaar, 35 jaar of ouder) en stedelijkheid van de woongemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk).
Kwart verschil aandeel havo/vwo migranten toe te schrijven aan achtergrondkenmerken
Van de derdejaarsleerlingen geboren in China volgde 59,8 procent havo of vwo in 2023/’24. Dat is 10,9 procentpunten meer dan de rest van de derdejaars leerlingen. Van dit verschil wordt 26,4 procent verklaard door verschillen in bovengenoemde achtergrondkenmerken. Met andere woorden, als de leerlingen die zijn geboren in China dezelfde achtergrondkenmerken zouden hebben als de rest van de leerlingen, dan zou 56,9 procent van hen havo of vwo volgen in plaats van het feitelijke 59,8 procent. Dat aandeel zou dan nog altijd 8,0 procentpunten groter zijn dan onder de rest van de leerlingen.
| Feitelijk (procentpunt) | Gecorrigeerd (procentpunt) | |
|---|---|---|
| Geboren in buitenland | 10,9 | 8,0 |
| Geboren in Nederland | 27,0 | 24,4 |
| 1)Havo/vwo incl. algemeen leerjaar 3 2)In leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs excl. praktijkonderwijs | ||
Leeftijd moeder grootste rol in verschil aandeel havo/vwo migranten
Van de achtergrondkenmerken in de analyse verklaart de leeftijd van de moeder bij de geboorte van de leerling het grootste deel van het verschil dat kan worden verklaard. De moeders van leerlingen geboren in China zijn gemiddeld ouder dan de moeders van de rest van de leerlingen (zie ook H1 Bevolking). Het is bekend dat kinderen met relatief oude moeders een hoger onderwijsniveau bereiken (Van der Veer, Van Gaalen & Linder, 2021). Als de moeders van leerlingen geboren in China dezelfde gemiddelde leeftijd zouden hebben als de moeders van de rest van de leerlingen dan zou het aandeel op havo of vwo 1,2 procentpunten kleiner zijn. Verder speelt ook het huishoudinkomen een rol. Leerlingen geboren in China zitten relatief vaak in het hoogste inkomenskwartiel (zie ook H3 Werk en inkomen). Het is bekend dat leerlingen uit welvarende gezinnen gemiddeld een hoger schooladvies krijgen dan leerlingen uit gezinnen die het minder breed hebben (Hartgers, Traag & Wielenga, 2021). Als de leerlingen geboren in China hetzelfde gemiddelde huishoudinkomen hadden als de rest van de leerlingen dan zou het aandeel op havo of vwo 0,8 procent kleiner zijn. De gezinsstructuur en de stedelijkheid van de woongemeente spelen beide ook een kleine rol. Leerlingen van Chinese herkomst wonen vaker met hun beide ouders en wonen minder vaak in zeer stedelijk gebied. Kinderen die niet (meer) met beide ouders wonen of in zeer stedelijk gebied volgen doorgaans minder vaak havo of vwo. In de bijlage van dit rapport is een tabel opgenomen met daarin per kenmerk het precieze aandeel in de verklarende analyse.
10 procent aandeel havo/vwo tweede generatie toe te schrijven aan achtergrondkenmerken
Van de derdejaarsleerlingen van de Chinese tweede generatie volgde 75,8 procent havo of vwo in 2023/’24. Dat is 27,0 procentpunten meer dan de rest van de derdejaars leerlingen. Van dit verschil wordt 9,8 procent verklaard door verschillen in bovengenoemde achtergrondkenmerken. Met andere woorden, als de leerlingen van de Chinese tweede generatie dezelfde achtergrondkenmerken zouden hebben als de rest van de leerlingen, dan zou 73,2 procent van hen havo of vwo volgen in plaats van het feitelijke 75,8 procent. Dat aandeel zou dan nog altijd 24,4 procentpunten groter zijn dan onder de rest van de leerlingen.
Stedelijkheid woongemeente grootste rol in verschil aandeel havo/vwo tweede generatie
De rol van de verklarende kenmerken heeft een andere orde van grootte in de analyse van de Chinese tweede generatie dan de analyse van Chinese migranten. Stedelijkheid van de woongemeente speelt de grootste rol in het verklaarde deel van het verschil tussen leerlingen van de Chinese tweede generatie en de rest van de leerlingen. Leerlingen van de Chinese tweede generatie wonen minder vaak in zeer stedelijk gebied, waar kinderen gemiddeld minder vaak havo of vwo volgen. Als zij in gemeentes zouden wonen met dezelfde gemiddelde mate van stedelijkheid zou het aandeel op havo of vwo 1,7 procentpunten kleiner zijn. De gezinsstructuur en het huishoudinkomen van leerlingen van de Chinese tweede generatie spelen ook een kleine rol. Ze wonen vaker bij hun beide ouders en minder vaak in zeer stedelijke gemeentes. In de bijlage van dit rapport is een tabel opgenomen met daarin per kenmerk het precieze aandeel in de verklarende analyse.
Literatuur
Hartgers, M., Traag, T. en Wielenga, l. (2021). De schooladviezen in groep 8: verschillen tussen groepen leerlingen. Statistische Trends.
Van der Veer, S., Van Gaalen, R. en Linder, F. (2021). De eerste de beste? Over geboortevolgorde, gezinsgrootte en opleidingsniveau. Statistische Trends.
3. Werk en inkomen
In dit hoofdstuk komen verschillende aspecten van werk en inkomen aan bod. Het gaat om onder meer de sociaaleconomische positie, de arbeidsdeelname, de arbeidsrelatie, de arbeidsduur, het uurloon, het inkomen en de samenstelling van het inkomen. De situatie van personen van Chinese herkomst wordt vergeleken met die van personen van overige buitenlandse herkomst en met de totale Nederlandse bevolking. De cijfers hebben betrekking op alle inwoners van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens. Waar van toepassing is de leeftijd verder afgebakend tot maximaal 75 jaar. Omdat het arbeidsproces sterk samenhangt met geslacht, wordt een deel van de cijfers apart weergegeven voor mannen en vrouwen.
Migranten van Chinese herkomst vaker werkzaam
Voor meer dan de helft van de Chinese migranten (54 procent) is betaald werk de belangrijkste inkomstenbron. Dit percentage is iets lager voor migranten van overige buitenlandse herkomst (52 procent) en iets hoger voor de totale Nederlandse bevolking (56 procent). Van de Chinese migranten is 10 procent scholier of student. Dit is hoger dan voor migranten van overige buitenlandse herkomst (7 procent), maar vergelijkbaar met de totale bevolking (10 procent). Pensioenen vormen ook een belangrijke inkomstenbron voor een deel van de migranten van Chinese herkomst (9 procent), al is dit minder vaak het geval dan voor migranten van overige buitenlandse herkomst (11 procent) en de totale bevolking (21 procent). Uitkeringen vormen voor een klein deel van de Chinese migranten de belangrijkste inkomstenbron (5 procent). Onder migranten van overige buitenlandse herkomst (14 procent) en de totale bevolking (8 procent) ligt dat aandeel hoger dan onder Chinese migranten. De verschillen in sociaaleconomische positie vallen grotendeels weg als wordt gecorrigeerd voor de gemiddeld jongere leeftijd van Chinese migranten ten opzichte van de rest van de bevolking.
De tweede generatie van Chinese herkomst is vaak scholier of student (31 procent). Het percentage scholieren en studenten ligt in deze groep hoger dan in de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst (21 procent) en de totale Nederlandse bevolking (10 procent). Voor de tweede generatie is werk vaker de belangrijkste inkomstenbron (61 procent) dan voor Chinese migranten, maar uitkeringen (3 procent) en pensioenen minder vaak (3 procent). Deze verschillen vallen grotendeels weg als wordt gecorrigeerd voor de jongere leeftijd van de Chinese tweede generatie ten opzichte van de rest van de bevolking.
| Herkomstregio | Generatie | Werkzaam (% van personen van 15 jaar en ouder) | Uitkeringsontvanger (% van personen van 15 jaar en ouder) | Pensioenontvanger (% van personen van 15 jaar en ouder) | (School)kind of student (% van personen van 15 jaar en ouder) | Zonder inkomen (% van personen van 15 jaar en ouder) | Niet vastgesteld (% van personen van 15 jaar en ouder) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 56,0 | 7,7 | 21,2 | 10,2 | 2,7 | 2,2 | |
| Nederland | 57,1 | 6,1 | 24,8 | 9,6 | 2,1 | 0,3 | |
| China | Geboren in Nederland | 60,8 | 2,9 | 2,5 | 30,5 | 2,5 | 0,8 |
| China | Geboren in buitenland | 54,3 | 4,6 | 8,9 | 10,1 | 6,3 | 15,7 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 55,0 | 8,8 | 12,2 | 20,5 | 2,6 | 1,0 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 51,9 | 14,2 | 11,2 | 6,7 | 5,1 | 10,8 |
Om de sociaaleconomische positie beter te kunnen duiden, wordt de arbeidsdeelname nader beschreven. De nettoarbeidsparticipatie van migranten van Chinese herkomst (64 procent) en migranten van overige buitenlandse herkomst (62 procent) ligt in alle leeftijdsgroepen lager dan in de totale Nederlandse bevolking (71 procent). De arbeidsdeelname van de tweede generatie van Chinese herkomst (79 procent) ligt daarentegen boven het Nederlandse gemiddelde.
Deze verschillen in arbeidsdeelname doen zich voor ongeacht leeftijd. Met andere woorden, de nettoarbeidsparticipatie van in China geboren personen ligt in alle leeftijdsgroepen lager dan het Nederlandse gemiddelde. Voor de tweede generatie geldt dat de arbeidsparticipatie voor de leeftijden 25 tot 75 jaar hoger ligt dan het Nederlandse gemiddelde.
De nettoarbeidsparticipatie van mannen en vrouwen verschilt per generatie. Waar de nettoarbeidsparticipatie van uit China gemigreerde mannen en vrouwen lager ligt dan dat van de gemiddelde man en vrouw in Nederland, ligt deze voor mannen en vrouwen van de Chinese tweede generatie juist hoger.
Om herkomstverschillen in arbeidsdeelname te verklaren wordt in de volgende alinea een decompositieanalyse besproken.
| Leeftijd | Geslacht | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Herkomstregio | Geboorteregio | Totaal | 25 jaar | 45 jaar | 65 jaar | 75 jaar | Mannen | Vrouwen | |
| Totale bevolking | 71,4 | 70,3 | 85,0 | 79,1 | 22,4 | 75,1 | 67,8 | ||
| Nederland | 73,9 | 76,4 | 90,3 | 83,0 | 22,9 | 77,3 | 70,5 | ||
| China | Geboren in Nederland | 79,4 | 67,0 | 87,4 | 87,3 | 31,1 | 79,2 | 79,6 | |
| China | Geboren in buitenland | 63,5 | 46,2 | 71,7 | 73,6 | 20,4 | 68,7 | 59,7 | |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 71,4 | 65,6 | 80,2 | 79,2 | 23,5 | 72,3 | 70,6 | |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 61,8 | 49,5 | 73,8 | 62,8 | 17,7 | 67,6 | 56,5 | |
Verschil in nettoarbeidsparticipatie Chinese migranten neemt toe na correctie achtergrondkenmerken
Van de Chinese migranten is 63,5 procent werkzaam. Van de rest van de Nederlandse bevolking is 71,5 procent werkzaam, oftewel een verschil van 8,0 procentpunt. Dit verschil bestaat ondanks de relatief gunstige achtergrondkenmerken van Chinese migranten. Als Chinese migranten namelijk dezelfde kenmerken zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou 61,7 procent van hen werkzaam zijn. Dat is 1,8 procentpunt lager dan de feitelijke nettoarbeidsparticipatie.
Van alle achtergrondkenmerken in de analyse speelt leeftijd de belangrijkste rol. In alle leeftijdsgroepen zijn Chinese migranten minder vaak werkzaam dan de rest van de bevolking. Tegelijkertijd zijn Chinese migranten relatief vaak tussen de 25 en 45 jaar en juist minder vaak ouder dan 45 jaar (zie Hoofdstuk 1 Bevolking). Hun relatief lage gemiddelde leeftijd heeft een gunstige invloed op hun arbeidsdeelname. Indien Chinese migranten dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 4,4 procentpunt lager liggen dan hun feitelijke participatie.
Stedelijkheid speelt ook een rol. Chinese migranten wonen vaker in zeer stedelijke gemeenten, wat juist ongunstig samenhangt met hun arbeidsdeelname. Over het algemeen ligt de arbeidsdeelname in zeer stedelijke gemeenten namelijk iets lager dan in de overige gemeenten (Braamse et al., 2022). Indien Chinese migranten in even stedelijke gemeenten zouden wonen als de rest van de bevolking, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 2,2 procentpunt hoger liggen.
Ook speelt geslacht een rol. Vrouwen vormen een meerderheid van de Chinese migranten (57 procent, zie Hoofdstuk 1 Bevolking), dit heeft een ongunstige invloed op de totale arbeidsdeelname. Indien Chinese migranten dezelfde man-vrouw verdeling zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 0,6 procentpunt hoger liggen dan hun feitelijke participatie.
Verschillen in woonregio (provincie) en studiestatus spelen geen noemenswaardige rol bij het verschil in arbeidsdeelname tussen Chinese migranten en de rest van de bevolking.
| Feitelijk (procentpunt) | Gecorrigeerd (procentpunt) | |
|---|---|---|
| Geboren in buitenland | -8,0 | -9,8 |
| Geboren in Nederland | 8,0 | 0,4 |
| 1) van personen van 15 tot 75 jaar | ||
Verschil voor tweede generatie bijna geheel verklaard door gunstige kenmerken
Van de Chinese tweede generatie is 79,4 procent werkzaam. Van de rest van de Nederlandse bevolking is 71,4 procent werkzaam, oftewel 8,0 procentpunt lager. Dit verschil bestaat grotendeels vanwege de relatief gunstige achtergrondkenmerken van de Chinese tweede generatie. Als de Chinese tweede generatie namelijk dezelfde kenmerken zou hebben als de rest van de bevolking, dan zou 71,8 procent van hen werkzaam zijn.
Voor bijna alle leeftijdsgroepen geldt dat de Chinese tweede generatie vaker werkzaam is dan de rest van de bevolking. Alleen in de leeftijdsklasse 15 tot 25 jaar ligt hun arbeidsparticipatie lager dan gemiddeld. Tegelijkertijd is de Chinese tweede generatie relatief jong (zie Hoofdstuk 1 Bevolking), wat een belangrijke rol speelt in de verklaring dat de Chinese tweede generatie een hogere nettoarbeidsparticipatie heeft dan gemiddeld. Als zij dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 7,5 procentpunt lager liggen dan hun feitelijke participatie.
Stedelijkheid speelt ook een rol. De Chinese tweede generatie woont vaker in zeer stedelijke gemeenten dan de rest van de bevolking, wat samenhangt met een lagere nettoarbeidsparticipatie. Indien de Chinese tweede generatie in even stedelijke gemeenten zou wonen als de rest van de bevolking, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 2,3 procentpunt hoger liggen.
De hogere nettoarbeidsparticipatie van de Chinese tweede generatie wordt ook deels verklaard door opleidingsniveau. De Chinese tweede generatie is vaker hbo en wo opgeleid, wat gunstig is voor hun nettoarbeidsparticipatie. De nettoarbeidsparticipatie is het laagst onder personen met basisonderwijs, vmbo, mbo 1 en het hoogst onder personen met een hbo of wo diploma. Als de Chinese tweede generatie hetzelfde opleidingsniveau zou hebben als de rest van de bevolking, dan zou de nettoarbeidsparticipatie 2,4 procentpunt lager liggen.
Verschillen in woonregio (provincie), studiestatus en geslacht spelen een kleine rol in de verklaring van het verschil in arbeidsdeelname tussen de Chinese tweede generatie en de rest van de bevolking.
Vaker werkzaam in de horeca
Chinese migranten werken voornamelijk in de horeca (41 procent) en handel (16 procent). Zij zijn nauwelijks werkzaam in de bouwnijverheid, de verhuur en handel van onroerend goed en landbouw, bosbouw en visserij. De verdeling van bedrijfstakken wijkt af van die voor migranten van overige buitenlandse herkomst en voor de totale Nederlandse bevolking, die beduidend minder vaak werken in de horeca, maar meer in bijna alle andere bedrijfstakken. Deze verschillen hangen niet samen met verschillen in leeftijd, geslacht of studiestatus.
De bedrijfstakken waarin de tweede generatie van Chinese herkomst werkt lijken meer op die van Chinese migranten dan op die van de totale Nederlandse bevolking. Zij werken ook vaker dan gemiddeld in de horeca (28 procent), al is dat minder vaak dan Chinese migranten. Daarnaast werken zij relatief vaak in specialistische zakelijke diensten (11 procent), informatie en communicatie (7 procent) en financiële dienstverlening (6 procent). Herkomstverschillen in bedrijfstakken hangen ook voor de tweede generatie nauwelijks samen met leeftijd, geslacht, studiestatus of opleiding.
| Totale bevolking | Nederland | China | Buitenland (excl. China) | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Geboren in Nederland | Geboren in buitenland | Geboren in Nederland | Geboren in buitenland | ||||
| A | Landbouw, bosbouw en visserij | 1,8 | 2,1 | 0,1 | 0,2 | 0,4 | 1,4 |
| B-E | Nijverheid (geen bouw) en energie | 9,7 | 9,8 | 4,8 | 5,8 | 7,0 | 11,5 |
| F | Bouwnijverheid | 6,1 | 6,4 | 1,3 | 0,7 | 4,2 | 6,0 |
| G | Handel | 16,7 | 16,5 | 16,1 | 15,5 | 18,7 | 16,6 |
| H | Vervoer en opslag | 4,6 | 4,3 | 2,9 | 2,6 | 5,1 | 5,8 |
| I | Horeca | 5,4 | 4,4 | 27,6 | 40,7 | 6,5 | 7,9 |
| J | Informatie en communicatie | 4,1 | 3,7 | 7,4 | 3,9 | 4,6 | 6,1 |
| K | Financiële dienstverlening | 3,2 | 3,2 | 6,0 | 3,9 | 3,1 | 3,0 |
| L | Verhuur en handel van onroerend goed | 0,9 | 0,9 | 0,8 | 0,4 | 0,8 | 0,5 |
| M | Specialistische zakelijke diensten | 8,5 | 8,4 | 11,4 | 8,7 | 8,4 | 8,8 |
| N | Verhuur en overige zakelijke diensten 1) | 3,7 | 3,0 | 1,7 | 1,9 | 4,1 | 6,9 |
| O | Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 6,4 | 6,8 | 5,9 | 1,3 | 7,7 | 3,5 |
| P | Onderwijs | 7,0 | 7,4 | 3,4 | 5,8 | 6,5 | 5,5 |
| Q | Gezondheids- en welzijnszorg | 17,2 | 18,5 | 7,7 | 5,2 | 17,5 | 11,2 |
| R-U | Cultuur, recreatie, overige diensten | 4,8 | 4,7 | 3,0 | 3,4 | 5,2 | 5,3 |
| 1) Exclusief arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer (voor de totale bevolking gaat het om 505 371 personen). | |||||||
Vaker flexibel dienstverband en vaker werkzaam als zelfstandige
Van de werkende bevolking is het type arbeidsrelatie vastgelegd. Personen van Chinese herkomst hebben minder vaak een vast contract dan de andere groepen in dit onderzoek. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Van de Chinese migranten heeft 4 op de 10 werkenden een vast contract. Dit is minder dan onder migranten van overige buitenlandse herkomst of de totale Nederlandse bevolking. Daarentegen hebben Chinese migranten vaker een tijdelijke baan dan migranten van overige buitenlandse herkomst of de totale Nederlandse bevolking, maar minder vaak een overige flexibele baan. Daarnaast werken Chinese migranten vaker als zelfstandige (22 procent) dan migranten van overige buitenlandse herkomst of de totale Nederlandse bevolking (beide 16 procent). Dit verschil is groter voor vrouwen dan voor mannen. Deze groepsverschillen hangen niet samen met verschillen in leeftijd, geslacht of studiestatus.
Ook de tweede generatie van Chinese herkomst heeft minder vaak een vast contract dan de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst of de totale Nederlandse bevolking, maar wel vaker een overige flexibele baan. Het aandeel van de tweede generatie van Chinese herkomst dat een tijdelijke baan heeft is vergelijkbaar met dat van de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst, maar dit is een stuk hoger dan voor de totale Nederlandse bevolking. Deze verschillen vallen grotendeels weg na correctie voor de jongere leeftijd en het grotere aandeel scholieren en studenten van de Chinese tweede generatie. Verschillen in opleiding en geslacht spelen geen rol.
| Herkomstregio | Generatie | Werknemers vast (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Werknemers tijdelijk (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Werknemers overig flexibel (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Zelfstandigen (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 55,2 | 13,5 | 11,1 | 20,3 | |
| Nederland | 58,2 | 12,2 | 9,5 | 20,1 | |
| China | Geboren in Nederland | 46,0 | 16,5 | 20,2 | 17,3 |
| China | Geboren in buitenland | 41,0 | 29,0 | 8,1 | 21,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 46,0 | 16,9 | 16,0 | 21,1 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 47,3 | 17,2 | 15,3 | 20,3 |
| Herkomstregio | Generatie | Werknemers vast (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Werknemers tijdelijk (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Werknemers overig flexibel (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Zelfstandigen (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 58,0 | 17,6 | 12,5 | 12,0 | |
| Nederland | 61,2 | 16,0 | 10,9 | 12,0 | |
| China | Geboren in Nederland | 50,2 | 18,1 | 20,9 | 10,8 |
| China | Geboren in buitenland | 39,4 | 23,8 | 15,6 | 21,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 49,2 | 22,3 | 17,2 | 11,4 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 49,5 | 21,9 | 16,7 | 11,9 |
Langere werkweek voor Chinese migranten, kortere werkweek voor tweede generatie
Voor werknemers in loondienst is de arbeidsduur voor alle banen onderzocht. Deze cijfers worden apart gepresenteerd naar geslacht, aangezien mannen vaak in voltijd en vrouwen vaak in deeltijd werken. Arbeidsduur is hier berekend op basis van alle uren gemaakt in de maand januari en omvat de gewerkte uren in de hoofdbaan, maar ook eventueel gewerkte uren in extra banen naast de hoofdbaan. Onregelmatige uren en werkzaamheden van zelfstandigen zijn niet in deze bepaling van de arbeidsduur meegenomen.
Uit China gemigreerde mannen werken gemiddeld genomen vaker voltijds dan gemiddeld. Zo werkt van de uit China gemigreerde mannen 80 procent 35 uur per week of meer, terwijl het bij mannen van overige buitenlandse herkomst gaat om 74 procent en in de totale mannelijke bevolking om 71 procent. Uit China gemigreerde mannen werken daarentegen minder vaak in een grotere deeltijdbaan (4 procent) dan mannen van overige buitenlandse herkomst (9 procent) en de totale mannelijke bevolking (11 procent). Dit verschil verdwijnt grotendeels na correctie voor leeftijd en studiestatus.
Mannen van de Chinese tweede generatie werken gemiddeld minder uren per week. Van de mannen van de Chinese tweede generatie werkt 61 procent 35 uur per week of meer. Daarnaast werkt 16 procent van de Chinese tweede generatie mannen minder dan 12 uur per week en 8 procent werkt 12 tot 20 uur per week. Hun werkweek is daarmee korter dan die van mannen van overige buitenlandse herkomst en die van de gemiddelde man in Nederland. Dit verschil verdwijnt echter grotendeels wanneer er wordt gecorrigeerd voor de jongere leeftijd en het groter aandeel scholieren en studenten in de Chinese tweede generatie.
| Herkomstregio | Generatie | 0 tot 12 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 12 tot 20 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 20 tot 25 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 25 tot 30 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 30 tot 35 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 35 uur of meer (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 7,6 | 4,4 | 3,6 | 3,3 | 10,6 | 70,5 | |
| Nederland | 7,4 | 4,2 | 3,4 | 3,2 | 11,1 | 70,8 | |
| China | Geboren in Nederland | 15,7 | 8,4 | 4,2 | 3,1 | 7,3 | 61,3 |
| China | Geboren in buitenland | 7,2 | 4,1 | 3,2 | 2,0 | 4,0 | 79,5 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 11,2 | 6,7 | 4,8 | 4,1 | 10,8 | 62,4 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 6,1 | 4,3 | 3,7 | 3,4 | 8,5 | 74 |
| 1) Gemiddelde per week, op basis van alle banen in januari 2024 | |||||||
Ook bij vrouwen verschilt de arbeidsduur naar herkomst. Van de uit China gemigreerde vrouwen werkt 55 procent 35 uur of meer per week. Dit is hoger dan dat van vrouwen die uit andere landen gemigreerd zijn (45 procent) en tweemaal zo hoog dan dat van de gemiddelde vrouw in Nederland (28 procent). Het aandeel vrouwen dat minder dan 12 uur werkt is groter onder uit China gemigreerde vrouwen (14 procent) dan vrouwen gemigreerd uit andere landen (9 procent) of de gemiddelde vrouw in Nederland (11 procent). Uit China gemigreerde vrouwen werken minder vaak in een middelgrote deeltijdbaan dan vrouwen gemigreerd uit andere landen of de totale groep vrouwen in Nederland. Deze herkomstverschillen hangen niet samen met verschillen in leeftijd, geslacht of studiestatus.
Vrouwen van de Chinese tweede generatie werken vaker in een kleine deeltijdbaan van minder dan 12 uur per week (16 procent) dan vrouwen van de overige buitenlandse tweede generatie (14 procent) of de totale groep vrouwen in Nederland (11 procent). Vrouwen van de Chinese tweede generatie werken ook vaker meer dan 35 uur per week (43 procent), vergeleken met vrouwen van de overige buitenlandse tweede generatie (29 procent) of de totale groep vrouwen in Nederland (28 procent). Vrouwen van de Chinese tweede generatie werken wel minder vaak 12 tot 35 uur. Deze herkomstverschillen blijven bestaan na correctie voor verschillen in leeftijd, geslacht, opleiding of studiestatus.
| Herkomstregio | Generatie | 0 tot 12 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 12 tot 20 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 20 tot 25 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 25 tot 30 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 30 tot 35 uur (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) | 35 uur of meer (% van werknemers van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 10,7 | 11,3 | 18,3 | 12,7 | 19,1 | 27,9 | |
| Nederland | 10,7 | 11,7 | 20,2 | 13,6 | 19,8 | 24,0 | |
| China | Geboren in Nederland | 16,3 | 9,6 | 8,7 | 6,1 | 16,3 | 43,0 |
| China | Geboren in buitenland | 13,5 | 9,0 | 7,4 | 4,6 | 10,4 | 55,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 13,8 | 11,4 | 15,4 | 11,5 | 19,0 | 28,9 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 8,6 | 9,4 | 12,0 | 9,1 | 16,0 | 44,8 |
| 1) Gemiddelde per week, op basis van alle banen in januari 2024 | |||||||
Lager uurloon
Het gemiddelde uurloon van uit China gemigreerde mannen is lager dan dat van mannen van overige buitenlandse herkomst en dat van de totale Nederlandse bevolking. Het gemiddelde bruto uurloon van uit China gemigreerde mannen bedraagt 24,90 euro. Voor migranten uit andere landen ligt het uurloon op 27,60 euro en het uurloon voor de totale bevolking bedraagt 29,20 euro. Het gemiddelde uurloon van mannen van de Chinese tweede generatie (25,10 euro) ligt tevens lager dan dat van mannen van overige buitenlandse tweede generatie (26,60) en de totale Nederlandse bevolking.
Het gemiddelde uurloon van uit China gemigreerde vrouwen (24,50 euro) is vergelijkbaar met dat van vrouwen gemigreerd uit de overige landen, maar lager dan dat van de totale Nederlandse bevolking (25,60 euro). Voor vrouwen van de Chinese tweede generatie is het uurloon (25,00 euro) hoger dan dat van vrouwen van overige buitenlandse tweede generatie (23,90 euro), maar lager dan dat van de totale Nederlandse bevolking.
| Herkomstregio | Generatie | Mannen (euro) | Vrouwen (euro) |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 29,20 | 25,60 | |
| Nederland | 29,90 | 26,10 | |
| China | Geboren in Nederland | 25,10 | 25,00 |
| China | Geboren in buitenland | 24,90 | 24,50 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 26,60 | 23,90 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 27,60 | 24,40 |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar | |||
Lager uurloon deels verklaard, verschillen in bedrijfstak spelen grote rol
Het gemiddelde uurloon van Chinese migranten (vrouwen en mannen) bedraagt 24,70 euro. Voor de rest van de Nederlandse bevolking is dit 27,40 euro, oftewel een verschil van 2,80 euro. Dit verschil is voor bijna 57 procent toe te schrijven aan verschillen in achtergrondkenmerken. Met andere woorden, als uit China gemigreerde personen dezelfde kenmerken zouden hebben als andere personen in Nederland, dan zouden zij gemiddeld een uurloon hebben van 26,30 euro.
Van de achtergrondkenmerken in de analyse verklaart de bedrijfstak waarin men werkzaam is het grootste deel van het verschil. Chinese migranten werken veel vaker in de horeca, een bedrijfstak waar lonen lager liggen. Zij werken minder vaak in de gezondheids- en welzijnszorg, openbaar bestuur en overheidsdiensten bouwnijverheid en verhuur en overige zakelijke diensten, waar de lonen hoger liggen. Als Chinese migranten in dezelfde bedrijfstakken zouden werken als de rest van de bevolking, dan zou hun gemiddelde uurloon 1,80 euro hoger zijn (26,50 euro).
Het lagere uurloon van Chinese migranten wordt ook deels verklaard door leeftijd en geslacht. Chinese migranten zijn relatief vaak tussen de 25 en 45 jaar en juist minder vaak ouder dan 45 jaar (zie Hoofdstuk 1 Bevolking), wat een ongunstige invloed heeft op hun uurloon. Indien Chinese migranten dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon 0,30 euro hoger liggen dan hun feitelijke uurloon. Daarnaast vormen vrouwen een meerderheid van de Chinese migranten (zie Hoofdstuk 1 Bevolking). Omdat het uurloon van vrouwen lager ligt dan het uurloon van mannen heeft dit een ongunstige invloed op het uurloon van Chinese migranten. Indien Chinese migranten dezelfde man-vrouw verdeling zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon 0,20 euro hoger zijn.
De plaats waar mensen wonen hangt samen met het uurloon van Chinese migranten. Vergeleken met de rest van de bevolking wonen Chinese migranten vaker in zeer stedelijke gemeentes en in Zuid-Holland en Noord-Holland. Als Chinese migranten in dezelfde regio’s en stedelijke gemeenten zouden wonen als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon 0,60 euro lager zijn. Verschillen in uurloon houden geen verband met verschillen in studiestatus.
| Feitelijk (euro) | Gecorrigeerd (euro) | |
|---|---|---|
| Geboren in buitenland | -2,80 | -1,20 |
| Geboren in Nederland | -2,40 | -0,90 |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar | ||
Lagere uurloon tweede generatie grotendeels verklaard door leeftijd
Het gemiddelde uurloon van de Chinese tweede generatie is 25,00 euro, terwijl het gemiddelde uurloon voor de rest van de bevolking 27,40 euro bedraagt. Het verschil in uurloon is voor 63 procent toe te schrijven aan verschillen in achtergrondkenmerken. Met andere woorden, als personen van de Chinese tweede generatie dezelfde kenmerken zouden hebben als de rest van de bevolking, dan zouden zij gemiddeld een uurloon hebben van 26,50 euro.
Van de achtergrondkenmerken in de analyse verklaart leeftijd bijna 85 procent van het feitelijke verschil in uurloon. De Chinese tweede generatie is veel jonger dan de rest van de Nederlandse bevolking (zie Hoofdstuk 1 Bevolking), wat ongunstig is voor hun uurloon. Als de Chinese tweede generatie dezelfde leeftijdsopbouw zou hebben als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon 2,00 euro hoger liggen.
De bedrijfstak waarin de Chinese tweede generatie werkzaam is speelt ook een rol in het loonverschil. Vergeleken met de rest van de bevolking werkt de Chinese tweede generatie veel vaker in de horeca, een bedrijfstak waar lonen lager liggen. Zij werken daarentegen minder vaak in de gezondheids- en welzijnszorg, een bedrijfstak waar de lonen hoger liggen. Als de Chinese tweede generatie in dezelfde bedrijfstakken zou werken als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon gemiddeld 25,60 euro zijn, dat is 0,60 euro hoger dan hun feitelijke uurloon.
Verschillen in studiestatus spelen een kleine rol in het verschil in uurloon tussen de Chinese tweede generatie en de rest van de bevolking. De Chinese tweede generatie is vaker nog schoolgaand kind of student, want ongunstig is voor hun uurloon. Als de Chinese tweede generatie dezelfde studiestatus zou hebben als de rest van de bevolking, dan zou het uurloon 0,40 euro hoger zijn. Geslacht hangt nauwelijks samen met het verschil in uurloon tussen de Chinese tweede generatie en de rest van de bevolking.
Ook opleidingsniveau, woonregio en stedelijkheid hangen samen met het uurloon van de Chinese tweede generatie. De Chinese tweede generatie is vaker hbo en wo opgeleid, woont vaker in zeer stedelijke gebieden en in Zuid-Holland en Noord-Holland. Maar als de Chinese tweede generatie hetzelfde opleidingsniveau zou hebben en in dezelfde regio’s en stedelijke gemeenten zou wonen als de rest van de bevolking, dan zou hun uurloon 1,60 euro lager zijn dan hun feitelijke uurloon.
Lager inkomen van personen van Chinese herkomst dan de totale bevolking
Wanneer we kijken naar het gestandaardiseerd inkomen in plaats van het uurloon, lijken de herkomstverschillen kleiner te zijn. Dit heeft deels te maken met de arbeidsduur. Zoals eerder is laten zien, werken personen van Chinese herkomst vaker 35 uur per week of meer dan de gemiddelde inwoner van Nederland, waardoor zij ondanks hun lagere uurloon toch een inkomen hebben dat dichter bij dat van de gemiddelde inwoner van Nederland ligt. Herkomstverschillen in het inkomen worden niet verklaard door verschillen in opleiding, leeftijd of studiestatus.
Het gestandaardiseerd inkomen van uit China gemigreerde mannen (35.654 euro) is hoger dan dat van mannen gemigreerd uit andere landen (35.283 euro), maar lager dan dat van de totale groep mannen in Nederland (42.747 euro). Dit patroon geldt ook voor uit China gemigreerde vrouwen en voor mannen van de Chinese tweede generatie. Het gestandaardiseerd inkomen van vrouwen van de Chinese tweede generatie (43.043 euro) is daarentegen hoger dan dat van vrouwen van de overig buitenlandse tweede generatie (38.991) en van de totale bevolking in Nederland (40.646). Herkomstverschillen worden niet verklaard door verschillen in opleiding, leeftijd of studiestatus.
| Herkomstregio | Generatie | Mannen (euro per jaar) | Vrouwen (euro per jaar) |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 42747 | 40646 | |
| Nederland | 44644 | 42144 | |
| China | Geboren in Nederland | 41777 | 43043 |
| China | Geboren in buitenland | 35654 | 37900 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 40152 | 38991 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 35283 | 34925 |
Groter aandeel inkomen uit werk voor personen van Chinese herkomst
Het bruto-inkomen van personen van Chinese herkomst bestaat voor een groter deel uit inkomen uit werk dan bij personen van overige buitenlandse herkomst en de totale bevolking in Nederland. Dit geldt voor migranten en de tweede generatie en voor zowel mannen als vrouwen. Ook het deel van het bruto-inkomen dat afkomstig is uit een onderneming is groter voor mannen en vrouwen van Chinese herkomst dan voor mannen en vrouwen gemigreerd uit andere landen of de totale bevolking. Het aandeel inkomen uit inkomensverzekeringen is onder mannen en vrouwen van Chinese herkomst veel lager dan voor mannen en vrouwen van overig buitenlandse herkomst of de totale bevolking. Het aandeel inkomen uit sociale voorzieningen is voor mannen van Chinese herkomst lager dan dat voor mannen van overig buitenlandse herkomst maar hoger dan dat van de totale bevolking. Voor uit China gemigreerde vrouwen geldt dat het aandeel inkomen uit sociale voorzieningen lager is dan dat voor vrouwen gemigreerd uit andere landen, maar vergelijkbaar is met dat voor de totale bevolking. Voor vrouwen van de Chinese tweede generatie is het aandeel inkomen uit sociale voorzieningen lager dan dat voor vrouwen van de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst en de totale bevolking. Ontvangen partneralimentatie maakt slechts een klein deel uit (tussen de 0 en 0,2 procent) van het bruto-inkomen en lijkt het laagst te zijn voor personen van Chinese herkomst.
| Herkomstregio | Generatie | Inkomen als werknemer (% van bruto-inkomen) | Inkomen als zelfstandige (% van bruto-inkomen) | Uitkering inkomensverzekering (% van bruto-inkomen) | Uitkering sociale voorziening (% van bruto-inkomen) | Ontvangen partneralimentatie (% van bruto-inkomen) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 67,0 | 14,7 | 16,9 | 1,4 | 0,0 | |
| Nederland | 65,9 | 14,8 | 18,4 | 0,9 | 0,0 | |
| China | Geboren in Nederland | 76,6 | 18,2 | 3,4 | 1,9 | 0,0 |
| China | Geboren in buitenland | 73,7 | 19,0 | 5,7 | 1,6 | 0,0 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 68,6 | 15,9 | 13,1 | 2,5 | 0,0 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 72,0 | 13,4 | 11,1 | 3,5 | 0,0 |
| Herkomstregio | Generatie | Inkomen als werknemer (% van bruto-inkomen) | Inkomen als zelfstandige (% van bruto-inkomen) | Uitkering inkomensverzekering (% van bruto-inkomen) | Uitkering sociale voorziening (% van bruto-inkomen) | Ontvangen partneralimentatie (% van bruto-inkomen) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 68,3 | 8,5 | 20,4 | 2,7 | 0,2 | |
| Nederland | 67,1 | 8,6 | 22,3 | 1,8 | 0,2 | |
| China | Geboren in Nederland | 83,1 | 10,7 | 4,2 | 2,0 | 0,0 |
| China | Geboren in buitenland | 74,4 | 16,7 | 6,0 | 2,7 | 0,1 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 71,8 | 9,0 | 15,2 | 3,8 | 0,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in buitenland | 71,7 | 7,4 | 14,6 | 6,2 | 0,1 |
Literatuur
Braamse, M., Cheung, J.S., Couzy, P., Ramaekers, M. en Tammen, E. (2022). De regionale economie 2021. CBS, Den Haag.
4. Zorggebruik
Dit hoofdstuk beschrijft het zorggebruik van personen van Chinese herkomst, en maakt een vergelijking met het gemiddelde van de totale Nederlandse bevolking en personen van overige buitenlandse herkomst. Waar mogelijk worden van de buitenlandse herkomstgroepen zowel cijfers voor personen geboren in Nederland (de tweede generatie) en personen geboren in het buitenland (migranten) getoond. In het eerste deel van het hoofdstuk worden zowel de gemiddelde totale zorgkosten per persoon beschreven als kosten gemaakt voor geestelijke gezondheidszorg en geneesmiddelen. Het tweede deel van het hoofdstuk beschrijft het aandeel personen dat een bepaald type geneesmiddel voorgeschreven heeft gekregen, namelijk antipsychotica, antidepressiva en diabetesmiddelen. Ten slotte wordt het aandeel jongeren dat jeugdhulp ontving beschreven. Het hoofdstuk omvat enkel zorg die bekostigd is vanuit de basisverzekering.
Lagere zorgkosten Chinese herkomstgroep
Gemiddeld werd er in 2023 per persoon (jonger dan 65 jaar) 2164 euro gedeclareerd voor zorg binnen de basisverzekering. Voor personen van Chinese herkomst is dat bedrag lager. Voor Chinese migranten werd 1436 euro gedeclareerd, ruim 600 euro minder dan gemiddeld. Voor de Chinese tweede generatie werd iets meer gedeclareerd dan voor migranten (1634 euro), maar wel minder dan gemiddeld.
Ook voor migranten van overige buitenlandse herkomst werden minder zorgkosten gedeclareerd dan gemiddeld. Toch zijn de gemiddelde zorgkosten van Chinese migranten nog een stuk lager. Voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst werden juist meer zorgkosten gedeclareerd dan gemiddeld.
| Herkomstregio | Generatie | Gemiddelde kosten (euro) |
|---|---|---|
| Totaal | 2164 | |
| Nederland | 2174 | |
| China | Geboren in het buitenland | 1436 |
| China | Geboren in Nederland | 1634 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 1970 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 2358 |
Wanneer – in aanvulling op leeftijd – gecontroleerd wordt voor geslacht en huishoudinkomen, dan neemt het verschil tussen migranten en het gemiddelde toe. Dat geldt voor zowel Chinese migranten als migranten van overige buitenlandse herkomst. Mensen met lagere inkomens hebben gemiddeld hogere zorgkosten. Migranten hebben gemiddeld een lager inkomen (zie hoofdstuk 3) dan gemiddeld in de totale bevolking. Na correctie voor hun lagere inkomen hebben zij daarom minder zorgkosten dan ze feitelijk hebben. Met andere woorden hebben migranten lagere zorgkosten dan verwacht op basis van hun inkomen.
De verschillen tussen de tweede generatie van Chinese of overige buitenlandse herkomst veranderen niet na correctie voor geslacht en huishoudinkomen.
Ook onder ouderen lagere zorgkosten Chinese migranten
Zorgkosten nemen toe met leeftijd. In 2023 werd er gemiddeld 3254 euro aan zorgkosten gedeclareerd voor 55- tot 65-jarigen, 4785 euro voor 65- tot 75-jarigen en 6725 euro voor 75- tot 85-jarigen. De (gestandaardiseerde) gemiddelde zorgkosten van personen geboren in China zijn meer dan een derde lager dan gemiddeld in alle drie de leeftijdsgroepen.
Voor oudere migranten van overige buitenlandse herkomst werden er gemiddeld wat meer zorgkosten gedeclareerd dan gemiddeld. Dat geldt voor alle leeftijdsgroepen.
| Herkomstregio | 55 tot 65 jaar ( euro) | 65 tot 75 jaar ( euro) | 75 tot 85 jaar ( euro) |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 3254 | 4785 | 6725 |
| China | 2021 | 2907 | 4246 |
| Buitenland (excl. China) | 3470 | 5034 | 6970 |
Wanneer – in aanvulling op leeftijd – gecontroleerd wordt voor geslacht en huishoudinkomen, dan neemt het verschil tussen Chinese migranten en het gemiddelde toe. Voor migranten van overige buitenlandse herkomst geldt dat zij na correctie niet meer, maar minder zorgkosten dan gemiddeld hebben. Inkomen hangt negatief samen met zorgkosten, en migranten hebben een relatief laag gemiddeld inkomen. Na correctie voor hun lagere inkomen hebben zij daarom minder zorgkosten dan ze feitelijk hebben. Met andere woorden hebben migranten (zowel van Chinese als overige buitenlandse herkomst) lagere zorgkosten dan verwacht op basis van hun inkomen.
Lagere kosten ggz Chinese migranten
Gemiddeld werd er voor geestelijke gezondheidszorg (ggz) 314 euro per persoon (tot 65 jaar) gedeclareerd in 2023. Voor personen van Chinese herkomst werden minder kosten voor ggz gedeclareerd dan gemiddeld. Met name voor Chinese migranten, voor wie er bijna 140 euro minder dan gemiddeld voor ggz werd gedeclareerd. De kosten voor de Chinese tweede generatie verschillen minder sterk van het gemiddelde.
Ook voor migranten van overige buitenlandse herkomst werden minder kosten voor ggz gedeclareerd dan gemiddeld. Toch zijn de gemiddelde kosten van Chinese migranten nog een stuk lager. Voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst werden juist meer kosten voor ggz gedeclareerd dan gemiddeld.
| Herkomstregio | Generatie | Gemiddelde kosten (euro) |
|---|---|---|
| Totaal | 314 | |
| Nederland | 319 | |
| China | Geboren in het buitenland | 176 |
| China | Geboren in Nederland | 295 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 267 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 406 |
Voor kosten voor ggz geldt hetzelfde als voor de totale zorgkosten: wanneer er gecorrigeerd wordt voor geslacht en huishoudinkomen dan neemt het verschil tussen migranten en het gemiddelde toe. Inkomen hangt negatief samen met gebruik van ggz, en migranten hebben een relatief laag gemiddeld inkomen. Na correctie voor hun lagere inkomen hebben zij daarom minder kosten voor ggz dan ze feitelijk hebben. Met andere woorden worden er voor migranten (zowel van Chinese als overige buitenlandse herkomst) minder kosten voor ggz gedeclareerd dan verwacht op basis van hun inkomen.
Dat geldt ook voor de tweede generatie. Voor de Chinese tweede generatie (met minder kosten voor ggz dan gemiddeld) neemt het verschil met het gemiddelde af na correctie voor geslacht en huishoudinkomen. Voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst (met hogere kosten dan gemiddeld) neemt het verschil met het gemiddelde wat af na correctie.
Helft minder kosten voor geneesmiddelen voor Chinese migranten
Er werd in 2023 gemiddeld 204 euro per persoon (jonger dan 65 jaar) gedeclareerd voor geneesmiddelen. Voor personen van Chinese herkomst was dit gemiddelde een stuk lager. Voor Chinese migranten werd gemiddeld maar ongeveer de helft van dit bedrag gedeclareerd (103 euro). Voor de tweede generatie werden gemiddeld meer kosten voor geneesmiddelen gedeclareerd dan voor migranten, maar wel ruim minder dan gemiddeld onder de totale bevolking (123 euro).
Ook voor migranten van overige buitenlandse herkomst werden minder kosten voor geneesmiddelen gedeclareerd dan gemiddeld. Toch zijn de gemiddelde kosten voor Chinese migranten nog een stuk lager. Voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst werden juist meer kosten voor geneesmiddelen gedeclareerd dan gemiddeld.
| Herkomstregio | Generatie | Gemiddelde kosten (euro) |
|---|---|---|
| Totaal | 204 | |
| Nederland | 207 | |
| China | Geboren in het buitenland | 103 |
| China | Geboren in Nederland | 123 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 192 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 211 |
Voor kosten voor geneesmiddelen geldt hetzelfde als voor de totale zorgkosten: wanneer er gecorrigeerd wordt voor geslacht en huishoudinkomen dan neemt het verschil tussen migranten en het gemiddelde toe. Inkomen hangt negatief samen met gebruik van geneesmiddelen, en migranten hebben een relatief laag gemiddeld inkomen. Na correctie voor hun lagere inkomen hebben zij daarom minder kosten voor geneesmiddelen dan ze feitelijk hebben. Met andere woorden worden er voor migranten (zowel van Chinese als overige buitenlandse herkomst) minder kosten voor geneesmiddelen gedeclareerd dan verwacht op basis van hun inkomen.
Dat geldt ook voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst, waarvoor na correctie niet meer, maar minder kosten voor geneesmiddelen worden gedeclareerd. Voor de Chinese tweede generatie blijft het verschil met het gemiddelde na correctie gelijk.
Aandeel Chinese migranten met antidepressiva kwart van gemiddelde
Van de Nederlandse bevolking jonger dan 65 jaar werd in 2023 aan 5,2 procent antidepressiva verstrekt. Onder personen van Chinese herkomst is dit aandeel een stuk lager. Van de Chinese migranten werd aan 1,4 procent antidepressiva verstrekt. Dat is slechts een kwart van het gemiddelde. Voor de Chinese tweede generatie ging het om 2,3 procent.
Ook aan personen van overige buitenlandse herkomst werd minder vaak antidepressiva verstrekt dan gemiddeld, maar wel vaker dan aan de Chinese herkomstgroep.
| Herkomstregio | Generatie | Percentage (% van personen tot 65 jaar) |
|---|---|---|
| Totaal | 5,2 | |
| Nederland | 5,5 | |
| China | Geboren in het buitenland | 1,4 |
| China | Geboren in Nederland | 2,3 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 4,6 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 4,8 |
De getoonde cijfers zijn gestandaardiseerd naar leeftijd. Wanneer in aanvulling daarop wordt gecontroleerd voor geslacht en huishoudinkomen blijven de getoonde verschillen in het aandeel personen waaraan antidepressiva is verstrekt ongeveer gelijk.
Aandeel Chinese migranten met antipsychotica helft van gemiddelde
In 2023 werd aan 1,7 procent van de Nederlandse bevolking jonger dan 65 jaar antipsychotica verstrekt. Dit aandeel is een stuk lager onder personen van Chinese herkomst. Van de Chinese migranten werd aan 0,8 procent antidepressiva verstrekt. Dat is minder dan de helft van het gemiddelde. Voor de Chinese tweede generatie ging het om 1,2 procent.
Aan personen van overige buitenlandse herkomst werd juist wat vaker antipsychotica verstrekt dan gemiddeld. Het aandeel met antipsychotica was het hoogst onder de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst.
| Herkomstregio | Generatie | Percentage (% van personen tot 65 jaar) |
|---|---|---|
| Totaal | 1,7 | |
| Nederland | 1,7 | |
| China | Geboren in het buitenland | 0,8 |
| China | Geboren in Nederland | 1,2 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in het buitenland | 1,8 |
| Buitenland (excl. China) | Geboren in Nederland | 2,1 |
De getoonde cijfers zijn gestandaardiseerd naar leeftijd. Wanneer in aanvulling daarop wordt gecontroleerd voor geslacht en huishoudinkomen veranderen de verschillen tussen de herkomstgroepen. Het aandeel migranten waaraan antipsychotica is verstrekt neemt af, waardoor het verschil met het gemiddelde toeneemt voor Chinese migranten en afneemt voor migranten van overige buitenlandse herkomst. Inkomen hangt negatief samen met gebruik van antipsychotica, en migranten hebben een relatief laag gemiddeld inkomen. Na correctie voor hun lagere inkomen hebben zij daarom minder vaak antipsychotica verstrekt gekregen dan feitelijk is gebeurd. Met andere woorden krijgen migranten minder vaak antipsychotica verstrekt dan verwacht op basis van hun inkomen.
Hetzelfde geldt voor de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst. Na correctie voor geslacht en huishoudinkomen verschillen zij niet van het gemiddelde. Het aandeel met antipsychotica onder de tweede generatie van Chinese herkomst verandert niet na correctie.
Oudere Chinese migranten vaker diabetesmiddelen dan gemiddelde oudere
Relatief veel ouderen hebben diabetes en gebruiken daarom diabetesmiddelen. Hoe hoger de leeftijdsgroep, hoe groter het aandeel waaraan diabetesmiddelen verstrekt is. Omdat het aantal in Nederland geboren ouderen van Chinese herkomst te klein is om vergelijkbare cijfers van weer te geven, worden alleen personen geboren in het buitenland naar herkomstgroep getoond.
Van alle 55- tot 65-jarigen in Nederland kreeg 8,1 procent in 2023 diabetesmiddelen verstrekt. Onder 65- tot 75-jarigen wat dat 12,7 procent, onder 75- tot 85-jarigen 16,6 procent.
Het aandeel oudere Chinese migranten dat diabetesmiddelen verstrekt kreeg is hoger dan gemiddeld, en het verschil neemt toe met leeftijd. Van de 55- tot 65-jarige Chinese migranten was het aandeel met diabetesmiddelen ongeveer 20 procent groter dan gemiddeld in deze leeftijdsgroep. In de leeftijdsgroep van 65 tot 75 jaar was het aandeel 45 procent groter en in de leeftijdsgroep van 75 tot 85 jaar bijna 75 procent groter.
Ook ouderen van overige buitenlandse herkomst kregen vaker diabetesmiddelen verstrekt, maar dit aandeel neemt minder sterk toe met leeftijd. Onder 55- tot 75-jarigen is het aandeel met diabetesmiddelen groter in deze herkomstgroep dan in de Chinese herkomstgroep. In de oudste leeftijdsgroep (75 tot 85 jaar) draait dit om en hebben Chinese migranten vaker diabetesmiddelen.
| Herkomstregio | 55 tot 65 jaar (%) | 65 tot 75 jaar (%) | 75 tot 85 jaar (%) |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 8,1 | 12,7 | 16,6 |
| China | 9,5 | 18,3 | 28,7 |
| Buitenland (excl. China) | 15,2 | 23,2 | 27,0 |
De getoonde cijfers zijn gestandaardiseerd naar leeftijd. Wanneer in aanvulling daarop wordt gecontroleerd voor geslacht en huishoudinkomen worden de verschillen tussen migranten en het gemiddelde van de totale bevolking wat kleiner maar blijven wel bestaan.
Chinese tweede generatie minder vaak jeugdhulp dan gemiddeld
In 2023 kreeg 10,7 procent van de jongeren (22 jaar of jonger) een vorm van jeugdhulp. Het betreft hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking, of opvoedingsproblemen. Omdat het aantal jongeren dat in China is geboren te klein is om vergelijkbare cijfers van weer te geven, worden alleen personen geboren in Nederland getoond naar herkomstgroep.
Het aandeel jongeren van de Chinese tweede generatie met jeugdhulp is met 6,3 procent lager dan gemiddeld. De tweede generatie van overige buitenlandse herkomst kreeg met 9,8 procent ook minder vaak jeugdhulp dan gemiddeld, maar wel vaker dan de Chinese tweede generatie.
| Herkomstregio | Percentage (% van personen 22 jaar of jonger) |
|---|---|
| Totaal | 10,7 |
| Nederland | 11,0 |
| China | 6,3 |
| Buitenland (excl. China) | 9,8 |
Wanneer er wordt gecontroleerd voor verschillen in leeftijd, geslacht en huishoudinkomen tussen de groepen, dan blijven de herkomstverschillen bestaan. Het verschil tussen de tweede generatie van overige buitenlandse herkomst en andere jongeren neemt zelfs iets toe; zij ontvangen minder vaak jeugdzorg dan verwacht op basis van hun huishoudinkomen.
5. Motief en verblijfsduur
Dit hoofdstuk biedt inzicht in de rol die migratiemotief en verblijfsduur spelen bij de sociaaleconomische verschillen tussen migranten. Hoofdstuk 2 (Onderwijs) laat zien dat Chinese migranten een betere positie hebben met betrekking tot onderwijs dan andere migranten. Daarnaast laat Hoofdstuk 3 (Werk en inkomen) zien dat migranten uit China een gemiddeld betere positie op de arbeidsmarkt hebben dan andere migranten. Uit cijfers over verblijfsduur van migranten uit China (zie hoofdstuk 1 Bevolking) blijkt dat veel in China geboren migranten relatief recent arriveerden in Nederland, maar dat er daarnaast een aanzienlijke groep (34 procent) langer dan 20 jaar in Nederland verblijft.
Van de Chinese immigranten die na 1998 naar Nederland zijn gekomen, kwam meer dan driekwart als arbeids-, gezin- of studiemigrant (zie figuur 1.3 in hoofdstuk Bevolking). Dat aandeel is onder overige Buiten-Europese migranten veel lager. Daarnaast wijkt het type Chinese arbeidsmigrant sterk af van overige Buiten-Europese arbeidsmigranten. Voor de laatste groep is twee derde naar Nederland gekomen onder de kennismigrantenregeling, terwijl dit onder Chinese migranten minder dan één op de vijf bedraagt. Chinese arbeidsmigranten komen veel vaker naar Nederland onder de regeling voor wetenschappelijk onderzoekers (37 procent) of de regeling voor Aziatische horeca (25 procent) dan overige Buiten-Europese migranten (respectievelijk 9 en 1 procent).
De vraag is in hoeverre de sociaaleconomische positie van Chinese migranten ook samenhangt met de reden waarom zij naar Nederland zijn geïmmigreerd en hoe lang zij in Nederland verblijven. Dit hoofdstuk beschrijft daarom de positie van migranten op gebied van arbeid en inkomen met een uitsplitsing naar migratiemotief en verblijfsduur. Ter vergelijking worden de cijfers gepresenteerd voor Chinese migranten en voor migranten uit overig Buiten-Europa. Deze vergelijking wordt uitgediept middels een decompositieanalyse van de nettoarbeidsparticipatie en het uurloon.
Onderwijs
In het onderwijs hebben Chinese migranten een betere positie dan andere migranten (zie Hoofdstuk 2 Onderwijs). Er is onderzocht of het aantal Chinese migranten in leerjaar 3 op havo of vwo of het aantal Chinese migranten dat zonder startkwalificatie het onderwijs verliet toereikend is voor een opsplitsing naar migratiemotief of verblijfsduur. De groep migranten in deze leeftijdsklasse (jonger dan 18 jaar) is relatief klein, en bestaat voor een groot deel uit gezinsmigranten en migranten die de Nederlandse nationaliteit hadden bij vestiging in Nederland. Hierdoor levert een dergelijke opsplitsing risico’s op onthulling op en is verdere statistische analyse niet geschikt voor interpretatie.
Chinese migranten vaker werkzaam dan overige Buiten-Europese migranten
Voor meer dan de helft van de Chinese migranten (54 procent) is betaald werk de belangrijkste inkomstenbron. Dit percentage is hoger dan dat voor overige Buiten-Europese migranten (49 procent) maar lager dan de totale bevolking (56 procent). Het percentage werkzaam hangt sterk samen met het migratiemotief. Zo is 69 procent van de Chinese arbeidsmigranten en 76 procent van de overige Buiten-Europese arbeidsmigranten werkzaam. Het percentage dat werkt is lager onder gezinsmigranten en het laagst onder studiemigranten (minder dan de helft). Vooral Chinese asielmigranten hebben vaker werk dan overige Buiten-Europese asielmigranten. Van hen heeft 62 procent werk als belangrijkste inkomstenbron, tegenover 35 procent van de overige Buiten-Europese asielmigranten. Onder overige Buiten-Europese asielmigranten is het aandeel met een uitkering of dat schoolgaand is hoger dan onder Chinese asielmigranten.
Van de Chinese migranten is ongeveer 10 procent scholier of student. Dit percentage is vergelijkbaar met de totale bevolking, maar hoger dan voor overige Buiten-Europese migranten (6 procent). Naast studiemigranten is het aandeel scholieren en studenten ook onder Chinese gezinsmigranten hoog (25 procent). Het aandeel personen waarvan het inkomen niet is vastgesteld is vooral hoog onder arbeids- en studiemigranten. Dit heeft onder andere te maken met de jaarlijkse nieuwe instroom van migranten, die relatief hoog is voor deze groepen. Van personen die niet een heel kalenderjaar in Nederland wonen, wordt namelijk geen inkomstenbron vastgesteld.
| Migratiemotief | Geboorteregio | Werkzaam | Uitkerings- ontvanger | Pensioen- ontvanger | (School)kind of student | Zonder inkomen | Niet vastgesteld |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | Totale bevolking | 56,0 | 7,7 | 21,2 | 10,2 | 2,7 | 2,2 |
| Totaal | China | 54,3 | 4,6 | 8,9 | 10,1 | 6,3 | 15,7 |
| Totaal | Overig Buiten-Europa | 48,8 | 18,9 | 13,3 | 6,4 | 5,5 | 7,1 |
| Asiel | China | 61,5 | 25,9 | 1,4 | 4,7 | 3,7 | 2,8 |
| Asiel | Overig Buiten-Europa | 34,7 | 38,8 | 2,5 | 15,6 | 3,1 | 5,3 |
| Gezin | China | 52,2 | 3,1 | 1,2 | 24,7 | 12,2 | 6,5 |
| Gezin | Overig Buiten-Europa | 55,6 | 11,3 | 1,8 | 8,5 | 13,2 | 9,5 |
| Arbeid | China | 68,4 | 0,8 | 0,2 | 0,1 | 2,6 | 27,9 |
| Arbeid | Overig Buiten-Europa | 76,4 | 0,9 | 0,5 | 0,1 | 1,2 | 20,9 |
| Studie | China | 43,7 | 0,8 | 0,1 | 11,7 | 2,9 | 40,9 |
| Studie | Overig Buiten-Europa | 43,6 | 1,1 | 0,1 | 15,4 | 1,7 | 38,1 |
| Overig/onbekend | China | 52,4 | 5,3 | 4,6 | 20,9 | 7,3 | 9,5 |
| Overig/onbekend | Overig Buiten-Europa | 53,2 | 14,0 | 4,7 | 12,2 | 4,4 | 11,6 |
Vooral pensioenontvangers onder Buiten-Europese migranten met hoge verblijfsduur
Het grootste deel van Buiten-Europese migranten heeft werk als belangrijkste inkomstenbron. Dat geldt voor alle verblijfsduren, behalve voor Chinese migranten die 5 jaar of korter in Nederland verblijven. Onder hen is de werkzame groep kleiner dan de groep waarvan het inkomen niet is vastgesteld. Dit is deels het gevolg van de jaarlijkse nieuwe instroom van migranten, waarvoor geen jaarlijkse inkomstenbron kan worden samengesteld. Vooral Chinese migranten die tussen de 5 en 15 jaar in Nederland verblijven werken met meer dan 70 procent relatief vaak. Onder overige Buiten-Europese migranten met dezelfde verblijfsduur is dat aandeel minder hoog.
Ongeacht verblijfsduur ontvangen Chinese migranten minder vaak een uitkering (5 procent) dan overige Buiten-Europese migranten (19 procent), en ook minder dan gemiddeld in Nederland (8 procent). Het aandeel scholieren en studenten is onder Chinese migranten hoger dan onder overige Buiten-Europese migranten. Dit geldt vooral voor Chinese migranten die 15 tot 20 jaar in Nederland verblijven, van wie bijna 3 op de 10 scholier of student is. Het aandeel pensioenontvangers neemt toe naarmate de verblijfsduur in Nederland hoger is. Onder zowel Chinese als overige Buiten-Europese migranten die 20 jaar of langer in Nederland verblijven is bijna een kwart pensioenontvanger.
| Verblijfsduur | Geboorteregio | Werkzaam | Uitkerings- ontvanger | Pensioen- ontvanger | (School)kind of student | Zonder inkomen | Niet vastgesteld |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | Totale bevolking | 56,0 | 7,7 | 21,2 | 10,2 | 2,7 | 2,2 |
| Totaal | China | 54,3 | 4,6 | 8,9 | 10,1 | 6,3 | 15,7 |
| Totaal | Overig Buiten-Europa | 48,8 | 18,9 | 13,3 | 6,4 | 5,5 | 7,1 |
| 0 tot 5 jaar | China | 33,1 | 1,9 | 0,2 | 10,0 | 4,5 | 50,4 |
| 0 tot 5 jaar | Overig Buiten-Europa | 39,3 | 13,3 | 0,8 | 11,1 | 5,8 | 29,8 |
| 5 tot 10 jaar | China | 72,4 | 3,1 | 1,1 | 9,2 | 9,1 | 5,2 |
| 5 tot 10 jaar | Overig Buiten-Europa | 54,7 | 19,9 | 1,8 | 15,6 | 6,5 | 1,5 |
| 10 tot 15 jaar | China | 71,2 | 4,4 | 1,4 | 13,3 | 7,8 | 1,8 |
| 10 tot 15 jaar | Overig Buiten-Europa | 58,7 | 17,5 | 3,3 | 12,2 | 7,0 | 1,3 |
| 15 tot 20 jaar | China | 57,0 | 4,5 | 2,3 | 29,2 | 5,9 | 1,1 |
| 15 tot 20 jaar | Overig Buiten-Europa | 60,5 | 17,5 | 4,3 | 9,8 | 6,8 | 1,0 |
| 20 jaar of langer | China | 58,0 | 7,6 | 23,4 | 4,1 | 6,2 | 0,7 |
| 20 jaar of langer | Overig Buiten-Europa | 48,6 | 21,4 | 24,0 | 0,7 | 4,7 | 0,5 |
Chinese asielmigranten vaker werkzaam dan overige Buiten-Europese asielmigranten
Chinese migranten hebben vaker betaald werk dan overige Buiten-Europese migranten. Dat verschil is vooral zichtbaar onder asielmigranten: 65 procent van de Chinese asielmigranten is werkzaam, tegenover 46 procent van de overige Buiten-Europese asielmigranten. Daarnaast werken ook Chinese gezinsmigranten (68 procent) gemiddeld vaker dan overige Buiten-Europese gezinsmigranten (61 procent). De nettoarbeidsparticipatie is het laagst onder studiemigranten (ongeveer de helft).
Zoals verwacht zijn arbeidsmigranten vaker werkzaam dan personen met een ander migratiemotief. Wel is het aandeel werkzame Chinese arbeidsmigranten met 76 procent gemiddeld lager dan onder overige Buiten-Europese arbeidsmigranten (91 procent). Mogelijk komt dit doordat er gemiddeld genomen een groot aantal Chinese arbeidsmigranten in Nederland verblijft onder de regeling voor wetenschappelijk onderzoekers. Van immigranten die verblijven onder deze regeling is eerder gebleken dat er vaak geen baan- of loongegevens bekend zijn, waardoor zij niet tot de werkzame bevolking worden gerekend (Van Gaalen et al., 2025).
| Migratiemotief | Totale bevolking (% van personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 71,4 | 63,5 | 57,5 |
| Asiel | 65,0 | 46,1 | |
| Gezin | 67,5 | 61,1 | |
| Arbeid | 76,1 | 91,0 | |
| Studie | 49,9 | 54,0 | |
| Overig/onbekend | 64,5 | 63,4 |
Hogere nettoarbeidsparticipatie bij langere verblijfsduur tot 20 jaar
Naarmate Buiten-Europese migranten tussen de 15 en 75 jaar langer in Nederland verblijven, hebben zij vaker betaald werk. Zo ligt de nettoarbeidsparticipatie van Chinese migranten die korter dan 5 jaar in Nederland verblijven betrekkelijk laag (46 procent). Dit is lager dan het percentage dat werkzaam is van de overige Buiten-Europese migranten (54 procent). Het verband tussen verblijfsduur (tot 20 jaar) volgt ongeveer hetzelfde patroon onder Chinese en overige Buiten-Europese migranten: na een verblijfsduur van 5 jaar neemt de arbeidsparticipatie sterk toe tot 20 jaar en na 20 jaar neemt deze weer af. Wel ligt de arbeidsdeelname van Chinese migranten (64 procent) in het algemeen hoger dan die van overige Buiten-Europese migranten (58 procent). Voor de verblijfsduren tussen 5 en 20 jaar, ligt de arbeidsparticipatie onder Chinese migranten 10 procentpunt hoger dan onder overige Buiten-Europese migranten.
| Verblijfsduur | Totale bevolking (% van personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 71,4 | 63,5 | 57,5 |
| 0 tot 5 jaar | 46,2 | 54,1 | |
| 5 tot 10 jaar | 73,0 | 63,0 | |
| 10 tot 15 jaar | 75,6 | 65,6 | |
| 15 tot 20 jaar | 77,3 | 66,6 | |
| 20 jaar of langer | 65,9 | 55,1 |
Hogere nettoarbeidsparticipatie Chinese migranten verklaard door achtergrondkenmerken
Van de Chinese migranten is 64,3 procent werkzaam. Van de overige Buiten-Europese migranten is 60,5 procent werkzaam, oftewel een verschil van 3,8 procentpunt. Dit verschil in nettoarbeidsparticipatie bestaat vanwege de gunstige achtergrondkenmerken van Chinese migranten. Als Chinese migranten namelijk dezelfde kenmerken zouden hebben als de overige Buiten-Europese migranten, dan zou 58,4 procent van hen werkzaam zijn. Dat is dus 5,9 procentpunt lager dan hun feitelijke arbeidsparticipatie en 2,1 procentpunt lager dan de nettoarbeidsparticipatie van overige Buiten-Europese migranten.
| Feitelijk (procentpunt) | Gecorrigeerd (procentpunt) | |
|---|---|---|
| Geboren in buitenland | 3,8 | -2,1 |
| 1) % van personen van 15 tot 75 jaar | ||
Chinese migranten hebben een aantal kenmerken – ten opzichte van overige Buiten-Europese migranten – die een gunstige invloed hebben op hun nettoarbeidsparticipatie, namelijk migratiemotief, leeftijd en studiestatus. Als Chinese migranten daarin niet verschilden van overige Buiten-Europese migranten, dan zouden zij een lagere nettoarbeidsparticipatie hebben.
Van alle achtergrondkenmerken in de analyse verklaart migratiemotief het grootste deel van het verschil in nettoarbeidsparticipatie tussen Chinese migranten en overige Buiten-Europese migranten. Werkzame Chinese migranten zijn relatief vaak als arbeids- of studiemigranten naar Nederland gekomen, overige Buiten-Europese migranten juist vaker als asielmigranten. Dit heeft een gunstige invloed op de nettoarbeidsparticipatie van Chinese migranten. Als de verhouding asiel-, gezins-, arbeids- en studiemigranten binnen de groep Chinese migranten hetzelfde zou zijn als binnen de groep overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 6,4 procentpunt lager liggen dan hun feitelijke participatie. Dat is 2,6 procentpunt lager dan de nettoarbeidsparticipatie van overige Buiten-Europese migranten.
Ook speelt leeftijd een belangrijke rol. In alle leeftijdsgroepen zijn Chinese migranten minder vaak werkzaam dan de rest van de bevolking (zie Hoofdstuk 3 Werk en Inkomen). Tegelijkertijd zijn Chinese migranten relatief vaak tussen de 25 en 45 jaar en juist minder vaak ouder dan 45 jaar (zie Hoofdstuk 1 Bevolking). Hun relatief lage gemiddelde leeftijd heeft een gunstige invloed op hun arbeidsdeelname. Indien Chinese migranten dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 0,9 procentpunt lager liggen dan hun feitelijke participatie.
Ten opzichte van overige Buiten-Europese migranten hebben Chinese migranten ook een aantal kenmerken die een ongunstige invloed hebben op hun nettoarbeidsparticipatie, namelijk geslacht, woonregio en verblijfsduur. Als Chinese migranten daarin niet zouden verschillen van overige Buiten-Europese migranten dan zouden zij een hogere nettoarbeidsparticipatie hebben.
Verschillen in de man-vrouw verdeling spelen een belangrijke rol. Vrouwen vormen een meerderheid van de Chinese migranten (57 procent, zie Hoofdstuk 1 Bevolking), dit heeft een ongunstige invloed op de totale arbeidsdeelname. Indien Chinese migranten dezelfde man-vrouw verdeling zouden hebben als overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun nettoarbeidsparticipatie 1,1 procentpunt hoger liggen dan hun feitelijke participatie.
Verschillen in verblijfsduur, studiestatus, woonregio (provincie) en stedelijkheid van de gemeente spelen een minimale rol bij het verklaren van het verschil in arbeidsdeelname tussen Chinese migranten en overige Buiten-Europese migranten.
Doordat de gunstige kenmerken een grotere rol spelen dan de ongunstige kenmerken is de uitkomst van de decompositieanalyse als geheel dat de gemiddelde nettoarbeidsparticipatie van Chinese migranten lager zou zijn wanneer zij dezelfde kenmerken als overige Buiten-Europese migranten zouden hebben.
Arbeidsmigranten relatief vaak vast dienstverband
Van alle 15- tot 75-jarige werkzame personen geboren in China heeft 40 procent een vast dienstverband, terwijl het voor overige Buiten-Europese migranten gaat het om 51 procent. Dit is lager dan in de totale Nederlandse bevolking (57 procent). Van de Chinese migranten, hebben studie- en arbeidsmigranten het vaakst een vast dienstverband (52 en 50 procent respectievelijk) . Overige Buiten-Europese arbeidsmigranten hebben met 69 procent het vaakst een vast dienstverband. Dit is een hoger percentage dan in de totale Nederlandse bevolking. Werkzame asielmigranten hebben het minst vaak een vast dienstverband.
Er bestaan verschillen tussen Chinese en overige Buiten-Europese migranten. Onder studiemigranten is er een verschil van ongeveer 10 procentpunt ten gunste van Chinese migranten. Met name onder Chinese arbeids- en gezinsmigranten is het aandeel met een vast dienstverband lager dan onder overige Buiten-Europese migranten. Chinese arbeidsmigranten hebben vaker een tijdelijk dienstverband dan overige Buiten-Europese arbeidsmigranten, terwijl Chinese gezinsmigranten vaker een contract als stagiair, oproep- of uitzendkracht hebben dan overige Buiten-Europese gezinsmigranten.
| Migratiemotief | Totale bevolking (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 56,5 | 40,1 | 51,4 |
| Asiel | 25,9 | 29,5 | |
| Gezin | 27,4 | 43,7 | |
| Arbeid | 49,7 | 69,1 | |
| Studie | 51,6 | 42,4 | |
| Overig/onbekend | 33,8 | 40,2 |
Chinese migranten vaker zelfstandigen
Het aandeel van de werkzame bevolking dat werkzaam is als zelfstandige is hoger onder Chinese migranten (22 procent) dan onder overige Buiten-Europese migranten (17 procent) of de totale bevolking (16 procent). Van de Chinese migranten, zijn asielmigranten (36 procent), gezinsmigranten (22 procent) en migranten met een overig of onbekend motief (24 procent) het vaakst werkzaam als zelfstandigen. Dit zijn hogere percentages dan voor de totale bevolking. Overige Buiten-Europese studiemigranten (12 procent) zijn daarentegen vaker werkzaam als zelfstandige dan Chinese studiemigranten (9 procent).
| Migratiemotief | Totale bevolking (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 16,3 | 21,5 | 16,6 |
| Asiel | 35,8 | 16,4 | |
| Gezin | 21,6 | 16,4 | |
| Arbeid | 5,6 | 6,0 | |
| Studie | 9,2 | 12,1 | |
| Overig/onbekend | 24,1 | 15,7 |
Minder vaak vast dienstverband Chinese migranten met langere verblijfsduur
Voor werkzame personen geboren in overig Buiten-Europa geldt dat het aandeel met een vast dienstverband toeneemt naarmate zij langer in Nederland verblijven. Van de overige Buiten-Europese migranten die 20 jaar of langer in Nederland verblijven, heeft 62 procent een vast dienstverband. Dit is een hoger percentage dan de totale bevolking (57 procent). Onder Chinese migranten is de samenhang tussen verblijfsduur en een vast dienstverband minder duidelijk aanwezig. Zo is het aandeel werknemers met een vast dienstverband onder Chinese migranten het hoogst voor hen die 5 tot 15 jaar in Nederland verblijven (ongeveer 50 procent). Chinese migranten die 15 of meer jaar in Nederland verblijven, hebben veel minder vaak een vast dienstverband dan overige Buiten-Europese migranten en dan de totale bevolking, al is dat mede het gevolg van een relatief grote groep zelfstandigen binnen deze groep (zie figuur 5.4d). Deze verschillen hangen niet samen met verschillen in leeftijd, geslacht, studiestatus, migratiemotief of verblijfsduur.
| Verblijfsduur | Totale bevolking (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 56,5 | 40,1 | 51,4 |
| 0 tot 5 jaar | 32,6 | 36,8 | |
| 5 tot 10 jaar | 50,0 | 41,7 | |
| 10 tot 15 jaar | 47,8 | 45,6 | |
| 15 tot 20 jaar | 33,0 | 49,9 | |
| 20 jaar of langer | 39,5 | 62,4 |
Chinese migranten met lange verblijfsduur relatief vaak zelfstandigen
Naarmate Buiten-Europese migranten tussen de 15 en 75 jaar langer in Nederland verblijven, zijn zij vaker werkzaam als zelfstandige. Zo is 10 procent van de Chinese migranten die 5 tot 10 jaar in Nederland verblijven werkzaam als zelfstandige, onder Chinese migranten die meer dan 20 jaar in Nederland verblijven is dit 38 procent. Het verband tussen verblijfsduur en werkzaam zijn als zelfstandige volgt de eerste 15 jaar na immigratie ongeveer hetzelfde patroon onder Chinese en overige Buiten-Europese migranten. Vanaf een verblijfsduur van 15 jaar in Nederland zijn Chinese migranten veel vaker werkzaam als zelfstandige dan overige Buiten-Europese migranten. De verschillen in het aandeel dat werkzaam is als zelfstandige naar geboorteregio hangen niet samen met verschillen in leeftijd, geslacht, studiestatus, migratiemotief of verblijfsduur.
| Verblijfsduur | Totale bevolking (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | China (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) | Overig Buiten-Europa (% van werkzame personen van 15 tot 75 jaar) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 16,3 | 21,5 | 16,6 |
| 0 tot 5 jaar | 3,7 | 7,9 | |
| 5 tot 10 jaar | 10,4 | 14,5 | |
| 10 tot 15 jaar | 19,3 | 19,0 | |
| 15 tot 20 jaar | 24,2 | 19,6 | |
| 20 jaar of langer | 37,5 | 20,3 |
Arbeidsmigranten werken meer uur dan gemiddelde werknemer
Gemiddeld genomen werken 15- tot 75-jarige werknemers in Nederland 31 uur per week. De arbeidsduur is hier berekend op basis van alle uren gemaakt in de maand januari en omvat de gewerkte uren in de hoofdbaan, maar ook eventueel gewerkte uren in extra banen naast de hoofdbaan. Onregelmatige uren en werkzaamheden van zelfstandigen zijn niet in deze bepaling van de arbeidsduur meegenomen. De gemiddelde arbeidsduur van migranten hangt samen met het migratiemotief. Zo werken arbeidsmigranten aanzienlijk meer, studiemigranten iets minder en migranten met een overig of onbekend motief nog iets minder dan de gemiddelde werknemer. Gezinsmigranten werken ongeveer evenveel en asielmigranten werken minder uur per week als de gemiddelde Nederlandse werknemer. De gemiddelde arbeidsduur van Chinese en overige Buiten-Europese migranten verschillen niet heel sterk van elkaar. Onder asiel- en studiemigranten is er een verschil van ongeveer 3 uur ten gunste van Chinese migranten. Voor gezins-, arbeidsmigranten en migranten met een overig of onbekend motief geldt dat overige Buiten-Europese migranten ongeveer 2 uur per week meer werken dan Chinese migranten.
| Migratiemotief | Totale bevolking (uur per week) | China (uur per week) | Overig Buiten-Europa (uur per week) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 31,0 | 32,7 | 32,5 |
| Asiel | 30,1 | 27,4 | |
| Gezin | 27,1 | 30,8 | |
| Arbeid | 37,3 | 39,5 | |
| Studie | 36,2 | 33,5 | |
| Overig/onbekend | 29,9 | 31,7 | |
| 1) Gemiddelde per week, op basis van alle banen in januari 2024 | |||
Migranten met korte verblijfsduur werken relatief veel uur
De arbeidsduur hangt niet eenduidig samen met de verblijfsduur. Werknemers geboren in China of in overig Buiten-Europa die korter dan 5 jaar in Nederland verblijven werken meer uren per week dan de gemiddelde werknemer in Nederland (31 uur). Dat komt doordat deze groep voor een groot deel uit arbeidsmigranten bestaat. Ook Chinese migranten die 5 tot 10 jaar in Nederland verblijven werken relatief veel uur in de week (35 uur). Alleen Chinese migranten die 15 tot 20 jaar in Nederland verblijven (28 uur) werken gemiddeld minder uur per week. Alle andere Buiten-Europese migranten werken ongeveer even veel als of meer uur per week dan de gemiddelde werknemer in Nederland.
| Verblijfsduur | Totale bevolking (uur per week) | China (uur per week) | Overig Buiten-Europa (uur per week) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 31,0 | 32,7 | 32,5 |
| 0 tot 5 jaar | 34,6 | 33,2 | |
| 5 tot 10 jaar | 35,1 | 31,3 | |
| 10 tot 15 jaar | 32,8 | 30,9 | |
| 15 tot 20 jaar | 27,6 | 31,0 | |
| 20 jaar of langer | 31,5 | 33,0 | |
| 1) Gemiddelde per week, op basis van alle banen in januari 2024 | |||
Lager uurloon Chinese migranten
Het gemiddelde uurloon van Buiten-Europese migranten is lager dan dat van de gemiddelde werknemer in Nederland. Het gemiddelde bruto uurloon van Chinese migranten (mannen en vrouwen samen) bedraagt 24,70 euro. Het gemiddelde bruto uurloon ligt hoger voor overige Buiten-Europese migranten (26,00 euro) en de totale bevolking (27,40 euro). Onder overige Buiten-Europese arbeidsmigranten ligt het gemiddeld uurloon het hoogst van alle motieven (41,00 euro). Dit is mede het gevolg van het hoge aandeel kennismigranten in deze groep. Onder Chinese arbeidsmigranten is het aandeel kennismigranten lager dan onder de overige Buiten-Europese arbeidsmigranten. Van de Chinese arbeidsmigranten is een aanzienlijk deel naar Nederland gekomen onder de regeling Aziatische horeca. Personen die werken onder deze regeling hebben gemiddeld een minder hoog uurloon dan kennismigranten (CBS, 2025). Ook onder werknemers met motief gezin, arbeid of overig en onbekend ligt het gemiddelde uurloon van Chinese migranten lager dan dat van overige Buiten-Europese migranten. Chinese asielmigranten en overige Buiten-Europese asielmigranten verdienen het laagste uurloon.
| Migratiemotief | Totale bevolking (euro) | China (euro) | Overig Buiten-Europa (euro) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 27,40 | 24,70 | 26,00 |
| Asiel | 18,80 | 18,10 | |
| Gezin | 19,10 | 21,60 | |
| Arbeid | 26,60 | 41,00 | |
| Studie | 29,50 | 27,10 | |
| Overig/onbekend | 23,20 | 24,00 | |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar | |||
Lager uurloon ongeacht verblijfsduur
Er is geen eenduidig verband tussen het uurloon en de verblijfsduur van werknemers. Voor zowel Chinese migranten als overige Buiten-Europese migranten ligt het uurloon voor iedere verblijfsduur lager dan het gemiddelde van de totale bevolking. Wel zijn er verschillen in het uurloon naar verblijfsduur tussen Chinese en overige Buiten-Europese migranten. Zo ligt het gemiddelde uurloon voor Chinese migranten die minder dan 5 of meer dan 15 jaar in Nederland verblijven lager dan dat van overige Buiten-Europese migranten. Voor de Chinese migranten die tussen de 5 en 15 jaar in Nederland verblijven ligt het uurloon iets hoger.
| Verblijfsduur | Totale bevolking (euro) | China (euro) | Overig Buiten-Europa (euro) |
|---|---|---|---|
| Totaal | 27,40 | 24,70 | 26,00 |
| 0 tot 5 jaar | 23,70 | 25,80 | |
| 5 tot 10 jaar | 26,20 | 25,80 | |
| 10 tot 15 jaar | 24,90 | 24,40 | |
| 15 tot 20 jaar | 22,10 | 24,40 | |
| 20 jaar of langer | 25,50 | 26,60 | |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar | |||
Verschil in uurloon neemt toe na correctie
Het gemiddelde uurloon van Chinese migranten die na 1999 zijn geïmmigreerd bedraagt 24,30 euro. Voor de overige Buiten-Europese migranten die na 1999 zijn geïmmigreerd is dit 25,20 euro, oftewel een verschil van 0,90 euro. Dit verschil in uurloon bestaat ondanks de gunstige achtergrondkenmerken van Chinese migranten. Als Chinese migranten namelijk dezelfde kenmerken zouden hebben als de overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun uurloon 22,70 euro zijn. Dat is 1,60 euro lager dan hun feitelijke uurloon en 2,50 euro lager dan het uurloon van overige Buiten-Europese migranten.
Chinese migranten hebben een aantal kenmerken – ten opzichte van overige Buiten-Europese migranten – die een ongunstige invloed hebben op hun uurloon, namelijk de bedrijfstakken waarin zij werken, leeftijd, woonregio en geslacht. Als Chinese migranten daarin niet zouden verschillen van overige Buiten-Europese migranten dan zouden zij gemiddeld een hoger uurloon hebben.
De bedrijfstak waarin men werkzaam is verklaart een groot deel van het verschil in uurloon tussen Chinese migranten en overige Buiten-Europese migranten. Chinese migranten werken veel vaker in de horeca, een bedrijfstak waar lonen relatief laag liggen. Zij werken ook minder vaak in de verhuur en overige zakelijke diensten, gezondheids- en welzijnszorg, bouwnijverheid, informatie en communicatie en openbaar bestuur en overheidsdiensten, waar de lonen juist hoger liggen. Als Chinese migranten in dezelfde bedrijfstakken zouden werken als overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun gemiddelde uurloon 1,00 euro hoger zijn.
Het lagere uurloon van Chinese migranten wordt ook deels verklaard door leeftijd en woonregio. Chinese migranten zijn relatief vaak tussen de 25 en 45 jaar en juist minder vaak ouder dan 45 jaar (zie Hoofdstuk 1 Bevolking), wat een ongunstige invloed heeft op hun uurloon. Indien Chinese migranten dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun uurloon 0,30 euro hoger liggen dan hun feitelijke uurloon. De woonregio, maar niet de stedelijkheid van de woongemeente, hangt ook samen met het lagere uurloon van Chinese migranten. Vergeleken met de rest van de bevolking wonen Chinese migranten vaker in Zuid-Holland en Noord-Holland. Als Chinese migranten in dezelfde regio’s zouden wonen als overige Buiten-Europese migranten, dan zou hun uurloon 0,20 euro hoger zijn.
Het migratiemotief heeft de grootste bijdrage aan het verschil in uurloon tussen Chinese en overige Buiten-Europese migranten. Chinese migranten zijn vaker dan overige Buiten-Europese migranten als arbeids- of studiemigrant naar Nederland gekomen, en hebben daarmee een gunstiger uitgangspositie dan de gemiddelde overige Buiten-Europese migrant. Overige Buiten-Europese migranten zijn vaker als asiel- of gezinsmigrant gekomen. Als de verhouding asiel-, gezins-, arbeids- en studiemigranten binnen de groep Chinese migranten hetzelfde zou zijn als binnen de groep overige Buiten-Europese migranten, dan zou het uurloon van Chinese migranten 3,00 euro lager zijn dan hun feitelijke uurloon.
Verschillen in studiestatus, verblijfsduur, geslacht en de stedelijkheid van de woongemeente spelen een minimale rol in het verklaren van het verschil in uurloon tussen Chinese migranten en overige Buiten-Europese migranten.
Doordat migratiemotief een grotere rol speelt dan de andere, ongunstige, kenmerken is de uitkomst van de decompositieanalyse als geheel dat het gemiddelde uurloon van Chinese migranten lager zou zijn wanneer zij dezelfde kenmerken als andere migranten zouden hebben.
| Feitelijk (euro) | Gecorrigeerd (euro) | |
|---|---|---|
| Geboren in buitenland | -0,90 | -2,50 |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar | ||
Literatuur
CBS. (2025). Dashboard migratiemotieven.
Van Gaalen, R., De Mooij, M., De Vries, F., Bras, V. en Zorlu A. (2025). Komen en gaan van arbeidsmigranten in de periode 2005-2021. Statistische Trends.
Onderzoeksmethode
Onderzoeksbestand
Voor de analyses in dit rapport is een onderzoeksbestand samengesteld met persoonsgegevens uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB). Het SSB bevat databestanden met onder andere gegevens over personen, uitkeringen, banen, inkomen, opleidingen, huishoudens, woningen, ruimtelijke indelingen. Deze gegevens zijn onderling gekoppeld. Omdat personen van Chinese herkomst in Nederland een relatief kleine bevolkingsgroep vormen, zijn de analyses beperkt tot de registraties uit het SSB. Er is in dit rapport geen gebruik gemaakt van informatie uit enquêtes.
Regressieanalyse
In dit rapport wordt een groot aantal statistieken uitgesplitst naar herkomst. Waargenomen verschillen tussen herkomstgroepen zijn vaak (deels) terug te voeren op de kenmerken van die herkomstgroepen, waaronder de verdelingen van geslacht, leeftijd, opleidingsniveau of inkomen. Daarom zijn controles uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met deze kenmerken. Dit is gedaan door middel van enkelvoudige lineaire regressies. Bij deze regressieanalyses is het verschil tussen de herkomstgroepen en de totale Nederlandse bevolking geschat, voor en na de invoering van ieder kenmerk. De herkomstgroepen zijn daarbij gecodeerd volgens gewogen effectcodering, zodat de coëfficiënten van de herkomstgroepen de gecorrigeerde verschillen geven ten opzichte van het Nederlands gemiddelde. De uitkomsten van deze regressies zijn kort geduid.
Kitagawa-Oaxaca-Blinder decompositie
In de hoofdstukken 2 en 3 zijn verdiepende analyses gedaan met behulp van de Kitagawa-Oaxaca-Blinder decompositiemethode (zie ook Jann, 2008). Deze methode is een variant op de meervoudige regressiemethode. Het doel van de methode is om een verschil in gemiddelde uitkomsten tussen twee groepen te duiden. Een voorbeeld betreft het gemiddelde uurloonverschil tussen Chinese migranten en de rest van de bevolking.
De Kitagawa-Oaxaca-Blinder decompositie kan op verschillende manieren worden geïmplementeerd. In dit rapport is gebruik gemaakt van een lineaire tweevoudige decompositie. Daarbij wordt in iedere groep een aparte meervoudige lineaire regressie geschat, met als uitkomst de bewuste maat (bijv. maandloon) en als onafhankelijke variabelen de kenmerken (bijv. leeftijd, opleidingsniveau en woonregio). De methode toont vervolgens in hoeverre de variabelen tezamen het groepsverschil kunnen verklaren. Ook toont het de rol van iedere individuele variabele, indien de andere variabelen gelijk zouden blijven. Er kan bijvoorbeeld worden bekeken of een jongvolwassen, hoogopgeleide, in Gelderland woonachtige persoon van Chinese herkomst hetzelfde loon verdient als andere jongvolwassen, hoogopgeleide in Gelderland woonachtige personen.
De decompositie laat voor iedere variabele zien in hoeverre die bijdraagt aan het verklaarde en aan het onverklaarde groepsverschil. In dit rapport wordt alleen ingegaan op de bijdrage aan het verklaarde groepsverschil, omdat het onverklaarde verschil van een tweevoudige decompositie geen eenduidige interpretatie heeft.
In dit rapport wordt de positie van mensen van Chinese herkomst vergeleken met die van de totale Nederlandse bevolking. Bij de Kitagawa-Oaxaca-Blinder decompositie kan de doelpopulatie geen deel uitmaken van de referentiegroep. Om het Nederlandse gemiddelde zo goed mogelijk te benaderen, worden Chinese migranten en de Chinese tweede generatie vergeleken met de rest van de Nederlandse bevolking. De referentiegroep voor de analyses van Chinese migranten omvat dus ook de Chinese tweede generatie, en vice versa.
Literatuur
Jann, B. (2008). The Blinder-Oaxaca decomposition for linear regression models. The Stata Journal, 8(4), 453–479.
Bijlage
| Geboren in buitenland | Geboren in Nederland | ||
|---|---|---|---|
| Kenmerk | Geslacht | -3,9 | -0,2 |
| Kenmerk | Gezinsstructuur | 6,4 | 1,7 |
| Kenmerk | Huishoudinkomen | 7,8 | 2,0 |
| Kenmerk | Leeftijd moeder bij geboorte | 11,2 | 0,0 |
| Kenmerk | Stedelijkheid gemeente | 4,8 | 6,3 |
| Totaal | Feitelijk verschil (procentpunt) | 10,9 | 27,0 |
| Totaal | Verschil verklaard (procentpunt) | 2,9 | 2,6 |
| Totaal | Percentage verklaard (%) | 26,4 | 9,8 |
| Geboren in buitenland | Geboren in Nederland | ||
|---|---|---|---|
| Kenmerk | Geslacht | 6,9 | 1,0 |
| Kenmerk | Leeftijd | -55,4 | 93,7 |
| Kenmerk | (School)kind of student | 1,5 | -6,8 |
| Kenmerk | Woonregio | -3,1 | 5,7 |
| Kenmerk | Stedelijkheid gemeente | 27,2 | -28,3 |
| Totaal | Feitelijk verschil (procentpunt) | -8,0 | 8,0 |
| Totaal | Verschil verklaard (procentpunt) | 1,8 | 7,6 |
| Totaal | Percentage verklaard (%) | -23,0 | 95,4 |
| 1) Van personen van 15 tot 75 jaar. | |||
| Geboren in buitenland | Geboren in Nederland | ||
|---|---|---|---|
| Kenmerk | Geslacht | 7,9 | 2,3 |
| Kenmerk | Leeftijd | 11,3 | 84,7 |
| Kenmerk | (School)kind of student | -3,2 | 17,6 |
| Kenmerk | Opleidingsniveau | . | -48,9 |
| Kenmerk | Bedrijfstak | 63,2 | 26,2 |
| Kenmerk | Woonregio | -10,6 | -15,6 |
| Kenmerk | Stedelijkheid gemeente | -11,6 | -3,1 |
| Totaal | Feitelijk verschil (euro) | -2,80 | -2,40 |
| Totaal | Verschil verklaard (euro) | -1,60 | -1,50 |
| Totaal | Percentage verklaard (%) | 56,9 | 63,2 |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar. | |||
| Geboren in buitenland | ||
|---|---|---|
| Kenmerk | Geslacht | -28,5 |
| Kenmerk | Leeftijd | 24,0 |
| Kenmerk | (School)kind of student | 6,8 |
| Kenmerk | Woonregio | -5,8 |
| Kenmerk | Stedelijkheid gemeente | -3,8 |
| Kenmerk | Migratiemotief | 167,6 |
| Kenmerk | Verblijfsduur | -5,4 |
| Totaal | Feitelijk verschil (procentpunt) | 3,8 |
| Totaal | Verschil verklaard (procentpunt) | 5,9 |
| Totaal | Percentage verklaard (%) | 154,8 |
| 1) Van personen van 15 tot 75 jaar. | ||
| Geboren in buitenland | ||
|---|---|---|
| Kenmerk | Geslacht | 13,0 |
| Kenmerk | Leeftijd | 29,2 |
| Kenmerk | (School)kind of student | 2,5 |
| Kenmerk | Bedrijfstak | 112,9 |
| Kenmerk | Woonregio | 17,5 |
| Kenmerk | Stedelijkheid gemeente | -1,1 |
| Kenmerk | Migratiemotief | -334,0 |
| Kenmerk | Verblijfsduur | -13,1 |
| Totaal | Feitelijk verschil (euro) | -0,90 |
| Totaal | Verschil verklaard (euro) | 1,60 |
| Totaal | Percentage verklaard (%) | -173,1 |
| 1) In de hoofdbaan van werknemers van 15 tot 75 jaar. | ||
Begrippen
Arbeidsduur
Het aantal uren dat een persoon in een normale of gemiddelde werkweek in alle banen werkt. In dit rapport wordt de wekelijkse arbeidsduur getoond. De wekelijkse arbeidsduur wordt berekend als het gemiddeld aantal verloonde uren van alle banen in januari 2024 vermenigvuldigd met 12 (jaarbasis) en vervolgens gedeeld door 52 (weekbasis). De verloonde uren zijn inclusief vakantie-uren, betaalde overwerkuren en doorbetaald ziekte- en studieverlof, maar exclusief arbeidsduurverkorting (ADV).
Arbeidsrelatie
De verhouding tussen werkgever en werknemer. Deze wordt bepaald op basis van het soort baan en het soort contract. Zelfstandigen zijn ook meegenomen.
De arbeidsrelatie wordt in vier categorieën onderscheiden:
- Werknemer vast: werknemers met een contract voor onbepaalde tijd in een regulier dienstverband of een dienstverband volgens de Wet sociale werkvoorziening;
- Werknemer tijdelijk: werknemers met een contract voor bepaalde tijd in een regulier dienstverband of een dienstverband volgens de Wet sociale werkvoorziening;
- Werknemer overig flexibel: stagiairs in opleiding, oproep- en invalkrachten en uitzendkrachten;
- Zelfstandige: personen zonder dienstverband die werkzaam zijn als zelfstandig ondernemer, directeur-grootaandeelhouder van een eigen bedrijf, meewerkend gezinslid of overige zelfstandige.
Bedrijfstak
Indeling in bedrijfstakken op basis van de Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008). Dit is de Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. De SBI 2008 is de versie die vanaf 2008 gebruikt wordt. 'Bedrijfstak' of 'branche' zijn gangbare termen voor groepen van bedrijven met dezelfde hoofdactiviteit. Het CBS hanteert voor de indeling van bedrijven naar hoofdactiviteit de zogenoemde Standaard Bedrijfsindeling (SBI). Bedrijven in een bedrijfstak of branche kunnen naast deze activiteit ook andere activiteiten (nevenactiviteiten) uitoefenen.
Herkomst
Een kenmerk dat weergeeft waar een persoon of diens ouders zijn geboren. Een persoon van Nederlandse herkomst is zelf in Nederland geboren en heeft ouders die ook in Nederland zijn geboren. Een persoon van buitenlandse herkomst is zelf in het buitenland geboren of heeft ten minste één ouder die in het buitenland is geboren. Het herkomstland van personen die in het buitenland geboren zijn wordt bepaald door hun eigen geboorteland. Bij personen die in Nederland geboren zijn, wordt de herkomst bepaald door het geboorteland van de ouders. Wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren, is het geboorteland van de moeder leidend.
Hoofdbaan
De baan waarin iemand werkt. Indien een persoon op het peilmoment meerdere banen heeft, is de hoofdbaan de baan met het hoogste maandloon. Het gaat daarbij om het totaal verdiende maandloon, ongeacht het gewerkte aantal uren. Zelfstandigen verdienen geen loon maar winst en vallen daarom buiten de groep met een baan.
Gestandaardiseerd inkomen
Het gestandaardiseerd inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt.
Jeugdzorg
Het geheel van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering dat onder verantwoordelijkheid van de gemeente wordt uitgevoerd volgens de Jeugdwet (2014).
Kindertal
Het aantal levend geboren kinderen dat een vrouw heeft gekregen. In deze publicatie is alleen gekeken naar het gerealiseerde kindertal van vrouwen van 45 jaar of ouder, niet naar nog te verwachten kinderen van jongere vrouwen.
Leeftijd bij geboorte eerste kind
De leeftijd van een vrouw op het moment dat zij haar eerste levend geboren kind heeft gekregen. In deze publicatie is gekeken naar alle vrouwen die op het peilmoment in Nederland stonden ingeschreven en ooit een kind hebben gekregen, niet alleen naar vrouwen die recent een kind hebben gekregen.
Migrant
Een persoon geboren in het buitenland.
Migratiemotief
Het motief voor immigratie naar Nederland. Deze motieven worden sinds 1999 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vastgesteld op moment van de eerste immigratie. Dit gebeurt alleen voor immigranten met een niet-EU/EFTA-nationaliteit.
Migratieregeling
Verdere detaillering van migratiemotief naar onderliggende vergunningen. Het CBS heeft alleen gegevens over migratieregelingen van arbeidsmigranten tot zijn beschikking. De cijfers over migratieregelingen zijn gebaseerd op de immigratiejaren vanaf 2014 tot en met 2023.
Nettoarbeidsparticipatie
Het aandeel van de bevolking dat werkzaam is in een betaalde baan. De gegevens worden meestal gepresenteerd voor personen tussen de 15 en 75 jaar in particuliere huishoudens.
Opleidingsniveau
Het niveau van de hoogst behaalde opleiding. Het gaat daarbij om opleidingen in het formele onderwijs.
Plaats in het huishouden
De positie die een lid van een huishouden inneemt ten opzichte van de referentiepersoon in dat huishouden.
Sociaaleconomische positie
De sociaaleconomische positie is vastgesteld op basis van de voornaamste inkomstenbron.
De volgende vijf sociaaleconomische categorieën worden onderscheiden:
- Werkzaam: inkomen uit arbeid of inkomen als zelfstandige is de voornaamste inkomstenbron;
- Uitkeringsontvanger: een werkloosheids-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, of een uitkering uit een sociale voorziening (o.a. bijstand) is de voornaamste inkomstenbron;
- Pensioenontvanger: een pensioenuitkering is de voornaamste inkomstenbron;
- School(kind) of student: voltijdonderwijs volgen is de belangrijkste activiteit. Als een scholier of student inkomen heeft uit een bijbaan en dit meer is dan de lage-inkomensgrens (in 2023 was de grens 1 510 euro netto per maand voor een alleenstaande), dan wordt deze persoon gezien als werkzaam;
- Geen inkomen: persoon zonder eigen inkomen. Het is mogelijk dat iemand wordt betaald door een buitenlands bedrijf, waardoor mogelijk in Nederland geen inkomen wordt waargenomen. Hierdoor kan deze persoon onterecht in de categorie ‘geen inkomen’ terechtkomen.
Deze positie is alleen vastgesteld voor mensen in particuliere huishoudens met inkomen.
Stedelijkheid
De mate van stedelijkheid van een gemeente. Deze wordt toegekend op grond van de gemiddelde adressendichtheid binnen de gemeente. De adressendichtheid voor een gegeven adres bestaat uit het aantal andere adressen binnen een straal van een kilometer.
Studiestatus
Een kenmerk dat aangeeft of een persoon in een bepaalde maand is ingeschreven als scholier of student. Deze informatie is bekend voor alle scholieren en studenten in door de Nederlandse overheid bekostigd onderwijs.
Tweede generatie
Personen die in Nederland geboren zijn en van wie een of beide ouders in het buitenland geboren zijn.
Verblijfsduur
De periode die is verstreken sinds de eerste immigratie naar Nederland. Deze is in dit rapport alleen berekend voor personen geboren in het buitenland.
Voortijdig schoolverlater
Een leerling die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaat. Een startkwalificatie bestaat uit een afgeronde havo-, vwo- of basisberoepsopleiding (ook bekend als mbo-2). Een afgeronde vmbo- of entreeopleiding (mbo-1) volstaat niet als startkwalificatie. Voortijdig schoolverlaten wordt berekend voor de jaarlijkse aanwas, dat wil zeggen als aandeel van alle scholieren of studenten die in een bepaald jaar een bepaald onderwijsniveau volgden.
Werknemer
Een persoon die in een arbeidsovereenkomst afspraken met een economische eenheid maakt om arbeid te verrichten waartegenover een financiële beloning staat.
Zelfstandigen
Zelfstandig ondernemers zijn personen die in een verslagjaar winst in de aangifte inkomstenbelasting hebben opgegeven. De aangifte- en inkomensgegevens worden afgeleid uit de winstaangiften Inkomstenbelasting en de daarbij behorende voorlopige aanslagen.
Zorgkosten
De kosten die in het kader van de basisverzekering door zorgverzekeraars zijn vergoed. Bij deze kosten is ook het eigen risico inbegrepen dat door verzekerden zelf is betaald, met uitzondering van verzekerden die in het betreffende jaar het eigen risico niet volledig hebben opgebruikt.
Zorgkosten GGZ
Kosten voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ), in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw), volgens het Zorgprestatiemodel (ZPM). Het betreft de kosten voor behandeling van patiënten met psychische problemen: kosten van (groeps)consulten, kosten van verblijfsdagen en overige kosten. Ingevoerd met de introductie van het ZPM in 2022. Omvat de voormalige generalistische basis GGZ en gespecialiseerde GGZ.
Gebruikte databronnen
De volgende bronnen en/of leveranciers van bronnen worden kort beschreven:
- Basisregistratie Personen (BRP)
- Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
- Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek
- Onderwijsstatistieken
- Opleidingsniveaubestand
- Polisadministratie
- RVE-geneesmiddelenverstrekkingen (Zorginstituut Nederland)
- Sociaaleconomisch categorie (SECM)
- Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB)
- Verleende vergunningen
- Vektis BASIC (zorgkosten)
- Zorginstituut Nederland (geneesmiddelenverstrekking)
Basisregistratie Personen (BRP)
Het register waarin alle inwoners van Nederlandse gemeenten staan ingeschreven. Ook niet-ingezetenen maken deel uit van het register. Mensen die in Nederland hebben gewoond (formeel ingezetene zijn geweest) maar zijn geëmigreerd en mensen die zijn overleden maken deel uit van het register. De BRP bevat onder meer informatie over persoonskenmerken als geboortedatum, geboorteland en geslacht alsook gegevens over verwanten, zoals ouders, kinderen en partners. Ook adresgegevens zijn opgenomen in de BRP. De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) vormt de grondslag voor de gemeentelijke bevolkingsregisters. Vanaf januari 2014 is de Wet GBA vervangen door de Wet basisregistratie personen (Wet BRP).
Uitgezonderd zijn:
- Inwoners van Nederland die gebruik maken van uitzonderingsregels die gelden met betrekking tot opneming in de bevolkingsregisters (niet-Nederlandse diplomaten en niet-Nederlandse NAVO-militairen). Zij mogen zelf bepalen of zij in de bevolkingsregisters ingeschreven worden of niet;
- Asielzoekers die korter dan zes maanden in de centrale opvang verblijven en nog geen verblijfsvergunning hebben gekregen.
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
De IND voert het vreemdelingenbeleid, de Vreemdelingenwet en de Rijkswet op het Nederlanderschap uit. De IND behandelt alle aanvragen voor asiel, gezinshereniging, visa en andere verblijfsvergunningen. Daarbij toetst de IND of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden om in Nederland te verblijven of Nederlander te worden.
Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek
Het Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek geeft een beeld van de samenstelling en verdeling van het inkomen en vermogen van personen en huishoudens in Nederland. De populatie bestaat uit de bevolking van Nederland in particuliere huishoudens op 1 januari. Het onderzoek is gebaseerd op integrale registraties van de Belastingdienst, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de BRP.
Onderwijsstatistieken
De onderwijsstatistieken geven een breed overzicht van diverse aspecten van het onderwijs in Nederland. De meeste informatie heeft betrekking op de scholieren/studenten en de geslaagden/afgestudeerden bij de verschillende onderwijssoorten. Daarnaast zijn er gegevens over onderwijsinstellingen, de overheidsuitgaven aan onderwijs, stromen in het onderwijs, studievoortgang van scholieren/studenten en voortijdig schoolverlaten en de bestemming van geslaagden/ afgestudeerden op de arbeidsmarkt. Het grootste deel van de statistieken betreft het onderwijs dat wordt bekostigd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Opleidingsniveaubestand
Het Opleidingsniveaubestand bevat data over het hoogst behaalde en hoogst gevolgde opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking op peildatum 1 oktober. Het bestand is gebaseerd op gegevens uit diverse registers (voor een belangrijk deel uit de onderwijsnummerbestanden van DUO en de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Door het gebruik van meerdere (jaargangen van) bronnen heeft het een zeer hoge dekkingsgraad (ruim 12 miljoen personen in 2020) die bovendien jaarlijks toeneemt. Hoewel de dekkingsgraad hoog is, vertegenwoordigt het bestand niet de gehele doelpopulatie. De informatie is voor een deel van de bevolking integraal en voor de overige personen op steekproefbasis. Het bestand bevat een ophooggewicht dat voor representatieve uitkomsten zorgt voor de bevolking in Nederland.
Polisadministratie
De Polisadministratie bevat gegevens over banen en is gebaseerd op data uit de loonaangiften van de Belastingdienst. De loonaangiften bevatten gegevens over inkomstenverhoudingen (uit de loonadministratie) van werkgevers en andere inhoudingsplichtigen. Het doel van de Polisadministratie is inzicht te krijgen in arbeidscontracten en loon van werknemers. De Belastingdienst ontvangt de loonaangifte en het UWV maakt daar de Polisadministratie van.
RVE-geneesmiddelenverstrekkingen (Zorginstituut Nederland)
Ten bate van de risicoverevening (RVE) in het kader van de Zorgverzekeringswet leveren zorgverzekeraars het Zorginstituut Nederland gegevens over alle geneesmiddelenverstrekkingen per persoon die zijn vergoed uit de verplichte basisverzekering voor geneeskundige zorg. Het is een volledig dekkend bestand dat nagenoeg volledig koppelbaar is met de Basisregistratie Personen. De geneesmiddelen zijn op basis van artikelcodes ingedeeld naar ATC-klasse (anatomisch, therapeutisch, chemisch), een classificatiesysteem van de WHO (World Health Organization).
Sociaaleconomisch categorie (SECM)
Dit bestand bevat gegevens over de sociaaleconomische categorie (SECM) van personen in een bepaalde maand. Van de afzonderlijke inkomensbronnen, die aan de afbakening van SECM ten grondslag liggen, wordt aangegeven of een persoon deze in de betreffende periode heeft. Ook wordt in het bestand aangegeven of een persoon als scholier/student in de betreffende maand stond ingeschreven. Longitudinaal bestand beschikbaar vanaf 1999.
Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB)
Het doel van het SSB is het verschaffen van microdata waarmee een samenhangende, consistente beschrijving kan worden gegeven van een aantal aspecten van de bevolking van Nederland. Het SSB is een stelsel van op individueel niveau koppelbare registers en enquêtes. Met gegevens uit het SSB worden voor verschillende onderwerpen statistieken gemaakt en wordt sociaalwetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. De SSB-populatie betreft alle personen die in Nederland wonen en personen die niet in Nederland wonen maar wel in Nederland werken, een uitkering dan wel pensioen vanuit Nederland ontvangen of in Nederland onderwijs volgen. Er zijn onder meer gegevens beschikbaar over personen, uitkeringen, banen, inkomen, opleidingen, huishoudens, woningen en ruimtelijke indelingen. Door de opzet van het SSB is samenhangende informatie aanwezig voor kleine groepen in de samenleving, kan regionaal sterk gedetailleerde informatie gegeven worden en kunnen groepen personen door longitudinaal onderzoek gevolgd worden.
Verleende vergunningen
De migratiemotieven van immigranten met een nationaliteit van een land buiten de EU/EFTA zijn afkomstig van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie en Veiligheid en gebaseerd op de eerste verblijfsvergunning die de IND heeft afgegeven (asiel, arbeid, gezin, studie, overig).
Vektis BASIC (zorgkosten)
Vektis BASIC bevat per verzekerde persoon de kosten die zorgverzekeraars en volmachthouders hebben vergoed vanuit de basisverzekering, uitgesplitst naar de verschillende zorgvormen (bijvoorbeeld huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, etc.). Vektis, het informatiecentrum voor de zorg van Zorgverzekeraars Nederland, maakt op basis van acht kwartalen (jaar t en t+1) een jaarbestand dat dient voor de risicoverevening in het kader van de Zorgverzekeringswet. Verzekeraars schatten per type zorg de nog te verwachten kosten, deze worden verdeeld over de personen die voor die zorgvorm al kosten hadden gemaakt.
Zorginstituut Nederland (geneesmiddelenverstrekking)
Zorgverzekeraars leveren aan het Zorginstituut Nederland (tot april 2014 bekend als College voor Zorgverzekeringen, CVZ) gegevens over alle geneesmiddelenverstrekkingen per persoon die vergoed worden uit de verplichte basisverzekering voor geneeskundige zorg. Deze registratie bestaat sinds 2006 en wordt gebruikt voor de risicoverevening, waarbij de zorgverzekeraars gecompenseerd worden voor hun patiëntenpopulatie. Het is een volledig dekkend bestand dat nagenoeg volledig koppelbaar is met de Basisregistratie Personen. De geneesmiddelen zijn op basis van artikelcodes ingedeeld naar ATC-klasse (anatomisch, therapeutisch, chemisch), een classificatiesysteem van de Wereldgezondheidsorganisatie.