Doorontwikkeling provinciale natuurindicatoren

1. Inleiding

In opdracht van BIJ12 en de Werkgroep Monitoring Natuur heeft het CBS enkele jaren geleden natuurindicatoren op provinciaal (en lager) schaalniveau ontwikkeld. Deze natuurindicatoren geven een gemiddeld beeld van de trend in de populaties van hele soortgroepen, bijvoorbeeld alle broedvogels of alle dagvlinders per provincie, of van kenmerkende soorten per ecosysteemtype, zoals bos, heide of open duin. 

De gegevens voor de provinciale natuurindicatoren zijn in meerderheid afkomstig uit de verschillende meetprogramma’s van het Netwerk Ecologische Monitoring. Deze meetprogramma’s zijn destijds opgezet om met name landelijke trends per soort op te leveren. Representativiteit en statistische robuustheid zijn daarom op landelijk niveau grotendeels geborgd. Op provinciaal niveau is dat voor een gedeelte van de soorten niet het geval. Om grip te houden op de kwaliteit van de provinciale indicatoren gebaseerd op provinciale trends is nadere inspectie van de onderliggende trends per soort noodzakelijk. 

Aanvankelijk werd hiertoe een plausibiliteitstoets ontwikkeld, waarbij het aantal meetpunten, de statistische significantie van de trend en de richting van de trend in vergelijking met het landelijke beeld en dat van aanpalende provincies, meewogen in het besluit de trend al dan niet te gebruiken voor de betreffende indicator. Het aantal meetpunten (de “teldekking”) woog dus wel mee, maar was niet diskwalificerend op zichzelf; als de andere onderdelen van de plausibiliteitstoets ‘de goede kant’ op wezen, dan kon een trend die bepaald was met zeer magere teldekking gewoon meedoen.

Die teldekking is recent echter dusdanig cruciaal gebleken om een stijging of daling van een trend vast te kúnnen stellen, dat de plausibiliteitstoets alleen niet volstaat. In 2025 is in opdracht van BIJ12 daarom ingezet op verdere ontwikkeling van een methode om vast te stellen of een trend op voldoende meetpunten is gebaseerd om opname in de provinciale natuurindicatoren te rechtvaardigen. Het onderzoek heeft geresulteerd in vuistregels voor teldekking. Toepassing van deze vuistregels bij de actualisatie van de indicatoren heeft geleid tot uitsluiting van een beperkt aantal soorten per indicator. 

Al eerder was gebleken dat de indicatoren door de bank genomen vrij robuust zijn tegen het afvallen van een beperkte set aan soorten. De meeste indicatoren zijn als gevolg van het afvallen van een paar soorten dan ook niet heel erg veranderd wat trendrichting en trendbeoordeling betreft t.o.v. de indicatorenset van vorige ronde, al zijn er zeker uitzonderingen. 

Dit rapport beschrijft de aanpak van het onderzoek naar de teldekking en het formuleren van de vuistregels voor opname in de provinciale natuurindicatoren.