Invloed van sociale situaties op het aantal dienstjaren

4. 21 dienstjaren op basis van gelijkstelling en werk

Dit hoofdstuk beschrijft wat de toename is van het aantal personen met 21 dienstjaren als niet alleen naar dienstjaren door werk gekeken wordt, maar ook naar dienstjaren door een gelijkgestelde sociale situatie. Deze toename wordt beschreven per afzonderlijke gelijkstelling en ook voor alle acht gelijkstellingen samen. Daarbij wordt uitgesplitst naar leeftijd (aan het begin van het jaar) en per leeftijdsjaar ook gekeken naar de toenames per geslacht, opleidingsniveau en migratieachtergrond.  In de beschrijving gaat het altijd om de procentuele (relatieve) toename. De toename in absolute aantallen kan berekend worden met de referentiewaarden in hoofdstuk 3. 

4.1. Uitkering volledige arbeidsongeschiktheid

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 4,9 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een uitkering voor volledige arbeidsongeschiktheid. 

Leeftijd

Volledige arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling leidt vooral in de leeftijdsjaren voor pensionering tot een toename van het aantal personen met 21 dienstjaren (zie Grafiek 4.1.1). Het aantal 64-jarigen met 21 dienstjaren neemt dan bijvoorbeeld met ruim een op de vijf toe.

4.1.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering volledige arbeidsongeschiktheid' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
350,5
360,5
370,7
380,9
391,1
401,4
411,6
421,8
431,9
442,1
452,2
462,4
472,7
483
493,2
503,4
513,7
524,1
534,5
544,9
555,5
566
576,8
587,6
598,8
6010,1
6112
6214,8
6319,1
6422,4
651,5
661,4
671,5
681,5
691,6
 

Geslacht

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door volledige arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling is onder vrouwen veel groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.1.2); tot 65 jaar ongeveer twee keer zo groot.

4.1.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering volledige arbeidsongeschiktheid' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
350,30,7
360,30,7
370,41
380,51,4
390,71,7
400,92,1
4112,4
421,12,7
431,12,9
441,33,2
451,43,4
461,53,7
471,74,2
481,84,7
4925,1
502,15,3
512,55,6
522,86,3
533,16,7
543,57,3
553,97,9
564,38,8
5759,6
585,611
596,412,6
607,614,3
61917
6211,121,4
6314,328,3
6416,633,9
651,41,8
661,31,7
671,51,5
681,51,5
691,51,8
 

Opleidingsniveau

Door rekening te houden met jaren van volledige arbeidsongeschiktheid neemt het aantal personen met 21 dienstjaren het sterkst toe en al op jongere leeftijd bij lager opgeleiden (zie Grafiek 4.1.3). De toename is het minst sterk onder hoger opgeleiden. Een reden hiervoor zal zijn dat lager opgeleiden vaker zwaarder werk doen met een grotere kans op volledige arbeidsongeschiktheid.

4.1.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering volledige arbeidsongeschiktheid' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
351,80,50,1
361,20,50,1
372,90,80,2
382,70,60,3
394,10,90,5
404,21,10,3
414,91,50,5
426,81,60,6
435,420,7
446,72,10,7
455,72,10,8
467,52,40,9
477,52,71,1
487,62,91
496,731,4
507,42,81,4
518,33,31,7
529,44,12
539,93,72
54124,12,2
559,94,82,5
5612,75,22,9
5714,65,23,3
5815,86,13,1
5917,98,24,3
602010,34,8
6123,5115,2
6228,113,87,7
6333,115,59,8
6436,918,612,6
652,20,90,8
660,91,51,1
672,91,31,3
681,71,30,2
691,11,31
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren neemt het sterkst toe onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond als jaren van volledige arbeidsongeschiktheid als dienstjaren meetellen naast werk (zie Grafiek 4.1.4). Dat kan samenhangen met hun opleidingsniveau dat gemiddeld lager is dan dat van personen met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond (zie dit webartikel).

4.1.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering volledige arbeidsongeschiktheid' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
350,50,30,9
360,50,51,1
370,60,81,5
380,812,3
3911,42,7
401,31,23,5
411,41,74,4
421,61,64,9
431,72,15,2
441,82,35,9
4522,35,6
462,22,36,5
472,42,98,1
482,73,47,7
492,83,89,4
5033,68,8
513,33,911,5
523,64,913
5345,113,3
544,45,115
554,8617,6
565,46,418,8
5767,421,8
586,88,923,5
597,99,526,5
609,211,627,5
6110,91335,2
6213,615,540,8
6317,720,847,1
6421,423,641,4
651,423,2
661,41,52,7
671,41,81
681,41,53,4
691,61,24,3
 

4.2. Uitkering gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 1,9 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een uitkering voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. 

Leeftijd

Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling leidt net als bij volledige arbeidsongeschiktheid vooral in de leeftijdsjaren voor pensionering tot een toename van het aantal personen met 21 dienstjaren (zie Grafiek 4.2.1). De toename is echter wel een stuk kleiner dan bij volledige arbeidsongeschiktheid. 

4.2.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
350,7
360,8
370,8
380,9
391
401
411
421
431,1
441,1
451,2
461,3
471,3
481,3
491,4
501,4
511,6
521,7
531,8
541,9
552
562,1
572,3
582,4
592,8
603
613,4
624
635,9
648
651,5
661,5
671,6
681,4
691,5
 

Geslacht

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling is onder vrouwen groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.2.2). Dit verschil is echter kleiner dan bij het meetellen van dienstjaren door volledige arbeidsongeschiktheid.

4.2.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
350,41,1
360,51,2
370,51,3
380,61,3
390,61,5
400,61,4
410,61,4
420,71,5
430,71,6
440,81,6
450,81,7
460,91,8
470,91,9
4811,9
491,12
501,11,9
511,32,1
521,42,3
531,42,4
541,52,5
551,62,6
561,72,7
5722,9
5823,1
592,43,5
602,63,8
6134,2
623,55
635,17,5
647,19,8
651,51,4
661,61,3
671,80,8
681,51,1
691,51,5
 

Opleidingsniveau

Door rekening te houden met jaren van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid neemt het aantal personen met 21 dienstjaren het sterkst toe bij lager opgeleiden (zie Grafiek 4.2.3). De toename is het minst sterk onder hoger opgeleiden. Dit is hetzelfde beeld als bij volledige arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling; de toenames zijn echter wel minder groot.

4.2.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
351,40,70,3
361,40,80,6
371,60,80,3
381,710,5
392,31,30,5
401,910,6
411,910,6
421,71,10,6
432,410,7
442,11,40,7
4531,20,7
462,51,10,8
472,31,10,9
482,31,30,8
492,11,40,9
502,51,40,9
512,91,50,9
522,81,71,1
5331,71,1
543,41,51,2
5531,81,4
563,31,91,2
574,32,21,4
583,72,21,5
594,62,91,5
605,131,7
615,53,12,2
625,643
638,354,7
6410,38,26
652,51,30,8
6621,40,7
6721,50,3
680,80,81,6
69211,2
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren neemt het sterkst toe onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond als jaren van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als dienstjaren meetellen naast werk (zie Grafiek 4.2.4). Dat is hetzelfde beeld als bij volledige arbeidsongeschiktheid als gelijkstelling, al zijn de toenames veel kleiner.

4.2.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
350,60,72,5
360,70,92,9
370,80,82,5
380,812,5
390,912,9
400,81,12,8
410,912,7
420,91,22,8
430,91,43,4
4411,82,4
4511,52,9
461,11,53,5
471,11,43,7
481,21,43,9
491,31,54,1
501,31,63,8
511,41,95,1
521,52,35,4
531,61,85,3
541,72,15,7
551,82,35,9
561,92,36,4
572,12,57,4
582,22,96,4
592,63,36,7
602,83,37,6
613,24,28,4
623,84,69,3
635,66,411,8
647,88,111,9
651,51,32,3
661,51,83,5
671,61,81
681,412
691,51,93,1
 

4.3. Uitkering arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 1,9 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een uitkering arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten. 

Leeftijd

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren als naast werk ook rekening wordt gehouden met arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten is in de leeftijdsjaren rond 38 jaar iets hoger dan op hogere leeftijden (zie Grafiek 4.3.1). 

4.3.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid jong gehandicapten' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
350,8
362,5
374,3
383,5
393,3
402,9
412,7
422,4
432,2
442
452
461,9
471,8
481,8
491,9
501,8
511,8
521,8
531,8
541,7
551,7
561,5
571,6
581,5
591,5
601,5
611,6
621,6
631,9
642
650
660
670
680
690
 

Geslacht

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten als gelijkstelling is onder vrouwen groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.3.2).

4.3.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid jong gehandicapten' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
350,80,9
362,52,5
374,24,3
383,33,8
393,13,6
402,73,2
412,43
422,12,6
431,92,5
441,82,2
451,72,3
461,62,3
471,52,2
481,62,3
491,62,4
501,52,3
511,52,4
521,52,3
531,42,3
541,32,2
551,32,2
561,22,1
571,32,1
581,21,9
591,22
601,21,9
611,32,2
621,32,2
631,52,5
641,62,9
6500
6600
6700
6800
6900,1
 

Opleidingsniveau

Het aantal mensen met 21 dienstjaren neemt voornamelijk toe onder lager opgeleiden als naast werk ook rekening gehouden wordt met arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten (zie grafiek 4.3.3). Deze toename is het hoogst onder de lagere leeftijden. Onder de 37-jarige lager opgeleiden is de toename bijvoorbeeld een op de vijf. Het aantal hoger opgeleiden met 21 dienstjaren neemt nauwelijks toe bij de gelijkstelling arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten.

4.3.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid jong gehandicapten' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
354,10,40,2
3610,70,90,2
3720,50,90,4
3818,11,10,4
3918,80,80,4
401410,3
4113,30,60,3
42100,80,3
4311,90,90,3
446,50,70,2
458,20,70,2
467,80,60,2
476,20,40,2
486,60,60,1
497,80,50,2
506,20,60,1
515,40,50,2
525,40,70,2
534,80,50,1
544,90,30,4
556,60,50,2
5630,40,2
574,90,40,1
583,10,30,1
5940,40,1
603,20,60,1
613,50,30,2
624,30,30,3
632,80,50,4
642,80,60,4
65000,2
66000
67000
68000
69000
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren neemt op lagere leeftijden het sterkst toe onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond als jaren van arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten als dienstjaren meetellen naast werk (zie Grafiek 4.3.4). Op hogere leeftijden is er minder verschil in toename tussen mensen met een migratie- of Nederlandse achtergrond. 

4.3.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid jong gehandicapten' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
350,80,81,3
362,334,6
373,95,38,6
383,24,77,1
393,14,45,8
402,73,45,5
412,53,35,1
422,234,3
432,12,23,7
441,92,53,1
451,92,22,9
461,82,12,7
471,72,22,4
481,82,22,2
491,82,32,1
501,722,2
511,822,2
521,821,8
531,71,91,9
541,72,11,4
551,71,71,5
561,51,91,1
571,61,91
581,51,50,9
591,41,81,2
601,51,71
611,621,1
621,61,81,5
631,91,91,4
6422,41,7
6500,10
66000
67000
68000
69000
 

4.4. Uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 0,2 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Deze gelijkstelling heeft dus weinig effect.

Leeftijd

De toename van dienstjaren als naast werk ook rekening wordt gehouden met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van zelfstandigen is zeer beperkt (zie Grafiek 4.4.1). Dit zal samenhangen met de afschaffing van de WAZ in 2004. In de jaren voor pensionering is de toename nog wel hoger dan op andere leeftijden.

4.4.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
350
360
370
380
390
400
410
420
430
440
450
460
470,1
480,1
490,1
500,1
510,1
520,1
530,1
540,2
550,2
560,2
570,2
580,3
590,3
600,4
610,5
620,6
630,9
641,3
650,6
660,5
670,6
680,6
690,7
 

Geslacht

Tussen mannen en vrouwen is er weinig verschil in de toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen als gelijkstelling (zie Grafiek 4.4.2).

4.4.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
3500
3600
3700
3800
3900
4000
4100
4200
4300
4400
4500
4600
4700,1
480,10,1
490,10,1
500,10,1
510,10,1
520,10,1
530,10,1
540,20,2
550,20,2
560,20,2
570,20,3
580,30,3
590,30,4
600,40,5
610,50,6
620,60,7
630,91
641,21,4
650,70,5
660,60,3
670,70,5
680,70,4
690,70,8
 

Opleidingsniveau

De beperkte toename van het aantal mensen met 21 dienstjaren door de gelijkstelling arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen is onder lager en middelbaar opgeleiden nog het hoogst in de jaren voor pensionering (zie Grafiek 4.4.3). Onder hoogopgeleiden is de toename onder 67- en 68-jarigen het hoogst. Het gaat hier echter maar om kleine groepen mensen die na hun pensioenleeftijd doorwerken.

4.4.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
35000
36000
37000
38000
39000
40000
410,300
42000
43000
44000,1
450,100
460,10,10
470,100
480,10,10
490,10,10
500,10,10
510,10,20
520,10,10
530,10,10,1
540,50,10,1
550,40,20,1
560,20,20,1
570,30,30,2
580,50,10,2
590,50,30,3
6010,40,2
610,80,50,4
620,90,40,3
630,910,3
641,91,80,7
6510,70,4
660,51,30,3
670,30,32
680,40,61,3
690,92,60
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren op basis van werk en arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen neemt onder mensen met een Nederlandse achtergrond het sterkst toe, al zijn de toenames zeer beperkt (zie Grafiek 4.4.4).

4.4.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'uitkering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
35000
36000
37000
38000
39000
40000
41000,1
42000
43000
44000,1
45000
46000
470,10,10
480,10,10,1
490,10,10
500,10,10,1
510,10,10,2
520,10,20,2
530,10,10,2
540,200,2
550,20,10,2
560,20,20,2
570,20,30,1
580,30,20,2
590,30,40,4
600,40,30,4
610,60,50,3
620,60,50,6
630,90,90,7
641,310,7
650,70,50,2
660,50,40,3
670,60,40
680,60,51
690,80,50
 

4.5. Werkloosheidsuitkering

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 11,1 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een werkloosheidsuitkering. Het is daarmee de gelijkstelling met het meeste effect op het aantal dienstjaren.

Leeftijd

Een werkloosheidsuitkering als gelijkstelling zorgt voor de meeste leeftijden voor ongeveer een op de negen meer mensen met 21 dienstjaren. Alleen in de jaren voor de pensioenleeftijd ligt dit aandeel iets hoger (zie Grafiek 4.5.1).

4.5.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'werkloosheidsuitkering' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
358,6
369,3
379,9
3810,1
3910,2
4010,4
4110,5
4210,9
4311,1
4411
4511,1
4611,2
4711,2
4811,1
4911
5010,9
5111,2
5211
5311
5411,2
5511,2
5611,4
5711,4
5811,8
5912,1
6012,4
6112,9
6213,7
6315,1
6415,5
658,8
666,7
675,2
683,9
693,7
 

Geslacht

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door een werkloosheidsuitkering als gelijkstelling is tot ongeveer 55 jaar onder vrouwen groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.5.2). Op latere leeftijd is er minder verschil.

4.5.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'werkloosheidsuitkering' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
357,410,1
368,110,8
378,811,3
388,911,6
39911,8
40912,1
419,312
429,612,4
439,912,7
449,612,8
459,712,9
461012,9
479,913
481012,9
491012,6
501012,4
5110,612,1
5210,611,8
5310,711,5
5410,811,9
5511,111,3
5611,111,8
5711,211,6
581211,5
5912,311,6
6012,612,2
6113,212,3
6214,113,1
6315,214,9
6415,316
659,56,8
667,25,3
675,63,8
684,13,1
6942,6
 

Opleidingsniveau

Tussen lager, middelbaar en hoger opgeleiden is er niet veel verschil in de toenames van het aantal mensen met 21 dienstjaren door de gelijkstelling werkloosheidsuitkering (zie Figuur 4.5.3). Er zijn over de leeftijdsjaren heen wel wat fluctuaties binnen de opleidingsniveaus, maar de verschillen tussen de opleidingsniveaus zijn klein.

4.5.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'werkloosheidsuitkering' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
3510,49,17
369,2107,5
371111,18,1
3810,710,98,6
3910,210,99,1
4010,8119,5
419,711,19,6
4210,111,310,2
4311,311,310,7
4410,411,710,8
459,811,611,3
4610,611,111,8
479,810,911,7
489,910,911,7
499,710,711,8
509,910,611,9
519,910,912
529,410,812,2
5310,110,811,9
549,910,612,7
5510,11112
5610,111,312
5710,311,211,9
5811,211,511,9
5911,112,812,5
6011,512,612,6
6111,812,912,9
6213,214,513,7
6314,216,315,1
6415,816,816
6579,58,2
665,97,27,3
674,85,34,7
683,23,93,4
6934,43,3
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren neemt onder personen met een migratieachtergrond sterker toe dan onder personen met een Nederlandse migratieachtergrond als jaren met een werkloosheidsuitkering als dienstjaren meetellen naast werk (zie Grafiek 4.5.4). De toename is onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond nog weer groter dan onder personen met een westerse migratieachtergrond.

4.5.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'werkloosheidsuitkering' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
35812,416,7
368,512,819
379,113,818,4
389,214,120,1
399,414,319,5
409,514,319,8
419,614,520,5
429,915,421,3
4310,215,421,5
4410,115,919,5
4510,315,119,4
4610,41519,7
4710,415,318,8
4810,414,919,2
4910,31518
5010,214,918,4
5110,316,219,1
5210,315,816,9
5310,315,217,3
5410,614,617,4
5510,51517,2
5610,815,616,5
5710,914,816,2
5811,315,317,2
5911,61617
601215,715
6112,517,314,1
6213,417,115,8
6314,818,515,5
6415,218,416,7
658,510,612
666,47,812,4
674,87,610,3
683,66,16,4
693,55,81,2
 

4.6. Ziektewetuitkering

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 1,4 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een Ziektewetuitkering. 

Leeftijd

De toename van het aantal mensen met 21 dienstjaren door de gelijkstelling Ziektewetuitkering neemt af met de leeftijd (zie Grafiek 4.6.1). Overigens is het effect van deze gelijkstelling beperkt. 

4.6.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'Ziektewetuitkering' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
352,7
363
372,9
382,6
392,5
402,3
412,1
421,9
431,8
441,7
451,6
461,6
471,4
481,3
491,3
501,3
511,2
521,2
531,1
541,1
551
561
571
580,9
591
600,9
611
621,1
631
641
650,7
660,5
670,5
680,4
690,3
 

Geslacht

Onder vrouwen is de toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door een Ziektewetuitkering veel groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.6.2); tot 48 jaar ongeveer twee keer zo groot.

4.6.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'Ziektewetuitkering' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
351,93,8
362,14,2
372,14
381,83,6
391,73,5
401,73
411,52,8
421,42,5
431,32,5
441,32,3
451,22,2
461,12,3
471,11,9
481,11,7
4911,6
501,11,6
5111,4
5211,4
5311,3
5411,3
5511,1
560,91,1
5711
580,91
5911,1
600,90,9
611,11
621,11,1
6311
6411
650,70,6
660,50,4
670,50,5
680,40,3
690,30,2
 

Opleidingsniveau

Door rekening te houden met jaren met een Ziektewetuitkering neemt het aantal personen met 21 dienstjaren het sterkst toe bij lager opgeleiden (zie Grafiek 4.6.3). De toename is het minst sterk onder hoger opgeleiden.

4.6.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'Ziektewetuitkering' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
354,431,7
364,13,51,9
375,43,31,8
383,22,91,7
393,72,71,7
402,92,51,7
412,52,21,4
4232,11,3
432,821,2
442,82,21
452,71,91
462,31,81,2
472,31,50,9
481,61,50,9
491,91,30,9
5021,30,8
511,91,20,7
521,81,20,8
531,51,40,6
541,610,8
551,510,5
561,31,10,5
571,61,10,4
581,610,4
591,71,20,5
601,410,5
611,71,10,5
621,51,20,6
631,21,20,5
641,41,10,5
650,90,90,3
661,10,40,2
670,40,50,1
680,20,30,2
690,40,20,6
 

Migratieachtergrond

Het aantal personen met 21 dienstjaren neemt onder personen met een migratieachtergrond sterker toe dan onder personen met een Nederlandse migratieachtergrond als jaren met een Ziektewetuitkering als dienstjaren meetellen naast werk (zie Grafiek 4.6.4). De toename is onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond nog weer groter dan onder personen met een westerse migratieachtergrond.

4.6.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'Ziektewetuitkering' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
352,53,65,1
362,84,25,2
372,63,46,4
382,345,4
392,33,15,1
402,13,24,3
411,92,94,3
421,72,14,2
431,72,43,7
441,62,33,5
451,42,13
461,51,83,2
471,31,83,1
481,31,72,2
491,21,42,2
501,21,52,3
511,11,42,5
521,11,62
5311,31,9
5411,42,5
550,91,22
560,91,31,9
570,912,2
580,91,11,8
590,91,21,9
600,91,21,8
6111,21,9
621,11,21,8
6311,21,6
64111,7
650,70,70,6
660,50,60,3
670,50,51
680,40,30,5
690,20,40
 

4.7. Onbetaald verlof

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 3,0 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens onbetaald verlof. Vanwege de ruime afbakening van onbetaald verlof in dit onderzoek is dit waarschijnlijk wel een overschatting (zie paragraaf 2.2).

Leeftijd

Onbetaald verlof als gelijkstelling leidt tot een vrij constante toename per leeftijdsjaar van het aantal personen met 21 dienstjaren (zie Grafiek 4.7.1). Tot 42 jaar is de toename wat hoger. Dat geldt ook voor de jaren na de pensioenleeftijd. Wellicht komt het dan vaker voor dat men een periode geen werk heeft en dan weer voor dezelfde werkgever gaat werken. Maar de term onbetaald verlof lijkt voor deze mensen niet op zijn plaats, omdat er waarschijnlijk sprake zal zijn van een AOW- en/of pensioenuitkering. 

4.7.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'onbetaald verlof' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
356
364,9
374,4
383,9
393,7
403,3
412,9
422,8
432,6
442,7
452,5
462,5
472,6
482,6
492,5
502,5
512,5
522,6
532,6
542,4
552,6
562,5
572,5
582,4
592,6
602,5
612,5
622,6
632,9
644
656,1
666,3
676,4
686,6
697

Geslacht

Tussen mannen en vrouwen is er weinig verschil in de toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door onbetaald verlof als gelijkstelling (zie Grafiek 4.7.2).

4.7.2 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'onbetaald verlof' naar geslacht en leeftijd, 2019
LeeftijdMannen (%)Vrouwen (%)
3566
364,85,2
374,14,7
383,84,1
393,73,8
403,13,6
412,92,9
422,82,8
432,52,7
442,62,7
452,42,6
462,52,6
472,62,6
482,52,6
492,52,6
502,52,6
512,52,5
522,52,6
532,62,5
542,42,5
552,62,5
562,52,4
572,42,6
582,52,3
592,62,5
602,52,6
612,52,4
622,62,6
6332,8
6443,9
655,96,5
666,55,7
676,66
686,85,9
697,45,4

Opleidingsniveau

Ook tussen lager-, middelbaar- en hoger opgeleiden is er weinig verschil in de toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door onbetaald verlof als gelijkstelling (zie Grafiek 4.7.3). Alleen tot 40 jaar is de toename iets hoger onder hoger opgeleiden.

4.7.3 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'onbetaald verlof' naar opleidingsniveau en leeftijd, 2019
LeeftijdLager opgeleid (%)Middelbaar opgeleid (%)Hoger opgeleid (%)
355,55,67,2
363,34,36,4
3743,85,4
382,93,65
393,52,85
402,434,5
4132,43,4
422,62,53,3
432,22,22,7
442,32,52,7
452,72,32,5
462,72,12,6
473,22,62,6
4832,62,7
4932,42,7
502,82,42,7
512,72,32,3
5232,52,6
532,32,42,7
542,82,22,4
553,32,22,9
561,822,8
572,62,22,5
582,82,12,6
5932,62,3
602,62,32,5
613,12,22,5
622,32,12,6
632,333,3
643,74,14,1
654,84,77,1
665,97,16,4
675,35,76,7
684,54,810,7
699,19,26,8
 

Migratieachtergrond

En ook tussen personen met een Nederlandse achtergrond en personen met een migratieachtergrond is er weinig verschil in de toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door onbetaald verlof als gelijkstelling (zie Grafiek 4.7.4).

4.7.4 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'onbetaald verlof' naar achtergrond en leeftijd, 2019
LeeftijdNederlands (%)Westers (%)Niet-westers (%)
3567,35,1
3654,94,7
374,34,84,1
3843,63,4
393,743,1
403,43,33,1
412,933,5
422,833,4
432,62,72,7
442,63,23
452,52,82,7
462,52,72,8
472,62,72,7
482,532,7
492,52,62,7
502,52,62,6
512,52,72,6
522,62,82,7
532,52,72,8
542,42,62,8
552,532,8
562,42,72,1
572,52,62,4
582,42,62,1
592,62,72,8
602,52,62,7
612,52,52,8
622,62,72,2
6332,82,7
6443,73,4
6566,16,6
666,36,67
676,56,25,5
686,764,9
696,97,48
 

4.8. Jong kind in het huishouden

In totaal (alle leeftijden) neemt het aantal personen met 21 dienstjaren met 8,4 procent toe als naast dienstjaren door werk ook rekening gehouden wordt met gelijkgestelde dienstjaren wegens een jong kind in het huishouden. Dit kan betekenen dat mensen stoppen met werken om voor een jong kind te zorgen. Het kan echter ook betekenen dat men om andere redenen geen werk had, maar wel de zorg voor een jong kind.

Leeftijd

Het is niet verwonderlijk dat een jong kind in het huishouden vooral tot een toename van personen met 21 dienstjaren leidt op jongere leeftijden (zie Grafiek 4.8.1). Mensen met hogere leeftijden in de populatie personen met 21 dienstjaren hebben in de afgelopen 21 jaar meestal geen jonge kinderen meer gehad in het huishouden.

4.8.1 Procentuele toename van personen met 21 dienstjaren door gelijkstelling 'jong kind in het huishouden' naar leeftijd, 2019
LeeftijdAandeel (%)
359,1
369,9
3710,3
3810,7
3911,3
4011,8
4111,9
4212,4
4312,7
4412,9
4512,9
4613,4
4713,2
4813,1
4912,5
5011,8
5111,1
5210
538,4
547,2
556
564,8
573,7
582,7
592,2
601,6
611,2
620,8
630,6
640,5
650,6
660,5
670,3
680,4
690,2
 

Geslacht

De toename van het aantal personen met 21 dienstjaren door een jong kind in het huishouden als gelijkstelling is onder vrouwen veel groter dan onder mannen (zie Grafiek 4.8.2). Dit kan er mee samenhangen dat vrouwen eerder dan mannen niet werken in verband met de zorg voor een jong kind.