Regionale indelingen

In Nederland worden veel verschillende regionale indelingen gebruikt. Het bekendst zijn de indelingen in provincies en gemeenten. Voor veel bovengemeentelijke regionale indelingen vormen gemeenten de bouwstenen. De meeste hogere niveaus van regionale indelingen zijn groeperingen van gemeenten. Meestal volgen deze indelingen ook de provinciegrenzen.

Bij het vormen en wijzigen van regionale indelingen kan op twee manieren te werk worden gegaan. Er kan worden ingedeeld op eenvormigheid van een bepaald kenmerk. Deze zonale indeling is bijvoorbeeld bij landbouwgebieden te zien. Er kan ook worden ingedeeld naar het gebied dat een bepaalde voorziening bedient. Deze nodale indeling is bijvoorbeeld toegepast bij de gebiedsindeling van de Kamers van Koophandel.

Niet alle statistieken worden voor elk gebied samengesteld. Zo worden over themagerichte gebiedsindelingen alleen thematische statistieken gepubliceerd. Statistieken over toerisme bijvoorbeeld worden per toeristengebied gepubliceerd, maar niet per politieregio.

De niet-themagerichte gebiedsindelingen worden ook wel de standaard regionale indelingen genoemd. Dit zijn de indelingen naar bijvoorbeeld provincie, COROP-gebied en gemeente.

Er zijn diverse gebiedsindelingen die niet, of niet volledig, zijn te herleiden tot het gemeentelijk niveau. Bij deze niet-gemeentelijke indelingen zijn gemeenten niet altijd de bouwstenen van het gebied. Voorbeelden van niet-gemeentelijke indelingen zijn waterschappen, bevolkingskernen, Caribisch Nederland en de Extra-regio.

In StatLine worden gemeenten niet alleen ingedeeld in gebieden, maar ook geclassificeerd naar gemeentegrootte en stedelijkheid.

Gemeenten vormen de bouwstenen voor veel bovengemeentelijke indelingen en zijn zelf weer onder te verdelen in postcodegebieden, wijken en buurten. Dit zijn benedengemeentelijke indelingen. De indeling naar wijken en buurten loopt niet altijd gelijk met de indeling naar postcodegebieden.

Elke gemeente bestaat uit minimaal één wijk. Elke wijk bestaat uit minimaal één buurt. De buurt is daarmee de laagste regionale indeling. Elke buurt heeft een code van acht karakters: vier karakters voor de gemeentecode, twee voor de wijkcode en twee voor de buurtcode.