Hoe groot is onze broeikasgasuitstoot?

In 2020 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen 165 megaton CO2-equivalent. Dit is 9 procent lager dan in 2019 en 25 procent lager dan in 1990. Eén megaton CO2-equivalent staat voor de broeikasgaswerking van de uitstoot van één megaton koolstofdioxide (= 1 miljard kilogram CO2).

De CO2-uitstoot van 2020 is15 procent lager dan in 1990. In 2010 was het nog 12 procent hoger. Daarentegen is in 2020 de gezamenlijke uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, lachgas en F-gassen) 54 procent lager dan in 1990. Ook in 2010 was deze uitstoot gehalveerd. Het aandeel CO2 in de totale uitstoot van broeikasgassen is dan ook gestegen, van 74 procent in 1990 naar 84 procent in 2020.

Uitstoot broeikasgassen
 Koolstofdioxide (megaton CO2-equivalent)Methaan (megaton CO2-equivalent)Lachgas (megaton CO2-equivalent)F-gassen (megaton CO2-equivalent)Doel Urgenda (megaton CO2-equivalent)Doel Klimaatakkoord (megaton CO2-equivalent)
1990162,731,817,58,5
2000171,624,215,56,8
2010182,019,48,22,6
2018159,517,38,02,0
2019153,617,27,92,0
2020138,116,97,81,7
2020165,4
2030112,5
Bron: CBS, RIVM/Emissieregistratie
 

Wat wordt er meegerekend?

De berekening van de broeikasgasuitstoot is berekend volgens de voorschriften die in het kader van het Kyotoprotocol zijn opgesteld door het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). De uitstoot van de internationale lucht- en zeevaart telt hierin niet mee, net zo min als de uitstoot uit biomassa. Om de uitstoot van de verschillende gassen op te kunnen tellen, is de uitstoot van elk gas omgerekend naar megaton CO2-equivalent op basis van het Global Warming Potential (GWP) – dat is de mate waarin een gas bijdraagt aan het broeikaseffect. De IPCC schrijft voor welke GWP er per gas gebruikt dient te worden.

Wat zijn de doelstellingen voor 2020 en 2030?

Er zijn twee reductiedoelstellingen voor Nederland voor de uitstoot van broeikasgassen. Het eerste doel beoogt een uitstoot in 2020 die minimaal 25 procent lager is dan in 1990. Dit is door de rechter beslist in de Urgenda-klimaatzaak van 24 juni 2015. Dit vonnis werd bevestigd door het oordeel van het gerechtshof in Den Haag op 9 oktober 2018 en door het arrest van De Hoge Raad op 20 december 2019. De uitstoot mag daardoor in 2020 niet hoger zijn dan 165,4 megaton CO2-equivalent.

Op basis van het huidige 2020-cijfer (164,5 megaton CO2-equivalent) lijkt het Urgenda-doel gehaald te zijn. Echter, deze voorlopige raming zal nog iets wijzigen als gevolg van actuelere statistische broninformatie die later beschikbaar komt. De definitieve vaststelling van het 2020-jaarcijfer, en ook het reductiepercentage ten opzichte van 1990, gebeurt in februari 2022.

Het tweede doel, zoals vermeld in het Regeerakkoord van 10 oktober 2017, streeft naar een 49 procent lagere uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Dit is op 2 juli 2019 vastgelegd in de Klimaatwet. Om die 49 procent reductiedoelstelling te halen, hebben de overheid, de bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Na uitvoering van het Klimaatakkoord zou de uitstoot in 2030 op maximaal 112,5 megaton CO2-equivalent uit moeten komen.

Oorspronkelijk streefde de Europese Unie naar een 40 procent lagere uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In december 2020 zorgden de Europese Green Deal ambities ervoor dat het EU 2030-reductiedoel aangescherpt is naar 55 procent. Het is de verwachting dat dit ook gaat leiden tot een aanscherping van het Nederlandse 2030-reductiedoel. 

Uitstoot broeikasgassen
 1990 (megaton CO2-equivalent)2005 (megaton CO2-equivalent)2020 (megaton CO2-equivalent)Doel 2030 (megaton CO2-equivalent)
Industrie86,466,353,335,7
Elektriciteit39,652,132,912,4
Mobiliteit32,239,930,725,0
Landbouw32,425,426,122,2
Gebouwde omgeving29,929,321,615,3
Bron: CBS, RIVM/Emissieregistratie

Wat is er afgesproken voor de verschillende sectoren?

Om de reductie van 49 procent in 2030 te halen zijn sectordoelen afgesproken. Deze worden vermeld in een kamerbrief van 26 april 2018. In tabel 2 van deze kamerbrief worden de maximale emissies in 2030 genoemd van vijf sectoren, na uitvoering van het Klimaatakkoord. Hierbij kan een te kleine reductie bij de ene sector gecompenseerd worden door een extra reductie bij een andere sector. De sectordoelen zijn indicatief. Ze geven houvast aan de sectoren om uiteindelijk in 2030 gezamenlijk de 49 procent reductie te realiseren.

Schematische weergave Uitstoot broeikasgassen volgens verschillende definities, 2019 (in megaton CO 2 -equivalent, gelijk aan uitstoot volgens verschillende definities zoals genoemd in de tekst.) 

Hoe groot is de uitstoot volgens andere rekenkaders?

Afhankelijk van wat men in beeld wil brengen, zijn er verschillende rekenkaders voor de bepaling van de broeikasgasuitstoot. De bekendste is die van IPCC, deze omvat de hoeveelheid emissies die door menselijk toedoen binnen een bepaald land worden uitgestoten. De hierboven genoemde klimaatdoelen zijn gebaseerd op het IPCC-rekenkader. De IPCC-uitstoot voor 2019 is gelijk aan 181 megaton CO2-equivalent. Hiervan valt 84 megaton CO2-equivalent onder het Europese emissiehandelssysteem. Elektriciteitscentrales en de grote industriële uitstoters doen hier verplicht aan mee.

Een ander rekenkader is die van Milieurekeningen. Het gaat daarbij om broeikasgasemissies die horen bij de productie- en consumptie activiteiten binnen de Nederlandse economie. In 2019 is de uitstoot conform Milieurekeningen gelijk aan 214 megaton CO2-equivalent. Dat is 33 megaton CO2-equivalent hoger dan de IPCC-uitstoot voor 2019. Zo tellen het verbranden van biomassa en de Nederlandse lucht- en zeevaart wel mee binnen het rekenkader van de Milieurekeningen, maar tellen deze economische activiteiten (tezamen goed voor 30 megaton CO2-equivalent) niet mee binnen het IPCC-rekenkader. Voor de internationale lucht- en zeevaart is door de IPCC geen methodiek vastgesteld om de uitstoot ervan toe te delen aan de betrokken landen, waardoor het buiten de IPCC-scope valt. Het verbranden van biomassa telt bij de IPCC niet mee, omdat het kort-cyclisch is. Bij de CO2 die vrijkomt bij de verbranding van biomassa wordt door de IPCC namelijk verondersteld dat deze op korte termijn weer wordt vastgelegd in biomassa en dat het daardoor niet bijdraagt aan een toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Het verbranden van biomassa omomvat niet alleen de bij- en meestook van biomassa in elektriciteitscentrales en dergelijke, maar ook het verbruik van biogas en transportbrandstoffen als biodiesel en biobenzine.

Een ander verschil tussen IPCC en Milieurekeningen is, dat de IPCC uitgaat van wat er binnen het Nederlands grondgebied plaatsvindt, terwijl de Milieurekeningen zich baseert op wat de Nederlandse ingezetenen doen. De correctie hierop is gelijk aan 3 megaton CO2-equivalent. De IPCC-richtlijnen schrijven bijvoorbeeld voor dat de broeikasgasuitstoot van het wegverkeer berekend wordt op wat er aan motorbrandstoffen in Nederland getankt wordt (ongeacht waar men vandaan komt), terwijl de Milieurekeningen uitgaan van de door Nederlandse ingezetenen gereden kilometers (ongeacht of dit wel of niet in Nederland gebeurt).

Met de ‘voetafdruk’ wordt in beeld gebracht welke uitstoot gerelateerd is aan de consumptie van goederen en diensten door de Nederlandse ingezetenen. Dit is dus inclusief de emissies die in het buitenland worden veroorzaakt voor de productie van goederen en diensten die in Nederland worden geconsumeerd. In 2019 is de voetafdruk gelijk aan 271 megaton CO2-equivalent. Bij de Milieurekeningen-emissies van 214 megaton CO2-equivalent worden de emissies gerelateerd aan import opgeteld en die aan export afgetrokken. Nederland stoot vanuit consumptieperspectief 27 procent meer aan broeikasgassen uit dan vanuit productieperspectief.