Hoe groot is onze broeikasgasuitstoot?

In 2021 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen 168 megaton CO2-equivalent. Dit is 1,5 procent hoger dan in 2020 en 24 procent lager dan in 1990. Eén megaton CO2-equivalent staat voor de broeikasgaswerking van de uitstoot van één megaton koolstofdioxide (= 1 miljard kilogram CO2).

De CO2-uitstoot van 2021 is 13 procent lager dan in 1990. In 2010 was het nog 12 procent hoger.

Daarentegen is in 2021 de gezamenlijke uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, lachgas en F-gassen) 54 procent lager dan in 1990. Deze halvering was in 2010 al bijna gerealiseerd (-46 procent). Het aandeel CO2 in de totale uitstoot van broeikasgassen is dan ook gestegen, van 74 procent in 1990 naar 84 procent in 2021.

Het zogenoemde Urgenda-doel beoogde een uitstoot in 2020 (en latere jaren) die minimaal 25 procent lager is dan die in 1990. Het Urgenda-doel werd in 2020 wel gehaald (-25,2 procent) en in 2021 niet (-24,1 procent).

Uitstoot broeikasgassen
 Koolstofdioxide (megaton CO2-equivalent)Methaan (megaton CO2-equivalent)Lachgas (megaton CO2-equivalent)F-gassen (megaton CO2-equivalent)Doel Urgenda (megaton CO2-equivalent)Doel Coalitieakkoord (megaton CO2-equivalent)
1990162,735,715,57,3
2000171,627,113,86,0
2010182,021,77,22,4
2019153,519,37,01,6
2020138,319,06,91,3
2021141,118,76,61,5
2020165,9
203099,6
Bron: CBS, RIVM/Emissieregistratie

Wat wordt er meegerekend?

De berekening van de broeikasgasuitstoot is berekend volgens de voorschriften die in het kader van het Kyotoprotocol zijn opgesteld door het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). De uitstoot van de internationale lucht- en zeevaart telt hierin niet mee, net zo min als de uitstoot uit biomassa. Om de uitstoot van de verschillende gassen op te kunnen tellen, is de uitstoot van elk gas omgerekend naar megaton CO2-equivalent op basis van het Global Warming Potential (GWP) – dat is de mate waarin een gas bijdraagt aan het broeikaseffect. De IPCC schrijft voor welke GWP er per gas gebruikt dient te worden.

Door nieuwe IPCC-voorschriften wordt vanaf midden september 2022 gerekend met nieuwe GWP’s. Methaan (CH4) telt nu zwaarder mee (factor 28 in plaats van 25) en lachgas (N2O) minder zwaar (factor 265 in plaats van 298). Ook bij de F-gassen zijn de GWP’s aangepast.

Verspreid op de CBS-website staan allerlei cijfers over de uitstoot van broeikasgassen, uit verschillende rekenkaders, en elk met een eigen publicatiestrategie. Allerlei aanpassingen, zoals nieuwe GWP’s, gebeuren niet gelijktijdig bij al deze cijfers. Het zal gedaan worden op de datum dat desbetreffende cijfers normaal gesproken geactualiseerd worden; bijv. de Monitor Brede Welvaart wordt jaarlijks op de derde woensdag van mei door het CBS naar buiten gebracht.

Uitstoot broeikasgassen
 1990 (megaton CO2-equivalent)2005 (megaton CO2-equivalent)2021 (megaton CO2-equivalent)Doel 2030 (megaton CO2-equivalent)
Industrie86,466,353,234,4
Elektriciteit39,652,132,76,1
Mobiliteit32,239,830,523,7
Landbouw33,126,127,118,9
Gebouwde omgeving30,029,324,510,0
Bron: CBS, RIVM/Emissieregistratie

Wat is de doelstelling voor 2030?

Als onderdeel van de Europese Green Deal ambitie wordt in Nederland (en in de Europese Unie) een broeikasgasuitstoot beoogd die in 2030 minimaal 55 procent lager is dan die in 1990. Dit is vastgelegd in het Coalitieakkoord van 15 december 2021. Zekerheidshalve richt het Nederlandse beleid zich op 60 procent reductie. Dit is een aanscherping van het 2030-doel dat op 2 juli 2019 vastgelegd werd in de Nederlandse Klimaatwet als onderdeel van het Klimaatakkoord. Dit beoogde 49 procent reductie.

Om de reductie van 55 procent in 2030 te halen zijn geen formele sectordoelen afgesproken. In plaats daarvan worden per sector ‘indicatieve restemissies 2030’ vastgelegd. Indicatief in de zin dat een te kleine reductie bij de ene sector gecompenseerd kan worden door een extra reductie bij een andere sector, waardoor de 55 procent reductie voor alle sectoren tezamen binnen bereik blijft. In de Kamerbrief van 11 februari 2022 worden indicatieve restemissies per sector genoemd (‘Doel 30’ in de figuur), die optellen tot 58 procent reductie, en die goed passen bij het hogere ambitieniveau van het Nederlandse beleid om te streven naar 60 procent reductie in plaats van de formeel geldende 55 procent reductie.

Uitstoot broeikasgassen volgens verschillende definities, 2020 (in megaton CO₂-equivalent)Emissiehandel 74 Niet-emissiehandel 91 waarvan 138 CO₂ en 27 niet CO₂ Samen IPCC; uitstoot van Nederlands grondgebied 165 + Uitstoot verbranden biomassa 20 + Uitstoot luchtvaart 8 + Uitstoot zeevaart 8 + Correctie ingezetenen / grondgebied 1 is 202 Uitstoot door NL economie; Milieurekeningen waarvan 174 CO₂ en 28 niet CO₂ + Uitstoot horend bij import 192 – Uitstoot horend bij export 164 Voetafdruk; door NL consumptie 230

Hoe groot is de uitstoot volgens andere rekenkaders?

Afhankelijk van wat men in beeld wil brengen, zijn er verschillende rekenkaders voor de bepaling van de broeikasgasuitstoot. De bekendste is die van IPCC, deze omvat de hoeveelheid emissies die door menselijk toedoen binnen een bepaald land worden uitgestoten. De hierboven genoemde klimaatdoelen zijn gebaseerd op het IPCC-rekenkader. De IPCC-uitstoot voor 2020 is gelijk aan 165 megaton CO2-equivalent. Hiervan valt 74 megaton CO2-equivalent onder het Europese emissiehandelssysteem. Elektriciteitscentrales en de grote industriële uitstoters doen hier verplicht aan mee.

Een ander rekenkader is die van Milieurekeningen. Het gaat daarbij om broeikasgasemissies die horen bij de productie- en consumptie activiteiten binnen de Nederlandse economie. In 2020 is de uitstoot conform Milieurekeningen gelijk aan 202 megaton CO2-equivalent. Dat is 37 megaton CO2-equivalent hoger dan de IPCC-uitstoot voor 2020. Zo tellen het verbranden van biomassa (20 megaton CO2-equivalent) en de Nederlandse lucht- en zeevaart (allebei 8 megaton CO2-equivalent) wel mee binnen het rekenkader van de Milieurekeningen, maar tellen deze economische activiteiten niet mee binnen het IPCC-rekenkader.

Voor de internationale lucht- en zeevaart is door de IPCC geen methodiek vastgesteld om de uitstoot ervan toe te delen aan de betrokken landen, waardoor het buiten de IPCC-scope valt. Het verbranden van biomassa telt bij de IPCC niet mee, omdat het kort-cyclisch is. Bij de CO2 die vrijkomt bij de verbranding van biomassa wordt door de IPCC namelijk verondersteld dat deze op korte termijn weer wordt vastgelegd in biomassa en dat het daardoor niet bijdraagt aan een toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Het verbranden van biomassa omvat niet alleen de bij- en meestook van biomassa in elektriciteitscentrales en dergelijke, maar ook het verbruik van biogas en transportbrandstoffen als biodiesel en biobenzine.

Een ander verschil tussen IPCC en Milieurekeningen is, dat de IPCC uitgaat van wat er binnen het Nederlands grondgebied plaatsvindt, terwijl de Milieurekeningen zich baseert op wat de Nederlandse ingezetenen doen. De correctie hierop is gelijk aan 1 megaton CO2-equivalent. De IPCC-richtlijnen schrijven bijvoorbeeld voor dat de broeikasgasuitstoot van het wegverkeer berekend wordt op wat er aan motorbrandstoffen in Nederland getankt wordt (ongeacht waar men vandaan komt), terwijl de Milieurekeningen uitgaan van de door Nederlandse ingezetenen gereden kilometers (ongeacht of dit wel of niet in Nederland gebeurt).

Met de ‘voetafdruk’ wordt in beeld gebracht welke uitstoot gerelateerd is aan de consumptie van goederen en diensten door de Nederlandse ingezetenen. Dit is dus inclusief de emissies die in het buitenland worden veroorzaakt voor de productie van goederen en diensten die in Nederland worden geconsumeerd. In 2020 is de voetafdruk gelijk aan 230 megaton CO2-equivalent. Bij de Milieurekeningen-emissies van 202 megaton CO2-equivalent worden de emissies gerelateerd aan import opgeteld en die aan export afgetrokken. Nederland stoot vanuit consumptieperspectief 14 procent meer aan broeikasgassen uit dan vanuit productieperspectief.